Conclusie
advocaat: N.T. Dempsey
advocaten: J.P. Heering & F.M. Dekker
1.Feiten
CONFIDENTIAL
While studying the accuser‘s file, SIM found the topics the accuser raises can be broadly distinguished in five principal topics. (..) (1) false promises on her career development and remuneration, (2) limited opportunities (..), (3) disrespectful behaviour (..) and sexual harassing behaviour (..), (4) performance reviews (..), (5,) a poor work environment (..). All in all, SIM has found insufficient possibilities to conduct a fact finding investigation which would lead to any conclusive answer. (..)”
Waarom denkt u dat u bent gediscrimineerd?
A. Op grond van seksuele intimidatie (..) waarbij non-verbaal en fysiek gedrag met een seksuele connotatie het doel had om de waardigheid van [verzoekster] aan te tasten en waarbij voor [verzoekster] gedurende aantal jaren in het bijzonder een vijandige, beledigende, vernederende en kwetsende situatie en werkomgeving is gecreëerd waartegen door (..) ABNAMRO N.V. (..) niet, tot onvoldoende adequaat, maatregelen zijn getroffen. Hierdoor heeft ABNAMRO N.V. welbewust als werkgever een onveilige werkomgeving bij voortduring in stand (…) gelaten die ervoor zorgdraagt dat een discriminatoire werkomgeving is ontstaan welke louter ABNAMRO N.V. is toe te rekenen én ABNAMRO N.V. hiernaast onvoldoende heeft gedaan om de klachten van [verzoekster] zorgvuldig te behandelen. (..)”
ABN AMRO heeft een verweerschrift ingediend.
Zij eruit of ik eruit’. Naar aanleiding daarvan is [verzoekster] in plaats van aan [betrokkene 4] rechtstreeks aan [betrokkene 5] gaan rapporteren. (Overigens klaagt [verzoekster] bij onderdeel 1.1.1 dat deze vaststelling onbegrijpelijk is, zie nader onder 4.2-4.8.)
(..) Wat ik ook zie in het stuk, in die 300 pagina’s [de door [verzoekster] ingediende klacht bij CRM, toevoeging AG], iedere manager is slecht, niemand functioneert goed, en [verzoekster] [ [verzoekster] , AG] is de beste. (..) Het ligt altijd aan de anderen en nooit aan [verzoekster] . (..) Alles wat er gezegd wordt pakt zij verkeerd op. [betrokkene 4] zei bijvoorbeeld: Doe wat rustiger aan met de prospects, je hebt het al heel druk met de bestaande klanten. [verzoekster] legt dat vervolgens uit alsof ze geen nieuwe klanten mag binnenhalen. Alles wordt verdraaid. (..) Ik heb veel contact met [verzoekster] gehad en we hebben samen ook veel gereisd. Alles wat je zegt en doet kan door haar tegen je gebruikt worden.
(..) [verzoekster] was always the only person who was unable to be thankful for anything. Whenever we offered a job offer or bonuses to the team members, they sometimes argued if they did not agree, and sometimes were happy and said so. For [verzoekster] , nothing was ever good enough. And I am fairly certain that throughout the period she was probably the team member with the highest total compensation, or at least well in line with what other were receiving and what she was delivering to the team (..)”
(..) Een paar weken terug ontving ik een e-mail van [verzoekster] met de door haar opgestelde minutes van ons year end gesprek. (..) De minutes waren minutieus uitgewerkt (..). Ik heb toen [betrokkene 5] (..) een email gestuurd (..): “Zij eruit of ik eruit”. Ik heb een week thuis gezeten onder het mom dat ik ziek was. Toen ik weer terug was heb ik niet met [verzoekster] gesproken. (..) Ik heb afgelopen vrijdag tegen [betrokkene 5] gezegd dat als er mid-oktober 2018 geen oplossing is, dan ga ik weg. Ik vind dat verschrikkelijk, want ik wil eigenlijk niet weg, maar ik vind het onhoudbaar. Ik kan niet meer met een Jekyll & Hyde werken. Je wilt niet weten hoe het is om elke 5 minuten een email te krijgen. Ze heeft vaak best een punt, dat is het niet. Maar het zijn hele lange e-mails. En je kunt niet alles oppakken wat je ziet. We zijn een grote organisatie maar ik kan niet toveren. (..) Soms word ik ‘s ochtends wakker en dan zijn er weer drie e-mails van [verzoekster] . Ik krijg inmiddels een rilling over mijn rug als ik dan zie dat er mails van haar bij zitten. Ik heb weleens tegen haar gezegd dat zij de enige is die dit soort e-mails in deze mate stuurt. Dan wordt ze emotioneel dat niemand naar haar luistert. (..) Bij [verzoekster] moet je non-stop op je hoede zijn, omdat ze zaken tegen je kan gebruiken, of er daarna een email over krijgt met wat je hebt gezegd en wat haar reactie daarop weer is. (..) Daar gaat het niet over. Het gaat over haar en dat ze twee keer haar laptop kwijt of vergeten is. Ze wordt bij ons ‘de queen’ genoemd. [verzoekster] is veeleisend en ze verwacht dat iedereen voor haar vliegt als ze met haar vingers knipt. (..)”
Nee, nooit. Het verbaast mij ook ten zeerste dat ze dergelijke klachten heeft over [betrokkene 2] . Die preferential treatment heb ik gehoord, het [weggelakt door ABN AMRO, A-G] incident heb ik gehoord, maar klachten over [betrokkene 2] heb ik nooit gehoord. (..)”
(..) [verzoekster] was weer helemaal overstuur en ze vroeg of ze met mij alleen mocht praten in één-op-éen gesprek. Achteraf gezien was dat helemaal niet verstandig. (..) Toen ging ze door het lint en begon ze te schreeuwen en te huilen. Ze sloeg toen met een boek heel hard op tafel en ik ben toen heel snel weg gegaan. Ze draaide helemaal door en ik was bang dat ze mij iets aan zou kunnen doen. Zo voelde het.
Improve efficiency of working, also with other people’, en in de Year End review 2015 ‘
Communication with juniors is sometimes too direct and abrupt’, ‘
Often negative comments/attitude about what other departments deliver or do, bitter about past with team, suspicious on new things or focus areas’ en ‘
Tendency for long sentences/email and in difficult conversations not looking into people’.
2.Procesverloop
3.Inleidende opmerkingen
kande feitenrechter dus aanleiding zien om te oordelen dat niet aan de maatstaf voor ontbinding op de g-grond is voldaan. [5] Dat de werkgever wel en de werknemer geen blaam treft, hoeft echter geen reden te zijn voor afwijzing van het ontbindingsverzoek. [6] Bij de beoordeling hiervan komt de feitenrechter grote vrijheid toe.
ServiceNow-beschikking van de Hoge Raad had het hof in aanmerking genomen dat de verstoring van de arbeidsverhouding (grotendeels) aan de werkgever was te wijten. Dat stond volgens het hof niet in de weg aan ontbinding op de ggrond, mede omdat de leidinggevende en de collega’s van de werknemer aan de werkgever te kennen hadden gegeven niet meer met de werknemer te willen werken. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting; verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard kan het voor het overige niet op juistheid worden onderzocht, zo werd overwogen. [7]
zodanig [is] dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren’ (art. 7:671b lid 1 onder a jo. art. 7:669 lid 3 onder Pro g BW), (ii) herplaatsing mogelijk is (art. 7:671b lid 2 jo. art. 7:669 lid 1 BW Pro), of (iii) sprake is van een opzegverbod (art. 7:671b lid 2 BW).
ernstigverwijtbaar handelen of nalaten (art. 7:671b lid 9 onder c BW). Bovendien is toekenning van een billijke vergoeding alleen mogelijk als er
causaal verbandbestaat tussen die gedragingen en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Zie de
[…]-beschikking, rov. 3.7.2 (mijn onderstreping): [9]
voor het toekennen van een billijke vergoeding [is] vereist dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomsthet gevolg isvan ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door de werkgever.”
