Conclusie
willing licenseegetoond en hebben onvoldoende onderbouwd dat het licentie-aanbod van Philips niet aan de FRAND-voorwaarden voldoet en dat hun tegenvoorstellen tijdens de procedure daaraan wel voldoen. Het beroep op art. 29 en Pro 36 Verordening Brussel I-bis wordt verworpen. Het inbreukverbod, de recall en de schadevergoeding/winstafdracht (op te maken bij staat) ten aanzien van EP 511 en EP 525 zijn toegewezen. EP 659 is nietig geacht wegens gebrek aan inventiviteit. De daarop gegronde vorderingen zijn daarom afgewezen.
Huawei/ZTEvan het HvJ EU geeft antwoord op de vraag onder welke omstandigheden het entameren van een inbreukprocedure door een SEP-houder tegen een SEP-gebruiker geen misbruik oplevert. Een nog open vraag is of (en onder welke omstandigheden) het optreden van de SEP-houder gedurende die procedure (alsnog) misbruik van machtspositie kan opleveren (de Engelse en Duitse rechtspraak geven hier een begin van een antwoord op). Aan die vragen wordt in deze procedure niet toegekomen (zodat prejudiciële vragen niet aan de orde zijn), met name omdat volgens mij stand houdt het oordeel dat Wiko op meerdere punten niet heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijslast over de “non-FRAND-ness” van Philips in deze, waarbij Wiko naar mijn mening tevergeefs een verzwaarde stel-/betwistingsplicht aan de zijde van Philips bepleit. Als niet (voldoende steekhoudend) bestreden moet dan als vaststaand worden beschouwd dat Philips hier conform “FRAND-standaarden” heeft gehandeld.
1.Feiten
An unmodulated, direct-sequence spread spectrum signal transmitted continuously by a CDMA mobile station. A reverse pilot channel provides a phase reference for coherent demodulation and may provide a means for signal strength measurement”. Via dit kanaal zendt het mobiele station continu ‘pilot signals’ aan het basisstation. Over het Reverse Dedicated Control Channel worden besturingsberichten gestuurd en over het Reverse Fundamental Channel spraakberichten. Het Reverse Supplemental Channel is in de 3GPP2-standaard gedefinieerd als: “
A portion of a Radio Configuration 3 through 6 Reverse Traffic Channel which operates in conjunction with the Reverse Fundamental Channel or the Reverse Dedicated Control Channel in that Reverse Traffic Channel to provide higher data rate services, and on which higher-level data is transmitted.” Over dit kanaal worden gebruikersgegevens (tekstberichten, foto’s, etc.) gestuurd.
2.Procesverloop
between the times of the first and second criteria being met’ zal de gemiddelde vakman begrijpen dat wordt gedoeld op de situatie ná het intreden van het eerste criterium en derhalve nadat het zendvermogen op basis daarvan is verlaagd en voor het intreden van het tweede criterium op grond waarvan het datazendvermogen weer zal worden verhoogd. Hij vindt voor die lezing bevestiging in paragraaf 30 van de beschrijving: “
During operation of the first radio station after decreasing the data transmit power following the first criterion being met and before the second criterion is met, the transmission power may be either (a) switched off, (b) continued at a reduced and constant level, or (c) continued at a reduced and variable level, to some extent tracking variations in channel quality.”
lower power level’ wordt verwezen naar het zendvermogen ná toepassing van het eerste criterium voor het verlagen van het zendvermogen en vóór toepassing van het tweede criterium voor het verhogen van het zendvermogen. Het woord ‘lower’ zal daarbij worden begrepen als lager dan het niveau van het zendvermogen voorafgaand aan de toepassing van het eerste criterium op basis waarvan het is verlaagd.
5.De beslissing
Artikel 102 VWEU Pro moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een octrooi dat essentieel is voor een door een standaardisatieorganisatie opgestelde standaard, die jegens deze standaardisatieorganisatie de onherroepelijke verbintenis is aangegaan om aan derden een licentie te verlenen onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, genoemd FRAND-voorwaarden („fair, reasonable and non-discriminatory”), geen misbruik van zijn machtspositie in de zin van dat artikel maakt door een beroep wegens inbreuk in te stellen strekkende tot staking van de inbreuk op zijn octrooi of tot terugroeping van de producten voor de vervaardiging waarvan gebruik is gemaakt van dit octrooi, wanneer:
Anderzijds dient de houder van dit SEO, nadat de vermeende inbreukmaker te kennen heeft gegeven dat hij bereid is een licentieovereenkomst te sluiten onder FRAND-voorwaarden, deze inbreukmaker een concreet en schriftelijk aanbod van een licentie onder FRAND-voorwaarden te doen” volgt dat de tweede stap is dat de SEP-gebruiker vervolgens te kennen dient te geven dat hij bereid is een licentieovereenkomst te sluiten onder Frand-voorwaarden. Hij dient zich met andere woorden een ‘willing licensee’ te tonen.
(…) the judgment does not hold that if the circumstances diverge from the scheme set out in any way then a patentee will necessarily abuse their dominant position by starting such a claim. In those circumstances the patentee's conduct may or may not be abusive. The scheme sets out standard of behaviour against which both parties behaviour can be measured to decide in all the circumstances if an abuse has taken place.”
een verbod voorkomendoor de octrooihouder een nieuw licentievoorstel te doen” cursivering hof) onderkent zij dit zelf ook. Bij gebreke van een SEP-houding bij Wiko komt het beroep op misbruik van recht door Philips om haar octrooi tegenover Wiko te handhaven Wiko dus niet toe. In dezelfde zin heeft het Landgericht Mannheim overwogen in diens uitspraak van 25 november 2016 in de eveneens op 19 oktober 2015 aanhangig gemaakte procedure tussen Philips en Wiko Germany GmbH over EP 525, waarin de verbodsvorderingen van Philips zijn toegewezen. Het schorsingsverzoek tegen het opgelegde inbreukverbod is op 31 januari 2017 door het Oberlandesgericht Karlsruhe afgewezen. Dat het Landgericht Mannheim in de hiervoor genoemde Duitse procedure tegen Wiko (zie 4.1) de verbodsvorderingen van Philips heeft afgewezen, vindt zijn oorzaak daarin dat de feiten in die procedure anders waren, in die zin dat die procedure eerst later aanhangig is gemaakt en Wiko naar het oordeel van het Duitse gerecht zich inmiddels (na het aanhangig maken van onderhavige procedure en de procedure tegen Wiko Germany, maar voor het aanhangig maken van de Duitse procedure tegen Wiko) een willing licensee had getoond. Ingevolge het Huawei / ZTE arrest rustte daardoor op Philips de plicht een licentie-aanbod onder Frand-voorwaarden te doen en heeft de Duitse rechter – die van oordeel was dat in het Huawei / ZTE arrest een substantiëringsplicht voor de octrooihouder besloten ligt – geoordeeld dat Philips niet aan haar substantiëringsplicht had voldaan en daarom de verbodsvordering afgewezen.
we are willing to discuss different licensing structures if Wiko so desired, such as a lump sum arrangement. At multiple occasions, we have invited Wiko to make a serious counteroffer, but much to our disappointment these invitations have turned out to be made in vain.”), alsmede de in elk geval in dat opzicht onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaring van [betrokkene 1] , blijkt genoegzaam dat Philips bereidheid heeft getoond om nadere toelichting te geven op dat voorstel en daarover met Wiko te onderhandelen, waarmee desgewenst ook specifiek voor haar situatie onredelijk uitpakkende voorwaarden ter discussie gesteld hadden kunnen worden.
Philips' offer (see Exhibit 3) for a license for Philips' UMTS and LTE portfolios on a worldwide basis for the life of the patents with a per unit royalty of USD 0.75 per product reflects FRAND terms and conditions”. [betrokkene 2] heeft zich mede gebaseerd op een (in het kader van diens eigen onderhandelingen opgestelde) interne analyse van een licentienemer met betrekking tot “
the value of Philips' UMTS patent portfolio vis-a-vis the broader value for all SEPs”, de blijkens diverse publicaties door derden gehanteerde licentievergoedingen, de ‘litigation history’ en het aandeel van de Philips portefeuille in de relevante standaard. Weliswaar heeft Wiko de nodige kritiek geuit op dit rapport, maar daarmee miskent Wiko dat het, zoals hiervoor in r.o. 4.25 overwogen, niet aan Philips is om te bewijzen dat haar voorstel Frand is, maar dat de bewijslast van de door Wiko gestelde niet-Frandheid van het voorstel van Philips op haar rust. Wiko heeft zelf geen rapportage overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt.
