Conclusie
willing licenseegetoond en hebben onvoldoende onderbouwd dat het licentie-aanbod van Philips niet aan de FRAND-voorwaarden voldoet en dat hun tegenvoorstellen tijdens de procedure daaraan wel voldoen. Het beroep op art. 29 en Pro 36 Verordening Brussel I-bis wordt verworpen. Het inbreukverbod, de recall en de schadevergoeding/winstafdracht (op te maken bij staat) ten aanzien van EP 511 en EP 525 zijn toegewezen. EP 659 is nietig geacht wegens gebrek aan inventiviteit. De daarop gegronde vorderingen zijn daarom afgewezen.
Huawei/ZTEvan het HvJ EU geeft antwoord op de vraag onder welke omstandigheden het entameren van een inbreukprocedure door een SEP-houder tegen een SEP-gebruiker geen misbruik oplevert. Een nog open vraag is of (en onder welke omstandigheden) het optreden van de SEP-houder gedurende de procedure (alsnog) misbruik van machtspositie kan opleveren (de Engelse en Duitse rechtspraak geven hier een begin van een antwoord). Aan die vragen wordt in deze procedure niet toegekomen (zodat prejudiciële vragen niet aan de orde zijn), met name omdat volgens mij stand houdt het oordeel dat Wiko op meerdere punten niet heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijslast over de “non-FRAND-ness” van Philips in deze, waarbij Wiko naar mijn mening tevergeefs een verzwaarde stel-/betwistingsplicht aan de zijde van Philips bepleit. Als niet (voldoende steekhoudend) bestreden moet dan als vaststaand worden beschouwd dat Philips hier conform “FRAND-standaarden” heeft gehandeld.
Radio Communication System”, verleend op 9 mei 2012 op een aanvraag van 15 oktober 2002, met een beroep op prioriteitsdata 19 oktober 2001 en 5 november 2001 van respectievelijk GB 0125175 en GB 0126421. Het octrooi kent 15 conclusies, waarvan conclusies 1 t/m 4 betrekking hebben op een ‘
radio communication system’, conclusies 5 t/m 9 op een ‘
primary station’, conclusies 10 t/m 14 op een ‘
secundary station’ en conclusie 15 een ‘
method of operating a radio communication system’ betreft. De conclusies luiden in de oorspronkelijke Engelse taal:
wherein the available signal types are signals indicating positive and negative acknowledgements, and wherein the indication specifies the power level relative to the pilot bits on the uplink dedicated control channel.” Voorts is in conclusie 11 (in het hulpverzoek omgenummerd naar 10) verwezen naar (nieuwe) conclusie 9 en is de zinsnede “
the signal types include signals indicating positive and negative acknowledgements and in that” geschrapt. Het tweede hulpverzoek ziet op de (verdere) toevoeging van “
UMTS” aan het “
radio communication system” in de aanhef van conclusies 1, 10 en 15 (resp. 1, 9 en 13).
Code Division Multiple Access)-systeem worden de signalen van verschillende mobiele stations op dezelfde frequentie verzonden en worden deze gescheiden door middel van ‘
spreading codes’. Daardoor kunnen verschillende mobiele stations in eenzelfde frequentieband tegelijkertijd signalen naar en van een basisstation zenden en ontvangen. De tijdsduur waarbinnen de datablokken worden verzonden wordt aangeduid als ‘
frame’ of ‘
dataframe’. Een frame is opgedeeld in kleinere tijdseenheden, aangeduid als ‘
slots’.
closed loop’) en wordt dan ook wel aangeduid als ‘
closed loop power control scheme’. Het basisstation meet hierbij de zgn. ‘
signal-to-interference ratio’ (SIR, ook wel aangeduid als ‘
signal to noise ratio’ SNR) van het door het mobiele station verzonden ‘
pilot signal’ en vergelijkt het basisstation het resultaat hiervan met een bepaalde drempelwaarde (‘
target SIR’). Indien de gemeten waarde lager is dan de drempelwaarde, instrueert het basisstation het mobiele station om het transmissievermogen te verhogen; indien de gemeten waarde hoger is dan de drempelwaarde, instrueert het basisstation het mobiele station om het transmissievermogen te verlagen. De instructie die het basisstation aan het mobiele station verzendt, en door het mobiele station wordt opgevolgd, worden aangeduid met de term ‘
power control command’ (in UMTS als TPC (
Transmit Power Control) commando en in de 3GPP2-standaard als ‘
power control bit’). Dit proces vindt plaats in ieder
slot.
Universal Mobile Telecommunications System’) is een draadloos telecommunicatiesysteem. De UMTS-standaard wordt met name in Europa toegepast en wordt gepubliceerd door de standaardisatie organisatie 3GPP. UMTS maakt gebruik van CDMA-techniek. De standaard bestaat uit verschillende specificaties, waaronder TS 125 214 v6.11.0 (2006-12) dat de noodzakelijke vereisten met betrekking tot de ‘
transmission power’ beschrijft (TS 125 214). Tot de UMTS-standaard behoren ook de technische specificatie TS 25.214 V3.2.0 (2000-03) (hierna: TS 25.214) en het technisch rapport van de 3GPP HSDPA norm, TR 25.855 V1.1.0_draft (2001-07) (TR 25.855). Deze laatste ziet op de HSDPA-functionaliteit bij de UMTS-standaard.
user equipment’ of ‘UE’, in het octrooi aangeduid als ‘secundair station’, 110 in figuur 1) aangeduid als communicatie in de downlink richting (122 in figuur 1). Communicatie van het mobiele station naar het basisstation wordt aangeduid als communicatie in de uplink richting (124 in figuur 1).
control information(met betrekking tot de communicatieverbinding zelf). Gebruikersgegevens en besturingsgegevens kunnen over verschillende kanalen worden verstuurd; besturingsgegevens via besturingskanalen (‘
control channels’) en gebruikersgegevens via gegevenskanalen (‘
data channels’). Te verzenden data worden doorgaans opgedeeld in datapakketten.
High Speed Downlink Packet Access’)-protocol geïntroduceerd als onderdeel van de UMTS-technologie. Daarvan maken de volgende kanalen deel uit:
High Speed Physical Downlink Shared Channel’; een downlink-kanaal waarop door het basisstation gebruikersgegevens in de vorm van datapakketten worden verzonden aan de mobiele stations;
High Speed Shared Control Channel’; een downlink-besturingskanaal (control channel). Op dit kanaal kondigt het basisstation aan de mobiele stations de verzending aan van datapakketten met gebruikersgegevens op de HS-PDSCH en verschaft het de informatie die nodig is om de datapakketten te decoderen;
High Speed Dedicated Physical Control Channel’; het enige uplink-kanaal binnen het HSDPA-protocol. Dit kanaal wordt door de mobiele stations onder meer gebruikt om bevestigingssignalen (ACK- en NACK-signalen) te versturen aan het basisstation en om feedback te geven met betrekking tot de kwaliteit van het kanaal.
Cycle Redundancy Check’ of ‘CRC’. Op basis hiervan is het mobiele station in staat om vast te stellen of het datapakket goed of met fouten is ontvangen en kan het aan het basisstation (in de uplink-richting) vervolgens een positief of negatief bevestigingssignaal verzenden.
Acknowledgement’). Na ontvangst daarvan stuurt het basisstation het volgende datapakket. Indien het pakket onherstelbaar beschadigd (‘
corrupted’) is ontvangen, dan stuurt het mobiele station aan het basisstation een negatief bevestigingssignaal, een NACK-signaal (‘
Negative Acknowledgement’). Dan stuurt het basisstation het datapakket opnieuw. Dit proces wordt ook wel aangeduid met de term ‘ARQ’ (‘
Automatic Repeat reQuest’).
corrupted’ was). Dan moet gebruik worden gemaakt van hogere niveaus in de infrastructuur van het systeem (‘
higher layer’) om deze informatie alsnog te verzenden, wat vertraging veroorzaakt en aanzienlijk meer systeemcapaciteit vergt dan het direct opnieuw verzenden van een datapakket als het basisstation een ACK-signaal onjuist interpreteert als een NACK-signaal. Op de prioriteitsdatum werden de gevolgen van een onjuiste interpretatie van een NACK-signaal (hierna ook wel ‘
ACK’) derhalve als problematischer beschouwd dan die van een onjuiste interpretatie van een ACK-signaal (hierna ook wel ‘
NACK’).
decision threshold’, in de hieronder afgebeelde figuur aangeduid met ‘
z’) om de kans op foutieve interpretatie van ACK- en NACK-signalen te beïnvloeden.
z” ligt (in het rood gekleurde NACK gebied), dan interpreteert het basisstation dit signaal als een NACK; ligt het voltage boven de drempelwaarde (in het geel gekleurde ACK gebied), dan interpreteert het basisstation het signaal als een ACK.
ACK als ernstiger werden beschouwd dan de gevolgen van een
NACK, werd in systemen uit de stand van de techniek de maximaal toelaatbare kans op een
ACK (aangeduid met
PfACK) lager gesteld (bijv. op 10-5) dan de maximaal toelaatbare kans op een
NACK (aangeduid met
PfNACK) (bijv. op 10-2). Die verschillende foutkansen kunnen worden gerealiseerd door de drempelwaarde te positioneren in de richting van het ACK-signaal (‘
biased’ instelling), zoals hierna getoond.
ACK vermindert. Anderzijds wordt door de verschuiving van de drempelwaarde in de richting van ACK, het (geel gekleurde) ACK gebied kleiner, waardoor minder ontvangen signalen worden aangemerkt als een ACK en de kans op een
NACK hoger wordt. De kans op een
ACK of false NACK wordt ook wel aangeduid als ‘
error probability’ of ‘foutkans’.
cdma2000 High Rate Packet Data Air Interface Specification”, 3GPP2 C.S0024, versie 2.0 van 27 oktober 2000 (hierna: de EV-DO Standaard).
reverse link’) plaats over het
Reverse CDMA Channel. Communicatie door het basisstation aan een mobiel station wordt in de 3GPP2-standaard aangeduid als ‘
forward link’ en vindt plaats over het
Forward CDMA Channel.
closed loop power control(zie hierboven 1.12). Dat gebeurt doordat het relatieve vermogen daarvan (ten opzichte van het pilotkanaal) wordt bepaald door de
ACKChannelGain(de offset waarde) die door het basisstation aan het mobiele station wordt gezonden.