Al met al […] de verstoring van de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig [is] dat van ABN AMRO niet kan worden gevergd dat zij het dienstverband met [verzoekster] voortzet.’ Aan dit oordeel heeft het hof volgende feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd:
zij eruit of ik eruit’ (rov. 3.4);
Het hof verenigt zich met het oordeel van de kantonrechter dat herplaatsing van [verzoekster] niet meer in de rede lag. Daartoe dient het volgende. [verzoekster] heeft met meerdere leidinggevenden, waaronder hooggeplaatsten zoals een lid van het MT van ABN AMRO, conflicten gekregen. Mede omdat [verzoekster] stelt dat de ontstane situatie uitsluitend door ABN AMRO is veroorzaakt, en niet door haar zelf, is er geen aanleiding te veronderstellen dat deze conflicten elders binnen ABN AMRO niet weer opnieuw zouden ontstaan. Ten slotte duidt de houding die [verzoekster] inneemt tegenover ABN AMRO er op dat van herplaatsing van [verzoekster] binnen de bank weinig goeds te verwachten is.”
misbruik van gezagspositie in combinatie met het afwijzen van seksuele avances en benadeling van de arbeidspositie van [verzoekster] binnen ABNAMRO vanaf 2012’.
i) ABN AMRO heeft [verzoekster] in 2013 niet de baan gegeven die haar was beloofd.
ii) ABN AMRO heeft [verzoekster] ten opzichte van andere werknemers ongelijk behandeld.
iii) ABN AMRO heeft het incident uit december 2015 niet op de juiste wijze afgehandeld.
iv) Toen ABN AMRO in 2017 wist van het incident uit 2013 heeft zij daar niets mee gedaan.
v) ABN AMRO heeft geweigerd in 2017 mediation te starten.
vi) ABN AMRO heeft getracht [verzoekster] monddood te maken.
vii) Het SIM heeft [verzoekster] ten onrechte niet gehoord.
viii) ABN AMRO heeft [verzoekster] , nadat zij een klacht had ingediend bij het CRM, op een zijspoor gezet.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Geen (voldragen) grond voor ontbinding of niet herplaatsen’. Het bevat drie subonderdelen. Het eerste subonderdeel (1.1) houdt in dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op onbegrijpelijke vaststellingen en een onbegrijpelijke uitleg van het verweer van [verzoekster] . Volgens het tweede subonderdeel (1.2) heeft het hof ten onrechte het aanbod van [verzoekster] tot het leveren van tegenbewijs door het horen van getuigen gepasseerd. Het derde subonderdeel (1.3) richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake was van een zodanige verstoorde arbeidsverhouding dat voortzetting van ABN AMRO in redelijkheid niet kon worden gevergd en dat herplaatsing niet in de rede lag.
Na een uitgebreide e-mail van [verzoekster] aan [betrokkene 4] in juni 2018 over het ‘year end gesprek’ heeft [betrokkene 4] laten weten aan [betrokkene 5] dat zij niet langer kon samenwerken met [verzoekster] . Zij gebruikte daarbij onder andere de woorden “Zij eruit of ik eruit”. Naar aanleiding daarvan is [verzoekster] in plaats van aan [betrokkene 4] rechtstreeks aan [betrokkene 5] gaan rapporteren.”
year end gesprek, (ii) [betrokkene 4] naar aanleiding daarvan aan [betrokkene 5] heeft laten weten dat zij niet langer met [verzoekster] kon samenwerken (en daarbij de woorden ‘
Zij eruit of ik eruit’ gebruikte), en (iii) naar aanleiding van die e-mail van [betrokkene 4] aan [betrokkene 5] [verzoekster] rechtstreeks aan [betrokkene 5] is gaan rapporteren.
Het is [verzoekster] altijd overgekomen dat de reporting line louter en alleen is gewisseld doordat zij zich had gericht tot het CRM.”
Zij [ [verzoekster] , A-G] heeft ook niet gesteld dat de schriftelijke verklaringen van de hiervoor genoemde vier leidinggevenden niet overeenkomen met hun werkelijke mening.’ Anders dan de motiveringsklacht tot uitgangspunt neemt, heeft het hof hiermee niet vastgesteld dat [verzoekster]
de inhoudvan de verklaringen niet zou hebben betwist. Kennelijk heeft het hof vooral waarde gehecht aan
de meningen en ervaringenvan de voormalig leidinggevenden over de samenwerking met [verzoekster] die uit de verklaringen spreekt. Zo overweegt het hof (eveneens rov. 3.4): ‘
Uit deze verklaringen kan het hof geen andere conclusie trekken dan dat deze voormalig leidinggevenden (…) de samenwerking met [verzoekster] minst genomen als zeer moeizaam hebben ervaren.’ Dat het hof hieraan waarde hecht, is overigens niet onbegrijpelijk in het licht van de beoordeling of sprake is van een ggrond. Subonderdeel 1.1.2 faalt.
