Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
Het cassatiemiddel is tevergeefs voorgesteld.
4.Beslissing
8 december 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een strafrechtelijke procedure tegen verdachte wegens medeplegen van het zich verschaffen en in voorraad hebben van valse bankbiljetten van 500 euro, ter waarde van 59.000 euro, op 8 april 2005 te Amsterdam. Verdachte werd vervolgd samen met meerdere medeverdachten.
Het centrale verweer betrof een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie wegens schending van het Tallon-criterium, omdat een burgerinformant, handelend namens de politie, medeverdachte had bewogen tot strafbare feiten die hij anders niet zou hebben gepleegd. De verdediging stelde dat verdachte hierdoor ook onrechtmatig tot het strafbare feit was gebracht.
Het hof oordeelde dat het Tallon-criterium weliswaar was geschonden ten aanzien van een medeverdachte die direct contact had met de burgerinformant, maar dat verdachte zelf geen direct contact had met de informant en niet door de opsporingsambtenaar of diens vertegenwoordiger was gebracht tot het plegen van het strafbare feit. Dit oordeel werd door de Hoge Raad bevestigd. De Hoge Raad benadrukte dat het ontbreken van direct contact tussen verdachte en burgerinformant relevant is en dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd.
Het beroep in cassatie werd verworpen en het openbaar ministerie blijft ontvankelijk in de vervolging. De Hoge Raad herhaalde de criteria voor niet-ontvankelijkverklaring bij schending van het Tallon-criterium, waarbij sprake moet zijn van een onherstelbare inbreuk op het recht op een eerlijk proces.
Uitkomst: Het beroep van verdachte wordt verworpen en het openbaar ministerie blijft ontvankelijk in de vervolging.