Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
klachten I-a tot en met I-fhebben betrekking op het oordeel van de rechtbank onder 4.15.
Klacht I-gziet op het oordeel onder 4.14.
niet dwingendtot de beslissing om het verzoek tot het ontslag toe te wijzen.
in beginselgehouden is om dat verzoek te honoreren. Een dergelijke hulpregel, die de discretionaire beslissingsruimte van de rechtbank inperkt, is eventueel ook met betrekking tot de andere door [eiseressen] gemaakte verwijten voorstelbaar (dus in de zin dat onrechtmatig handelen van de curator respectievelijk het verkopen van goederen die eigendom zijn van derden steeds dan wel in beginsel tot ontslag moet leiden), althans in theorie. Het onderdeel laat zich eventueel zo lezen dat het de introductie van zulke hulpregels bepleit. Zie in het bijzonder
klacht I-f.Volgens die klacht heeft de rechtbank miskend dat Curatoren zonder meer ongeschikt zijn om hun taak uit te oefenen als zij zich schuldig hebben gemaakt aan het onttrekken van goederen aan beslag.
klacht I-a tot en met I-ehierop reeds af. De overwegingen van de rechtbank houden slechts in dat de handelswijze van Curatoren – ook al zou zij onrechtmatig of strafbaar zijn – in de gegeven omstandigheden geen grond voor ontslag vormt.
klacht I-gis deze overweging onbegrijpelijk, nu feit van algemene bekendheid is dat (seizoensgebonden) kleding waarde verliest naar mate meer tijd verstrijkt. [eiseres 1] voert aan in feitelijke aanleg gewezen te hebben op haar mogelijkheid de kleding elders, tegen reguliere prijs te kunnen verkopen en op het te lijden verlies als zij daartoe niet in staat wordt gesteld. [31] Met deze klacht ziet de steller van het middel eraan voorbij dat de rechtbank heeft overwogen dat de afkoelingsperiode ook voor de door [eiseres 1] aan [eiseres 2] ter beschikking gestelde kleding geldt en miskent hij de strekking van die afkoelingsperiode. De afkoelingsperiode is mede bedoeld om eigendomspretenties van derden te onderzoeken. [32] Gedurende de afkoelingsperiode zal, zolang daarover geen duidelijkheid bestaat, niet tot afgifte worden overgegaan. De schade gelegen in de door [eiseres 1] bedoelde waardedaling is niet het gevolg van een handelswijze van Curatoren, maar van het tijdsverloop dat aan de afgekondigde afkoelingsperiode inherent is. [33]
klacht I-e en I-f), is niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd.
onderdeel IIheeft betrekking op alinea 4.14 van de bestreden beschikking (hiervoor geciteerd).
klacht II-aziet [eiseres 1] opnieuw voorbij aan de beperkte strekking van het oordeel van de rechtbank. Anders dan zij meent, houdt het oordeel van de rechtbank niet in dat de afkoelingsperiode aan Curatoren de bevoegdheid verleende de goederen waarop zij betrekking heeft te vervreemden. Voor zover het onderdeel op die lezing berust, mist het dan ook feitelijke grondslag. Het oordeel houdt ook niet in – zoals Curatoren in hun verweerschrift onder 3.20 suggereren – dat de bevoegdheid tot verkoop werd ontleend aan het feit dat zwaarwegende maatschappelijke belangen in het geding zijn die Curatoren tot die verkoop noopten. [34] De vraag of Curatoren tot verkoop bevoegd waren, is – zo begrijp ik het bestreden oordeel – een vraag die gereserveerd moet worden voor een andersoortige procedure (beschikking onder 4.10). De beoordeling in de onderhavige procedure is beperkt tot de vraag of aanleiding tot ontslag bestaat op de grond dat Curatoren aan de belangen van [eiseressen] in verband met een mogelijk eigendomsrecht van [eiseres 1] en het door haar gelegde beslag, ontoelaatbaar tekort hebben gedaan. De bestreden overweging houdt slechts in dat Curatoren bij hun beslissing voldoende rekening hebben gehouden met de belangen van [eiseres 1] en dat haar positie als gevolg van de voortzetting van de exploitatie niet is verslechterd en dat deze vraag daarom ontkennend moet worden beantwoord. [35]
klacht II-bheeft de rechtbank miskend dat consignatiegoederen zich niet als bedoeld in art. 63a Fw in de macht van de gefailleerde of curator bevinden, zodat de afkoelingsperiode zich daartoe niet uitstrekt. Deze klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting. Begrijp ik het goed dan meent [eiseres 1] dat de goederen zich slechts in de ‘macht’ van de gefailleerde of de curator bevinden als zij tot de boedel behoren. Met de term ‘macht’ heeft de wetgever bij het woordgebruik in het Burgerlijk Wetboek aangesloten. [36] Daaruit volgt dat de afkoelingsperiode ook betrekking kan hebben op goederen die niet tot de faillissementsboedel kunnen worden gerekend, maar die zich wel in de feitelijke macht van de gefailleerde of van de curator bevinden. [37] Dat is ten aanzien van de in consignatie gegeven goederen het geval. De rechtbank heeft haar oordeel voldoende gemotiveerd.
klacht III-a tot en met IIIe. [38]
overigensberoep in cassatie mogelijk is. Men kan dit zien als een ontvankelijkheidskwestie, met als gevolg dat [eiseres 1]
deelsin haar cassatieberoep niet kan worden ontvangen. Men kan het ook zo zien dat [eiseres 1] bij de klachten geen belang heeft, omdat zij niet tot vernietiging kunnen leiden. Omdat het verschil tussen beide niet werkelijk materiële betekenis heeft, vind ik het niet nodig om te kiezen.