Digital Communications, John G. Proakis, 4th edition 2000 (Proakis)
Signal Detection & Estimation, M. Barkat, 1991 (Barkat)
Detection, Estimation, and Modulation Theory Part I, Harry L. van Trees, 2001 (Van Trees)
Optimal Antipodal Signaling” (Shad);
Unequal Gain Signalling for H-ARQ ACKs” (Shad Derryberry);
Control Channel Structure for High Speed DSCH (HS-DSCH)” (Motorola 021); en
ACK/NACK Control Channel Reliability for High Speed Downlink Packet Access (HSDPA)” (Motorola 744).
gemiddelde vakman
to improve the efficiency of a packet data transmission system”). Daarbij richt het octrooi zich vooral op de overdracht van bevestigingssignalen van de goede of foute ontvangst van datapakketten, zoals ACK- en NACKsignalen. De beoogde verbetering van de efficiëntie wordt volgens de uitvinding van EP 525 bereikt doordat het mobiele station in staat is om het vermogensniveau van het te verzenden bevestigingssignaal (zoals een ACK- of NACK-signaal) te selecteren op basis van het signaaltype (ACK of NACK). In par. 10 van de beschrijving (onder het kopje ‘
Disclosure of Invention’) is dat als volgt verwoord: “
According to a first aspect of the invention (…) the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type.” In par. 11 van de beschrijving is het effect daarvan als volgt beschreven: “
By transmitting different acknowledgement signals at different power levels, the probability of the primary station correctly interpreting signals of different types can be manipulated to improve total system throughput and capacity.”
Disclosure of Invention’) is dat als volgt verwoord: “
According to a third aspect of the invention there is provided a primary station (…) wherein means are provided for signalling to the secondary station an indication of how the power level at which the secondary station transmits the signal depends on the type of the signal.”. Die maatregel maakt het mogelijk dat het zendvermogen niet alleen per type signaal afzonderlijk kan worden geselecteerd, maar dat die vermogensniveaus bovendien ook variabel (afhankelijk van de omstandigheden) kunnen zijn, doordat deze niet vooraf zijn vastgesteld maar door het basisstation worden overgeseind. Daaraan ligt het inzicht ten grondslag dat een
ACK niet onder alle omstandigheden problematischer is dan een
NACK, waar in de stand van de techniek nog van werd uitgegaan. In par. 26 van de beschrijving wordt als voorbeeld genoemd dat er bij ‘
real time streaming service’ onvoldoende tijd is voor het opnieuw verzenden van een ‘
corrupted’ ontvangen datapakket, zodat een hoger zendvermogen van een NACK-bericht om een
ACK te voorkomen daarbij weinig zinvol is. Het in dergelijke gevallen juist wel achterwege laten van een verschillend zendvermogen (volgens de stand van de techniek NACK hoger dan ACK) draagt bij aan systeemefficiëntie. Voor verzending van andersoortige data is goede ontvangst daarentegen wel essentieel en wegen de voordelen van verhoging van het zendvermogen van een NACK-signaal wel op tegen het nadeel van de ermee gepaard gaande verhoogde interferentie en energieverbruik.
offset(par. 26, 36, 48), een indicatie om al dan niet een (vooraf vastgestelde)
offsette gebruiken (par. 29) of een indicatie van het specifieke toe te passen vermogensniveau (par. 29, 36).
(…) the scheme is a flexible one that permits the powers of the ACKs and NACKs to be modified independently, allowing error performance targets to be achieved at lower average power and different data services to be handled differently; and it facilitates soft handover in the uplink when using HSDPA in the downlink. This is achieved with only a modest increase in system complexity.”
afzonderlijkkan worden aangepast,
onafhankelijkvan het zendvermogen van een ander signaal, teneinde de foutkansen per type signaal voor de omstandigheden van het geval optimaal in te stellen op basis van een door het basisstation overgeseinde indicatie. De daarmee verkregen flexibiliteit leidt tot verbeterde systeemefficiëntie omdat onder alle omstandigheden een zo laag mogelijk vermogensniveau voor verzending van de ACK- en NACK-signalen kan worden gehanteerd. Dat van die flexibiliteit niet onder alle omstandigheid gebruik zou worden gemaakt, zoals Wiko heeft gesteld, doet er niet aan af dat geboden flexibiliteit wordt bereikt.
power offsettoegepast voor de NACK-signalen indien de frequentie NACK-signalen een bepaald percentage overstijgt (bij slechte kanaalcondities) ter voorkoming van interferentie. Dat is hieronder geïllustreerd.
ACK dan een
NACK en de uitvinding (slechts) ziet op verzenden van NACK-signalen met hoger niveau dan dat van ACK-signalen (par. 29-31, 36 conclusie van antwoord in eerste aanleg), wordt verworpen. Deze door Wiko verdedigde uitleg van het octrooi volgt niet uit par. 11 van de octrooibeschrijving, zoals zij stelt. De tweede zin, waarop zij zich beroept, betreft een uitvoeringsvoorbeeld zoals ook blijkt uit de zinsnede “
In one embodiment” waarmee de zin aanvangt. Dat uitvoeringvoorbeeld wordt verder beschreven in par. 23 die is opgenomen onder het kopje ‘
Modes for Carrying Out the Invention’ waaronder verschillende voorbeelden van toepassingen van de uitvinding worden gegeven. Par. 23 ziet op de uitvoeringsvorm die zal worden toegepast in de ‘normaalsituatie’ waarin het systeem goed functioneert en dus aanzienlijk minder NACK-signalen dan ACK-signalen zullen worden verzonden. Dan is het voordelig (alleen) het zendvermogen van de NACK-signalen te verhogen, zodat de foutkans voor een NACK-signaal afneemt, zonder noemenswaardig verhoging van interferentie, omdat het zendvermogen van een ACK-signaal wel gelijk blijft (en niet in gelijke mate als dat van het NACK-signaal wordt verhoogd). Par. 24 maakt echter duidelijk dat in een situatie waarin het systeem minder goed functioneert en er dus méér NACK-signalen worden verstuurd, de verhoging van het zendvermogen voor NACK-signalen achterwege moet blijven. Ook in andere gevallen – zoals bij het in par. 26 van de octrooibeschrijving gegeven voorbeeld van ‘
real-time streaming service’ – wordt optimale systeemefficiëntie juist bereikt door géén verschillend vermogensniveau toe te passen. Dat levert een voordeel op ten opzichte van de algemeen toegepaste verschillende foutkansen voor ACK- en NACK-signalen en daarop gebaseerde
biaseddrempelwaarde uit de stand van de techniek, op grond waarvan een signaal vaker als een NACK zal worden geïnterpreteerd en er dus vaker (en
by real-time streaming serviceonnodig) datapakketten opnieuw zullen worden gezonden. Het standpunt van Wiko dat bij een gelijk zendvermogen het voordeel van de uitvinding (systeemefficiëntie) niet zou worden bereikt is derhalve evenzeer onjuist. De uitvinding ziet ook niet op het instellen van verschillende foutkansen. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen kan juist het (in afwijking van de stand van de techniek) hanteren van gelijke foutkansen een voordeel opleveren.
in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signalled from the primary station to the secondary station” buiten beschouwing. Alle deelkenmerken in onderlinge samenhang beschouwd leiden tot de uitleg zoals hiervoor uiteengezet.
indication” in enkelvoud gebruikt en gelet op de uitvoeringsvoorbeelden waarin sprake is van één indicatie voor beide vermogensniveaus. Volgens Wiko is daarom een signaal van een basisstation, dat een indicatie inhoudt van het zendvermogen van bevestigingssignalen zonder onderscheid te maken naar type signaal – zoals een TPC-commando uit de UMTS-standaard waardoor het zendvermogen van alle signalen die over een bepaald uplink-kanaal worden verstuurd wordt verhoogd of verlaagd, ongeacht het type signaal, of de
AckChannelGainuit de EVDO standaard waarmee het vermogen van het ACK-kanaal wordt verhoogd of verlaagd ongeacht of het signaal een ACK- of NACK-signaal is – ook een indicatie van het basisstation in de zin van het octrooi. Dat standpunt is onjuist. Uit de maatregelen “
wherein the acknowledgement means is arranged to select the power level at which the signal is transmitted depending on its type”en
“in dependence on an indication of the power level at which each type of signal is transmitted, the indication being signalled from the primary station to the secondary station” van conclusie 10 in onderlinge samenhang bezien en gelezen in het licht van de beschrijving (in het bijzonder par. 23 daarvan), kan deze conclusie niet anders worden begrepen dan dat met de door het basisstation doorgeseinde indicatie het zendvermogen per signaaltype
afzonderlijkkan worden ingesteld, teneinde de foutkansen per signaaltype te bepalen, onafhankelijk van het zendvermogen en de foutkansen van het andere type signaal.
afzonderlijk, waarbij de indicatie die door het basisstation wordt doorgeseind aanpassing per type signaal
afhankelijk van de omstandighedenmogelijk maakt. Juist dat levert flexibiliteit op – waarbij het bijvoorbeeld onder omstandigheden ook voordelig kan zijn dat juist géén verschillend vermogensniveau voor de verschillende bevestigingssignalen wordt toegepast – en worden de voordelen van de uitvinding bereikt (vgl. r.o. 4.11 hiervoor).
optimum receiver’ besproken voor het detecteren van een binair signaal. De optimale ontvanger wordt getoond in figuur 8.6:
noise’, het ontvangen signaal (aangeduid met y(t)) verschilt van het verzonden signaal. De ontvanger is bekend met de waarden voor verzonden signalen s1(t) en s0(t) en kan het ontvangen signaal daarmee vergelijken. De receiver gebruikt daarvoor de waarde sΔ(t) (het verschil tussen s1 en s0). Het voltage van het ontvangen signaal ligt ergens tussen de waarden van s1(t) en s0(t) in. Aan de hand van vergelijking met de in de ontvanger (basisstation) ingestelde drempelwaarde γ1 bepaalt de receiver vervolgens of het ontvangen signaal moet worden aangemerkt als s1 of als s0. Dit is ook beschreven in Example 3.1 uit Barkat (waarin de signalen met random waarde worden aangeduid met H (van ‘hypothesis’):
drempelwaarde wordt dus vastgesteld aan de hand van deze parameters.
Receiver Operation Characteristic’)-grafiek worden de prestaties van een systeem getoond dat onderscheid moet maken tussen twee mogelijke interpretaties van een ontvangen signaal. In Barkat is in figuur 3.10 een ROC opgenomen, waarin PF staat voor ‘
probability of false alarm’, overeenkomend met de kans op
ACK. De kans op
NACK (‘
probability of miss’, ofwel
PM) staat gelijk aan 1-
PD (‘
probability of detection’). Deze figuur is hieronder afgebeeld.
ACK af (
PF, horizontale as) en neemt de kans op
NACK (1-
PD, verticale as) toe. (Vgl. Barkat pag. 152: “
The slope of the ROC at a particular point on the curve represents the threshold ƞ for the Neyman-Pearson test to achieve the PD and PF at that point.” en pag. 153: “
The ROC is a plot of PD, the probability of detection, versus PF the probability of false alarm, with the threshold ƞ as a parameter.”)