Hoewel [verzoekster] tientallen voorbeelden kan noemen die hebben bijgedragen aan een zeer slechte sfeer op de afdeling (affaires tussen collega’s, ruzie tussen collega’s etc.) is dit naar mening van [verzoekster] niet relevant. Immers, ABN AMRO zal toch echt met objectief bewijs moeten komen dat het enkel en alleen aan [verzoekster] te wijten is en dat is geheel niet het geval.”
ABN AMRO heeft ter onderbouwing van de door haar gestelde verstoorde verhouding verder gewezen op twee exit-gesprekken, waarbij de desbetreffende medewerker aangaf vanwege [verzoekster] te zijn vertrokken. [verzoekster] heeft aangevoerd dat dit slechts twee van de dertien vertrokken teamleden betroffen. Zulks doet aan de hierboven getrokken conclusie echter niet af. Dat zelfde geldt voor de omstandigheid dat, naar zeggen van [verzoekster] , een groot aantal collega’s haar hebben laten weten haar vertrek te betreuren. Daargelaten welke betekenis aan een dergelijke mededeling bij vertrek van een collega moet worden toegekend, is immers niet gebleken dat dit haar leidinggevenden betrof dan wel de directe collega’s uit haar team.”
3.5 (…) [verzoekster] heeft gewezen op de door haar altijd ontvangen goede overall beoordelingen. ABN AMRO heeft erkend dat [verzoekster] inhoudelijk goed heeft gefunctioneerd. [verzoekster] heeft niet gesteld dat haar goede beoordelingen ook zagen op aspecten als samenwerking en verstandhouding met leidinggevenden. Daarbij komt dat uit de door [verzoekster] verstrekte beoordelingen blijkt dat juist deze aspecten herhaaldelijk als verbeterpunten zijn genoemd. Dat betekent dat de all-over goede beoordeling over al die jaren niet uitsluit dat de samenwerking met [verzoekster] , in ieder geval met haar leidinggevenden en met haar teamleden gedurende de gehele periode van haar dienstverband vanaf 2010 steeds moeizaam was en uiteindelijk slecht.”
eersteklacht van subonderdeel 1.1.4 is het oordeel van het hof in rov. 3.5 onbegrijpelijk. Anders dan het hof overweegt, is door [verzoekster] namelijk juist wél gesteld dat de beoordelingen die zij heeft ontvangen óók gedragscomponenten bevatten en dat een score van 4/5 (
exceeds requirements) alleen mogelijk is indien ook op die elementen ten minste een 3 (
meets requirements) is gescoord. De
tweedemotiveringsklacht wordt opgeworpen voor zover het hof geen betekenis heeft gehecht aan de uitstekende beoordelingen omdat [verzoekster] niet zou hebben gesteld dat deze ook zagen op aspecten als samenwerking en goede verstandhouding met leidinggevenden. In dat geval is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, want innerlijk tegenstrijdig met de daaropvolgende vaststelling dat in de beoordelingen ‘
aspecten als samenwerking en verstandhouding met leidinggevenden (…) herhaaldelijk als verbeterpunten zijn genoemd’.
Daarbij komt’, zo overweegt het hof ten overvloede, dat uit de door [verzoekster] verstrekte beoordelingen juist blijkt dat aspecten als samenwerking en verstandhouding met leidinggevenden herhaaldelijk als verbeterpunten zijn genoemd. Anders gezegd: ook als [verzoekster] wél zou hebben gesteld dat haar goede beoordelingen mede op deze aspecten zouden zien, dan zou dit alsnog niet hebben geleid tot een ander oordeel van het hof over de verstoorde arbeidsverhouding. Van tegenstrijdigheid is geen sprake, zodat ook deze klacht niet slaagt.
work-life balance. Kennelijk heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat de coaching betrekking had op het verbeteren van de samenwerking en dergelijke en dat ABN AMRO daarmee heeft geprobeerd de situatie op te lossen. Volgens [verzoekster] is dat onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van beide partijen.
