Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van de cassatiemiddelen
Artikel 23 Fw Pro bepaalt dat de schuldenaar door de faillietverklaring van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorende vermogen verliest vanaf de dag (te rekenen vanaf 00.00 uur) waarop de faillietverklaring wordt uitgesproken. Deze bepaling is een uitwerking van het aan de Faillissementswet ten grondslag liggende fixatiebeginsel, dat inhoudt dat de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen door het intreden van het faillissement onveranderlijk wordt.
Het fixatiebeginsel heeft aldus een bredere strekking dan alleen het verlies van beheers- en beschikkingsbevoegdheid van de schuldenaar. Het strekt ertoe dat zowel de goederen van de schuldenaar waarop verhaald kan worden - de activa van de schuldenaar - als de hoogte en voorrang van de vorderingen - de passiva van de schuldenaar - worden gefixeerd c.q. bepaald naar de dag van de faillietverklaring (te 00.00 uur).
Het standpunt van de curator dat ook de girale betaling die tijdens het faillissement is verricht ten laste van een bankrekening met een debetsaldo door hem kan worden teruggevorderd, is dan ook juist.”
Onderdeel 2 en 3voeren aan dat het oordeel van het hof in rov. 10 onjuist is dat het fixatiebeginsel ertoe strekt dat de rechtspositie van een schuldeiser na het intreden van het faillissement niet meer te zijnen gunste (wat betreft hoogte en voorrang van de vordering van de crediteur) mag worden gewijzigd. In elk geval is de uitspraak van het hof volgens de drie onderdelen [10] onbegrijpelijk in het licht van onder meer de essentiële stellingen van RFH dat bij die vordering geen sprake is van geld ‘terug’ in de boedel, omdat de betaling aan de begunstigde RFH niet ten laste van de boedel was, maar ten laste van een derde (de bank), dat schulden (een debetstand bij de bank) niet zijn te executeren, dat art. 23 Fw Pro, het fixatiebeginsel, niet van toepassing is op schulden, dat geen sprake is van nadeel voor de boedel en dat geen belang van de boedel is getroffen, maar hoogstens van de derde (de bank).
Vis q.q./NMB. In dat arrest is overwogen:
Vis q.q./NMBuitsluitend erom gaat of de bank van de schuldenaar voor de aanvang van de dag van de faillietverklaring alle handelingen heeft verricht die nodig zijn ter effectuering van de betaling. (…)
Vis q.q./NMB.
Vis q.q./NMB(i) dat niet meer behoeft te worden nagegaan wanneer de bank van de schuldenaar alle handelingen heeft verricht die nodig zijn ter effectuering van de betaling - hetgeen praktisch moeilijk kan zijn en bovendien kan leiden tot uitkomsten die naar gelang de (soms toevallige) omstandigheden kunnen verschillen - en (ii) dat het in dit verband geen verschil meer maakt of het gaat om een rekening van de schuldeiser bij dezelfde of bij een andere bank.”
NJ1980, 563).”
uitgevoerd. [16]
W8957. Deze onveranderlijkheid komt dan ook tot uitdrukking in de bepaling van de positie van een schuldeiser die in beginsel alleen in het faillissement kan opkomen voor de vordering die hij ten tijde van de faillietverklaring op de schuldenaar heeft, vergelijk Van der Feltz II (1897), p. 126, en
Parl. Gesch.Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 201.
NJ1923, p. 359, of van het beginsel dat door het intreden van het faillissement de rechtspositie van alle bij de boedel betrokkenen onveranderlijk wordt, het zogenoemde ‘fixatiebeginsel’, zie HR 17 februari 1995,
NJ1996/471, zulks beslissend ten aanzien van art. 23 en Pro daarbij tevens aangevend dat op de dag van faillietverklaring de beschikking en het beheer bij de curator komt te berusten, zie art. 68 lid Pro 1.” [38]
niet‘steeds’ het betaalde terugvorderen waarmee na het intreden van de faillissementstoestand de rekening van de schuldeiser is gecrediteerd, namelijk niet in het geval dat de overschrijvingsopdracht al geheel was uitgevoerd door de bank
van de schuldenaar(zie het arrest). Kennelijk ziet het woord ‘steeds’ in rov. 3.10.3 van JPR/Gunning q.q. dus daarop.