nooitvan belang kunnen zijn. Zou daaruit een gebrek aan onpartijdigheid blijken (althans zou in verband met de opgegeven redenen vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn), dan kan dit uiteraard aan het beroep op (schending van) art. 6 EVRM Pro ten grondslag worden gelegd.
klacht III-awordt geklaagd over de begrijpelijkheid van de overweging van de rechtbank dat [eiseressen] aan hun bezwaar geen gevolgen hebben verbonden. Uit wat zojuist is gezegd, volgt dat deze klacht geen doel kan treffen. Ten overvloede: De overweging van de rechtbank is heel niet onbegrijpelijk. Wat de rechtbank klaarblijkelijk bedoelt, is dat aan het opgeworpen bezwaar door [eiseressen] geen wrakingsverzoek is verbonden.
Streck-Risch e.a./Liechtenstein. [43] In die zaak had een rechter uit het constitutionele hof van Liechtenstein geoordeeld over een uitspraak van een andere rechter, hoewel beiden tegelijk partner waren bij hetzelfde advocatenkantoor. Volgens het Hof was de vrees voor onpartijdigheid niet objectief gerechtvaardigd omdat de partners alleen kantoorruimte deelden en niet een gezamenlijk inkomen verwierven. In de zaak speelt de specifieke situatie in Liechtenstein als een klein land met een parttime rechterlijke macht duidelijk een rol. Ook als we daar doorheen kijken, is er echter mijns inziens geen reden om in onze zaak te spreken van een werkrelatie die afbreuk doet aan de objectieve onpartijdigheid van de rechter. Dit wordt niet anders indien we ook de zaak
Sramek/Oostenrijk [44] in onze overwegingen betrekken (zie verzoekschrift tot cassatie onder 8.3). Zoals de steller van het middel ook zelf onderkent, betreft dat een geval waarin de rechter onder toezicht stond van een procespartij en niet andersom. Volgens de steller van het middel maakt dit het verschil niet, maar mijns inziens maakt dat het verschil wel. Dat een behandelend rechter eerder een andere zaak ten nadele of juist ten voordele van een partij of diens advocaat besliste, rechtvaardigt niet objectief de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid. Ook in dat geval stond een procesdeelnemer eerder ‘onder’ de behandelend rechter, in de zin dat hij aan diens beslissing was onderworpen. Ik kan niet inzien dat in een zaak waarin een verzoek tot ontslag van een curator aan de orde is, iets dergelijks wél grond zou geven voor objectief gerechtvaardigde twijfel over de onafhankelijkheid van de behandelend rechter, ook niet wanneer die rechter
velemalen met de curator van doen heeft gehad.
klacht III-eis in de eerste plaats te lezen dat [eiseres 1] vraagtekens zet bij de onbevooroordeeldheid (niet van de behandelend rechter maar)
van de rechtbankop de grond dat de rechtbank eerder bij de behandeling van het faillissement betrokken was en een rechter-commissaris van de rechtbank toezicht hield op de afwikkeling van het faillissement en in dat kader beslissingen nam. Mijns inziens behoeft geen toelichting dat de eisen die [eiseres 1] hier stelt, geen steun vinden in het recht, dat nog altijd tot uitgangspunt neemt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn. [45]
5.Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel beroep
het toepasselijke procesreglementin dat iedere belanghebbende tot de aanvang van de behandeling een verweerschrift kan indienen. Het betrof een schuldsaneringszaak, zodat art. 282 Rv Pro niet rechtstreeks van toepassing was. Maar het reglement stemde dus met de inhoud van art. 282 Rv Pro overeen. Volgens uw Raad gold dat indien de rechter van oordeel is dat het verweerschrift te omvangrijk of niet eenvoudig te doorgronden is, hij maatregelen kan treffen om te waarborgen dat de wederpartij voldoende gelegenheid heeft om dat stuk te bestuderen en getuigde de beslissing van het hof om geen kennis te nemen van het verweerschrift van een onjuiste rechtsopvatting.
nietbuiten beschouwing gelaten het deel van het verweer van Curatoren dat bij [eiseressen] bekend diende te worden verondersteld.
overeenkomstigtoe te passen. [53] Dit schept duidelijkheid en komt de consistentie van het recht ten goede.
overeenkomstigetoepassing is. Zou dit te ver gaan, dan geldt mijns inziens dat het buiten beschouwing laten van (een deel van) een verweerschrift dat voor aanvang van de mondelinge behandeling is ingediend, een zeer ingrijpende beslissing is, die daarom aan hoge motiveringseisen dient te voldoen. Tot de redelijkerwijs aan de motivering van een zodanig oordeel te stellen eisen behoort mede dat de rechter doet uitkomen te hebben onderzocht of een minder vergaande maatregel dan het buiten beschouwing van (een deel van) het verweerschrift mogelijk was zonder dat onaanvaardbaar tekort werd gedaan aan in het bijzonder het belang van een beslissing op aanvaarbare termijn. Als een zodanige maatregel komt bijvoorbeeld in aanmerking uitstel van de behandeling van de zaak, of het toestaan aan verzoeker van een schriftelijke reactie op (het desbetreffende deel van) het verweerschrift. De beschikking van de rechtbank houdt wel als motivering in dat van [eiseressen] niet kon worden verwacht dat zij ‘op deze korte termijn’ inhoudelijk op de nieuwe, ernstige verwijten van Curatoren zouden reageren, maar ten onrechte niet waarom aan die omstandigheid niet met een minder vergaand middel dan het buiten beschouwing laten van die verwijten recht kon worden gedaan.