PD en
PF zijn achtereenvolgens:
Thus, in practical situations where the a priori probabilities[frequentie – hof]
and the cost[het belang – hof]
may change, only the threshold changes but the computation of the likelihood ratio is not affected.” en (pag. 153) “
In the Bayes criterion the threshold η is determined by the a priori probabilities and the costs.”
increasing ƞ’ tot uitdrukking gebracht dat bij toename van
log Etade waarde van γ1 hoger wordt,
PF (de kans op
ACK) afneemt en
PM (1-PD) (de kans op
NACK) toeneemt. In de ROC worden curves getoond bij drie verschillende waarden ‘
d’. Die waarde staat voor de afstand (‘
distance’) tussen de twee signalen (zoals weergegeven in figuur 2.8). Deze afstand wordt bepaald door de energiewaarden Ɛ0 en Ɛ1. Hoe hoger de energiewaarde (het zendvermogen) van beide signalen (die immers met gelijke maar tegenovergestelde energiewaarde worden verzonden) hoe groter de afstand tussen beide signalen en daarmee hoe groter de kans dat de drempelwaarde in het basisstation zo kan worden gepositioneerd dat aan de vereiste maximaal toelaatbare foutkansen kan worden voldaan. De verschillende curves representeren dus de waarden die bij het gebruik van verschillende zendvermogens (gelijkelijk toegepast op beide signalen) worden verkregen.
s0en
s1in Van Trees (√
Et0 s0(t) en √
Et1 s1(t)).
PF en
PD), volgt dat er een onderlinge relatie is tussen de drempelwaarde γ1 en de zendvermogens Ɛ0 en Ɛ1. Die relatie wordt bepaald door
log eta, waarvan de waarde afhankelijk is van het (ongelijke) belang van juiste detectie van de onderscheiden signalen. De relatieve kans op (on)juiste detectie van de beide signalen wordt bepaald door de positionering van de beslisdrempel tussen beide energiewaarden. Dat is algemene vakkennis en volgt allemaal ook uit de in Barkat, Van Trees en Motorola 744 getoonde ROC-curves. Ook juist is dat die positionering (en daarmee de beïnvloeding van de foutkansen van beide signalen) op twee verschillende manieren kan worden bereikt, namelijk (1) door de beslisdrempel te verschuiven in de richting van een beide energiewaarden en (2) door de energiewaarden voor de signalen ten opzichte van elkaar te variëren. Niet juist is echter dat die tweede methode ook in Barkat (of ergens anders in de stand van de techniek) is geopenbaard. Die methode is het inzicht dat grondslag ligt aan de uitvinding volgens het octrooi.
d’) tussen beide signalen te bepalen teneinde bij een zo laag mogelijk (gelijk) zendvermogen te kunnen voldoen aan de vastgestelde maximaal toelaatbare foutkansen van beide signalen (vergelijk de in r.o. 4.31 en r.o. 4.36 hiervoor getoonde ROC’s uit Barkat en Van Trees en de ROC uit Motorola 744, met verschillende curves voor verschillende – voor beide signalen gelijkelijk geldende – energiewaarden). Vervolgens wordt bij de laagst mogelijke energiewaarde
log Etagevarieerd om de drempelwaarde optimaal te positioneren, zodanig dat aan het vereiste maximum aan foutkansen voor beide signalen wordt voldaan. Deze volgordelijkheid – eerst de energiewaarde van beide signalen bepalen en vervolgens aan de hand van vooraf vastgestelde maximaal toelaatbare foutkansen de drempelwaarde instellen – komt ook tot uitdrukking in vergelijking (8.77) van Barkat voor de berekening van de drempelwaarde aan de hand van de energiewaarden en in Example 3.1.
s0(t)overeenkomt met
–s1(t)en dat deze met gelijk vermogen worden verzonden. In dat licht valt niet in te zien dat de gemiddelde vakman, zonder enige verdere aanwijzing in die richting, de vergelijkingen zou toepassen om voor de signalen
s0en
s1ongelijke zendvermogens toe te passen om de foutkansen van die signalen beïnvloeden. Dat geldt temeer omdat in Barkat en Van Trees juist (uitsluitend) wordt geleerd dat daartoe de positionering van de drempelwaarde dient te worden gebruikt.
berekeningvan de optimale
drempelwaarde. Daarmee is in tegenspraak dat de gemiddelde vakman de drempelwaarde op nul zou fixeren en de
energiewaardenzou variëren om de foutkansen te beïnvloeden. Die mogelijkheid wordt in geen van de handboeken expliciet geopenbaard (bijvoorbeeld door een op de berekening van die verschillende energiewaarden gerichte vergelijking – de door de deskundige van Wiko opgestelde vergelijkingen maken nadrukkelijk geen onderdeel uit van het handboek van Barkat) of zelfs maar gesuggereerd. In tegendeel, in de ten tijde van de prioriteitsdatum tot de stand van de techniek behorende mobiele telecommunicatiesystemen werd gebruik gemaakt van modulatietechnieken gekenmerkt door het gebruik van
gelijkevermogens met verschillende fase (met 180° verschil) van binaire signalen.
is fixed. Thus, from (8.80), the optimum system is obtained when the correlation coefficient p = —1. In this case, s
1(t)) = —s
(t), and we say that the signals are antipodal. If, in addition, the signal energies are equal, Ɛ
o= Ɛ
1= Ɛ , the likelihood ratio test is
1
T(m
1- m
) > 0 --------- (8.84)
If, in addition, the signal energies are equal’ zou volgen dat toepassing van gelijke energieën een uitzonderingssituatie zou zijn en uitgangspunt van Barkat is dat de signalen met verschillende vermogens worden verzonden, heeft zij niet voldoende steekhoudend onderbouwd. Zij stelt immers ook zelf dat in de op de prioriteitsdatum gepubliceerde mobiele telecommunicatie standaarden BPSK-modulatie gebruikelijk was en de antipodale ACK- en NACK-signalen juist met gelijk vermogen werden verzonden. Aldus ligt veeleer in de rede dat de woorden ‘
in addition’ door de gemiddelde vakman zullen worden begrepen als gevolg van het gebruik van antipodale signalen, en niet (a contrario redenerend) als tegenstelling.
P(Ɛ) gelijk is aan
PF en gelijk aan
PM en afhankelijk is van parameter α:
ACK als
NACK) derhalve in alle gevallen op dezelfde wijze afhankelijk zijn van parameter α – en daarmee (volgens vergelijking (8.80) van de energiewaarden
Ɛ1 en
Ɛ0 – valt niet in te zien dat de gemiddelde vakman daaruit zou (kunnen) begrijpen dat hij de afzonderlijke energiewaarden zou kunnen gebruiken voor vaststelling van
ongelijke foutkansen voor de interpretatie van ACK- en NACK-signalen. Zoals reeds opgemerkt, geldt dat temeer omdat Barkat expliciet leert dat daartoe de drempelwaarde moet worden gebruikt.
log Etajuist wordt gebruikt om bij gewenste ongelijke foutkansen de drempelwaarde in de ontvanger (het basisstation) te optimaliseren. In het geval de foutkansen gelijk zijn en de drempelwaarde neutraal is gepositioneerd heeft
log Etageen functie en komt dan ook niet in de op die situatie toegesneden vergelijking (8.79) voor (zie r.o. 4.33 hiervoor). In de benadering van Wiko wordt
log Etadaarentegen toch gebruikt als de drempelwaarde in het midden is gefixeerd, maar dan om de door te transmitter (het mobiele station) te hanteren zendvermogens aan te passen. Die functie van
log Etais uit de handboeken niet af te leiden.
In Section 8.2, we discuss the general and simple binary detection ofknownsignals (…)”. Daarmee is – zonder verdere maatregelen waarvan niet gesteld of gebleken zijn dat die in de handboeken worden geopenbaard – niet te verenigen dat de energiewaarden door de transmitter zouden kunnen worden gevarieerd.
ACK te verkleinen. De in Barkat en Van Trees voorkomende en door Wiko aangehaalde vergelijkingen zijn daarop - het vaststellen van de optimale drempelwaarde – toegesneden en zullen ook aldus door de gemiddelde vakman worden begrepen en toegepast. Bij gebreke van een openbaring van de toepassing van ongelijke energiewaarden van ACK- en NACK-signalen om daarmee de foutkansen te beïnvloeden is reeds daarom geen van de handboeken nieuwheidsschadelijk.
power control bit’ (toegepast in de UMTS- en CDMA2000-standaards),
AckChannelGain(toegepast in de EV-DO standaard) en/of
power offset(toegepast in de TR 25.855 standaard) zou meelezen, wordt dit conclusie-element niet in de aangehaalde handboeken geopenbaard. Deze indicaties gelden immers voor het zendvermogen van het kanaal waarover, respectievelijk voor het zendvermogen van,
allesignalen die over het desbetreffende kanaal worden verzonden. Deze indicaties beïnvloeden dus gelijkelijk het zendvermogen waarmee zowel ACK- als NACK-signalen worden verzonden. Aanpassing van het zendvermogen van een van beide signalen of toepassing van verschillende zendvermogens naar gelang het type signaal (waardoor de foutkansen kunnen worden beïnvloed) is daarbij niet mogelijk. Er is derhalve geen sprake van ‘
indication of the power level at whicheach typeof signal is transmitted’, in de zin van het octrooi. Ook daarom staan de handboeken niet aan de nieuwheid van het octrooi in de weg.
AckChannelGain.
ACKChannelGainook een
NACKChannelGainte versturen of door het “toevoegen van een waarde voor het NACK-vermogen aan het reeds bestaande bericht”. Daarmee is evenwel niet voldoende inzichtelijk gemaakt dat en hoe differentiatie in vermogen afhankelijk van het type signaal bereikt kan worden. De
ACKChannelGainbestuurt immers al het vermogen van alle over dat kanaal gestuurde signalen zonder dat daarbij onderscheid wordt gemaakt naar type signaal. Vervolgens past het mobiele station dat geïndiceerde vermogen op alle bevestigingssignalen, zonder onderscheid naar type signaal, toe. Enkel toevoeging van nog een andere offsetwaarde of waarde voor het NACK-vermogen brengt daarin geen verandering. Toevoeging van een geheel nieuw kanaal zodat ACK- en NACK-signalen over verschillende kanalen worden verzonden ligt gelet op de beperkte middelen en het streven naar systeemefficiëntie geenszins voor de hand.
power offset’. Daarmee wordt het vermogen bepaald van alle signalen die over dat kanaal worden verzonden, zonder acht te slaan op het type signaal. Niet geopenbaard is derhalve dat het vermogensniveau van het ACK- en NACK-signaal kan worden geselecteerd afhankelijk van het type signaal en voorts evenmin dat een indicatie voor het vermogensniveau door het basisstation wordt verzonden voor elk signaal afzonderlijk. Deze verschilmaatregelen zijn derhalve dezelfde als die bij het gebruik van de EV-DO standaard als uitgangspunt. Ook Wiko gaat daarvan uit (par. 102 MvA). Voor de vaststelling van de met die verschilmaatregelen bereikte technische effecten en op grond daarvan het objectieve probleem wordt verwezen naar hetgeen daaromtrent in r.o. 4.76 is overwogen.
standard setting organisation’ (SSO) die zich ten doel stelt een standaard vast te stellen voor een mobiel communicatiesysteem, zodat basisstations en mobiele stations compatibel zijn en met elkaar kunnen communiceren.
anticompetitive’) is, maar dat het onder bijzondere omstandigheden ongeoorloofd kan zijn om op basis van een standaard essentieel octrooi een verbodsvordering in te stellen tegen een derde die serieus bereid is om een licentie af te sluiten en hierover met de SEP-houder te goeder trouw te onderhandelen, ook wel aangeduid als een ‘
willing licensee’ (par. 126 Google-beschikking, Case No COMP/M.6381).