work-life balanceook de verstandhouding met haar leidinggevenden ten goede had kunnen komen, zoals ABN AMRO in cassatie stelt onder verwijzing naar de bij inleidend verzoekschrift overgelegde verklaringen van de voormalig leidinggevenden. [18]
V: Het idee van de overstap van [verzoekster] van DCM naar ECT, van wie kwam dat idee?
de meningen en ervaringenvan de voormalig leidinggevenden (zie hiervoor onder 4.10). De stelling uit subonderdeel 1.1.3 is evenmin ter zake dienend; ook indien [verzoekster] zou ontzenuwen dat zij de oorzaak zou zijn van de slechte sfeer binnen het team, zou dat er niet aan afdoen dat haar teamleden haar wel als zodanig hebben aangewezen, en dát is wat bijdraagt aan het oordeel van het hof ten aanzien van de redelijke ontslaggrond (zie ook onder 4.13). Uit de bespreking van subonderdeel 1.1.4 volgt dat ook niet ter zake dienend zijn de stellingen van [verzoekster] over haar goede beoordelingen: het hof is van oordeel dat die beoordelingen niet in de weg staan aan de verstoring als bedoeld in art. 7:669 lid 3 onder Pro g BW (zie onder 4.18-4.19). Uit de bespreking van subonderdeel 1.1.5 volgt ten slotte dat de stelling van [verzoekster] over de coaching niet ter zake dienend was (zie onder 4.23). Daaruit volgt bovendien dat het hof de stellingen van [verzoekster] over de overstap als onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen, zodat ook daar niet aan toelating tot tegenbewijs werd toegekomen (zie onder 4.25).
Voor zover het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] de door ABN AMRO aangevoerde argumenten waarom sprake zou zijn van een verstoorde arbeidsverhouding (zodanig dat niet van ABN AMRO gevergd kan worden het dienstverband te laten voortduren en herplaatsing niet in de rede ligt)’. Niet duidelijk is op welke lezing van de bestreden beschikking [verzoekster] hiermee doelt. Daarmee voldoet deze klacht niet aan de eisen. Indien deze alinea zó moet worden begrepen dat geklaagd wordt dat het hof de stellingen van [verzoekster] – kort gezegd – te gemakkelijk heeft verworpen, falen de klachten op dezelfde gronden als subonderdeel 1.1.
[verzoekster] heeft met meerdere leidinggevenden, waaronder hooggeplaatsten zoals ene lid van het MT van ABN AMRO, conflicten gekregen. Mede omdat [verzoekster] stelt dat de ontstane situatie uitsluitend door ABN AMRO is veroorzaakt, en niet door haar zelf, is er geen aanleiding te veronderstellen dat deze conflicten elders binnen ABN AMRO niet weer opnieuw zouden ontstaan. Ten slotte duidt de houding die [verzoekster] inneemt tegenover ABN AMRO er op dat van herplaatsing van [verzoekster] binnen de bank weinig goeds te verwachten is.”
(gelet op het voorgaande) de ware reden waarom ABN AMRO beëindiging van het dienstverband van [verzoekster] nastreefde is dat [verzoekster] bij ABN AMRO en CRM heeft geklaagd over discriminatie en seksuele intimidatie terwijl een werknemer zonder vrees voor represailles of het verliezen van haar baan dergelijke klachten bij haar werkgever (en bij het CRM) aan moet kunnen kaarten.”
Voor zover het hof het betoog van [verzoekster] wel zo heeft begrepen dat om die reden de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door ABN AMRO, maar dat onvoldoende acht voor die kwalificatie, is sprake van een onbegrijpelijke motivering van dat (hooguit implicatie) oordeel. [verzoekster] verwijst hierbij naar de stellingen die zij in subonderdeel 1.3.2 naar voren heeft gebracht onder a t/m f.
