Conclusie
Ten aanzien van [betrokkene 9]
1.Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 maart 2012 met als bijlage een uitgewerkt tapgesprek van 11 januari 2012 van de politie Haaglanden gecodeerd als AH/705. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
4.Het proces-verbaal van verhoor bij de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de arrondissementsrechtbank te Den Haag van 10 juni 2013. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
5.Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 maart 2012 van de politie Haaglanden gecodeerd als VD/031/002. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
1. Verklaringen onbetrouwbaar: niet gebruiken voor bewijs
"Wel hebben twee kinderen van [betrokkene 49], de dochter en die zoon, de middelste zoon, tegen mij gezegd dat ik niet naar de politie moest gaan. Ze hebben mij ook gezegd dat de politie mij zocht. Ik ben niet zelf naar de politie gegaan, omdat de kinderen van [betrokkene 49] dat tegen mij hadden gezegd".Een dag later herinnerde [betrokkene 30] zich dus uit het niets dat hij ook met cliënt gesproken had. De A-G is er in haar requisitoir vanuit gegaan dat [betrokkene 30] verklaarde over verschillende momenten en gebeurtenissen. Om die reden zou er niks tegenstrijdigs zijn aan hetgeen [betrokkene 30] heeft verklaard. Dit is de interpretatie door het Openbaar Ministerie. Op basis van het verhaal van de A-G kan dan ook niet worden geconcludeerd dat [betrokkene 30] het over verschillende gebeurtenissen heeft gehad. Om hierover zekerheid te verkrijgen zou dit aan [betrokkene 30] zelf gevraagd moeten worden. De verdediging doet hierbij dan ook een voorwaardelijk verzoek om [betrokkene 30] te horen, voor het geval uw hof dit punt wenst te betrekken bij de vraag of het ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Los van dit punt stelt de verdediging overigens dat er naast deze tegenstrijdigheid nog vele andere tegenstrijdigheden uit de verklaringen van [betrokkene 30] zijn te halen. Daar heeft het Openbaar Ministerie niets over gezegd. Deze zal de verdediging uw hof wel voorhouden.
"Op het moment dat [verbalisant 3] mij belde stond de dochter van [betrokkene 49] naast mij. Ik was op dat moment in de [aj-straat] en had net een pakje sigaretten in een café gekocht. Toen ik op de fiets wilde stappen kwam net de dochter van [betrokkene 49] aanrijden”.Bij het verhoor bij de rechter-commissaris op 10 juni 2013 zei [betrokkene 30] hier iets anders over: "
Toen mijn mobiele telefoon afging was ik bij [betrokkene 70] thuis. [verdachte] zei: wie is dat? Ik zei: de politie”.Opvallend is dat niet alleen de locatie is veranderd, ook was [verdachte] er ineens bij.
“OK, dan weet ik dat even."Cliënt zegt niet eens toe dat hij op welke wijze dan ook actie zou ondernemen, laat staan dat uit dit gesprek kan worden afgeleid dat cliënt daadwerkelijk ergens gevolg aan heeft gegeven. Uit het gesprek kan zowel ten aanzien van [betrokkene 9] als [betrokkene 30] niet worden afgeleid dat cliënt deze getuigen heeft beïnvloed.
"[verdachte] zei: wie is dat? Ik zei: de politie. [verdachte] zei dat ik niet met de politie mocht praten de eerste keer toen ik gebeld werd. Hij zei: je moet daar niet naartoe gaan. Het was een advies (...). Het is alleen bij [betrokkene 70] thuis voorgekomen dat [verdachte] zei dat ik niet met de politie mocht praten. Dit is verder niet aan de orde geweest”.
Onderzoekwensen
eerstemiddel ziet op de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 30]. ’s Hofs oordeel dat de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onbegrijpelijk zijn nu de betreffende getuige ‘in de vorige instantie is gehoord en de vorige instantie de betreffende getuige onvoldoende betrouwbaar heeft geacht en verdachte dan ook heeft vrijgesproken’. De stellers van het middel menen blijkens de toelichting dat het hof er in een geval als het onderhavige zorg voor dient te dragen dat de verdachte zijn verdedigingsrechten zal kunnen uitoefenen door de betreffende getuige te horen, zulks in verband met het recht van de verdachte op een eerlijk proces.
NJ1994/427 m.nt. Corstens. Uit die rechtsregels volgde dat beginselen van een behoorlijke procesorde kunnen meebrengen dat het hof ambtshalve oproeping van getuigen dient te bevelen. Die plicht bestond ingevolge dat arrest indien een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon het enige bewijsmiddel was waaruit de betrokkenheid van de verdachte bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kon volgen en die persoon nadien door een rechter was gehoord en ten overstaan van deze die verklaring had ingetrokken dan wel had geweigerd te verklaren.
NJ2019/239 m.nt. Kooijmans. Die rechtsregels zien op gevallen die zich kenmerken ‘door de bijzonderheid dat de rechter in eerste aanleg heeft doen blijken dat hij een ten overstaan van een opsporingsambtenaar afgelegde, de verdachte belastende verklaring van een getuige niet betrouwbaar acht en daarom niet voor het bewijs gebruikt, en de rechter (mede) op die grond tot vrijspraak van het tenlastegelegde feit is gekomen’. In die gevallen dient de rechter in hoger beroep, indien hij de betreffende verklaring wel voor het bewijs gebruikt, ‘ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing daartoe de redenen op te geven. In het bijzonder moet de rechter in hoger beroep vermelden op welke gronden hij de desbetreffende verklaring betrouwbaar acht. Die gronden kunnen, maar behoeven niet te zijn ontleend aan een verhoor van de getuige in hoger beroep. In dit verband kan voorts van belang zijn de mate waarin de verklaring van de getuige steun vindt in andere bewijsmiddelen, alsook de door het Openbaar Ministerie tegen de vrijspraak aangevoerde bezwaren en de procesopstelling van de verdachte’. Deze uitgangspunten gelden ook in een geval als het onderhavige, waarin de betreffende verklaringen – die de rechtbank niet betrouwbaar heeft geacht – deels ten overstaan van opsporingsambtenaren en deels in eerste aanleg in aanwezigheid van de verdediging tegenover de rechter-commissaris zijn afgelegd. [3]
tweedemiddel ziet op de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing. Het hof zou niet hebben kunnen vaststellen dat de verdachte ‘het opzet heeft gehad de getuige te beknotten in diens vrijheid een verklaring ‘naar waarheid of geweten’ af te leggen’. Derhalve zou de bewezenverklaring onvoldoende met redenen zijn omkleed, althans zou het bewezenverklaarde niet gekwalificeerd kunnen worden als overtreding van art. 285a Sr. Uit de toelichting op het middel blijkt dat de klacht enkel is gebaseerd op de omstandigheid dat het hof ‘het (cruciale) bestanddeel “om naar waarheid of geweten” doorgestreept’ heeft.
NJ2019/240 m.nt. Rozemond heeft Uw Raad in aansluiting op deze eerdere rechtspraak het volgende overwogen:
derdemiddel bevat de klacht dat het recht op berechting binnen een redelijke termijn is geschonden doordat de inzendingstermijn in de cassatiefase is geschonden.