The current licensees collectively represent more than 19% of 2016 worldwide smartphone volume.”
5.De beslissing
3.Achtergronden en juridisch kader FRAND
Standard Essential Patent(SEP of SEP-octrooi). Voor een goed begrip volgt hierna eerst een introductie over standaardisatie en standaard-essentiële octrooien. Aansluitend wordt ingezoomd op standaardisatie in de telecommunicatiesector. Daarna kom ik toe aan een bespreking van het voor deze zaak relevante recht.
4. Printen van een tekst zoals deze gebeurt doorgaans op een gestandaardiseerde maat voor papier, zoals A-4
5. Standaarden zijn nuttig en kunnen zorgen voor interoperabiliteit en compatibiliteit van producten
6. De consument profiteert daar over het algemeen van, bijvoorbeeld door netwerkeffecten
7en door toenemende concurrentie tussen producenten
8. Een voorbeeld van een netwerkeffect is dat de waarde van een telefoon toeneemt naarmate iemand daarmee meer andere telefoons binnen het netwerk kan bereiken
9. Door de implementatie van één standaard bedienen de afzonderlijke telefoons en de bijbehorende technische infrastructuur zich als het ware van een gemeenschappelijke taal
10.
11.
12, bijvoorbeeld mobiele (draadloze) communicatienetwerken
13. Dit zijn geïnstitutionaliseerde overlegplatforms
14, veelal gericht op consensus en bestaande uit innovatieve en uitvoerende marktdeelnemers die samenwerken aan de creatie van nieuwe generaties technieken
15. Hoewel overheden betrokken (kunnen) zijn bij standaardisatie, wordt binnen standaardiseringsorganisaties meestal gesproken tussen private partijen. Het mededingingsrecht komt dan al snel in beeld
16.
17. Bij het vaststellen van een standaard door deze organisaties (de standaardisatiefunctie) worden regelmatig onderdelen gebruikt waarop octrooirechten rusten. Octrooien die essentieel worden verklaard voor de toepassing van een standaard, worden standaard-essentiële octrooien (SEPs) genoemd
18. Het is in beginsel niet mogelijk om producten volgens de standaard te produceren zonder gebruik te maken van de geoctrooieerde technologie nu alternatieve technologieën niet compatibel zijn met de standaard en niet zouden worden herkend door standaard-conforme apparatuur
19.
20. De Europese Commissie belicht dit gevaar in de richtsnoeren inzake horizontale samenwerkingsovereenkomsten
21:
22. Het mededingingsrecht heeft dan ook de inrichting van de procedurele regels binnen standaardiseringsorganisaties, zoals de European Telecommunications Standards Institute (ETSI)
23, beïnvloed.
24. Bij ETSI geldt dat alle partijen die lid zijn van ETSI, en die dus meepraten over de ontwikkeling van nieuwe standaarden, ETSI moeten informeren wanneer zij octrooien hebben waarvan zij menen dat die essentieel zijn voor de standaard
25. In het art. 4.1 van de huidige ETSI IPR Policy
26(‘Disclosure of IPRs’) staat:
fair, reasonable and non-discriminatory(FRAND) voorwaarden. Dit staat in art. 6.1 van de IPR Policy (‘Availability of Licences’), waarvan de tekst grotendeels stamt uit 1994
27. Hierna citeer ik de huidige tekst van het artikel, met vetgedrukt de tekst die sinds 1994 is toegevoegd
28. Dit is van belang, omdat de verklaring van Philips stamt uit 1998 (zie rov. 4.6 eindarrest), toen de tekst uit 1994 gold, zie ook de voetnoot bij de vorige zin:
or TECHNICAL SPECIFICATIONis brought to the attention of ETSI, the Director
-Generalof ETSI shall immediately request the owner to give within three months an
irrevocableundertaking in writing that it is prepared to grant irrevocable licences on fair, reasonable and non-discriminatory (“FRAND”) terms and conditions under such IPR to at least the following extent:
29, wordt beoogd een evenwicht te bereiken tussen het belang van een effectieve octrooibescherming voor de octrooihouder en de gerechtvaardigde belangen van derden om dat octrooi (en de standaard) te kunnen gebruiken
30. Een dergelijke verklaring stond ook centraal in de nationale procedure die leidde tot het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“HvJ EU”) in de zaak
Huawei/ZTE, dat de kern vormt van het hierna te schetsen juridisch kader.
nietverboden is. Misbruik daarvan maken is wél verboden. Op een onderneming met een machtspositie rust een bijzondere verantwoordelijkheid om niet door haar gedrag inbreuk op de mededingingsregels te maken
31. Misbruik in de zin van art. 102 VWEU Pro is een objectief begrip. Het doelt op gedragingen van een onderneming met een machtspositie die invloed kunnen uitoefenen op de structuur van een markt waar, juist door de aanwezigheid van de betrokken onderneming, de mededinging al is verzwakt, en die ertoe kunnen leiden dat de handhaving of de ontwikkeling van de nog bestaande mededinging op de markt wordt tegengegaan met andere middelen dan die welke bij een op ondernemersprestaties berustende normale mededinging met goederen of diensten gebruikelijk zijn
32. Het is een onderneming met een machtspositie verboden een concurrent uit te schakelen (en dus haar positie te versterken) met behulp van andere middelen dan die berusten op een mededinging op basis van kwaliteit
33. Art. 102 VWEU Pro geeft voorbeelden van misbruik, maar die zijn enuntiatief
34. Een analyse van mogelijk misbruik is casuïstisch; een analyse van de context (alle omstandigheden van het concrete geval) is daarbij nodig
35.
36dat het enkele bezit van intellectuele eigendomsrechten geen strijd oplevert met art. 102 VWEU Pro, maar dat art. 102 VWEU Pro wel in het geding kan komen wanneer de uitoefening van intellectuele eigendomsrechten ontaardt in misbruik
37.
38. In 2012 ontving de Commissie klachten van Apple over het marktgedrag van Samsung en Motorola. Deze ondernemingen legden bij ETSI een FRAND-verklaring af en zouden volgens Apple als SEP-houders hun machtspositie misbruiken door verbodsvorderingen in te stellen tegen Apple, hun concurrent op de mobiele telefoonmarkt, die door Samsung en Motorola geoctrooieerde technologie zou gebruiken in haar producten. De Commissie concludeerde in beslissingen van 29 april 2014
39dat sprake was van een overtreding van art. 102 VWEU Pro. Heel kort gezegd
40vond de Commissie dat een houder van een SEP die een FRAND-verklaring heeft afgegeven, geen inbreukprocedure kan beginnen tegen een potentiële licentienemer die bereid is op FRAND-voorwaarden een licentie af te nemen. De potentiële licentienemer Apple was daartoe volgens de Commissie bereid, mede omdat zij het geschil over de FRAND-condities aan de rechter wilde voorleggen.
41luidt als volgt
42:
43. Ik schets de hoofdlijn van de Nederlandse rechtspraak voorafgaand aan het richtinggevende arrest van het Luxemburgse hof
Huawei/ZTE(zie hierna, 3.20 e.v.). In die Nederlandse rechtspraak ging het materieel nauwelijks over de mededingingsrechtelijke kern van de materie, waar in onze zaak nu wel voor het eerst ten gronde aan wordt toegekomen, zodat het volstaat enkele hoofdlijnen te schetsen.
