Conclusie
Nummer20/01749 C
Inleiding
Het eerste middel
Het tweede middel
in dubio pro reo,waarbij een beroep wordt gedaan op art. 6, tweede lid, EVRM.
dat hij in de periode van 31 december 2008 tot en met 08 september 2009, in de Nederlandse Antillen, tezamen en in vereniging met anderen, een gewoonte heeft gemaakt van het opzettelijk witwassen van voorwerpen, immers hebben verdachte en zijn mededaders toen en aldaar
Overneming van het door het Hof in zijn vonnis van 31 maart 2016 gebezigde bewijs
[E] NV (hierna ook [E] NV genoemd).
Daartoe gemachtigd door de directeur van [F] NV, [betrokkene 3], werd [F] bij de oprichting van [E] NV vertegenwoordigd door [betrokkene 4]. Uit de oprichtingsakte blijkt dat als managing directors zijn aangesteld/benoemd [G] NV en [betrokkene 4] voornoemd.
In de periode van 29 (het Hof leest: 24) april 2009 tot en met 5 september 2009 zijn er door [E] NV de hieronder genoemde goudtransporten uitgevoerd via de route Venezuela-Curaçao-Nederland-België.
Bewijsoverwegingen
Met betrekking tot feit 9a heeft de verdachte het volgende verweer gevoerd.
nietplaats met behulp van zwaar beveiligde goudtransporten, zoals te doen gebruikelijk is, maar zonder veiligheidsmaatregelen, hetgeen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich bracht. [13] [14]
nietplaats met behulp van zwaar beveiligde goudtransporten, zoals te doen gebruikelijk is, maar zonder veiligheidsmaatregelen, hetgeen een aanzienlijk veiligheidsrisico met zich bracht.
in dubio pro reo. Hierbij wordt een beroep wordt gedaan op art. 6, tweede lid, EVRM.