subonderdeel 2.2richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat de ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van ABN AMRO (rov. 3.8-3.16). [verzoekster] stelt dat in cassatie minst genomen veronderstellenderwijs vaststaat dat de door [verzoekster] geuite klachten van seksuele intimidatie door [betrokkene 2] terecht waren, nu het hof in het midden heeft gelaten of die klachten juist waren. In combinatie met de vaststelling dat ABN AMRO is tekortgeschoten in de behandeling van deze klacht (rov. 3.12), valt volgens [verzoekster] niet in te zien dat of waarom geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van ABN AMRO. In ieder geval heeft het hof miskend dat het door de werkgever tekortschieten in het doen van onderzoek naar klachten van seksuele intimidatie, tot een omkering van de bewijslast dient te leiden ten aanzien van het antwoord op de vraag of een daaropvolgende ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, in die zin dat het aan de werkgever is te stellen en bewijzen dat daarvan geen sprake is. Dit geldt in het bijzonder, aldus nog steeds [verzoekster] , gelet op de in subonderdeel 1.3.2 onder a t/m g van het cassatieverzoekschrift vermelde stellingen, waaruit op zijn minst het vermoeden volgt dat door [verzoekster] terecht is gesteld dat de ware reden voor ABN AMRO om beëindiging van het dienstverband na te streven het feit is dat [verzoekster] over discriminatie en seksuele intimidatie heeft geklaagd en daarover uiteindelijk een klacht heeft ingediend bij het CRM. In ieder geval had het hof [verzoekster] in het kader van haar verweer tegen de uitgesproken ontbinding tot tegenbewijs van deze stelling moeten toelaten (verwezen wordt naar subonderdeel 1.2).
niethet gevolg is van diens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Voor zover het hof dit niet zou hebben miskend, is zijn oordeel – zonder nadere motivering, die ontbreekt – onbegrijpelijk, zo stelt [verzoekster] .
klacht Iberust op de gedachte dat in cassatie er veronderstellenderwijs vanuit moet worden gegaan dat de ware reden voor ABN AMRO om beëindiging van de arbeidsovereenkomst na te streven erin is gelegen dat [verzoekster] (intern en extern) heeft geklaagd over discriminatie en seksuele intimidatie, kan de klacht niet worden gevolgd. Het hof heeft die stellingen van [verzoekster] immers verworpen (zie subonderdeel 2.1). Voor zover de klacht nog voortbouwt op de subonderdelen 1.2 en 1.3, faalt zij eveneens nu die subonderdelen niet kunnen slagen.
causaal verbandbestaat tussen die gedragingen en de ontbinding van de arbeidsovereenkomst (zie onder 3.13). Aan dit vereiste is hier niet voldaan, zo volgt uit de overwegingen van het hof in rov. 3.8-3.16. Daarmee faalt de klacht.
in een situatie als deze’ het door de werkgever tekortschieten in het doen van onderzoek naar klachten van seksuele intimidatie tot een omkering van de bewijslast dient te leiden bij de vraag of een daaropvolgende ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. De reden hiervoor is gelegen in, zo volgt uit de toelichting op de klacht, het verbod van seksuele intimidatie, de zorgplicht die mede in dat kader op de werkgever rust, en het benadelingsverbod van werknemers die klagen over discriminatie en seksuele intimidatie.
een situatie als deze’ doelt [verzoekster] op de situatie (zie onderdeel 2.2, bovenaan p. 20 van het verzoekschrift tot cassatie):
nadat(volledigheidshalve: niet
omdat) de werknemer intern en extern (deels terechte) klachten heeft ingediend over discriminatie en seksuele intimidatie, terwijl de werkgever is tekortgeschoten in het onderzoek naar één van die klachten, [37] waarbij de werknemer altijd goede beoordelingen heeft gehad en ook na het indienen van de klachten uitstekend is blijven functioneren. In die gevallen zou, volgens de rechtsklacht van onderdeel 2.2, tegen de achtergrond van het verbod van seksuele intimidatie en de zorgplicht die mede in dat kader op de werkgever rust, de rechter de bewijslast moeten omkeren: het zou dan aan de werkgever zijn om te stellen en te bewijzen dat de verstoorde verhouding (en ontbinding) níet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.
Woondroomzorg-beschikking heeft de Hoge Raad overwogen dat uit de parlementaire geschiedenis van de Wwz blijkt dat de uitzonderingsgrond waarop een werknemer zijn recht op transitievergoeding kan verspelen – het eindigen van de arbeidsovereenkomst is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer –een beperkte reikwijdte heeft en terughoudend moet worden toegepast. [40] Dat betekent dat daarvoor een hoge drempel geldt. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de
werkgeveris de keerzijde van ernstige verwijtbaarheid van de
werknemer, en daar geldt eenzelfde hoge drempel. [41]