Artikel 102 VWEU Pro moet aldus worden uitgelegd dat de houder van een octrooi dat essentieel is voor een door een standaardisatieorganisatie opgestelde standaard, die jegens deze standaardisatieorganisatie de onherroepelijke verbintenis is aangegaan om aan derden een licentie te verlenen onder eerlijke, redelijke en niet-discriminerende voorwaarden, genoemd FRAND-voorwaarden („fair, reasonable and non-discriminatory”), geen misbruik van zijn machtspositie in de zin van dat artikel maakt door een beroep wegens inbreuk in te stellen strekkende tot staking van de inbreuk op zijn octrooi of tot terugroeping van de producten voor de vervaardiging waarvan gebruik is gemaakt van dit octrooi, wanneer:
Anderzijds dient de houder van dit SEO, nadat de vermeende inbreukmaker te kennen heeft gegeven dat hij bereid is een licentieovereenkomst te sluiten onder FRAND-voorwaarden, deze inbreukmaker een concreet en schriftelijk aanbod van een licentie onder FRAND-voorwaarden te doen” volgt dat de tweede stap is dat de SEP-gebruiker vervolgens te kennen dient te geven dat hij bereid is een licentieovereenkomst te sluiten onder FRAND-voorwaarden. Hij dient zich met andere woorden een ‘willing licensee’ te tonen.
(…) the judgment does not hold that if the circumstances diverge from the scheme set out in any way then a patentee will necessarily abuse their dominant position by starting such a claim. In those circumstances the patentee's conduct may or may not be abusive. The scheme sets out standard of behaviour against which both parties behaviour can be measured to decide in all the circumstances if an abuse has taken place.”
the amount of the royalty and the way in which that royalty is to be calculated” uit r.o. 63 daarom zo worden begrepen dat het HvJ EU met name van belang acht dat in het aanbod uiteengezet wordt niet alleen wat de royaltyvergoeding is, maar de manier waarop die moet worden berekend. In dat verband is ook in aanmerking te nemen dat er vele modaliteiten zijn voor de berekening van de royalty (bijvoorbeeld op basis van het hele product of alleen een onderdeel ervan, percentages, in- en verkoopprijzen, kosten, staffels, etc.).
Wiko Germany GmbH is not an affiliate of Wiko SAS or any other company of the Wiko Group as it is currently legally independent from the other Wiko companies.”.
willing licenseeop te stellen.
slechts [kan] aanvoeren dat een vordering tot staken of tot terugroeping van producten misbruik oplevert, indien hij de houder van het betrokken SEO op korte termijn en schriftelijk een concreet tegenaanbod doet dat aan de FRAND-voorwaarden beantwoordt.”. Blijkens hetgeen Wiko heeft gesteld in par. 466 MvA (“de vermeende inbreukmaker … kan [hij]
een verbod voorkomendoor de octrooihouder een nieuw licentievoorstel te doen” - cursivering hof) onderkent zij dit zelf ook. Bij gebreke van een SEP-houding bij Wiko komt het beroep op misbruik van recht door Philips om haar octrooi tegenover Wiko te handhaven Wiko dus niet toe. In dezelfde zin heeft het Landgericht Mannheim overwogen in diens uitspraak van 25 november 2016 in de eveneens op 19 oktober 2015 aanhangig gemaakte procedure tussen Philips en Wiko Germany GmbH over EP 525, waarin de verbodsvorderingen van Philips zijn toegewezen. Het schorsingsverzoek tegen het opgelegde inbreukverbod is op 31 januari 2017 door het Oberlandesgericht Karlsruhe afgewezen. Dat het Landgericht Mannheim in de hiervoor genoemde Duitse procedure tegen Wiko (zie 4.1) de verbodsvorderingen van Philips heeft afgewezen, vindt zijn oorzaak daarin dat de feiten in die procedure anders waren, in die zin dat die procedure eerst later aanhangig is gemaakt en Wiko naar het oordeel van het Duitse gerecht zich inmiddels (na het aanhangig maken van onderhavige procedure en de procedure tegen Wiko Germany, maar voor het aanhangig maken van de Duitse procedure tegen Wiko) een
willing licenseehad getoond. Ingevolge het Huawei / ZTE arrest rustte daardoor op Philips de plicht een licentie-aanbod onder FRAND-voorwaarden te doen en heeft de Duitse rechter – die van oordeel was dat in het Huawei / ZTE arrest een substantiëringsplicht voor de octrooihouder besloten ligt – geoordeeld dat Philips niet aan haar substantiëringsplicht had voldaan en daarom de verbodsvordering afgewezen.
non discriminatory’) zou zijn. Voorts heeft Wiko zich, nadat Philips onderhavige procedure aanhangig had gemaakt, wel bereid verklaard om met Philips te goeder trouw te onderhandelen over een licentie-overeenkomst onder FRAND-voorwaarden en heeft zij daartoe ook een tegenvoorstel onder FRAND-voorwaarden gedaan. Vervolgens heeft Philips zich niet bereid getoond om te goeder trouw met Wiko over de hoogte van de licentievergoeding te onderhandelen, terwijl zij tegenover concurrenten heeft verklaard dat de royalty-vergoeding van USD 0,75 slechts een openingsbod was. Philips daarentegen is van oordeel dat Wiko zich niet een ‘
willing licensee’ heeft getoond, zodat Wiko niet heeft voldaan aan de in het Huawei / ZTE arrest gestelde basisvoorwaarde voor het kunnen voeren van een FRAND-verweer. Nadien getoonde
willingnesskan daaraan niet af doen, zodat de verbods- en recall-vorderingen reeds daarom moeten worden toegewezen. Verder voldoet haar licentie-voorstel wel aan FRAND-voorwaarden en heeft Wiko zich ook na het aanhangig maken van de procedure niet als een
willing licenseeopgesteld, aldus Philips. Het hof overweegt daaromtrent als volgt.
we are willing to discuss different licensing structures if Wiko so desired, such as a lump sum arrangement. At multiple occasions, we have invited Wiko to make a serious counteroffer, but much to our disappointment these invitations have turned out to be made in vain.”), alsmede de in elk geval in dat opzicht onvoldoende gemotiveerd weersproken verklaring van [betrokkene 1] , blijkt genoegzaam dat Philips bereidheid heeft getoond om nadere toelichting te geven op dat voorstel en daarover met Wiko te onderhandelen, waarmee desgewenst ook specifiek voor haar situatie onredelijk uitpakkende voorwaarden ter discussie gesteld hadden kunnen worden.
Philips' offer (see Exhibit 3) for a license for Philips' UMTS and LTE portfolios on a worldwide basis for the life of the patents with a per unit royalty of USD 0.75 per product reflects FRAND terms and conditions”. [betrokkene 2] heeft zich mede gebaseerd op een (in het kader van diens eigen onderhandelingen opgestelde) interne analyse van een licentienemer met betrekking tot “
the value of Philips' UMTS patent portfolio vis-a-vis the broader value for all SEPs”, de blijkens diverse publicaties door derden gehanteerde licentievergoedingen, de ‘litigation history’ en het aandeel van de Philips portefeuille in de relevante standaard. Weliswaar heeft Wiko de nodige kritiek geuit op dit rapport, maar daarmee miskent Wiko dat het, zoals hiervoor in r.o. 4.25 overwogen, niet aan Philips is om te bewijzen dat haar voorstel FRAND is, maar dat de bewijslast van de door Wiko gestelde niet-FRANDheid van het voorstel van Philips op haar rust. Wiko heeft zelf geen rapportage overgelegd ter onderbouwing van haar standpunt.
willing licenseeheeft getoond. Ook op dit punt heeft Philips zich bovendien bereid verklaard met Wiko te onderhandelen, waarop Wiko niet is ingegaan.
The current licensees collectively represent more than 19% of 2016 worldwide smartphone volume.”
5. Beslissing
3.Achtergronden en juridisch kader FRAND
Standard Essential Patent(SEP of SEP-octrooi). Voor een goed begrip volgt hierna eerst een introductie over standaardisatie en standaard-essentiële octrooien. Aansluitend wordt ingezoomd op standaardisatie in de telecommunicatiesector. Daarna kom ik toe aan een bespreking van het voor deze zaak relevante recht.
fair, reasonable and non-discriminatory(FRAND) voorwaarden. Dit staat in art. 6.1 van de IPR Policy (‘Availability of Licences’), waarvan de tekst grotendeels stamt uit 1994 [26] . Hierna citeer ik de huidige tekst van het artikel, met vetgedrukt de tekst die sinds 1994 is toegevoegd [27] . Dit is van belang, omdat de verklaring van Philips stamt uit 1998 (zie rov. 4.165), toen de tekst uit 1994 gold, zie ook de voetnoot bij de vorige zin:
or TECHNICAL SPECIFICATIONis brought to the attention of ETSI, the Director
-Generalof ETSI shall immediately request the owner to give within three months an
irrevocableundertaking in writing that it is prepared to grant irrevocable licences on fair, reasonable and non-discriminatory (“FRAND”) terms and conditions under such IPR to at least the following extent:
Huawei/ZTE, dat de kern vormt van het hierna te schetsen juridisch kader.
nietverboden is. Misbruik daarvan maken is wél verboden. Op een onderneming met een machtspositie rust een bijzondere verantwoordelijkheid om niet door haar gedrag inbreuk op de mededingingsregels te maken [30] . Misbruik in de zin van art. 102 VWEU Pro is een objectief begrip. Het doelt op gedragingen van een onderneming met een machtspositie die invloed kunnen uitoefenen op de structuur van een markt waar, juist door de aanwezigheid van de betrokken onderneming, de mededinging al is verzwakt, en die ertoe kunnen leiden dat de handhaving of de ontwikkeling van de nog bestaande mededinging op de markt wordt tegengegaan met andere middelen dan die welke bij een op ondernemersprestaties berustende normale mededinging met goederen of diensten gebruikelijk zijn [31] . Het is een onderneming met een machtspositie verboden een concurrent uit te schakelen (en dus haar positie te versterken) met behulp van andere middelen dan die berusten op een mededinging op basis van kwaliteit [32] . Art. 102 VWEU Pro geeft voorbeelden van misbruik, maar die zijn enuntiatief [33] . Een analyse van mogelijk misbruik is casuïstisch; een analyse van de context (alle omstandigheden van het concrete geval) is daarbij nodig [34] .
Huawei/ZTE(zie hierna, 3.20 e.v.). In die Nederlandse rechtspraak ging het materieel nauwelijks over de mededingingsrechtelijke kern van de materie, waar in onze zaak nu wel voor het eerst ten gronde aan wordt toegekomen, zodat het volstaat enkele hoofdlijnen te schetsen.
