Conclusie
Nummer19/01132
Het cassatieberoep
De middelen
eerste middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat richtlijn nr. 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures (hierna ook: de richtlijn) in de Nederlandse rechtsorde voldoende is geïmplementeerd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
Daarna heeft de verdachte een uitgebreide, deels bekennende, verklaring afgelegd.
Oordeel van het hof
In de preambule wordt voorts nog uitdrukkelijk overwogen dat de informatie aan verdachten of beklaagden over het strafbare feit waarvan ze worden verdacht of beschuldigd, weliswaar onverwijld, doch ook zonder lopende onderzoeken te schaden, dient te worden verstrekt en dat deze informatie dient te worden verstrekt in voldoende detail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zich bevindt.
Overigens kan uit de omstandigheid dat in het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte in verband met de verdenking alleen een artikelnummer is vermeld niet worden afgeleid dat aan hem niet meer informatie is verstrekt omtrent de aard van de verdenking.
tweede middelbevat de klacht dat het oordeel van het hof dat art. 27c Sv is nageleefd en daarmee aan de in de richtlijn en art. 6 EVRM Pro gestelde eisen is voldaan, niet begrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd.