Conclusie
[eiseres]respectievelijk
de Gemeente.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
[A]), houdt zich bezig met de bouw en de exploitatie van bedrijfsonroerendgoed.
het perceel), gekocht.
het College) besloten om op grond van art. 19 lid 2 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna:
WRO (oud)) een procedure tot vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan te starten voor het perceel. [A] diende de voor die vrijstelling de benodigde ruimtelijke onderbouwing aan te leveren.
GHS) onder meer het volgende vermeld:
het primair besluit) heeft het College op grond van art. 19 lid 2 WRO Pro (oud) aan [A] de gevraagde vrijstelling van het vigerende bestemmingsplan verleend en tevens een bouwvergunning verleend.
3.Procesverloop
de rechtbank). Na wijziging van eis bij akte van 30 september 2015 heeft [A] van de Gemeente voor een bedrag van € 1.719.104,00 schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, subsidiair de wettelijke rente, vanaf de dag van dagvaarding. Aan deze vordering heeft [A] ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door het besluit van 22 april 2008 te nemen, nu dat besluit door de bestuursrechter is vernietigd. Het gevorderde bedrag behelst de schade die [A] stelt te hebben geleden doordat de realisatie van het project is vertraagd. De Gemeente heeft de vordering gemotiveerd betwist.
het hof). [A] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de vonnissen en tot het alsnog geheel toewijzen van haar vordering, die zij in hoger beroep heeft vermeerderd tot € 2.324.276,00.
4.Bespreking van het principale cassatiemiddel
UWV/X [5] heeft de Hoge Raad de met zijn arrest
Hengelo/ […] [6] ingezette lijn bevestigd, namelijk dat met betrekking tot besluitenaansprakelijkheid de gewone civiele condicio sine qua non-toets (hierna: csqn-toets) moet worden toegepast: er bestaat geen causaal verband als in plaats van het onrechtmatige besluit een rechtmatig besluit
zou zijn genomendat dezelfde schade zou hebben veroorzaakt. [7]
Hengelo/ […]toegepast op een voor de belanghebbende begunstigend besluit en in de zaak
UWV/Xop een voor de belanghebbende belastend besluit. Dat onderscheid is relevant. Bij een onrechtmatig begunstigend besluit (bijvoorbeeld het verlenen van een bouwvergunning in strijd met hogere regelgeving) kan ten tijde van dat besluit geen rechtmatig besluit met dezelfde rechtsgevolgen (vergunningverlening) worden gegeven. Het onrechtmatige besluit is daarom niet de oorzaak van de schade zodat het csqn-verband ontbreekt. Bij een onrechtmatig belastend besluit (bijvoorbeeld een verbod met last onder dwangsom) betekent het feit dat ten tijde van dat besluit geen rechtmatig besluit kon worden gegeven dat het onrechtmatige besluit juist wel de oorzaak is van de schade en het wel causaal verband dus aanwezig is. [8]
UWV/Xmaakte de Hoge Raad een onderscheid tussen gevallen waarin een bestuursorgaan na vernietiging, intrekking of herroeping van een besluit opnieuw in de zaak moet voorzien door het nemen van een nieuw besluit (‘verlengde besluitvorming’) en gevallen waarin een bestuursorgaan niet gehouden is om een nieuw besluit te nemen.
“veelal”bepaald zal worden door de inhoud van het nieuwe besluit dat het bestuursorgaan moet nemen. Bepalend daarbij is of de schade van de belanghebbende is veroorzaakt door het rechtsgevolg van het onrechtmatige besluit. Is dat het geval, dan ontbreekt het causaal verband indien het nieuwe, rechtmatige besluit voor de belanghebbende hetzelfde rechtsgevolg heeft als het eerdere, onrechtmatige besluit.
“om tot uitgangspunt te nemen”dat het bestuursorgaan ten tijde van het onrechtmatige besluit dit besluit zou hebben genomen in plaats van het onrechtmatige besluit, zo volgt uit het slot van rov. 3.4.6. Vervolgens zal ook dan nog moeten worden getoetst of de gestelde schade zich ook in de aldus vastgestelde hypothetische situatie (in dezelfde mate) zou hebben voorgedaan.
X/Gemeente Sluis. [10] Die zaak betrof een vordering tot vergoeding van schade die een exploitant van een speelautomatenhal (A) stelde te hebben geleden als gevolg van onrechtmatige besluitvorming van de gemeente Sluis met betrekking tot de exploitatie van een tweede speelautomatenhal (van F). Bij primair besluit was aan F een exploitatievergunning verleend op grond van Verordening 2004 en het daartegen gerichte bezwaar van (A) was ongegrond verklaard. Nadien is Verordening 2004 door het CBb onverbindend verklaard, waaruit volgde dat die verordening geen grondslag kon bieden voor de verlening van de exploitatievergunning. Vanwege dit aan de besluiten klevende formele (bevoegdheids-)gebrek heeft het CBb het besluit op bezwaar vernietigd en het primaire besluit herroepen. (A) stelde vervolgens een schadevergoedingsvordering in tegen de gemeente Sluis. Zowel de rechtbank als het hof in die zaak zijn meegegaan in het standpunt van die gemeente dat causaal verband tussen de onrechtmatige besluiten en de schade ontbrak op de grond dat de gemeente ten tijde van het nemen van deze besluiten rechtmatige besluiten zou hebben genomen die dezelfde schade tot gevolg zouden hebben gehad.