44tegen, maar het is de zaak
Philips/SK Kassetten45uit 2010 die in Nederland (en in het FRAND-debat) wezenlijke invloed heeft gehad. Philips’ gevorderde inbreukverbod op octrooien voor CD-R en DVD+R standaarden werd door SK Kassetten gepareerd met een FRAND-verweer. SK Kassetten betoogde dat zij aanspraak had op een FRAND-licentie (door haar genoemd: ‘kartelrechtelijke dwanglicentie’), hetgeen zou meebrengen dat Philips haar octrooirechten niet meer zou kunnen handhaven jegens haar. De rechtbank overwoog dat de enkele aanspraak op een FRANDlicentie geen vrijbrief is voor octrooi-inbreuk. De volgorde moest volgens de Haagse rechtbank zijn: de SEP-gebruiker moet eerst een licentie verkrijgen en zolang dat nog niet is gelukt, kan de SEP-houder handhaven en is de SEP-gebruiker niet gelicentieerd om de betreffende geoctrooieerde technologie te gebruiken. Gebruik daarvan toestaan alleen op grond van een aanspraak op een FRAND-licentie leidt in de visie van de rechtbank tot rechtsonzekerheid vanwege de vraag of die FRAND-aanspraak wel gegrond is. De volgorde dient, vanaf het moment dat SK Kassetten wist of behoorde te vermoeden dat zij als gebruiker van technologie potentieel inbreuk ging maken, te zijn dat zij aan Philips om een FRAND-licentie moest vragen. Bij weigering door Philips had zij dat dan in rechte kunnen afdwingen, door te vorderen dat Philips haar een licentie verstrekt op de voorwaarden die in de ogen van SK Kassetten FRAND zijn of door een bevel tot dooronderhandelen over zo’n licentie te vorderen. Hier was volgens de rechtbank in beginsel geen sprake van misbruik van machtspositie door Philips doordat zij haar SEPs handhaafde, omdat SK Kassetten wist dat er octrooirechten van Philips op de door haar gebruikte technologie rustten, maar zij desondanks niet eerst zich van een licentie had verzekerd. Onder bijzondere omstandigheden kon dit volgens de rechtbank anders zijn (dus wel misbruik), maar die waren haar in die zaak niet gebleken. De rechtbank gaf er zich in de uitspraak rekenschap van dat haar beslissing (over deze volgorde vooral) afweek van de criteria die door het Bundesgerichtshof in de
Orange Book-uitspraak (2009) zijn ontwikkeld voor de beoordeling van FRAND-verweren. Hierna volgt in 3.21 een samenvatting van deze criteria. De octrooi-inbreukverbodsvordering van Philips werd in
Philips/SK Kassettentoegewezen.
.Een aantal andere zaken is de revue gepasseerd
46, waarvan ik een overweging uit de zaak
Apple/Samsung47citeer ter illustratie dat FRAND ook over de privaatrechtelijke boeg van misbruik van bevoegdheid en precontractuele trouw kan worden benaderd
48:
Long Term Evolution(LTE)-standaard), ook bekend als 4G, met bereidheid tot het verlenen van FRAND-licenties. Zij voerde vanaf eind 2010 tot begin 2011 gesprekken/onderhandelingen met ZTE over octrooi-inbreuk door ZTE, waarbij door Huawei werd aangegeven welk bedrag volgens haar een redelijke vergoeding vormde en waarbij ZTE kruislicenties verlangde
50. Het is in die gesprekken niet gekomen tot een aanbod van een licentieovereenkomst. ZTE is doorgegaan met de verkoop van producten die werken op basis van de LTE-standaard, waarop Huawei in april 2011 voor het Landgericht Düsseldorf een inbreukverbod vorderde, openlegging van boeken, een recall en schadevergoeding. LG Düsseldorf
51stelde prejudiciele vragen aan het HvJ EU, die mede werden ingegeven door de
Orange Bookuitspraak van het Bundesgerichtshof
52en persberichten van de Commissie over de punten van bezwaar in de
Samsung-zaak
53.
Philips/SK Kassettenstramien, waar in wezen niet gebruikt mag worden voordat een FRAND-licentie is gesloten, of preciezer geformuleerd: waarbij het entameren van een inbreukprocedure geen misbruik van recht oplevert, zolang er geen FRAND-licentieovereenkomst is gesloten. Volgens
Orange Bookmoet de SEP-gebruiker evenwel een onvoorwaardelijk aanbod tot het sluiten van een FRAND-licentieovereenkomst hebben gedaan, waaraan hij zich gebonden moet achten en is de SEP-houder in wezen verplicht dat aanbod te aanvaarden, wanneer zijn weigering om dat te doen de SEP-gebruiker op onbillijke wijze belemmert of discriminatoir is, met als bijzonderheid dat de SEP-gebruiker zich voorafgaand aan het sluiten van de FRAND-licentie al als zo’n redelijke FRAND-licentienemer moet gedragen, dat wil zeggen: een ‘gebruiksboekhouding’ moet bijhouden en licentievergoedingen conform de te sluiten licentieovereenkomst volgens zijn onherroepelijke aanbod moet betalen. Een SEP-houder maakte in dit Duitse stelsel slechts geen misbruik van zijn machtspositie door toch een inbreukverbod c.a. te vorderen van een SEP-gebruiker, wanneer die SEP-gebruiker zich niet aan deze voorwaarden hield. Het HvJ EU vat deze voorwaarden uit
Orange Bookals volgt samen:
Orange Book-leer.
.
Orange Booken de Commissie-persberichten tegenover elkaar werden geplaatst:
55:
notification), 2) de SEP-gebruiker moet zich bereid verklaren tot het sluiten van een FRAND-licentieovereenkomst (zich een
willing licenseetonen), waarna 3) de SEP-houder de SEP-gebruiker een FRAND-aanbod moet doen. Wanneer de SEP-gebruiker het SEP-octrooi blijft gebruiken en – heel kort gezegd – niet te goeder trouw onderhandelt conform gangbare handelsgebruiken om tot een FRAND-licentie te komen op basis van dat aanbod en zich bedient van bijvoorbeeld vertragingstactieken, dan vormt het entameren van een inbreukzaak door de SEP-houder geen misbruik van machtspositie. Evenmin is sprake van misbruik van machtspositie door in rechte over het verleden rekening en verantwoording en schadevergoeding te vorderen, aldus het HvJ EU. Het Hof verklaart dit stelsel in deze bewoordingen voor recht:
Huawei/ZTEafgezet tegen de achtergronden van deze rechtspraak. Door een aantal bijzonderheden verschilt deze zaak van de eerdere zaken die aanleiding hebben gegeven tot deze rechtspraak:
een weigering van de SEP-houderom een licentie onder FRAND-voorwaarden te verlenen in beginsel misbruik volgens art. 102 VWEU Pro opleveren (punt 53). Gelet op diezelfde gewekte verwachtingen, kan tegen een inbreukverbod of een recall in beginsel met succes worden aangevoerd dat
een dergelijke weigeringmisbruik oplevert (punt 54). In een situatie waarin partijen het niet eens zijn over wat FRAND-voorwaarden verlangen, moet de SEP-houder een aantal voorwaarden in acht nemen om te voorkomen dat een inbreukverbod of een recall als misbruik wordt bestempeld (punt 55).
géénmisbruik van zijn machtspositie maakt, terwijl de vraagstelling erop zag in welke omstandigheden de SEP-houder
wélmisbruik van zijn machtspositie maakt (punt 44). Zie ook hierna, 3.35(i). In de punten 72-76 behandelt het HvJ EU de vijfde vraag over redres van inbreuk over het verleden.
56.
Motorolaen
Samsung(zie 3.15 e.v.) en de
Orange Book-uitspraak van het Bundesgerichtshof (zie een samenvatting in 3.21).
in elk geval” een schriftelijk aanbod moest doen voor een FRANDlicentieovereenkomst
60, dus (ook) zonder dat de vermeende inbreukmaker te kennen geeft bereid te zijn onder FRAND-voorwaarden een licentieovereenkomst te sluiten
61. Ook stelde de A-G voor de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden met voorwaarden die – indien niet vervult – leiden tot misbruik van machtspositie, terwijl het HvJ EU een antwoord formuleert dat aangeeft onder welke voorwaarden – indien wél vervult – geen sprake is van misbruik van machtspositie (zie 3.33)
62.
Motorolaen
Samsung63. Er zijn auteurs die menen dat het HvJ EU (in feite) de benadering van de Commissie volgt
64, maar het tegenovergestelde wordt ook bepleit (en dat lijkt mij juist)
65. Verder zijn er auteurs die vinden dat het HvJ EU met het arrest een middenweg inslaat
66, een balans zoekt
67of een tussenpositie inneemt
68ten opzichte van de Commissie-leer en het
Orange Book-stelsel. Het is in ieder geval duidelijk dat het HvJ EU van
Orange Bookafwijkt
69. Körber vraagt zich af of de
Orange Book-uitspraak desondanks nog kan worden toegepast in ‘non-SEP cases’
70.
71, maar er zijn ook auteurs die stellen dat het arrest ruimte laat voor de vraag of deze rechtspraak ook van toepassing is op SEP-houders die niet gebonden zijn aan een FRAND-verklaring
72. Verder is in de literatuur opgemerkt dat het arrest een materieelrechtelijke beslissing is (een interpretatie van art. 102 VWEU Pro) die het nationale procedurele kader voor de behandeling van verbodsvorderingen
in beginselniet verandert
73.
