Conclusie
(hierna: de man),
Partijen zijn de ouders van drie meerderjarige kinderen.
2.Bespreking van het middel in het principale cassatieberoep
eerste stapdient te worden gekeken naar de gebruikelijk inkomsten en uitgaven tijdens het huwelijk, waarna de
tweede stapkan worden genomen en aldus de behoefte worden bepaald door ofwel toepassing van de hofnorm, ofwel het opstellen van een behoeftelijst “waarop zeer gedetailleerd staat omschreven welke uitgaven er tijdens het huwelijk werden gedaan”. Aan de hand van alle omstandigheden van het geval, waarvan de welstand tijdens het huwelijk een van de gezichtspunten is, moet worden beoordeeld of de kosten redelijk zijn. Het subonderdeel klaagt dat het hof dat heeft miskend, hetzij geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, door nadat grief 1 van de man slaagt voor zover die opkomt tegen toepassing van de hofnorm, direct over te gaan op “stap 2” en “stap 1” over te slaan. Verder heeft het hof volgens het subonderdeel bij “stap 2” miskend dat de artt. 19, 24, 149 en 150 Rv en art. 6 EVRM Pro hier onverkort van toepassing zijn.
Deze klachten zijn uitgewerkt en toegelicht in de daarna volgende subonderdelen, die ik hierna samengevat weergeef.
De (algemene) klacht van subonderdeel 2.1-I-iii wordt uitgewerkt in de volgende onderdelen, die ik eveneens samengevat weergeef.
€ 160.000,- is het bedrag voor de huishouding, kleding, reizen en vakanties, gezondheid, auto’s, verzekering en telefonie.(…)”
Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam komen vast te staan dat partijen gemiddeld per jaar rond de € 600.000,- uitgaven en blijkt uit de stukken dat partijen al jarenlang dit uitgavenpatroon hebben. Hierop is € 350.000,- in mindering gebracht voor de kosten voor onderhoud en verbetering van de woningen van de man, de kosten van de drie kinderen van partijen en de alimentatie die de man betaalt aan zijn ex-echtgenote uit een eerder huwelijk. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is vastgesteld op 60% van € 250.000,-, te weten € 150.000,- per jaar en € 12.500,- netto per maand (rov. 2.9.15 [27] ). De resterende behoefte heeft de rechtbank vastgesteld op € 11.554,- netto en € 23.495,- bruto per maand (rov. 2.9.17-2.9.18).
totalegezinsuitgaven kunnen niet tot uitgangspunt dienen bij het bepalen van de behoefte, omdat deze grotendeels bestonden uit uitgaven voor o.m. het onroerend goed van de man (en dus geen toepassing hofnorm), en (2) ook de uitgaven
van de vrouw zelftijdens het huwelijk mogen niet alle bij de behoeftebepaling in aanmerking worden genomen (bijvoorbeeld omdat het uitgaven betreft waartegen de man bezwaar heeft gemaakt en die mede hebben geleid tot de breuk of die bovenmatig zijn). Deze twee lijnen zijn ook terug te zien in het hierna onder 2.22 te noemen rapport.
Analyse(…)
(…)
Uit de analyse van de uitgaven over het jaar 2016 kan worden afgeleid dat het merendeel van de kosten betrekking heeft op de instandhouding van het vermogen en privé uitgaven van [de man] die niet vallen onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding en de uitgaven voor de kinderen. Op basis van het bovenstaande, bedragen de kosten voor de gemeenschappelijke huishouding € 254.304, zijnde de uitgaven voor de huishouding ad € 70.130, uitgaven voor [de man] ad € 21.699 en de uitgaven van [de vrouw] ad € 162.475.
Hetgeen de vraag oproept of deze specifieke uitgaven van meer dan € 129.000 op basis van de redelijkheid en de billijkheid nog (in zijn geheel) mogen meetellen als basis voor de vaststelling van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.
Het hof refereert hier m.i. aan de eerste ‘lijn’ in het betoog van de man en volgt dat standpunt.
Het hof heeft bij zijn beoordeling van de redelijkheid van de op de behoeftelijst opgenomen posten kennelijk de betwisting van de behoefte door de man, waaronder het rapport van De Boer, in aanmerking genomen en in het oog gehouden dat volgens de man bepaalde uitgaven die de vrouw tijdens het huwelijk (in 2016) deed niet bij de behoefte mogen worden meegenomen (de tweede ‘lijn’ in het betoog van de man). Zo heeft het hof als gezegd bij de ‘overige medische kosten’ o.m. in aanmerking genomen dat de man bezwaar heeft gemaakt tegen deze uitgaven en dat partijen daarover telkens in discussie zijn geweest. In een aantal opzichten heeft het hof de stellingen van de man dat de uitgaven niet redelijk zijn niet gevolgd. Dit is een aan het hof als feitenrechter voorbehouden oordeel. Ik breng in herinnering dat de rechter grote vrijheid geniet bij de vaststelling van de uitkering tot levensonderhoud en dat zijn beslissing slechts in beperkte mate toetsbaar is in cassatie. Aan beslissingen die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op hun draagkracht en behoefde aangevoerde omstandigheden kunnen in het algemeen geen hoge motiveringseisen worden gesteld. Het hof hoefde zijn oordeel niet verder te motiveren dan het heeft gedaan.
De man kan maar niet stoppen met het beknibbelen op uitgaven van de vrouw. Dat hij dat tijdens het huwelijks deed, heeft mede geleid tot de breuk tussen partijen, maar is niet meer relevant bij de bepaling van de behoefte van de vrouw.”
Het hof heeft het hier bedoelde standpunt van de man onder ogen gezien en met betrekking tot de ‘overige medische kosten’ ook gevolgd. Het subonderdeel maakt niet duidelijk voor welke posten dit nog meer zou moeten gelden.
