In het proces-verbaal van het verhandelde ter digitale zitting bij het Hof is onder meer het volgende opgenomen:
[De gemachtigde van belanghebbende; A-G] wijst erop dat een object het meest omvattende begrip is; alles hoort bij het object. Uit de Memorie van Toelichting (hierna MvT) blijkt duidelijk dat een leegstaand object met woonbestemming als woning moet worden aangemerkt. Het is voor hem dan ook duidelijk dat in dit geval het tarief voor woningen moet worden gehanteerd. Op bladzijde 15 van dezelfde MvT is te lezen:
“In artikel 220a is voor wat betreft het object van de belasting een verwijzing naar hoofdstuk III van de Wet WOZ opgenomen. Voorheen was op deze plaats een zelfstandige objectafbakeningsregeling opgenomen. Aan deze regeling bestaat geen behoefte meer, daar de objectafbakeningsregeling geheel in de Wet WOZ is opgenomen. Op deze wijze sluiten de regels voor de afbakening van het object van de belastingheffing volledig aan bij die van hef object dat ingevolge de Wet WOZ van een beschikking omtrent de waarde is voorzien.”
Uit deze passage is op te maken dat de objectafbakening leidend is. Het object is. bepalend, alles hoort daarbij. Dit blijkt ook al uit oudere kamerstukken, namelijk Kamerstukken II 1993/1994, nr 22.885, nr. 6, blz 37, waar is te lezen dat de leden van de SGP-fractie hebben voorgesteld de term ‘tot woning dienen’ te wijzigen in het meer objectieve begrip ‘tot woning bestemd’. In de MvT van 1996/1997 heeft men daarop voortgeborduurd door ‘leegstaande objecten met woonbestemming’ als woning te kwalificeren. Kortom: het gaat om een objectief begrip.
[De gemachtigde van belanghebbende; A-G] verklaart voorts dat aan een leek niet is uit te leggen waarom een kavel die voorheen als woning werd aangemerkt, tussentijds - voor aanvang van de bouw van een nieuwe woning - een niet-woning is. Het is niet logisch dat een object alleen als woning is aan te merken zo lang er een woning op staat en niet in een tussenperiode waarin de eerste woning is afgebroken en met de bouw van de nieuwe woning nog geen aanvang is gemaakt. Uitvoeringstechnisch is het voor de gemeente ook praktisch als dan steeds, van een woning wordt uitgegaan, dan hoeft niet op tussenliggende momenten te worden gecontroleerd. In onderhavige kwestie gaat het om een kavel met een woonbestemming.
[De Heffingsambtenaar; A-G] verklaart in reactie hierop dat belanghebbende in 2016 de onroerende zaak heeft gekocht. Er is toen een bouwkavel gekocht. Pas in 2018 is een omgevingsvergunning verleend. De Hoge Raad heeft in 2005, derhalve met inachtneming van de zojuist door Bakker aangehaalde wetsgeschiedenis, beslist, dat een woning in aanbouw voor de toepassing van het tarief als een woning moet worden aangemerkt. In onderhavig geval is op de waardepeildatum geen sprake van een woning in aanbouw. Er is alleen grond en in grond kun je niet wonen.
De voorzitter wijst op een arrest van de Hoge Raad van 3 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2872. Dat arrest is gewezen in het licht van de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting. In het arrest wordt de vraag beantwoord wanneer sprake is van een woning in aanbouw, namelijk als feitelijk is begonnen met de bouwwerkzaamheden. Nu op de waardepeildatum nog geen sprake is van bouwactiviteiten, wat is dan de visie van [de gemachtigde van belanghebbende; A-G]? [De gemachtigde van belanghebbende; A-G] verklaart dat hij dit arrest kent. In het arrest is echter het ‘leegstaande object’ zoals genoemd in de MvT 1996/1997, niet aan de orde gekomen. Hij wijst nogmaals op de tekst in de MvT, alsmede op de vraag van de SGP-fractie in 1993/1994. Er moet meer worden geobjectiveerd. Een leegstaand object is het meest omvattende wat er is. Hij verklaart desgevraagd dat zijn stelling niet luidt dat sprake is van een woning in aanbouw. Hij stelt dat sprake is van een leegstaand object met een woonbestemming.
[De Heffingsambtenaar; A-G] verklaart dat de WOZ-waarde van ieder object jaarlijks opnieuw moet worden vastgesteld. Dat betekent dat ieder jaar objecten moeten worden afgebakend en gewaardeerd, en dat tarieven moeten worden vastgesteld. Op de waardepeildatum gaat het in dit geval om een stuk grond. Met een leegstaand object wordt een bouwwerk bedoeld. Een stuk grond, zoals in onderhavige kwestie, kan niet leegstaan. Het is geen leegstaand object. Daarom is het een niet-woning.
[De gemachtigde van belanghebbende; A-G] is het daarmee niet eens. Een stuk grond kan ook een object zijn. Een object is het meest omvattende begrip.
De voorzitter merkt op dat [de gemachtigde van belanghebbende; A-G] belang hecht aan wat logisch zou zijn voor wat betreft het aanmerken als woning of niet-woning. Als een willekeurige persoon op de waardepeildatum voor het perceel aan de [a-straat] zou staan, zou die persoon dan zeggen dat hij een woning of een niet-woning ziet?
[De gemachtigde van belanghebbende; A-G] verklaart dat het perceel een woonbestemming heeft, zodat iemand daar alleen komt kijken om er een woning te bouwen. Je gaat daar niet kijken alsje geïnteresseerd bent in een agrarisch of industrieel perceel.
Partijen verklaren desgevraagd eensluidend dat op de waardepeildatum sprake was van een perceel grond met daarop de restanten van de fundering van de oude woning, een hekwerk en een oprit. Er was nog geen aanvang gemaakt met de bouwwerkzaamheden.
In tweede termijn wijst [de gemachtigde van belanghebbende; A-G] nogmaals op de MvT en de vraag van de SGP-fractie omtrent een meer objectief begrip ‘tot woning bestemd’. Een object is het meest omvattende begrip. Uit de wetgeschiedenis wordt duidelijk dat een leegstaand object met een bouwbestemming een woning is. In het arrest van 2014 is dit niet aan de orde gekomen.