74. Verder betekent het arrest dat het uitgangspunt van
Philips/SK Kassetten75, waar het primaat voor het verkrijgen van een FRAND-licentie bij de SEP-gebruiker werd gelegd, niet langer geldend recht is
76.
77. Enkele belangrijke resterende vragen zijn deze:
78en hoe moet een FRAND-vergoeding worden berekend
79?
80?
81?
82en hoe lang kan hij daarover doen
83?
Huawei/ZTEis een belangwekkend arrest gewezen, maar er resteren nog wezenlijke vragen in dit FRAND-veld
84. De Commissie heeft post
Huawei/ZTEeen mededeling inzake de EU benadering van essentiële octrooien
85het licht doen zien, net als nadere rapportages over de FRAND-problematiek
86.
Huawei/ZTEin de opvolgende nationale rechtspraak is uitgekristalliseerd, overigens een nog voortgaand proces. Ik belicht met name de meest recente ontwikkelingen
88en vooral de Engelse en Duitse rechtspraak
89, waar de hoogste rechters zich al eerder dan Uw Raad over dit onderwerp hebben kunnen buigen
90. In Nederland zijn ná het
Huawei/ZTE-arrest ook enige uitspraken gedaan in de feitenrechtspraak
91, maar die zijn voor onze zaak grotendeels niet van direct belang te achten
92.
Unwired Planet/
Huaweiuit 2017 (Birss, J)
93, die grotendeels in stand is gebleven bij de Court of Appeal
94en de Supreme Court
95.
Huawei/ZTE-arrest is als volgt:
Huawei v ZTEare these:
Huawei v ZTErefers to a licensee expressing a willingness to conclude a licence agreement on FRAND terms, in my judgment they are referring to a willingness which is unqualified. In other words, a willing licensee must be one willing to take a FRAND licence on whatever terms are in fact FRAND. Those terms might be settled by negotiation, by a court or by an arbitrator but to insist on any particular term runs the risk that that term is not FRAND. At best it could only amount to a form of contingent willingness.”
96. De Supreme Court kon zich ook vinden in de uitleg van het Huawei/ZTE-arrest door de twee lagere instanties
97en overwoog daartoe, onder meer, als volgt:
willbe abusing its dominant position. To answer that, due account has to be taken of the particular circumstances of the case, although, of course, it is likely to be valuable to compare what occurred with the pattern set out by the CJEU.
Huawei/ZTEtwee keer gebogen over een zaak waarin FRAND inhoudelijk
98een rol speelde. Het betreft de zaken
Sisvel/Haier I & IIuit 2020
.
99, maar het OLG Düsseldorf accepteerde het FRAND-verweer omdat het aanbod van Sisvel niet FRAND zou zijn geweest
100. Sisvel stapte naar het Bundesgerichtshof en kreeg – kort gezegd – alsnog gelijk omdat Haier geen ‘willing licensee’ was
101. Kernpunten uit het arrest zijn deze:
Sisvel/Haier II102. Hier ging het om een octrooi van Sisvel dat essentieel was verklaard voor de 3GPP-standaard. Ook hier licht ik de belangrijkste punten eruit:
einenFRAND-Bedingungen genügenden Lizenzvertrag, sondern eine Bandbreite möglicher angemessener Lösungen […] Eine Berücksichtigung etwaiger berechtigter Interessen des Nutzers ist dem Patentinhaber regelmäßig erst mit deren Kenntnis möglich. […]
als solchemnoch kein Missbrauch der marktbeherrschenden Stellung des Patentinhabers ergibt, dieser vielmehr darin liegt, dem Verletzer die Verhandlung und den Abschluss eines in Ansehung der im Verhandlungsprozess artikulierten Interessen interessengerechten FRAND-Lizenzvertrages zu verweigern oder unmöglich zu machen (und statt dessen das Patent oder eines der zu lizenzierenden Patente klageweise durchzusetzen).”
Sisvel/Haierbevatten instemmende verwijzingen naar de uitspraken van de Engelse rechters (UKHC en UKSC) in
Unwired Planet/Huawei. Als ik het goed zie, is de interpretatie van
Huawei/ZTEdoor de Duitse en Engelse hoogste rechters niet
wezenlijkanders. Dat geldt met name voor de betekenis die wordt gegeven aan de stappen die het HvJEU beschrijft. Het komt erop neer dat het ‘stappenplan’ als een richtlijn wordt gezien voor de onderhandelingen tussen een SEP-houder en SEP-gebruiker, die gedurende de onderhandelingen te goeder trouw moeten handelen. Volgens zowel het BGH als het UKHC/UKSC komt tevens betekenis toe aan ontwikkelingen en onderhandelingen
na aanvangvan een inbreukprocedure. Ook dan zal te goeder trouw moeten worden gehandeld. Een
nuanceverschil in de uitwerkingvan dit punt zie ik wel. In Engeland en Wales lijkt de gedachte dat ook nádat een procedure is gestart het schema van het HvJEU, met de daarin gevonden balans, het vertrekpunt blijft
103. De balans van dit schema wordt door het BGH volgens mij min of meer losgelaten als het gaat om het handelen ná de start van de procedure. Het wordt op dat moment (nog) meer een brede afweging binnen het kader van de goede trouw, waarbij als omstandigheid in ieder geval wordt meegenomen de ‘valse start’ die de SEP-gebruiker maakt door pas ná het entameren van de procedure in actie te komen
104.
Sisvel/Haier II, lijkt mij, op een aantal punten
Huawei/ZTEzelfstandig nader “ingevuld”. De lagere rechtspraak in Duitsland zit ook bepaald niet stil
105. Het voert te ver ook die jurisprudentie integraal te bespreken
106. Ik beperk mij tot de beslissing in de
Nokia/Daimlerzaak van LG Düsseldorf van 26 november 2020, waarin prejudiciële
Huawei/ZTE-follow-up-vragen zijn gesteld aan het HvJ EU
107.
108. Behalve vragen die betrekking hebben op deze specifieke situatie, zag de Duitse rechter zijn kans schoon om ook een verdere specificatie van
Huawei/ZTEte vragen. De eerste vraag gaat over de mogelijkheid om ‘fouten’ gemaakt in het in
Huawei/ZTEvoorgeschreven stramien alsnog goed te maken tijdens de procedure. De overige vragen zien – kort gezegd – op de (mate van) bereidheid die de vermeende inbreukmaker moet tonen om een licentieovereenkomst onder FRAND-voorwaarden te sluiten. Deze vragen luiden, in de Nederlandse vertaling beschikbaar op de website van het HvJ EU (curia.europa.eu), als volgt:
Huawei/ZTEnog open lag, bloot gelegd. Het is ook duidelijk dat deze vragen zijdelings aan de orde stellen of de materie beoordeling in
Sisvel/Haier I & IIspoort met het stelsel dat is uitgedacht in
Huawei/ZTE.Het is dan ook spijtig voor de rechtsontwikkeling dat Nokia en Daimler op 1 juni 2021 bekend hebben gemaakt dat zij een schikking hebben bereikt
109en dat onderdeel daarvan is dat alle rechtszaken zullen worden beëindigd.
Huawei/ZTEin feite (alleen) een eerste stap is gezet en dat de rechtsontwikkeling verder gaat: hoe het FRAND-proces bij SEPs moet verlopen als er haperingen of nuanceringen optreden in het normaaltype-schema volgens
Huawei/ZTE, is een casuïstische puzzel. Daarbij lijkt mij van belang om voor ogen te houden dat het per saldo een invulexcercitie is voor precontractuele onderhandelingen waar de redelijkheid en billijkheid een grote rol speelt, die nader wordt gecorrigeerd door enerzijds de mogelijkheid voor de SEP-houder van octrooihandhaving door de rechter als het proces ergens spaakt loopt om redenen die op het conto van de SEP-gebruiker zijn te schrijven en het risico dat daarmee door de SEP-houder mededingingsrechtelijk misbruik wordt gemaakt van zijn machtspositie als het redelijkheidsevenwicht aan zijn kant uit balans schiet anderzijds. Dat zich daarin een scala aan varianten kan voordoen, laten de Engelse en Duitse rechtsontwikkeling zien, maar dat volgt ook uit onze zaak.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
110. Met de klacht in onderdeel 3 komt Wiko op tegen rov. 4.3 eindarrest waarin het hof oordeelt dat art. 36 Verordening Pro Brussel I-bis
111(dat ziet op erkenning van buitenlandse beslissingen) er niet aan kan afdoen dat in de onderhavige zaak door het hof zelfstandig over het FRAND-verweer van Wiko wordt geoordeeld. Bovendien zou erkenning volgens het hof geen invloed hebben op de onderhavige procedure, omdat het hier over verschillende octrooirechten gaat (in de Duitse procedure ging het om EP 744).
