Conclusie
1.Feiten
hof) van 21 januari 2020, [1] verwijst het hof naar het vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Curaçao (hierna: het
gerecht) van 19 juni 2017 voor wat in eerste aanleg is gesteld en verzocht, voor de procesgang aldaar en voor de overwegingen en beslissingen van het gerecht, en overweegt het hof dat de inhoud van dat vonnis als hier ingevoegd geldt. In dat vonnis wordt terugverwezen (onder meer in rov. 1) naar het vonnis van het gerecht van 27 juni 2016, waarin het gerecht in rov. 2-6 de volgende feiten heeft vastgesteld:
[verzoekers]) [2] enerzijds en [A] N.V. (hierna:
[A]) en [B] B.V. (hierna:
[B]) anderzijds, zijn in december 2011/januari 2012 met elkaar overeengekomen zoals staat vermeld in de overeenkomst van aanneming van werk (met bijlagen), die als bijlage I is gehecht aan het inleidende verzoekschrift. Aldus is overeengekomen dat voor [verzoekers] de in die overeenkomst aangeduide woning wordt gebouwd te [a-straat] , kavel [001] , op Curaçao. De aanneemsom bedroeg NAf 807.804,90 en de bouw zou (eerst) op 1 december 2012 zijn afgerond. In die overeenkomst worden eisers gezamenlijk als “de opdrachtgever” aangeduid en worden [B] en [A] gezamenlijk als “de aannemer” aangeduid. Van die door partijen gemaakte afspraken maken deel uit Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (hierna: de
UAV 1989).
[verweerster]) is enig statutair bestuurder van [A] . [verweerster] en/of haar echtgenoot [betrokkene 1] is geen statutair bestuurder van [B] .
2.Procesverloop
tussenvonnis)
BW-C); rov. 29 tussenvonnis)
eindvonnis) [4]
[betrokkene 3]) niet. Hij verschijnt wel op 29 mei 2017 en wordt dan gehoord. Ook daarvan is proces-verbaal opgemaakt. [verweerster] ziet af van tegengetuigenverhoor. [verzoekers] en [verweerster] benutten op 15 mei 2017 beiden de gelegenheid om schriftelijk bewijs bij te brengen. Ten slotte concluderen zij beiden op 12 juni 2017 na bewijslevering. (rov. 4 eindvonnis)
bestreden vonnis)
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Rv-C). [9] Art. 48a lid 3 Rv-C bepaalt dat het vonnis, tenzij anders uit de wet voortvloeit, met redenen omkleed moet zijn. [10] Gelet ook op het beginsel van concordantie van rechtspraak, ligt het voor de hand deze Curaçaose wetsbepaling uit te leggen mede aan de hand van de in het Europese deel van het Koninkrijk voorhanden bronnen. [11]
Grief 1.
Grief 2.
Grief 3.
Grief 4.
Grief 5.
Grief 6.
Grief 7.
Grief 8.
Grief 9.
Dit[dus: het voorgaande tezamen bezien, inclusief het ontbreken van wetenschap bij [verzoekers] ter zake, A-G] levert ook een zelfstandige vorm van onrechtmatig handelen op. (…).”
onder g en i, loopt het daarop reeds vast. [61]
onder g en ibedoelde stellingen van [verzoekers] wat betreft de door hem aan [A] en [B] tijdens de bouw gedane (vooruit)betalingen door het gerecht zijn betrokken, volgt reeds uit rov. 10, tweede t/m vierde alinea eindvonnis. Daar heeft het gerecht uitvoerig uiteengezet, onder verwijzing naar de getuigenverklaringen van [verweerster] en [betrokkene 3] (geciteerd onder 2.16 hiervoor), waarom ter zake van [verzoekers] in rov. 2 eindvonnis weergegeven stelling (aansluitend op rov. 35 tussenvonnis) al geen basis voor bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerster] vanwege een persoonlijk ernstig verwijt aanwezig kan worden geacht. [62] Daarop sluit aan het oordeel van het gerecht in rov. 10, vijfde alinea, eerste t/m vierde zin eindvonnis naar aanleiding van het daar bedoelde betoog van [verzoekers] over “een stelselmatigheid in de gedragingen van [A] / [verweerster] ”, etc., welk betoog het gerecht heeft verworpen omdat blijkens de getuigenverklaring van [betrokkene 3] geen basis aanwezig is voor het aannemen van een patroon van benadeling van opdrachtgevers.
