ECLI:NL:PHR:2021:367
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over strafmotivering en onherroepelijke veroordelingen bij recidive in verkeersdelicten
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf wegens het rijden terwijl zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, een overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Het hof motiveerde de straf mede door te verwijzen naar eerdere onherroepelijke veroordelingen van de verdachte voor soortgelijke feiten, die hem er niet van hadden weerhouden opnieuw de overtreding te begaan.
De verdediging stelde in cassatie dat de strafmotivering onvoldoende was omdat het hof ten onrechte twee eerdere veroordelingen had betrokken die op het moment van het plegen van het feit nog niet onherroepelijk waren. De Hoge Raad stelde vast dat alleen onherroepelijke veroordelingen mogen worden meegewogen bij strafverzwaring wegens recidive en dat het hof ten onrechte ook veroordelingen meenam die pas na het plegen van het feit onherroepelijk werden.
Desondanks oordeelde de Procureur-Generaal dat dit motiveringsgebrek in deze zaak van zo ondergeschikt belang is dat cassatie achterwege kan blijven. Dit vanwege de vele eerdere onherroepelijke veroordelingen van de verdachte voor diverse strafbare feiten, waaronder verkeersdelicten, en het beperkte gewicht dat het hof aan de specifieke recidive toekende. De Hoge Raad werd geadviseerd het cassatieberoep te verwerpen.
De zaak benadrukt het belang van een zorgvuldige strafmotivering bij het betrekken van niet tenlastegelegde feiten en onherroepelijke veroordelingen, maar erkent ook dat niet elke misslag in dit verband cassatie behoeft uit te lokken.
Uitkomst: Het cassatieberoep is verworpen wegens onvoldoende belang ondanks een motiveringsgebrek in de strafoplegging.