Bij deze beoordeling moet worden uitgegaan van het tijdstip waarop het onrechtmatige besluit is genomen. De omstandigheid dat eerst Verordening 2004 moest worden aangepast voordat een rechtmatige vergunning kon worden verleend, brengt mee dat de Gemeente op 7 januari 2009 [het moment van het nemen van het primaire besluit; toevoeging A-G] niet rechtmatig een vergunning aan [F] had kunnen verlenen. De overweging van het hof dat die omstandigheid zijn oordeel niet anders maakt, geeft derhalve blijk van een onjuiste rechtsopvatting, althans is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.”
‘op dat tijdstip’) het rechtens mogelijk was om een hypothetisch rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg te nemen. De omstandigheid dat de geldende verordening van de gemeente Sluis geen grondslag bood voor rechtmatige besluiten met hetzelfde rechtsgevolg en het daarom nodig was om eerst de gemeentelijke verordening te wijzigen, leidde tot de conclusie dat ten tijde van het onrechtmatige besluit geen rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg kon worden genomen. Voor het bepalen van het causaal verband kon niet worden geabstraheerd van het gegeven dat voor het nemen van een rechtmatig besluit ten tijde van het nemen van het onrechtmatige besluit de gemeentelijke verordening moest worden gewijzigd.
primaire betoogvan [eiseres] houdt in dat de Gemeente ten tijde van het onrechtmatige besluit de vergunning rechtmatig had kunnen verlenen, door de Provincie Noord-Brabant er toe te bewegen de verordening aan te passen. Daaruit leidt het middel af dat het hypothetische rechtmatige besluit al ten tijde van het herroepen besluit (april 2008) kon worden genomen zodat de vanaf dat moment geleden vertragingsschade voor vergoeding in aanmerking komt. Dit standpunt wordt ingevuld met verschillende rechts- en motiveringsklachten (1.2-1.12 van de procesinleiding). Mijns inziens gaat dit betoog, dat niet geheel vrij lijkt te zijn van speculatie omtrent de hypothetische situatie, niet op.
subsidiaire betoogvan [eiseres] houdt in dat, zelfs als pas na april 2008 de GHS gewijzigd had kunnen worden, in elk geval voor vergoeding in aanmerking komt de vertragingsschade die geleden is vanaf het latere moment dat alsnog een hypothetisch rechtmatig besluit had kunnen worden genomen (1.13-1.15 van de procesinleiding). Dit betoog faalt mijns inziens omdat [eiseres] in feitelijke instanties niet heeft aangevoerd dat de vergunning zou zijn aangepast in de periode tussen 22 april 2008 (datum onrechtmatige besluit) en 1 juni 2012 (wijziging provinciale verordening).
daaromhet causaal verband ontbreekt. Volgens het middel getuigt dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting.
UWV/X-arrest (vgl. 4.8-4.10 hiervoor). Nagegaan moet daarom worden welk besluit de Gemeente zou hebben genomen indien zij in 2008 wél overeenkomstig de toen geldende provinciale regelgeving zou hebben beslist. Hier is het hof, onbestreden in cassatie, in rov. 3.3.2 en 3.3.3 ook van uitgegaan.
‘indien dat op dat tijdstip ook rechtens mogelijk was’ in rov. 3.4.6 van het arrest
UWV/X, van belang of het op het moment dat het onrechtmatige besluit werd genomen rechtens mogelijk was om een hypothetisch rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg te nemen. In lijn met het arrest
X/
Gemeente Sluis [12] leidt de omstandigheid dat in de onderhavige zaak op het tijdstip van het nemen van het onrechtmatige besluit de toepasselijke regelgeving geen grondslag bood voor het nemen van een rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg en het nodig was om eerst de begrenzing van de GHS te wijzigen, tot de conclusie dat ten tijde van het betreffende besluit geen rechtmatig besluit met hetzelfde rechtsgevolg genomen kon worden. Anders dan het middel betoogt, is daarbij niet relevant of de Gemeente in een hypothetisch geval vóór het nemen van het besluit de provincie had kunnen bewegen om haar beleid aan te passen. Het hof heeft terecht beoordeeld welk besluit het bestuursorgaan zou hebben genomen indien het wél overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving zou hebben beslist. In dit geval had de Gemeente dan de vergunningsaanvraag van [A] moeten afwijzen.
nietrechtmatig een vergunning aan [A] had kunnen verlenen. Het hof is hier voldoende op ingegaan en heeft zijn oordeel niet ontoereikend gemotiveerd.