Philips/SK Kassetten [44] uit 2010 die in Nederland (en in het FRAND-debat) wezenlijke invloed heeft gehad. Philips’ gevorderde inbreukverbod op octrooien voor CD-R en DVD+R standaarden werd door SK Kassetten gepareerd met een FRAND-verweer. SK Kassetten betoogde dat zij aanspraak had op een FRAND-licentie (door haar genoemd: ‘kartelrechtelijke dwanglicentie’), hetgeen zou meebrengen dat Philips haar octrooirechten niet meer zou kunnen handhaven jegens haar. De rechtbank overwoog dat de enkele aanspraak op een FRAND-licentie geen vrijbrief is voor octrooi-inbreuk. De volgorde moest volgens de Haagse rechtbank zijn: de SEP-gebruiker moet eerst een licentie verkrijgen en zolang dat nog niet is gelukt, kan de SEP-houder handhaven en is de SEP-gebruiker niet gelicentieerd om de betreffende geoctrooieerde technologie te gebruiken. Gebruik daarvan toestaan alleen op grond van een aanspraak op een FRAND-licentie leidt in de visie van de rechtbank tot rechtsonzekerheid vanwege de vraag of die FRAND-aanspraak wel gegrond is. De volgorde dient, vanaf het moment dat SK Kassetten wist of behoorde te vermoeden dat zij als gebruiker van technologie potentieel inbreuk ging maken, te zijn dat zij aan Philips om een FRAND-licentie moest vragen. Bij weigering door Philips had zij dat dan in rechte kunnen afdwingen, door te vorderen dat Philips haar een licentie verstrekt op de voorwaarden die in de ogen van SK Kassetten FRAND zijn of door een bevel tot dooronderhandelen over zo’n licentie te vorderen. Hier was volgens de rechtbank in beginsel geen sprake van misbruik van machtspositie door Philips doordat zij haar SEPs handhaafde, omdat SK Kassetten wist dat er octrooirechten van Philips op de door haar gebruikte technologie rustten, maar zij desondanks niet eerst zich van een licentie had verzekerd. Onder bijzondere omstandigheden kon dit volgens de rechtbank anders zijn (dus wel misbruik), maar die waren haar in die zaak niet gebleken. De rechtbank gaf er zich in de uitspraak rekenschap van dat haar beslissing (over deze volgorde vooral) afweek van de criteria die door het Bundesgerichtshof in de
Orange Book-uitspraak (2009) zijn ontwikkeld voor de beoordeling van FRAND-verweren. Hierna volgt in 3.21 een samenvatting van deze criteria. De octrooi-inbreukverbodsvordering van Philips werd in
Philips/SK Kassettentoegewezen.
Huawei/ZTEvan het Hof van Justitie
.Een aantal andere zaken is de revue gepasseerd [45] , waarvan ik een overweging uit de zaak
Apple/Samsung [46] citeer ter illustratie dat FRAND ook over de privaatrechtelijke boeg van misbruik van bevoegdheid en precontractuele trouw kan worden benaderd [47] :
Long Term Evolution(LTE)-standaard), ook bekend als 4G, met bereidheid tot het verlenen van FRAND-licenties. Zij voerde vanaf eind 2010 tot begin 2011 gesprekken/onderhandelingen met ZTE over octrooi-inbreuk door ZTE, waarbij door Huawei werd aangegeven welk bedrag volgens haar een redelijke vergoeding vormde en waarbij ZTE kruislicenties verlangde [49] . Het is in die gesprekken niet gekomen tot een aanbod van een licentieovereenkomst. ZTE is doorgegaan met de verkoop van producten die werken op basis van de LTE-standaard, waarop Huawei in april 2011 voor het Landgericht Düsseldorf een inbreukverbod vorderde, openlegging van boeken, een recall en schadevergoeding. LG Düsseldorf [50] stelde prejudiciële vragen aan het HvJ EU, die mede werden ingegeven door de
Orange Bookuitspraak van het Bundesgerichtshof [51] en persberichten van de Commissie over de punten van bezwaar in de
Samsung-zaak [52] .
Philips/SK Kassettenstramien, waar in wezen niet gebruikt mag worden voordat een FRAND-licentie is gesloten, of preciezer geformuleerd: waarbij het entameren van een inbreukprocedure geen misbruik van recht oplevert, zolang er geen FRAND-licentieovereenkomst is gesloten. Volgens
Orange Bookmoet de SEP-gebruiker evenwel een onvoorwaardelijk aanbod tot het sluiten van een FRAND-licentieovereenkomst hebben gedaan, waaraan hij zich gebonden moet achten en is de SEP-houder in wezen verplicht dat aanbod te aanvaarden, wanneer zijn weigering om dat te doen de SEP-gebruiker op onbillijke wijze belemmert of discriminatoir is, met als bijzonderheid dat de SEP-gebruiker zich voorafgaand aan het sluiten van de FRAND-licentie al als zo’n redelijke FRAND-licentienemer moet gedragen, dat wil zeggen: een ‘gebruiksboekhouding’ moet bijhouden en licentievergoedingen conform de te sluiten licentieovereenkomst volgens zijn onherroepelijke aanbod moet betalen. Een SEP-houder maakte in dit Duitse stelsel slechts geen misbruik van zijn machtspositie door toch een inbreukverbod c.a. te vorderen van een SEP-gebruiker, wanneer die SEP-gebruiker zich niet aan deze voorwaarden hield. Het HvJ EU vat deze voorwaarden uit
Orange Bookals volgt samen:
Orange Book-leer.
Orange Booken de Commissie-persberichten tegenover elkaar werden geplaatst:
notification), 2) de SEP-gebruiker moet zich bereid verklaren tot het sluiten van een FRAND-licentieovereenkomst (zich een
willing licenseetonen), waarna 3) de SEP-houder de SEP-gebruiker een FRAND-aanbod moet doen. Wanneer de SEP-gebruiker het SEP-octrooi blijft gebruiken en – heel kort gezegd – niet te goeder trouw onderhandelt conform gangbare handelsgebruiken om tot een FRAND-licentie te komen op basis van dat aanbod en zich bedient van bijvoorbeeld vertragingstactieken, dan vormt het entameren van een inbreukzaak door de SEP-houder geen misbruik van machtspositie. Evenmin is sprake van misbruik van machtspositie door in rechte over het verleden rekening en verantwoording en schadevergoeding te vorderen, aldus het HvJ EU. Het Hof verklaart dit stelsel in deze bewoordingen voor recht:
Huawei/ZTEafgezet tegen de achtergronden van deze rechtspraak. Door een aantal bijzonderheden verschilt deze zaak van de eerdere zaken die aanleiding hebben gegeven tot deze rechtspraak:
een weigering van de SEP-houderom een licentie onder FRAND-voorwaarden te verlenen in beginsel misbruik volgens art. 102 VWEU Pro opleveren (punt 53). Gelet op diezelfde gewekte verwachtingen, kan tegen een inbreukverbod of een recall in beginsel met succes worden aangevoerd dat
een dergelijke weigeringmisbruik oplevert (punt 54). In een situatie waarin partijen het niet eens zijn over wat FRAND-voorwaarden verlangen, moet de SEP-houder een aantal voorwaarden in acht nemen om te voorkomen dat een inbreukverbod of een recall als misbruik wordt bestempeld (punt 55).
géénmisbruik van zijn machtspositie maakt, terwijl de vraagstelling erop zag in welke omstandigheden de SEP-houder
wélmisbruik van zijn machtspositie maakt (punt 44). Zie ook hierna, 3.35(i). In de punten 72-76 behandelt het HvJ EU de vijfde vraag over redres van inbreuk over het verleden.
Motorolaen
Samsung(zie 3.15 e.v.) en de
Orange Book-uitspraak van het Bundesgerichtshof (zie een samenvatting in 3.21).
in elk geval” een schriftelijk aanbod moest doen voor een FRAND-licentieovereenkomst [59] , dus (ook) zonder dat de vermeende inbreukmaker te kennen geeft bereid te zijn onder FRAND-voorwaarden een licentieovereenkomst te sluiten [60] . Ook stelde de A-G voor de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden met voorwaarden die – indien niet vervult – leiden tot misbruik van machtspositie, terwijl het HvJ EU een antwoord formuleert dat aangeeft onder welke voorwaarden – indien wél vervult – geen sprake is van misbruik van machtspositie (zie 3.33 ) [61] .
Motorolaen
Samsung [62] . Er zijn auteurs die menen dat het HvJ EU (in feite) de benadering van de Commissie volgt [63] , maar het tegenovergestelde wordt ook bepleit (en dat lijkt mij juist) [64] . Verder zijn er auteurs die vinden dat het HvJ EU met het arrest een middenweg inslaat [65] , een balans zoekt [66] of een tussenpositie inneemt [67] ten opzichte van de Commissie-leer en het
Orange Book-stelsel. Het is in ieder geval duidelijk dat het HvJ EU van
Orange Bookafwijkt [68] . Körber vraagt zich af of de
Orange Book-uitspraak desondanks nog kan worden toegepast in ‘non-SEP cases’ [69] .
in beginselniet verandert [72] .
Philips/SK Kassetten [74] , waar het primaat voor het verkrijgen van een FRAND-licentie bij de SEP-gebruiker werd gelegd, niet langer geldend recht is [75] .
Huawei/ZTEis een belangwekkend arrest gewezen, maar er resteren nog wezenlijke vragen in dit FRAND-veld [83] . De Commissie heeft post
Huawei/ZTEeen mededeling inzake de EU benadering van essentiële octrooien [84] het licht doen zien, net als nadere rapportages over de FRAND-problematiek [85] .
Huawei/ZTEin de opvolgende nationale rechtspraak is uitgekristalliseerd, overigens een nog voortgaand proces. Ik belicht met name de meest recente ontwikkelingen [87] en vooral de Engelse en Duitse rechtspraak [88] , waar de hoogste rechters zich al eerder dan Uw Raad over dit onderwerp hebben kunnen buigen [89] . In Nederland zijn ná het
Huawei/ZTE-arrest ook enige uitspraken gedaan in de feitenrechtspraak [90] , maar die zijn voor onze zaak grotendeels niet van direct belang te achten [91] .
Huawei/ZTE-arrest is als volgt:
Huawei v ZTEare these:
Huawei v ZTErefers to a licensee expressing a willingness to conclude a licence agreement on FRAND terms, in my judgment they are referring to a willingness which is unqualified. In other words, a willing licensee must be one willing to take a FRAND licence on whatever terms are in fact FRAND. Those terms might be settled by negotiation, by a court or by an arbitrator but to insist on any particular term runs the risk that that term is not FRAND. At best it could only amount to a form of contingent willingness.”
willbe abusing its dominant position. To answer that, due account has to be taken of the particular circumstances of the case, although, of course, it is likely to be valuable to compare what occurred with the pattern set out by the CJEU.
Huawei/ZTEtwee keer gebogen over een zaak waarin FRAND inhoudelijk [97] een rol speelde. Het betreft de zaken
Sisvel/Haier I & IIuit 2020
.