Het hof heeft van de onderscheiden posten op de behoeftelijst beoordeeld in hoeverre deze redelijk zijn gelet op de welstand waarin partijen hebben geleefd en dit gerelateerd aan de uitgaven van de vrouw tijdens het huwelijk (zie hiervoor onder 2.28). Dat die uitgaven zijn gedaan, behoefde het hof niet te onderzoeken omdat dat blijkt uit het door de man overgelegde rapport, en of deze redelijk zijn, heeft het hof onderzocht. Hierop stuit ook de slotklacht af.
Subonderdeel 2.1-VII, dat alleen een voortbouwklacht behelst, deelt in het lot van de voorafgaande subonderdelen.
“De uitgaven zijn echter hoger dan het jaarlijkse inkomen. In het verleden werd dus jaarlijks ingeteerd op het vermogen.”Het hof gaat dan ook ervan uit dat de man over voldoende draagkracht beschikt om in de behoefte van de vrouw van € 22.814,- bruto per maand te voorzien. Het standpunt van de man dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij daardoor gedwongen wordt onroerende zaken te verkopen deelt het hof niet. De daartoe door de man aangevoerde omstandigheden, namelijk dat partijen buiten gemeenschap van goederen zijn gehuwd en de man onroerende zaken heeft aangekocht als belegging om na zijn pensionering in zijn levensonderhoud te voorzien, zijn daartoe onvoldoende.
Subonderdeel 2.2-IIbbetoogt dat ook indien dit anders zou zijn, de vrouw hoe dan ook niet aan haar stel- of betwistplicht heeft voldaan. De vrouw heeft, aldus het subonderdeel kort weergegeven, niet meer dan een blote bewering gedaan dat de man kan interen, maar in het geheel geen verweer gevoerd tegen het gemotiveerde rapport van De Boer. Aldus is volgens het subonderdeel een zodanig gemotiveerde betwisting door de man gesteld dat de vrouw gelet op het bepaalde in art. 149 Rv Pro te weinig heeft gesteld. Gelet daarop mocht het hof niet oordelen dat de man nog onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie. [58] Subonderdeel 2.2-IIcklaagt, kort weergegeven, eveneens dat het hof heeft miskend dat de vrouw geen serieus inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen het rapport van De Boer, hetgeen volgens het subonderdeel wel op haar weg had gelegen, zowel in het geval de stelplicht en bewijslast op de vrouw rusten, als in het geval dat anders zou zijn. Nu de vrouw dat heeft nagelaten had het hof daar volgens het subonderdeel zijn conclusies aan moeten verbinden, hetgeen het heeft nagelaten, althans heeft het hof op dit punt geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang.
Deze subonderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Overigens zou het voorgaande niet anders zijn indien, zoals in de subonderdelen wordt betoogd, de stelplicht bij de vrouw zou hebben gelegen en de man slechts een informatieplicht zou hebben. [59]
Subklacht 2.2-IIIe wijst op het belang van de opmerking op p. 6 van het rapport: “De beleggingen in onroerend goed stijgen wel jaarlijks in waarde, maar deze waardestijging is nog niet gerealiseerd”. Volgens de subklacht kan dit niet anders worden begrepen dan dat De Boer het heeft over
WOZ-waardenvan de in box 3 genoemde onroerende zaken, waarbij het afhankelijk is van de datum van verkoop en de markt of er winst wordt gemaakt. Vervolgens wijst de subklacht op het proces-verbaal van de zitting bij het hof, waarin uit de mond van de man is opgetekend: “Als de huizenverkoop beter gaat dan in de boeken dan is het prima, maar ze zijn niet zomaar verkoopbaar. Het huis in België is in het boerenland en de huizen in [plaats] en in Nieuw-Zeeland zijn bewoond.” Volgens de subklacht reageert de man daarbij kennelijk ook ‘op het rekensommetje van het hof, waarop de man reageert dat het e.e.a. eerst nog maar eens verkocht zou moeten worden en het gaat om moeilijker te verkopen objecten, waarvan de getaxeerde waarde niet zomaar te realiseren is’, en heeft het hof ook dit hetzij miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Op het voorgaande stuiten de subklachten IIIb t/m IIIe af.
De man heeft het hof niet duidelijk gemaakt waarom de dividenduitkering van [A] B.V. in 2018 eenmalig was.In het rapport ontbreekt de waarde van de aandelen in [A] B.V.
Volgens de verklaring van de man ter zitting bedraagt de waarde € 1,8 of € 1,9 miljoen, waarbij de vordering van de vennootschap op de man van € 7 miljoen niet is meegeteld.”
eigen vermogen(zie het citaat hiervoor onder 2.58), wat iets anders is dan waarde. Het klaagt dat het oordeel van het hof dus onbegrijpelijk is, en dat het hof buiten de grenzen van het debat is getreden. Verder wijst de subklacht erop dat De Boer bovendien aangeeft dat het grootste deel van de bezittingen van [A] B.V. een vordering op de man in privé van € 7 miljoen betreft en [B] B.V. nog een pensioenverplichting heeft met een fiscale commerciële waarde van € 600.000,-. Vast staat ook, aldus de subklacht, dat ook de vrouw daaruit pensioen ontvangt, alsook dat De Boer gemotiveerd aangeeft – en het hof ook bespreekt – dat [A] B.V. geen nieuwe dividenduitkeringen kan doen. Ook hieruit is het onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat de man onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie heeft gegeven.
Voor de overige klachten verwijs ik naar hetgeen is opgemerkt hiervoor bij subklacht IIIf (laatste tekstblok).