Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Verweer bruikbaarheid verklaring medeverdachte [medeverdachte] voor het bewijs
Ik heb het dossier voorafgaand aan deze zitting doorgenomen en volgens mij heb ik bij de politie 19 verklaringen afgelegd. Wat ik heb verklaard, staat in die processen-verbaal. Van wat ik wist, heb ik de waarheid verklaard. Als ik iets niet wist, heb ik dat ook aangegeven ”.
“Ik heb daar verder niets aan toe te voegen. Op de vraag of ik bij mijn verklaring blijf dat ik erbij betrokken was, verwijs ik naar het dossier. Wat ik heb verklaard, staat erin (…). De zaken waar ik geld mee heb verdiend, staan in het dossier. (…) Ik blijf bij mijn verklaring zoals afgelegd bij de politie. (…) Ik was wel betrokken bij de zaken, zoals ik heb verklaard bij de politie. Op de vraag van de voorzitter of veroordeelde [verdachte] ook bij al die zaken betrokken was, antwoord ik dat dit het geval is, zoals ook in het dossier staat. De betrokkenheid kan ik mij nog wel herinneren (...). [verdachte] heeft wel in elk geval in de zaken [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [A] geld verdiend. Er heeft telkens een verdeling van de opbrengst plaatsgevonden”.
(i) [medeverdachte] ook ter gelegenheid van dat verhoor ondubbelzinnig kenbaar maakte dat hij zich op zijn verschoningsrecht beriep en geen vragen van de verdediging wilde beantwoorden, en zijn nadien gemaakte (door het hof in het arrest geciteerde) opmerkingen daaraan niet afdoen, aangezien die niet veel meer inhouden dan een verwijzing naar het dossier, en voorts niet omdat
(ii) deze ondervraging plaatshad in de ontnemingszaak, zodat de vraagstelling en beantwoording in de
ontnemingszaakspelende kwesties betrof. De vragen die de raadsman in de hoofdzaak wenste te stellen (zoals aangehecht aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 29 juni 2019) zijn daar noch gesteld noch beantwoord, en vielen ook buiten het bestek van hetgeen in die procedure ter discussie stond.
(…)
- i) de uitspraak van het EHRM van 12 maart 2020, appl.nr. 53791/11 (Chernika t. Oekraïne) een strengere toets lijkt aan te leggen dan de Hoge Raad in zijn arrest van HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:123, NJ 2019/217 m.nt. Vellinga, door niet alleen in het geval dat een getuigenverklaring
- ii) het hof niets heeft vastgesteld ten aanzien dergelijke ‘
- iii) het hof in zijn arrest niet ingaat op de vraag of de verklaring van getuige [medeverdachte] voor ieder (cumulatief) bewezenverklaard feit voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen terwijl uit HR 4 juli 2017 ECLI:NL:HR:2017:1016,
sole or decisive") op de door die getuige afgelegde verklaring is gebaseerd, maar aan die verklaring voor de bewezenverklaring niettemin "
significant weight" toekomt. In zijn arrest van 29 januari 2019 heeft de Hoge Raad deze vraag ontkennend beantwoord:
“carried such significant weight that its admission may have handicapped the defence”(par. 54) als een alternatieve beschrijving van “
decisive” in de zin van beslissend. Het EHRM spreekt hier immers niet slechts over ‘
significant weight’, maar over een gekwalificeerde vorm daarvan. Verder heeft het EHRM in de zaak Chernika vastgesteld dat het ging om getuigen die niet op de terechtzitting waren gehoord, waarvan de verklaringen bovendien “
decisive” waren voor de bewezenverklaring (par. 57 en 58). Vervolgens toetste het EHRM, ervan uitgaande dat het om doorslaggevend bewijs ging, of er voldaan was aan de “
counterbalancing factors” (par. 67 e.v.).
- dat ten aanzien van feit 3 slechts de vondst van enkele alledaagse voorwerpen - zoals pritt-stiften, stokjes en een bamboetang - door de rechtbank worden genoemd en dat in aanvulling daarop het hof erop wijst dat bij verzoeker PostNL-documenten en -goederen zijn gevonden, terwijl niet duidelijk is hoe die goederen (die in ieder geval niet in relatie lijken te staan tot de in feit 3 genoemde aangevers) zich tot het onder feit 3 bewezenverklaarde verhouden, en welk verband zij met deze vier diefstallen zouden hebben.
- dat ten aanzien van de onder 4A en 4B bewezenverklaarde (pogingen tot) oplichting de omstandigheden dat de telefoon van de verdachte een enkele keer een zendmast heeft aangestraald in de buurt van de plaats waar geld is gepind onvoldoende steunbewijs oplevert, terwijl hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat [medeverdachte] bij één van de feiten een Adidas-tas heeft gebruikt die lijkt op een tas die later bij de verdachte is gevonden, en voorts dat dit nog niet meebrengt dat de verdachte óók bij de andere bewezenverklaarde (pogingen tot) oplichting betrokken was;
- dat ten aanzien van de feiten 2A en 2B door de rechtbank alleen wordt gewezen naar de verklaring van [medeverdachte] , en dat dit weliswaar voor aangever [betrokkene 4] anders is maar dat het gebrek aan steunbewijs voor de overige bewezenverklaarde feiten niet wegneemt;
- en dat feit 1 eveneens in doorslaggevende mate op de verklaring van [medeverdachte] berust en voortborduurt op de bewezenverklaring van de overige feiten.
Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel.”