Sisvel/Haier II [101] . Hier ging het om een octrooi van Sisvel dat essentieel was verklaard voor de 3GPP-standaard. Ook hier licht ik de belangrijkste punten eruit:
einenFRAND-Bedingungen genügenden Lizenzvertrag, sondern eine Bandbreite möglicher angemessener Lösungen […] Eine Berücksichtigung etwaiger berechtigter Interessen des Nutzers ist dem Patentinhaber regelmäßig erst mit deren Kenntnis möglich. […]
als solchemnoch kein Missbrauch der marktbeherrschenden Stellung des Patentinhabers ergibt, dieser vielmehr darin liegt, dem Verletzer die Verhandlung und den Abschluss eines in Ansehung der im Verhandlungsprozess artikulierten Interessen interessengerechten FRAND-Lizenzvertrages zu verweigern oder unmöglich zu machen (und statt dessen das Patent oder eines der zu lizenzierenden Patente klageweise durchzusetzen).”
Sisvel/Haierbevatten instemmende verwijzingen naar de uitspraken van de Engelse rechters (UKHC en UKSC) in
Unwired Planet/Huawei. Als ik het goed zie, is de interpretatie van
Huawei/ZTEdoor de Duitse en Engelse hoogste rechters niet
wezenlijkanders. Dat geldt met name voor de betekenis die wordt gegeven aan de stappen die het HvJEU beschrijft. Het komt erop neer dat het ‘stappenplan’ als een richtlijn wordt gezien voor de onderhandelingen tussen een SEP-houder en SEP-gebruiker, die gedurende de onderhandelingen te goeder trouw moeten handelen. Volgens zowel het BGH als het UKHC/UKSC komt tevens betekenis toe aan ontwikkelingen en onderhandelingen
na aanvangvan een inbreukprocedure. Ook dan zal te goeder trouw moeten worden gehandeld. Een
nuanceverschil in de uitwerkingvan dit punt zie ik wel. In Engeland en Wales lijkt de gedachte dat ook nádat een procedure is gestart het schema van het HvJEU, met de daarin gevonden balans, het vertrekpunt blijft [102] . De balans van dit schema wordt door het BGH volgens mij min of meer losgelaten als het gaat om het handelen ná de start van de procedure. Het wordt op dat moment (nog) meer een brede afweging binnen het kader van de goede trouw, waarbij als omstandigheid in ieder geval wordt meegenomen de ‘valse start’ die de SEP-gebruiker maakt door pas ná het entameren van de procedure in actie te komen [103] .
Sisvel/Haier II, lijkt mij, op een aantal punten
Huawei/ZTEzelfstandig nader “ingevuld”. De lagere rechtspraak in Duitsland zit ook bepaald niet stil [104] . Het voert te ver ook die jurisprudentie integraal te bespreken [105] . Ik beperk mij tot de beslissing in de
Nokia/Daimlerzaak van LG Düsseldorf van 26 november 2020, waarin prejudiciële
Huawei/ZTE-follow-up-vragen zijn gesteld aan het HvJ EU [106] .
Huawei/ZTEte vragen. De eerste vraag gaat over de mogelijkheid om ‘fouten’ gemaakt in het in
Huawei/ZTEvoorgeschreven stramien alsnog goed te maken tijdens de procedure. De overige vragen zien – kort gezegd – op de (mate van) bereidheid die de vermeende inbreukmaker moet tonen om een licentieovereenkomst onder FRAND-voorwaarden te sluiten. Deze vragen luiden, in de Nederlandse vertaling beschikbaar op de website van het HvJ EU (curia.europa.eu), als volgt:
Huawei/ZTEnog open lag,bloot gelegd. Het is ook duidelijk dat deze vragen zijdelings aan de orde stellen of de beoordeling in
Sisvel/Haier I & IIspoort met het stelsel dat is uitgedacht in
Huawei/ZTE.Het is dan ook spijtig voor de rechtsontwikkeling dat Nokia en Daimler op 1 juni 2021 bekend hebben gemaakt dat zij een schikking hebben bereikt [108] en dat onderdeel daarvan is dat alle rechtszaken zullen worden beëindigd.
Huawei/ZTEin feite (alleen) een eerste stap is gezet en dat de rechtsontwikkeling verder gaat: hoe het FRAND-proces bij SEPs moet verlopen als er haperingen of nuanceringen optreden in het normaaltype-schema volgens
Huawei/ZTE, is een casuïstische puzzel. Daarbij lijkt mij van belang om voor ogen te houden dat het per saldo een invulexcercitie is voor precontractuele onderhandelingen waar de redelijkheid en billijkheid een grote rol speelt, die nader wordt gecorrigeerd door enerzijds de mogelijkheid voor de SEP-houder van octrooihandhaving door de rechter als het proces ergens spaakt loopt om redenen die op het conto van de SEP-gebruiker zijn te schrijven en het risico dat daarmee door de SEP-houder mededingingsrechtelijk misbruik wordt gemaakt van zijn machtspositie als het redelijkheidsevenwicht aan zijn kant uit balans schiet anderzijds. Dat zich daarin een scala aan varianten kan voordoen, laten de Engelse en Duitse rechtsontwikkeling zien, maar dat volgt ook uit onze zaak.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
acte éclairé) of de juiste toepassing van het EU-recht zo evident is dat redelijkerwijs geen ruimte voor twijfel kan bestaan (
acte claire) [125] .
Huawei/ZTEen het daarin geformuleerde stappenplan heeft het HvJ EU invulling gegeven aan art. 102 VWEU Pro. Die invulling heeft betrekking op de vraag of de SEP-houder de verbodsvordering gerechtvaardigd heeft ingesteld. Het arrest gaat niet (uitdrukkelijk) in op eventuele verplichtingen na aanvang van de inbreukprocedure (zoals een verplichting om te goeder trouw verder te onderhandelen).
willing licenseetoont. Het lijkt mij plausibel dat de lat voor de SEP-gebruiker hierbij hoger ligt dan vóór aanvang van de procedure. Anders zou de SEP-gebruiker geen belang hebben bij het vrijwillig volgen van het stappenplan (vgl. rov. 4.180). In deze richting wijst ook het BGH-arrest
Sisvel/Haier II. Dit is echter een openliggende kwestie, zoals volgt uit de prejudiciële vragen uit Düsseldorf, die vanwege de in die zaak bereikte schikking naar zich laat aanzien niet beantwoord zullen worden.
subonderdeel 1.1betoogt Wiko dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, voor zover het tot uitdrukking heeft gebracht dat twee verschillende maatstaven zijn gehanteerd, althans dat het
Huawei/ZTE-arrest enerzijds en misbruik van machtspositie (art. 102 VWEU Pro) anderzijds te onderscheiden criteria zijn. In dat geval zou het hof miskend hebben dat het
Huawei/ZTE-arrest een uitleg van art. 102 VWEU Pro is, maar geen zelfstandig of uitputtend toetsingscriterium vormt. Het subonderdeel bestrijdt dus de maatstaf in rov. 4.167 tot en met 4.181 en in rov. 4.182 tot en met 4.204.
Huawei/ZTEeen uitleg is van art. 102 VWEU Pro. Het hof citeert in rov. 4.167 het dictum van dat arrest. Dit citaat vangt aan met de zinsnede: “
Artikel 102 VWEU Pro moet aldus worden uitgelegd dat […]” Daarnaast moet rov. 4.167 e.v. worden gelezen in samenhang met rov. 4.166 [126] , waarin het hof heeft verwezen naar een aantal beschikkingen van de Commissie over de vraag of het handhaven van een SEP mededingingsbeperkend is [127] . Het hof heeft er volgens mij ook niet aan voorbij gezien dat het criterium van
Huawei/ZTEgeen uitputtend karakter heeft. In het arrest wordt namelijk onder meer overwogen dat het HvJ EU met het in
Huawei/ZTEgegeven stappenplan niet heeft beoogd strikte regels te stellen ongeacht de verdere omstandigheden van het geval (rov. 4.173). Het hof kon de concrete omstandigheden van het geval alleen meewegen wanneer daarop een beroep is gedaan. Het subonderdeel verwijst niet naar stellingen over nadere omstandigheden die het hof in zijn beoordeling had moeten betrekken.
Huawei/ZTE. In dat licht kan Wiko, ongeacht het antwoord op de in 4.10-4.11 gesignaleerde vraag, niet met succes klagen dat het oordeel berust op het hanteren van een te strenge maatstaf jegens haar. Het is volgens mij daarom niet nodig een prejudiciële vraag te stellen.
subonderdeel 1.2stelt Wiko dat rov. 4.167 tot en met 4.181 en rov. 4.182 tot en met 4.204 onbegrijpelijk zijn. De overwegingen in rov. 4.168 tot en met 4.181 zijn woordelijk grotendeels gelijk aan een deel van het arrest van het hof in de zaak
Philips/Asusvan 7 mei 2019 [128] . In die zaak volgt dan de conclusie (kort gezegd: geen misbruik naar omstandigheden ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding), en niet ook nog de overwegingen van rov. 4.182 tot en met 4.204. Het is volgens Wiko onduidelijk hoe deze laatste overwegingen, waarin het hof de omstandigheden ná de inleidende dagvaarding beoordeelt, “
zich tot dit oordeel verhouden; en bijgevolg van welke rechtsopvatting het hof is uitgegaan.”
Philips/Asus, dan strandt deze alleen al omdat de klacht niet voldoet aan de vereisten van bepaaldheid en precisie [129] . Het is niet helder waaromtrent een beslissing van Uw Raad wordt gevraagd en waartegen Philips zich moet verweren [130] . Het enkele feit dat overwegingen in het ene arrest wel en het andere arrest niet voorkomen, is een volstrekt onvoldoende onderbouwing van de klacht. Bovendien komt het mij, na bestudering van de hofuitspraak in de door Wiko genoemde Asus-zaak, voor dat de door Wiko genoemde overwegingen in die uitspraak wel eens eenvoudigweg zouden kunnen ontbreken door een gebrek aan daartoe aanleiding gevende stellingen van Asus (vgl. art. 24 Rv Pro; overigens merk ik op dat het tegenaanbod van Asus na aanvang van de procedure in rov. 4.185 van het genoemde arrest wordt besproken).
het instellen vande vorderingen door Philips machtsmisbruik oplevert in het licht van de feiten en omstandigheden van vóór de dagvaarding in eerste aanleg. Vervolgens staat het gedrag van Philips centraal in het licht van de feiten en omstandigheden van (voornamelijk)
ná de start van de procedure. Deze (chronologische) opzet van het bestreden arrest is, mede gezien de vragen die in het
Huawei/ZTE-arrest wel en niet werden gesteld en beantwoord, in mijn ogen niet onbegrijpelijk.
subonderdeel 2.0stelt Wiko dat het oordeel van het hof rechtens onjuist of onbegrijpelijk is, indien en voor zover de vermelde overwegingen zelfstandig dragend zijn voor het oordeel dat niet is komen vast te staan dat Philips misbruik van machtspositie maakt en dat de tegen de handhaving gerichte verweren worden afgewezen (rov. 4.204 en rov. 4.209).