112. De erkenningsregeling van deze verordening is in dit geval materieel, formeel en temporeel van toepassing
113. Het eerste lid van art. 36 Verordening Pro Brussel I-bis bepaalt dat de in een lidstaat gegeven beslissingen in de overige lidstaten worden erkend zonder vorm van proces. Het uitgangspunt van deze erkenning is dat dit moet leiden tot verlening van het gezag en het effect die de beslissing in de lidstaat van herkomst geniet
114. Met andere woorden: een beslissing die wordt erkend onder deze regeling heeft in beginsel dezelfde werking als de beslissing in de staat van herkomst heeft
115. In dit geval moet dus worden gekeken naar Duits recht als het recht van het land waar de beslissing is gegeven.
116. De toepassing van buitenlands recht kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst (art. 79, eerste lid, aanhef en onder b Wet RO)
117en datzelfde geldt voor de uitleg van buitenlandse uitspraken
118. Het derde onderdeel, dat alleen een rechtsklacht bevat, kan dan ook niet leiden tot vernietiging van de genoemde uitleg door het hof van het Mannheimse vonnis. Deze uitleg kan de verwerping van het beroep van Wiko op art. 36 Brussel Pro I-bis Verordening zelfstandig dragen. Een erkenning van het Mannheimse vonnis is in die lezing namelijk niet van betekenis voor de rechtsverhouding tussen Philips en Wiko met betrekking tot (de Nederlandse delen van) EP 511, EP 525 en EP 659 en de in verband daarmee aangevoerde stellingen, zoals het FRAND-standpunt van Wiko dienaangaande. Onderdeel 3 is daarom vergeefs voorgesteld.
119gehouden zich te wenden tot het HvJ EU (art. 267 VWEU Pro), tenzij de vraag niet relevant is voor de uitkomst van het geschil, al door het HvJEU is uitgelegd (
acte éclairé) of de juiste toepassing van het EU-recht zo evident is dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan (
acte claire)
120.
Huawei/ZTEen het daarin geformuleerde stappenplan heeft het HvJ EU invulling gegeven aan art. 102 VWEU Pro. Die invulling heeft betrekking op de vraag of de SEP-houder de verbodsvordering gerechtvaardigd heeft ingesteld. Het arrest gaat niet (uitdrukkelijk) in op eventuele verplichtingen na aanvang van de inbreukprocedure (zoals een verplichting om te goeder trouw verder te onderhandelen).
willing licenseetoont. Het lijkt mij plausibel dat de lat voor de SEP-gebruiker hierbij hoger ligt dan vóór aanvang van de procedure. Anders zou de SEP-gebruiker geen belang hebben bij het vrijwillig volgen van het stappenplan (vgl. eindarrest, rov. 4.21). In deze richting wijst ook het BGH-arrest
Sisvel/Haier II. Dit is echter een openliggende kwestie, zoals volgt uit de prejudiciële vragen uit Düsseldorf, die vanwege de in die zaak bereikte schikking naar zich laat aanzien niet beantwoord zullen worden.
subonderdeel 1.1betoogt Wiko dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het tot uitdrukking heeft gebracht dat twee verschillende maatstaven zijn gehanteerd, althans dat het
Huawei/ZTE-arrest enerzijds en misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU Pro) anderzijds te onderscheiden criteria zijn. In dat geval zou het hof miskend hebben dat het
Huawei/ZTE-arrest een uitleg van art. 102 VWEU Pro is, maar geen zelfstandig of uitputtend toetsingscriterium vormt. Het subonderdeel bestrijdt dus de maatstaf in rov. 4.8 tot en met 4.22 en in rov. 4.23 tot en met 4.45.
Huawei/ZTEeen uitleg is van art. 102 VWEU Pro. Het hof citeert in rov. 4.8 het dictum van dat arrest. Dit citaat vangt aan met de zinsnede: “
Artikel 102 VWEU Pro moet aldus worden uitgelegd dat […]” Daarnaast moet rov. 4.8 e.v. eindarrest worden gelezen in samenhang met rov. 4.7
121eindarrest, waarin het hof heeft verwezen naar een aantal beschikkingen van de Commissie over de vraag of het handhaven van een SEP mededingingsbeperkend is
122. Het hof heeft er volgens mij ook niet aan voorbij gezien dat het criterium van
Huawei/ZTEgeen uitputtend karakter heeft. In het arrest wordt namelijk onder meer overwogen dat het HvJ EU met het in
Huawei/ZTEgegeven stappenplan niet heeft beoogd strikte regels te stellen ongeacht de verdere omstandigheden van het geval (rov. 4.14). Het hof kon de concrete omstandigheden van het geval alleen meewegen wanneer daarop een beroep is gedaan. Het subonderdeel verwijst niet naar stellingen over nadere omstandigheden die het hof in zijn beoordeling had moeten betrekken.
Huawei/ZTE. In dat licht kan Wiko, ongeacht het antwoord op de in 4.9-4.10 gesignaleerde vraag, niet met succes klagen dat het oordeel berust op het hanteren van een te strenge maatstaf jegens haar. Het is volgens mij daarom niet nodig een prejudiciële vraag te stellen.
subonderdeel 1.2stelt Wiko dat rov. 4.8 tot en met 4.22 eindarrest en rov. 4.23 tot en met 4.45
123. In die zaak volgt dan de conclusie (kort gezegd: geen misbruik naar omstandigheden ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding), en niet ook nog de overwegingen van rov. 4.23 t/m 4.45 eindarrest. Het is volgens Wiko onduidelijk hoe deze laatste overwegingen, waarin het hof de omstandigheden ná de inleidende dagvaarding beoordeelt, “zich tot dit oordeel verhouden; en bijgevolg van welke rechtsopvatting het hof is uitgegaan.”
Philips/Asus, dan strandt deze alleen al omdat de klacht niet voldoet aan de vereisten van bepaaldheid en precisie
124. Het is niet helder waaromtrent een beslissing van Uw Raad wordt gevraagd en waartegen Philips zich moet verweren
125. Het enkele feit dat overwegingen in het ene arrest wel en het andere arrest niet voorkomen, is een volstrekt onvoldoende onderbouwing van de klacht. Bovendien komt het mij, na bestudering van de hofuitspraak in de door Wiko genoemde Asus-zaak, voor dat de door Wiko genoemde overwegingen in die uitspraak wel eens eenvoudigweg zouden kunnen ontbreken door een gebrek aan daartoe aanleiding gevende stellingen van Asus (vgl. art. 24 Rv Pro; overigens merk ik op dat het tegenaanbod van Asus na aanvang van de procedure in rov. 4.185 van het genoemde arrest wordt besproken).
het instellen vande vorderingen door Philips machtsmisbruik oplevert in het licht van de feiten en omstandigheden van vóór de dagvaarding in eerste aanleg. Vervolgens staat het gedrag van Philips centraal in het licht van de feiten en omstandigheden van (voornamelijk)
ná de start van de procedure. Deze (chronologische) opzet van het bestreden arrest is, mede gezien de vragen die in het
Huawei/ZTE-arrest wel en niet werden gesteld en beantwoord, in mijn ogen niet onbegrijpelijk.
126.
