Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
[betrokkene 1]) gevraagd om een deel van haar vastgoedportefeuille te verkopen.
[verweerder 1]en
[verweerder 4]) als kopers een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot een onroerend goed portefeuille, bestaande uit negentien registergoederen te Amsterdam (hierna:
koopovereenkomst Arespectievelijk
portefeuille A). Koopovereenkomst A luidt onder meer als volgt:
15 augustus 2011(...).
Charon), als koper een koopovereenkomst tot stand gekomen met betrekking tot een (andere) onroerend goed portefeuille, bestaande uit elf registergoederen te Amsterdam (hierna:
koopovereenkomst Brespectievelijk
portefeuille B). Koopovereenkomst B luidt onder meer als volgt:
de algemene bepalingen) luiden onder meer:
Betaling en verrekening
de notaris).
[verweerder 2]) een bedrag van € 131.295,- overgemaakt aan [eiseres] , bestaande uit een bedrag van € 56.295,- in verband met door [eiseres] gederfde huurinkomsten en een bedrag van € 75.000,-.
de aanvullende overeenkomst). De aanvullende overeenkomst luidt onder meer:
‘portefeuille A’;
€ 1.945.000,00
‘portefeuille B’;
€ 2.205.000,000[€ 2.205.000,00, A-G]
4 mei 2012;
de verklaring), die onder meer luidt:
BEPALINGEN KOOPOVEREENKOMST
de Groninger akte). De Groninger akte luidt onder meer als volgt:
KOOPPRIJS
Te betalen: € 335.000,00”
3.Procesverloop
In eerste aanleg
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen) 1.1, 2.1 en 2.2. Het onderdeel komt op tegen rov. 3.11.4 t/m 3.11.6 waarin het hof heeft beslist dat de vordering van [verweerders] tot restitutie van de betaalde waarborgsom van € 335.000 wordt toegewezen. De klachten richten zich tegen de verwerping van de stelling van [eiseres] dat partijen aanvullend zijn overeengekomen dat het bedrag van € 335.000 als extra betaling op portefeuille A zou hebben te gelden als de verkoop van portefeuille B niet mocht doorgaan.
‘voorshands taalkundige’-uitleg). Diverse factoren worden in verband gebracht met deze wijze van uitleg, zoals de omstandigheid dat sprake is van een commercieel contract tussen professionele partijen en de omstandigheid dat partijen werden bijgestaan door (juridische) deskundigen. [14]
Valerbosch [15] blijkt dat voor het toepassen van de ‘voorhands taalkundige’-uitleg niet noodzakelijk is dat het gaat om een commercieel contract tussen professionele partijen of dat partijen werden bijgestaan door (juridische) deskundigen. Anderzijds is de rechter ook niet gehouden om de ‘voorshands taalkundige’-uitleg toe te passen wanneer de genoemde omstandigheden zich wel hebben voorgedaan. De rechter kan ook in dat geval overgaan tot een weging van alle relevante feiten en omstandigheden en op grond daarvan hetzij een definitief oordeel bereiken over de uitleg hetzij een voorshands oordeel geven over de uitleg waarbij tegenbewijs openstaat. [16]
subonderdeel 2.1geen doel. Stelplicht en bewijslast van de nadere afspraak rustten volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op [eiseres] en het hof behoefde geen toepassing te geven aan de ‘voorshands taalkundige’-uitleg. In dat licht wordt vergeefs geklaagd dat de bewijslast niet op [eiseres] , maar op [verweerders] zou rusten.
omstandigheid (5)besloten liggende stelling is door het hof (impliciet) verworpen. Naar het oordeel van het hof wordt het standpunt van [verweerders] ondersteund door de e-mails van 11 mei 2012 (zie rov. 3.11.4). In die lezing hebben partijen wel nadere duiding gegeven aan de bedoeling van de verklaring.
pleitnota HB) heeft toegelicht waarom de koopprijs van portefeuille B een te lage koopprijs van portefeuille A verdisconteerde, terwijl bij herhaling is gewezen op de reden van de aanvankelijke verdeling van de koopprijs en op wiens initiatief dit is gedaan. [32]
onderdeel Imijns inziens niet slaagt.