zelfstandigdragend voor de conclusie van het hof dat geen sprake is van misbruik van machtspositie door Philips. In dit deel van het arrest wordt geoordeeld over mogelijk misbruik door het instellen van vorderingen door SEP-houder Philips. Daarmee is het dragend, maar in onze zaak niet op zichzelf toereikend voor de verwerping van het misbruikverweer. Om tot de conclusie in rov. 4.204 en 4.209te komen, zijn daarnaast rov. 4.182 tot en met 4.203 nodig. Daar bespreekt het hof het misbruikverweer van Wiko dat zich concentreert op gedragingen en omstandigheden van ná de start van de procedure. Dat verweer slaagt niet, omdat Wiko haar stellingen volgens het hof onvoldoende heeft onderbouwd (zie m.n. rov. 4.184). Slechts tezamen kunnen de overwegingen 4.167 tot en met 4.203 de conclusie over het beweerdelijke misbruik van machtspositie dragen.
subonderdeel 2.1klaagt Wiko dat het hof slechts heeft beoordeeld of Philips ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding door het instellen van vorderingen misbruik van machtspositie maakte. Deze klacht is gebaseerd op een te beperkte lezing van het bestreden arrest (namelijk: beperkt tot rov. 4.167 tot en met 4.181) en ketst daarop af. Het hof betrekt in rov. 4.182 tot en met 4.203 ook stellingen van Wiko die zien op feiten en omstandigheden van ná het uitbrengen van de dagvaarding. Aan de beantwoording van de vraag of deze stellingen het oordeel misbruik van machtspositie (en daarmee afwijzing van de verbods- en recallvorderingen van Philips) zouden kunnen dragen, komt het hof echter niet toe omdat Wiko haar stellingen daaromtrent naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft onderbouwd.
subonderdeel 2.2kan (alleen al) gelet op deze te beperkte lezing van het arrest niet slagen. Anders dan de klacht veronderstelt, gaat het hof niet uit van de rechtsopvatting dat de verbods- en recallvorderingen van Philips alleen kunnen worden afgewezen op basis van misbruik van machtspositie door Philips van vóór de start van de procedure. Sterker nog, het hof laat expliciet in het midden of het verweer van Wiko (o.a. misbruik machtspositie, zie rov. 4.183) op basis van feiten en omstandigheden van ná het aanhangig maken van de procedure zou kunnen leiden tot afwijzing van de verbods- en recallvorderingen (rov. 4.184) en gaat daar vervolgens veronderstellenderwijs van uit bij zijn oordeel dat Wiko daarover onvoldoende (onderbouwd) heeft gesteld:
subonderdeel 2.3richt Wiko zich tegen rov. 4.181 [133] waarin het hof – naar de lezing van Wiko – oordeelt dat een SEP-gebruiker zich slechts op misbruik van machtspositie door de SEP-houder kan beroepen, indien hij aan het ‘stappenplan’ van
Huawei/ZTEvoldoet. Dat oordeel getuigt volgens Wiko van een onjuiste rechtsopvatting als het zo moet worden opgevat dat:
ten aanzien van het instellen van de vorderingen door Philipseen beroep toekomt op misbruik van machtspositie, ondanks de vaststelling dat Wiko niet aan haar verplichtingen had voldaan zoals geformuleerd in
Huawei/ZTE. Het hof oordeelt daarmee geenszins dat Philips geen misbruik van machtspositie zou kunnen maken als Wiko ‘op enig moment’ niet aan haar verplichtingen voldoet, maar slechts dat Philips door en ten tijde van het instellen van de verbods- en recallvorderingen geen misbruik van machtspositie maakte. Het hof overweegt of impliceert verder niet dat Philips daarmee van al haar FRAND-verplichtingen gekweten zou zijn. Zou dat wel zo zijn, dan zou het hof immers rov. 4.182 tot en met 4.203 achterwege kunnen laten. In die overwegingen bespreekt het hof namelijk het verweer van Wiko dat Philips zich ná en los van het instellen van de vordering – kort gezegd – niet naar ‘FRAND-maatstaven’ zou hebben gedragen.
subonderdeel 2.4– naar ik begrijp over rov. 4.181 – dat voor zover het hof met zijn oordeel tot uitdrukking heeft willen brengen dat de SEP-gebruiker (d.w.z. de vermeende inbreukmaker) het recht heeft verwerkt zich op misbruik van machtspositie te beroepen indien hij niet aan het stappenplan heeft voldaan, het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Ook deze klacht gaat uit van een verkeerde lezing van het arrest. Ik kan op geen enkele manier in het arrest lezen dat het hof heeft geoordeeld dat Wiko rechten zou hebben verwerkt. De klacht ketst hierop af.
subonderdeel 4.1klaagt Wiko dat het hof, door in rov. 4.174 te overwegen dat Wiko niet heeft bestreden dat Philips aan haar notificatieplicht voldeed, miskent dat de stelplicht ten aanzien van het voldoen aan de notificatieplicht op Philips rust.
verbodsvorderingen na afloop van dit pleidooi.”
Huawei/ZTE(en Wiko niet), zodat het Philips vrijstond een verbodsactie in te stellen zonder daarbij misbruik van machtspositie te maken. Het hof vindt dat Wiko hier vervolgens onvoldoende tegenover heeft gesteld, door te wijzen op de hiervoor geciteerde passage uit het pleidooi. Met deze passage uit de pleitnota geeft Wiko aan geen verdere motivering te geven voor haar stelling dat Philips de stappen uit het
Huawei/ZTE-arrest niet had gevolgd voordat de procedure werd gestart. Daarmee heeft Wiko niet aan haar stelplicht (en de daarmee samenvallende motiveringsplicht [136] ) voldaan in de ogen van het hof. Op basis hiervan heeft het hof het verweer van Wiko (‘het instellen van de verbodsvordering is misbruik’) afgewezen. Dat Wiko geen erkentenis in rechte zou hebben gedaan (vgl. art. 154 Rv Pro), doet aan dit oordeel van het hof niet af. De klacht slaagt zodoende niet, omdat de bestreden overwegingen niet onbegrijpelijk zijn.
subonderdeel 5.1klaagt Wiko dat het hof heeft miskend dat de SEP-houder verplicht is een licentie op FRAND-voorwaarden te verlenen, wil hij geen misbruik van machtspositie maken. Wiko wijst ter onderbouwing op punt 53 van het
Huawei/ZTE-arrest (dat overigens gaat over het
weigerendoor een SEP-houder om een licentie te verstrekken, zoals we hiervoor hebben gezien in 3.29). De bewijslast van het doen van een licentieaanbod onder FRAND-voorwaarden zou daarom op de SEP-houder rusten, althans zou daarom op de SEP-houder een ‘verzwaarde stelplicht’ rusten. In ieder geval moet de SEP-houder voldoende onderbouwen dat zijn licentieaanbod FRAND is, want het gaat daarbij om feiten en omstandigheden die in zijn domein liggen. De SEP-gebruiker (de vermeende inbreukmaker) is hiertoe niet in staat, aldus Wiko. Met deze klacht keert Wiko zich tegen de volgende overwegingen van het hof:
ANVR/IATAuitgelaten over onder meer de stelplicht en bewijslast in geval van een vermeende overtreding van art. 102 VWEU Pro:
Algemene vooropstellingen mededingingsrecht
Huawei/ZTEheeft het HvJ EU uiteengezet wanneer
géénsprake is van misbruik van machtpositie door een SEP-houder door het instellen van een verbods- of recallvordering. Opvallend is daarbij dat het HvJ EU in punt 60 – alleen en specifiek – voor het vereiste van het voldoen aan de notificatieplicht door de SEP-houder (alvorens een vordering in te stellen) een absolute formulering gebruikt [144] :
in het kader van haar betwistingdaarvan in ieder geval (gemotiveerd) zal moeten stellen dat aan de notificatieplicht is voldaan. Anders dan Wiko meent (s.t. 79) [146] , levert dit geen bevrijdend verweer van de zijde van Philips op [147] . Philips betwist namelijk dat sprake is van misbruik in de zin van art. 102 VWEU Pro omdat aan de notificatieplicht is voldaan (en Wiko vervolgens niet heeft gereageerd), en daarmee de feiten die Wiko stelt voor het door haar ingeroepen rechtsgevolg. Dat is een ‘nee, want’-verweer van Philips. Bij Philips rust dan ook niet de stelplicht voor de notificatie, maar Philips zal het misbruik voldoende moeten betwisten door (onder meer) te stellen dat zij aan haar notificatieplicht heeft voldaan. Wat als ‘voldoende betwisting’ moet worden beschouwd, hangt af van de omstandigheden van het geval [148] . Het hof heeft kennelijk voldoende geacht het in rov. 2.28 vaststaand feit, namelijk verzending van een brief door Philips. Daarbij moet nog worden bedacht dat een gemotiveerde betwisting kán meebrengen dat de wederpartij – in het kader van de stelplicht – een nadere onderbouwing moet geven [149] . Bij de vraag of het aanbod van de SEP-houder aan de FRAND-voorwaarden voldoet, geldt volgens mij dezelfde bewijslastverdeling als bij de notificatieplicht: de stellingen van de SEP-houder in dat kader zijn een betwisting en geen zelfstandig verweer.
ten overvloedetoe in rov. 4.196(zie citaat in 4.37, vanaf de derde zin). Deze overweging is niet noodzakelijk om tot het gegeven oordeel te komen, zodat het eventueel sneuvelen van die overweging geen effect heeft op de uitkomst van de procedure [153] . Ook als dit echter geen overweging ten overvloede zou zijn, kan de klacht niet slagen omdat het hof (ook op dit punt) oordeelt dat Wiko haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd in het licht van de informatie die zij wel had, zodat geen aanleiding bestond om
in dit gevaleen ‘verzwaarde stelplicht’ aan te nemen [154] . Anders gezegd: Het hof is op basis van de concrete feiten en omstandigheden van deze zaak tot het oordeel gekomen dat er geen aanleiding is voor het aannemen van een verzwaarde stelplicht voor Philips. Naar de vaststelling van het hof heeft Wiko wel licentie-overeenkomsten gesloten voor UMTS (3G) en LTE (4G) portefeuilles met Qualcomm, Huawei en Nokia en had zij haar standpunt kunnen onderbouwen door inzicht te verschaffen in de met deze partijen overeengekomen vergoedingen en bedingen (rov. 4.196). Dat oordeel is feitelijk en maakt volgens mij voldoende inzichtelijk waarom het hof het betoog over een verzwaarde stelplicht heeft verworpen.
subonderdelen 5.2 tot en met 5.3keert Wiko zich met een rechts- en motiveringsklachten tegen rov. 4.193-4.194.
voor zoverin het oordeel van het hof besloten ligt dat andere licentienemers een andere positie zouden hebben, het oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof daaromtrent niets vaststelt. Het hof doet in de hier aangevallen rov. 4.193 en rov. 4.194 geen (impliciete) uitspraak over het al dan niet gelijk zijn van de positie van Wiko en andere licentienemers, zodat ook deze klacht in mijn ogen niet opgaat.
subonderdeel 5.4heeft Wiko zich op het standpunt gesteld dat zij niet heeft kunnen aantonen dat Philips' licentieaanbod
Non-Discriminatoryis omdat zij niet beschikt over de andere door Philips gesloten licenties. Geklaagd wordt dat de verwerping van dit standpunt onbegrijpelijk is voor zover die erop berust dat Wiko geen inzicht heeft gegeven in de door haar met andere SEP-houders gesloten licenties. De inhoud van de door Wiko met andere SEP-houders gesloten licenties raakt volgens de klacht namelijk niet aan de vraag of Philips' licentieaanbod
Non-Discriminatoryis. Hetzelfde geldt volgens het subonderdeel voor de overweging dat Wiko geen tegenrapport heeft ingediend: bij gebrek aan toegang tot de door Philips met andere SEP-gebruikers gesloten licentie-overeenkomsten, is Wiko niet in staat een rapport te laten opstellen dat aantoont dat Philips' aanbod niet
Non-Discriminatoryis.