127tot en met 4.22 eindarrest. In
subonderdeel 2.0stelt Wiko dat het oordeel van het hof rechtens onjuist of onbegrijpelijk is, indien en voor zover de vermelde overwegingen zelfstandig dragend zijn voor het oordeel dat niet is komen vast te staan dat Philips misbruik van machtspositie maakt en dat de tegen de handhaving gerichte verweren worden afgewezen (rov. 4.45 en rov. 4.50 eindarrest).
zelfstandigdragend voor de conclusie van het hof dat geen sprake is van misbruik van machtspositie door Philips. In dit deel van het arrest wordt geoordeeld over mogelijk misbruik door het instellen van vorderingen door SEP-houder Philips. Daarmee is het dragend, maar in onze zaak niet op zichzelf toereikend voor de verwerping van het misbruikverweer. Om tot de conclusie in rov. 4.45 en 4.50 eindarrest te komen, zijn daarnaast rov. 4.23 tot en met 4.44 eindarrest nodig. Daar bespreekt het hof het misbruikverweer van Wiko dat zich concentreert op gedragingen en omstandigheden van ná de start van de procedure. Dat verweer slaagt niet, omdat Wiko haar stellingen volgens het hof onvoldoende heeft onderbouwd (zie m.n. rov. 4.25 eindarrest). Slechts tezamen kunnen de overwegingen 4.8 tot en met 4.44 eindarrest de conclusie over het beweerdelijke misbruik van machtspositie dragen.
subonderdeel 2.1klaagt Wiko dat het hof slechts heeft beoordeeld of Philips ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding door het instellen van vorderingen misbruik van machtspositie maakte. Deze klacht is gebaseerd op een te beperkte lezing van het bestreden arrest (namelijk: beperkt tot rov. 4.8 tot en met 4.22 eindarrest) en ketst daarop af. Het hof betrekt in rov. 4.23 tot en met 4.44 eindarrest ook stellingen van Wiko die zien op feiten en omstandigheden van ná het uitbrengen van de dagvaarding. Aan de beantwoording van de vraag of deze stellingen het oordeel misbruik van machtspositie (en daarmee afwijzing van de verbodsen recallvorderingen van Philips) zouden kunnen dragen, komt het hof echter niet toe omdat Wiko haar stellingen daaromtrent naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft onderbouwd.
subonderdeel 2.2kan (alleen al) gelet op deze te beperkte lezing van het arrest niet slagen. Anders dan de klacht veronderstelt, gaat het hof niet uit van de rechtsopvatting dat de verbodsen recallvorderingen van Philips alleen kunnen worden afgewezen op basis van misbruik van machtspositie door Philips van vóór de start van de procedure. Sterker nog, het hof laat expliciet in het midden of het verweer van Wiko (o.a. misbruik machtspositie, zie rov. 4.24 eindarrest) op basis van feiten en omstandigheden van ná het aanhangig maken van de procedure zou kunnen leiden tot afwijzing van de verbodsen recallvorderingen (rov. 4.25 eindarrest) en gaat daar vervolgens veronderstellenderwijs van uit bij zijn oordeel dat Wiko daarover onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld:
subonderdeel 2.3lijkt mij niet op te kunnen gaan. Daarin klaagt Wiko dat het hof zich niet kon beperken tot een oordeel over misbruik van machtspositie ten tijde van het uitbrengen van de inleidende dagvaarding (op basis van het octrooi zoals verleend), omdat het octrooi aan het einde van de procedure slechts beperkt in stand is gebleven op basis van een hulpverzoek. Afgezien van het feit dat ook deze klacht uitgaat van de hiervoor bedoelde te beperkte lezing van het eindarrest, wijst Philips er terecht op (s.t. 30) dat Wiko in feitelijke instanties dit argument niet heeft aangevoerd. Een vindplaats daarvoor wordt door Wiko niet gegeven (zie ook repliek 20). Cassatie biedt geen derde feitelijke instantie
128waar nieuwe grondslagen voor het misbruikverweer alsnog kunnen worden aangevoerd. Wiko had dit eerder kunnen doen, namelijk (uiterlijk) tijdens het op 28 mei 2019 gehouden pleidooi over de FRAND-problematiek, nadat het hof in rov. 4.143 van het tussenarrest van 16 april 2019 tot de slotsom was gekomen dat Wiko inbreuk maakte op in elk geval conclusie 1 volgens het tweede hulpverzoek van het octrooi.
subonderdeel 2.4houdt in dat de motivering van het hof tekortschiet, nu de overweging dat Philips gerechtigd was een verbodsvordering in te stellen op basis van EP 511 zoals verleend (en het instellen van de vorderingen dus geen misbruik van machtspositie oplevert), het oordeel niet kan dragen dat een verbodsvordering op basis van EP 511 conform het tweede hulpverzoek (geformuleerd hangende de procedure) ten tijde van het wijzen van het arrest toewijsbaar is.
129.
enkeleomstandigheid dat een octrooi (conform een hulpverzoek) tijdens de procedure slechts beperkt in stand wordt gelaten in beginsel geen invloed heeft op de vraag of een SEP-houder misbruik zou maken van zijn vermeende machtspositie. Uiteraard moeten alle omstandigheden van het geval worden gewogen, maar ik zie in dit geval – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet direct hoe dit van invloed zou moeten zijn op het mededingingsrechtelijk oordeel (misbruik of niet?). Een nieuwe notificatie is in ieder geval niet nodig.
subonderdeel 2.5richt Wiko zich tegen rov. 4.22 eindarrest
130waarin het hof – naar de lezing van Wiko – oordeelt dat een SEP-gebruiker zich slechts op misbruik van machtspositie door de SEP-houder kan beroepen, indien hij aan het ‘stappenplan’ van
Huawei/ZTEvoldoet. Dat oordeel getuigt volgens Wiko van een onjuiste rechtsopvatting als het zo moet worden opgevat dat:
ten aanzien van het instellen van de vorderingen door Philipseen beroep toekomt op misbruik van machtspositie, ondanks de vaststelling dat Wiko niet aan haar verplichtingen had voldaan zoals geformuleerd in
Huawei/ZTE. Het hof oordeelt daarmee niet dat Philips geen misbruik van machtspositie zou kunnen maken als Wiko ‘op enig moment’ niet aan haar verplichtingen voldoet, maar alleen dat Philips door en ten tijde van het instellen van de verbodsen recallvorderingen geen misbruik van machtspositie maakte. Het hof overweegt of impliceert verder niet dat Philips daarmee van al haar FRAND-verplichtingen gekweten zou zijn. Zou dat wel zo zijn, dan zou het hof immers rov. 4.23 tot en met 4.44 eindarrest achterwege kunnen laten. In die overwegingen bespreekt het hof namelijk het verweer van Wiko dat Philips zich ná en los van het instellen van de vordering – kort gezegd – niet naar ‘FRAND-maatstaven’ zou hebben gedragen.
subonderdeel 2.6– naar ik begrijp over rov. 4.22 eindarrest – dat voor zover het hof met zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de SEP-gebruiker (d.w.z. de vermeende inbreukmaker) het recht heeft verwerkt zich op misbruik van machtspositie te beroepen indien hij niet aan het stappenplan heeft voldaan, het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Ook deze klacht gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest. Ik kan op geen enkele manier in het arrest lezen dat het hof heeft geoordeeld dat Wiko rechten zou hebben verwerkt. De klacht ketst hierop af.
subonderdeel 4.1klaagt Wiko dat het hof, door in rov. 4.15 eindarrest te overwegen dat Wiko niet heeft bestreden dat Philips aan haar notificatieplicht voldeed, miskent dat de stelplicht ten aanzien van het voldoen aan de notificatieplicht op Philips rust.
131. Deze uitleg van de stellingname van Philips is feitelijk en naar mij voorkomt niet onbegrijpelijk
132. Bij gebreke van een betwisting gaat het hof terecht uit van de juistheid van die stelling.
verbodsvorderingen na afloop van dit pleidooi.”
Huawei/ZTE(en Wiko niet), zodat het Philips vrijstond een verbodsactie in te stellen zonder daarbij misbruik van machtspositie te maken. Het hof vindt dat Wiko hier vervolgens onvoldoende tegenover heeft gesteld, door te wijzen op de hiervoor geciteerde passage uit het pleidooi. Met deze passage uit de pleitnota geeft Wiko aan geen verdere motivering te geven voor haar stelling dat Philips de stappen uit het
Huawei/ZTE-arrest niet had gevolgd voordat de procedure werd gestart. Daarmee heeft Wiko niet aan haar stelplicht (en de daarmee samenvallende motiveringsplicht
133) voldaan in de ogen van het hof. Op basis hiervan heeft het hof het verweer van Wiko (‘het instellen van de verbodsvordering is misbruik’) afgewezen. Dat Wiko geen erkentenis in rechte zou hebben gedaan (vgl. art. 154 Rv Pro), doet aan dit oordeel van het hof niet af. De klacht slaagt zodoende niet, omdat de bestreden overwegingen niet onbegrijpelijk zijn.
subonderdeel 5.1klaagt Wiko dat het hof heeft miskend dat de SEP-houder verplicht is een licentie op FRAND-voorwaarden te verlenen, wil hij geen misbruik van machtspositie maken. Wiko wijst ter onderbouwing op punt 53 van het
Huawei/ZTE-arrest (dat overigens gaat over het
weigerendoor een SEP-houder om een licentie te verstrekken, zoals we hiervoor hebben gezien in 3.29). De bewijslast van het doen van een licentieaanbod onder FRAND-voorwaarden zou daarom op de SEP-houder rusten, althans zou daarom op de SEPhouder een ‘verzwaarde stelplicht’ rusten. In ieder geval moet de SEP-houder voldoende onderbouwen dat zijn licentieaanbod FRAND is, want het gaat daarbij om feiten en omstandigheden die in zijn domein liggen. De SEP-gebruiker (de vermeende inbreukmaker) is hiertoe niet in staat, aldus Wiko. Met deze klacht keert Wiko zich tegen de volgende overwegingen van het hof:
betoogd.”