onder a t/m f en hbedoelde stellingen van [verzoekers] door het gerecht zijn betrokken, volgt reeds uit rov. 10, voorlaatste zin en slotzin eindvonnis naar aanleiding van het door [verzoekers] in diens conclusie na enquête aangevoerde, [63] welk op vaststelling van bestuurdersaansprakelijkheid van [verweerster] gerichte betoog van [verzoekers] volgens het gerecht niet wordt geschraagd door de verklaringen van de door hemzelf voortgebrachte getuigen.
onder g en ibedoelde stellingen van [verzoekers] wat betreft de door hem tijdens de bouw aan [A] en [B] gedane (vooruit)betalingen, waarover hiervoor.
onder hbedoelde stelling van [verzoekers] , erop neerkomend dat [A] en [B] na de werkzaamheden te hebben gestaakt deze niet meer wilden hervatten, [64] vindt zo geen bevestiging in de getuigenverklaringen: daaruit volgt [65] dat de bouw (tijdelijk) is stilgelegd toen de advocaten in gesprek gingen om een goed einde aan de zaak te maken (februari 2013), [66] dat er ook door [B] niet is geweigerd de bouw af te ronden, [67] dat [B] toen door [verzoekers] werd weggestuurd ( [verweerster] was toen nog met [verzoekers] in overleg), [68] dat er bij [A] en [B] bereidheid was tot afronding en pas daarna (bij oplevering) ontvangst van betaling, [69] en dat het uiteindelijk niet tot een akkoord kwam omdat [verzoekers] geen finale kwijting wilde accepteren en de eis stelde dat [verweerster] persoonlijk aansprakelijk zou zijn. [70]
onder abedoelde stelling van [verzoekers] verwijs ik naar de behandeling van onderdeel II, die ter zake voor zich spreekt (zie onder 3.7 hiervoor).
b, e, fbedoelde stellingen van [verzoekers] valt niets terug te vinden in de getuigenverklaringen: daarin staat niet - in zulke woorden, of woorden van gelijke strekking - dat [verweerster] uit de inkomsten van [A] [71] (of uit haar inkomsten uit [A] ) haar privé-verplichtingen jegens de bank heeft voldaan, dat zij na de ontbinding door [verzoekers] van de aannemingsovereenkomst (in 2013) “de activiteiten van [A] ” heeft overgeheveld naar een nieuw opgerichte vennootschap ( [E] N.V.) en/of dat [A] daardoor een ‘lege huls’ is geworden. [72] Dit laatste volgt naar de aard evenmin uit de in het subonderdeel
onder cbedoelde stelling van [verzoekers] , (slechts) erop neerkomend dat [A] haar schuld aan [D] heeft voldaan, waarvan een bevestiging in de getuigenverklaring van [verweerster] gelezen kan worden. [73]
onder dbedoelde stelling van [verzoekers] geen weerklank vindt in de getuigenverklaringen. In het bijzonder valt daaruit niet op te maken dat [A] ten tijde of als gevolg van het met de overige in het subonderdeel bedoelde stellingen van [verzoekers] concreet aan [verweerster] als haar bestuurder tegengeworpen handelen, daterend van voor het tussenvonnis, niet (meer) binnen een redelijke termijn kon voldoen aan een betalingsverplichting jegens [verzoekers] (die uiteindelijk is vastgesteld bij tussenvonnis) en hem minder of geen verhaal (meer) bood, laat staan als voorzienbaar gevolg daarvan. [74]