Conclusie
1.Inleiding en uitgangspunten
Tenzij-beslissing, [1] is de zaak voortgezet bij de voorzieningenrechter en later bij het Hof Amsterdam. In cassatie ligt thans de vraag voor of het hof heeft kunnen oordelen dat [eiser] zodanig is tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de met Eigen Haard gesloten huurovereenkomst dat ontbinding daarvan is gerechtvaardigd.
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel A, samengevat, miskent het hof in rov. 3.10 tot en met 3.12 dat als het gaat om een overeenkomst van huur en verhuur van sociale woonruimte bij de beoordeling of de tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt, (in elk geval) rekening dient te worden gehouden met het (concrete) belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst en om het ingrijpende gevolg van ontbinding en ontruiming te vermijden. Volgens
onderdeel B, samengevat, is het oordeel van het hof in rov. 3.11 en met name 3.12 onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof in het geheel niet is ingegaan op de stellingen van [eiser] over zijn belang bij het voortduren van de huurovereenkomst.
Tenzij-beslissing, rov. 3.5).
Tenzij-beslissing dient de afweging of de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt te geschieden aan de hand van alle omstandigheden van het geval (rov. 3.8.1) en kan niet op voorhand aan één gezichtspunt een beslissende rol worden toegekend (rov. 3.8.2). Het is aan de feitenrechter om te beoordelen of de tekortkoming, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de overeenkomst te ontbinden (rov. 3.9).
Tenzij-beslissing is voorts overwogen dat ten aanzien van de ontbinding van een overeenkomst van huur en verhuur van sociale woonruimte geen behoefte aan bijzondere regels bestaat, want “[b]ij de toepassing van art. 6:265 lid 1 BW Pro kan rekening worden gehouden zowel met het belang van sociale woningbouwverenigingen of -stichtingen om, in geval van misbruik of een andere tekortkoming aan de zijde van de huurder die van voldoende gewicht is, de woning beschikbaar te krijgen ten behoeve van anderen die aangewezen zijn op een sociale huurwoning, als met het belang van de huurder om het ingrijpende gevolg van ontbinding en ontruiming te vermijden.”
Tenzij-beslissing. De enkele omstandigheid dat het hof in zijn arrest het woonbelang van [eiser] niet met zoveel woorden noemt, rechtvaardigt niet de veronderstelling dat het hof dit belang niet zou hebben gewogen bij de afweging of de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt.
Onderdeel Avan het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en dient daarom te falen.
Tenzij-beslissing, rov. 3.9). Er kan verschillend gedacht worden over de afweging die in een geval als het onderhavige moet worden gemaakt. Ervan uitgaande dat [eiser] in de woning bleef wonen, [9] liet de voorzieningenrechter het zwaarste wegen dat hij handelde uit altruïstische overwegingen terwijl de inwoning langer duurde dan de bedoeling was. [10] Het hof hecht meer belang aan de ernst van de tekortkoming in het licht van de controle die Eigen Haard als sociale verhuurder moet kunnen uitoefenen op wie er in haar woningen verblijven. Dit verschil in afweging komt kennelijk vaker voor, zoals al bleek uit het tussenvonnis van de voorzieningenrechter waarin hij aankondigde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te zullen stellen. [11] Een dergelijk verschil in afweging noodzaakt op zichzelf niet dat de Hoge Raad ingrijpt, waarbij ik aanteken dat de mogelijkheden daartoe beperkt worden door het deels feitelijke karakter van de afweging die in deze gevallen gemaakt moet worden. Wel zou de Hoge Raad eventueel kunnen vereisen dat de rechter in de motivering van zijn uitspraak er uitdrukkelijk, of althans uitdrukkelijker dan in dit geval is gebeurd, blijk van geeft het woonbelang van de huurder van sociale woonruimte te hebben betrokken in zijn afweging of de tekortkoming de ontbinding met haar gevolgen rechtvaardigt. Daarmee is niet gezegd, dat het stellen van een dergelijk vereiste per saldo tot andere uitkomsten zal leiden. In deze zaak zou dan echter
onderdeel Bvan het middel toch slagen, zodat het verwijzingshof opnieuw naar de zaak zou moeten kijken. Mocht de Hoge Raad het middel verwerpen, dan kan daar, omgekeerd, uiteraard niet uit worden afgeleid dat hij een eventuele ‘strengere koers’ van het hof onderschrijft, maar slechts dat hij oordeelt dat de klachten van het cassatiemiddel niet opgaan.