134. Bij het alleen stellen van noodzakelijke elementen voor het toewijzen van een vordering of verweer kan een partij het niet laten; de stellingen vragen (indien zij worden betwist) om een concretisering en (dus) voldoende motivering
135. Deze motiveringsplicht die partijen hebben ten aanzien van wat zij uit hoofde van hun stelplicht hebben aangevoerd, valt met die stelplicht samen
136. In zijn algemeenheid geldt dat hoe concreter bepaalde stellingen worden betwist, hoe concreter de steller die dient uit te werken
137.
139. Deze overweging en bepaling luiden als volgt:
ANVR/IATAuitgelaten over onder meer de stelplicht en bewijslast in geval van een vermeende overtreding van art. 102 VWEU Pro:
Algemene vooropstellingen mededingingsrecht
140.
Huawei/ZTEheeft het HvJ EU uiteengezet wanneer
géénsprake is van misbruik van machtpositie door een SEP-houder door het instellen van een verbodsof recallvordering. Opvallend is daarbij dat het HvJ EU in punt 60 – alleen en specifiek – voor het vereiste van het voldoen aan de notificatieplicht door de SEP-houder (alvorens een vordering in te stellen) een absolute formulering gebruikt
141:
142is geraadpleegd, gelijk staat aan misbruik in de zin van art. 102 VWEU Pro. Dit betekent dat wanneer Wiko stelt dat Philips misbruik van machtspositie maakt door het instellen van een vordering, terzake waarvan op Wiko de stelplicht rust, Philips
in het kader van haar betwistingdaarvan in ieder geval (gemotiveerd) zal moeten stellen dat aan de notificatieplicht is voldaan. Anders dan Wiko meent (s.t. 79)
143, levert dit geen bevrijdend verweer van de zijde van Philips op
144. Philips betwist namelijk dat sprake is van misbruik in de zin van art. 102 VWEU Pro omdat aan de notificatieplicht is voldaan (en Wiko vervolgens niet heeft gereageerd), en daarmee de feiten die Wiko stelt voor het door haar ingeroepen rechtsgevolg. Dat is een ‘nee, want’-verweer van Philips. Bij Philips rust dan ook niet de stelplicht voor de notificatie, maar Philips zal het misbruik voldoende moeten betwisten door (onder meer) te stellen dat zij aan haar notificatieplicht heeft voldaan. Wat als ‘voldoende betwisting’ moet worden beschouwd, hangt af van de omstandigheden van het geval
145. Het hof heeft kennelijk voldoende geacht de in rov. 2.1 en 2.2 eindarrest vaststaande feiten, namelijk verzending van brieven en zogeheten ‘claim charts’
146door Philips. Daarbij moet nog worden bedacht dat een gemotiveerde betwisting kán meebrengen dat de wederpartij – in het kader van de stelplicht – een nadere onderbouwing moet geven
147. Bij de vraag of het aanbod van de SEP-houder aan de FRAND-voorwaarden voldoet, geldt volgens mij dezelfde bewijslastverdeling als bij de notificatieplicht: de stellingen van de SEPhouder in dat kader zijn een betwisting en geen zelfstandig verweer.
148. Zoals hiervoor uiteengezet, rust op Wiko de stelplicht en, na voldoende betwisting, de bewijslast voor de stelling dat Philips misbruik van machtspositie zou maken. Dat het aanbod van Philips niet aan FRAND-voorwaarden zou voldoen, is een omstandigheid die Wiko stelt ter onderbouwing van haar standpunt dat sprake is van misbruik van machtspositie door Philips. Het is aan Philips om het misbruik te betwisten en daarbij in dit geval ook in te gaan op de stelling van Wiko over het FRAND-aanbod. Na voldoende betwisting, zal de bewijslast volgens de hoofdregel van art. 150 Rv Pro op Wiko rusten. Het hof heeft dit niet miskend.
149had, omdat Wiko daar geen belang bij heeft. Het hof concludeert namelijk – zonder dat daartegen in cassatie wordt opgekomen – op verschillende plaatsen dat Wiko niet aan haar stelplicht heeft voldaan (zie de hiervoor geciteerde rov. 4.25, 4.27, 4.33 en 4.37 tweede zin eindarrest, maar ook rov. 4.28, 4.30, 4.34 en 4.35 eindarrest). Aan de vraag of Philips in het kader van haar betwisting dan méér zou hebben moeten stellen om Wiko verdere aanknopingspunten te geven om aan haar stelplicht te kunnen voldoen, komt het hof (daarom
150) alleen
ten overvloedetoe in rov. 4.37 eindarrest (zie citaat in 4.41, vanaf de derde zin). Deze overweging is niet noodzakelijk om tot het gegeven oordeel te komen, zodat het eventueel sneuvelen van die overweging geen effect heeft op de uitkomst van de procedure
151. Ook als dit echter geen overweging ten overvloede zou zijn, kan de klacht niet slagen omdat het hof (ook op dit punt) oordeelt dat Wiko haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de informatie die zij wel had, zodat geen aanleiding bestond om
in dit gevaleen ‘verzwaarde stelplicht’ aan te nemen
152. Anders gezegd: Het hof is op basis van de concrete feiten en omstandigheden van deze zaak tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een verzwaarde stelplicht voor Philips. Naar de vaststelling van het hof heeft Wiko wel licentieovereenkomsten gesloten voor UMTS (3G) en LTE (4G) portefeuilles met Qualcomm, Huawei en Nokia en had zij haar standpunt kunnen onderbouwen door inzicht te verschaffen in de met deze partijen overeengekomen vergoedingen en bedingen (rov. 4.37). Dat oordeel is feitelijk en maakt volgens mij voldoende inzichtelijk waarom het hof het betoog over een verzwaarde stelplicht heeft verworpen.
153. Het oordeel van het hof op dit punt is dan ook volgens mij niet onjuist.
subonderdelen 5.2 tot en met 5.3keert Wiko zich met een rechtsen motiveringsklachten tegen rov. 4.34-4.35 eindarrest.
154en dat is rechtens juist is en niet onbegrijpelijk
155. Het hof overwoog dit:
voor zoverin het oordeel van het hof besloten ligt dat andere licentienemers een andere positie zouden hebben, het oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof daaromtrent niets vaststelt. Het hof doet in de hier aangevallen rov. 4.34 en rov. 4.35 eindarrest geen (impliciete) uitspraak over het al dan niet gelijk zijn van de positie van Wiko en andere licentienemers, zodat ook deze klacht in mijn ogen niet opgaat.
156en dat (ii) een aantoonbaar nadeel voor de mededinging niet nodig is, anders dan art. 102 VWEU Pro in andere gevallen vereist. Dit valt evenwel niet in de klacht in de procesinleiding te lezen, Philips had het daar ook niet in behoeven te lezen (en zij heeft het daar ook niet in ontwaard gelet op haar s.t. 57-58), waarmee deze klachten tardief zijn
157. Mocht Uw Raad desondanks oordelen dat deze standpunten van Wiko behandeling behoeven, bijvoorbeeld omdat Philips bij dupliek (onder 43-55) de rechtsstrijd op deze punten zou hebben aanvaard
158, dan geldt dat Wiko hierbij geen belang heeft, omdat zij in cassatie rov. 4.33. eindarrest niet heeft bestreden. Daarin oordeelt het hof dat Wiko – mede in het licht van door Philips overgelegde (deskundigen)verklaringen – onvoldoende heeft gesteld om ook maar een vermoeden van discriminatie te rechtvaardigen (waarover nader rov. 4.34 en 4.35 eindarrest).
subonderdeel 5.4heeft Wiko zich op het standpunt gesteld dat zij niet heeft kunnen aantonen dat Philips' licentieaanbod
Non-Discriminatoryis omdat zij niet beschikt over de andere door Philips gesloten licenties. Geklaagd wordt dat de verwerping van dit standpunt onbegrijpelijk is voor zover die erop berust dat Wiko geen inzicht heeft gegeven in de door haar met andere SEP-houders gesloten licenties. De inhoud van de door Wiko met andere SEP-houders gesloten licenties raakt volgens de klacht namelijk niet aan de vraag of Philips' licentieaanbod
Non-Discriminatoryis. Hetzelfde geldt volgens het subonderdeel voor de overweging dat Wiko geen tegenrapport heeft ingediend: bij gebrek aan toegang tot de door Philips met andere SEP-gebruikers gesloten licentieovereenkomsten, is Wiko niet in staat een rapport te laten opstellen dat aantoont dat Philips' aanbod niet
Non-Discriminatoryis.
NonDiscriminatory”) is. Naar het oordeel van het hof in rov. 4.33-4.35 heeft Wiko geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zelfs maar een vermoeden van discriminatie kan worden afgeleid. Dat het hof een toelichting van Wiko op haar stelling verlangt, acht ik in de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk. Wiko heeft licentieovereenkomsten voor UMTS (3G)en LTE (4G)-portefeuilles gesloten met Qualcomm, Huawei en Nokia. Het is Wiko dus bekend welke voorwaarden die partijen hanteren. Aan de hand daarvan had Wiko kunnen substantiëren waarom zij meent dat het aanbod van Philips niet voldoet aan de FRANDvoorwaarden. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat Wiko volgens het hof (een vermoeden van) de door haar gestelde niet-FRAND-heid van Philips’ aanbod kon onderbouwen door (bijvoorbeeld) inzicht te verschaffen in de met Qualcomm, Huawei en Nokia afgesproken vergoedingen en bedingen (rov. 4.37).
subonderdeel 6.1. Het hof zou volgens Wiko blijk hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de beschrijving van EP 511 bij de beoordeling over de duidelijkheid van het tweede hulpverzoek van Philips te betrekken. De jurisprudentie van het Europees Octrooibureau zou dit niet toelaten. In het bijzonder wijst Wiko in 6.0 van de procesinleiding op de conclusie in rov. 4.13 dat naar het oordeel van het hof “voor de gemiddelde vakman, gelet op de bewoordingen van de conclusie, gelezen in samenhang met de beschrijving en de figuren, duidelijk [is] dat met ‘
lower power level’ wordt verwezen naar […]”.
159:
HP/Digital Revolutionheeft Uw Raad overwogen dat de Nederlandse rechter bevoegd is hulpverzoeken aan art. 84 EOV Pro te toetsen
160. Dit artikel luidt als volgt in de authentieke Engelse taal en de Nederlandse vertaling
161:
bevestigingin paragraaf 30 van de beschrijving: “
During operation of the first radio station after decreasing the data transmit power following the first criterion being met and before the second criterion is met, the transmission power may be either (a) switched off, (b) continued at a reduced and constant level, or (c) continued at a reduced and variable level, to some extent tracking variations in channel quality.””
steun vindt inde beschrijving (vgl. het onderstreepte ‘bevestiging’). Dit doet het hof overigens mede naar aanleiding van argumenten van Wiko (zie rov. 4.114.12 ). Dit maakt dat de klacht van Wiko feitelijke grondslag mist. Het hof kijkt immers aan de hand van de tekst van de conclusie en het hulpverzoek of sprake is van een onduidelijkheid (antwoord: nee) en beziet vervolgens of voor deze tekstinterpretatie wordt ondersteund door de omschrijving (antwoord: ja). Anders dan Wiko aanvoert, is dit niet in strijd met de jurisprudentie van het EOV
162. De voortbouwende klacht in
subonderdeel 6.2deelt in het lot van het falende subonderdeel 6.1.
163is vernoemd naar een Engelse octrooizaak uit 1913 waarin dit type verweer voorkwam
164. Dit verweer behelst dat de beweerdelijk inbreukmaker stelt dat hij slechts de stand van de techniek (althans een niet-inventieve variant daarop) toepast
165. Het gaat dan uiteraard om de stand van de techniek ten tijde van de aanvraagof prioriteitsdatum van het ingeroepen octrooi. Dit verweer gaat terug op de basisgedachte dat de stand van de techniek niet geoctrooieerd kan worden. Aangezien de uitvinding op de aanvraagof prioriteitsdag nog niet was geopenbaard, moet bij de beoordeling van het verweer, ter voorkoming van
hindsight bias, van het octrooi worden geabstraheerd (d.w.z. de uitvinding moet niet worden meegenomen)
166.
3 Inbreuk onvoldoende gesubstantieerd
Gillette verweer2
op zichnog niet voor de hand om voor de tweede oplossing te kiezen. Ik denk het wel (het komt immers op hetzelfde neer, het is slechts een voor de hand liggend alternatief). Maar het is ook nog eens zo, dat de
prior artde vakman nota bene vertelt, dat hij ook dat kan doen. US 214 en US 821 […] vertellen de vakman precies wat hij moet doen om te voorkomen dat het totale vermogen van een mobiel station een bepaald maximum overschrijdt. […]
release 6, die met zich meebrengt dat wanneer het mobiele station het maximumvermogen dreigt te overschrijden onder andere het vermogen van een of meer datakanalen
tijdelijkkan worden verminderd, was geen inventieve stap en kan daarom nooit verboden worden. Vóór de introductie van release 6 hadden de ontwikkelaars nog gekozen voor de eerste niet inventieve mogelijkheid, namelijk het commando tot verhogen niet uitvoeren, omdat het maximum niet mag worden overschreden. Bij de introductie van HSUPA in release 6 kozen ze voor de andere voor de hand liggende mogelijkheid, namelijk van
het toegevoegde snelle datakanaalwat vermogen stelen om het vermogen van het besturingskanaal nog wat verder te kunnen verhogen.
167. Dat doet Wiko volgens mij op (net) voldoende wijze in 8.1 van de procesinleiding
168. Strikt genomen is niet vereist dat naar vindplaatsen wordt verwezen, al zal dat de overtuigingskracht mogelijk ten goede komen
169. Het gaat hier bovendien feitelijk om de vraag of Philips voldoende gesteld heeft om de veroordeling tot winstafdracht te kunnen dragen. Ook zonder verweer van Wiko zal dit voor toewijzing van de vordering van Philips, na toetsing van het hof, het geval moeten zijn
170.
[…]/Ymere-arrest over art. 6:104 BW Pro, waarin onder meer is uitgemaakt
171:
172. Het is één van de manieren van schadebegroting die de rechter kan hanteren
173. De door Wiko aangehaalde rechtspraak geldt daarom niet zonder meer voor de
sui generiswinstafdracht bedoeld in art. 70 lid 5 ROW Pro 1995 dat voor zover relevant als volgt bepaalt
174:
175werd in art. 70 lid 5 ROW Pro 1995 bepaald dat afdracht van de door de inbreuk genoten winst en het afleggen van rekening en verantwoording gevorderd kan worden
naastschadevergoeding
176. Dit is in lijn met het daarvóór in 1989 ingevoerde art. 27a van de Auteurswet
177. Uw Raad heeft laatstgenoemde bepaling als volgt uitgelegd in
Danestyle178:
179. Een vordering tot winstafdracht naast een vordering tot schadevergoeding is bij inbreuk op een octrooi dus mogelijk, met de hiervoor genoemde beperking. In onze zaak heeft het hof in rov. 5.6 winstafdracht toegewezen naast (‘en/of’) schadevergoeding op te maken bij staat, naar keuze van Philips. Deze veroordeling met keuzemogelijkheid wordt in de praktijk begrensd door de hiervoor bedoelde rechtspraak van Uw Raad, maar komt daarmee niet in strijd.
180. Ook in SEP-zaken kan het bewijzen van de daadwerkelijk geleden schade voor de octrooihouder bezwaarlijk zijn en moet een inbreukmaker geen voordeel kunnen halen uit inbreukhandelingen, temeer in gevallen waarin deze is gewaarschuwd door de notificatie van de SEP-houder. De door Wiko in s.t. 121 genoemde Handhavingsrichtlijn
181, die minimumharmonisatie voorschrijft
182, doet hier verder niets aan af
183. In art. 13 van Pro de Handhavingsrichtlijn wordt de mogelijkheid van schadevergoeding in de vorm van winstafdracht juist uitdrukkelijk genoemd in lid 1 onder a en lid 2.