Non-Discriminatory”) is. Naar het oordeel van het hof in rov. 4.192-4.194 heeft Wiko geen feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zelfs maar een vermoeden van discriminatie kan worden afgeleid. Dat het hof een toelichting van Wiko op haar stelling verlangt, acht ik in de gegeven omstandigheden niet onbegrijpelijk. Wiko heeft licentie-overeenkomsten voor UMTS (3G)- en LTE (4G)-portefeuilles gesloten met Qualcomm, Huawei en Nokia. Het is Wiko dus bekend welke voorwaarden die partijen hanteren. Aan de hand daarvan had Wiko kunnen substantiëren waarom zij meent dat het aanbod van Philips niet voldoet aan de FRAND-voorwaarden. In dat licht is niet onbegrijpelijk dat Wiko volgens het hof (een vermoeden van) de door haar gestelde niet-FRAND-heid van Philips’ aanbod kon onderbouwen door (bijvoorbeeld) inzicht te verschaffen in de met Qualcomm, Huawei en Nokia afgesproken vergoedingen en bedingen (rov. 4.196).
Bayer/Sandoz [161] ,
Resolution/AstraZeneca [162] ,
Tata Steel/ArcelorMittal [163] en
Fresenius Kabi/Eli Lilly [164] ). Ik kan daarbij voor deze zaak weglaten de aspecten van beschermingsomvang in het equivalentiebereik en de rol die het verleningsdossier hier kan spelen, omdat deze aspecten in onze zaak niet aan de orde zijn.
Bayer/Sandoz [165] heeft Uw Raad in rov. 3.3.5 een overzicht gegeven van de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 69 EOV Pro en het Protocol en daar is vervolgens naar verwezen in de latere arresten
MSD/Teva [166] en
Resolution/AstraZeneca [167] .
Bayer/Sandozgeformuleerde, als vaste rechtspraak te beschouwen, uitlegregel en de duiding daarvan door Uw Raad luidt zo (voor zover voor onze zaak van belang):
Medinol/Abbott [168] . Dit toetsingskader is in cassatie op zichzelf ook niet bestreden.
subonderdeel 6.1.1klaagt Wiko dat het hof weliswaar de rechtspraak van Uw Raad citeert, maar vervolgens niet de uitvindingsgedachte als gezichtspunt hanteert. Het hof zou de beschermingsomvang gelijk hebben gesteld aan de uitvindingsgedachte. Deze klacht gaat niet op. Het hof past de geschetste Protocollaire uitleg met daarin de gezichtspuntenleer niet onjuist toe door de volgende stappen te nemen.
[…] het signaal wordt overgedragen afhankelijk van zijn type en afhankelijk van een aanduiding van het vermogensniveau waarbij elk signaal wordt overgedragen, waarbij de aanduiding van het primaire station naar het secundaire station wordt overgeseind.” De letterlijke tekst van de conclusie wordt hiermee voorop gesteld.
afzonderlijkworden aangepast,
onafhankelijkvan het zendvermogen van een ander signaal, zodat de foutkansen per type signaal voor de omstandigheden van het geval optimaal zijn in te stellen op basis van een door het basisstation overgeseinde indicatie. Daarmee is de beschermingsomvang nog niet vastgesteld, maar wel is een gezichtspunt geformuleerd dat bij de bepaling daarvan belangrijk is.
Gelet op al het voorgaande”, dus inclusief de gededuceerde uitvindingsgedachte (rov. 4.3-4.8) en de bespreking van de standpunten van Wiko (rov. 4.9 tot en met 4.16).
AGA/Occlutechvolgt dat de vraag of bepaalde gezichtspunten in de beoordeling van de beschermingsomvang moeten worden betrokken, afhangt van factoren als de aard van het octrooi, de beschrijving van de uitvinding en het partijdebat [172] . Het is volgens deze uitspraak expliciet niet zo dat uit de octrooirechtspraak van Uw Raad zou volgen dat alle gezichtspunten genoemd in
Ciba Geigy/Oté Optics [173] in ieder geval afzonderlijk in aanmerking moeten worden genomen. Daar ketst deze klacht al op af.
subonderdeel 6.1.2richt Wiko een rechts- en motiveringsklacht tegen rov. 4.10 waarin het hof verwijst naar Shad en Shad Derryberry (in rov. 2.26 genoemde documenten die tot de stand van de techniek behoorden op de prioriteitsdatum van het octrooi). Volgens Wiko is onjuist of onbegrijpelijk dat de uitvindingsgedachte met verwijzing naar deze documenten wordt vastgesteld. Gesteld noch gebleken is immers dat deze documenten behoorden tot de algemene vakkennis die het perspectief vormt van de vakman die de conclusies van het octrooi leest.
eerste plaatsziet rov. 4.10 niet op de uitvindingsgedachte. Het hof heeft de uitvindingsgedachte in rov. 4.3 tot en met 4.8 vastgesteld (zie hiervoor, 4.61 tweede en derde streepje) en verwijst daarbij niet naar Shad of Shad Derryberry.
tweede plaatsvolgt uit rov. 4.10 volgens mij niet (zonder meer) dat het hof EP 525 heeft uitgelegd in het licht van Shad en Shad Derryberry. Volgens mij reageert het hof in rov. 4.10 op het (in rov. 4.2 genoemde) betoog van Wiko dat de conclusies van EP 525 ook uitvoeringsvormen dekken waarin het door Philips gestelde inzicht niet wordt toegepast, waartoe Wiko onder meer verwijst naar Shad. Het hof onderzoekt in dat kader op welke wijze de vakman Shad zal begrijpen. Daarna concludeert het hof dat hetgeen in Shad is geopenbaard, bezien door de bril van de vakman, niet overeenstemt met het inzicht waar EP 525 op berust. Eenzelfde gedachtegang volgt het hof voor Shad Derryberry. Het hof verwerpt langs die lijnen – en dus zonder EP 525 in het licht van Shad en/of Shad Derryberry uit te leggen – het argument van Wiko dat de conclusies van EP 525 ook uitvoeringsvormen dekken waarin het aan EP 525 ten grondslag liggende inzicht niet wordt toegepast.
Medinol/Abbott [179] in het kader van de uitleg van een octrooi dat “het perspectief van de gemiddelde vakman met zijn kennis van de stand van de techniek” richtinggevend wordt geacht. Die toets wijkt ogenschijnlijk af van de eerder door Uw Raad gebruikte formulering in een arrest uit 2009 [180] , waarin de vakkennis van de gemiddelde vakman maatgevend wordt geacht. Ik denk dat deze formuleringen te verenigen zijn en dat bij de uitleg van een octrooi ervan moet worden uitgegaan dat het octrooischrift wordt gelezen door de octrooirechtelijke maatman (de gemiddelde vakman), die bij die lezing zijn algemene vakkennis meebrengt (en dus leest ‘als vakman’) [181] . Anders dan bij de beoordeling van de geldigheid van het octrooi, gaat het hier dus niet om de gehele stand van de techniek, maar zo men wil de algemene stand van de techniek. Wiko lijkt mij heeft in zoverre hier dus het gelijk aan haar zijde te hebben, maar dit kan haar om de hiervoor in 4.65-4.66 genoemde redenen in deze zaak verder niet baten.
subonderdelen 7.1 tot en met 7.4komt Wiko met klachten op tegen het oordeel van het hof – in rov. 4.28 tot en met 4.37, 4.40-4.41, 4.43 en 4.46 – dat de handboeken die Wiko aan haar nietigheidsverweer ten grondslag heeft gelegd niet de toepassing van ongelijke energieniveaus voor de onderscheiden signaaltypes openbaren. Met dit oordeel zou het hof buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden.
subonderdeel 7.5dat door het slagen van deze klachten rov. 4.48 tot en met 4.52 en 4.92 (en daarmee het gehele geldigheidsoordeel van het hof) onderuit zouden gaan. Mocht dat niet kloppen, dan heeft Wiko geen belang bij de klachten in subonderdelen 7.1 tot en met 7.4 en behoeven die geen nadere bespreking.
de toepassing van ongelijke energiewaarden van ACK- en NACK-signalen om daarmee de foutkansen te beïnvloeden.” (rov. 4.48
in fine);
In het bijzonder ontbreekt (een aanwijzing voor) het inzicht dat voor het vaststellen van de foutkansen van de verschillende signaaltypen de energiewaarden […] zouden kunnen worden gebruikt door deze onafhankelijk van elkaar in te stellen” én dat niet valt in te zien dat de gemiddelde vakman ertoe zou komen de “
efficiëntie van het transmissiesysteem voor het zenden van datapakketten te verbeteren door afzonderlijk instelbare energiewaarden toe te passen voor ACK- en NACK-signalen.” (rov. 4.50); én
onafhankelijk van elkaar ter beïnvloeding van de foutkansen van die signalen, een zelfstandige grond voor de nieuwheid en inventiviteit van het octrooi vormt. Het oordeel van het hof blijft daarmee – zelfs bij het slagen van de klachten van Wiko – in stand. Daarmee ontbreekt, zoals Philips terecht betoogt (s.t. 67), belang in cassatie bij subonderdelen 7.1 tot en met 7.4 en daarmee valt ook het doek voor de louter voortbouwende klacht van subonderdeel 7.5.
s0(t)overeenkomt met
–s1(t)en dat deze met gelijk vermogen worden verzonden.”
is fixed. Thus, from (8.80), the optimum system is obtained when the correlation coefficient p = —1. In this case, s
1(t)) = —s
(t), and we say that the signals are antipodal. If, in addition, the signal energies are equal, Ɛ
o= Ɛ
1= Ɛ , the likelihood ratio test is
1
T(m
1- m
) > 0 --------- (8.84)
If, in addition, the signal energies are equal’ zou volgen dat toepassing van gelijke energieën een uitzonderingssituatie zou zijn en uitgangspunt van Barkat is dat de signalen met verschillende vermogens worden verzonden, heeft zij niet voldoende steekhoudend onderbouwd. Zij stelt immers ook zelf dat in de op de prioriteitsdatum gepubliceerde mobiele telecommunicatie standaarden BPSK-modulatie gebruikelijk was en de antipodale ACK- en NACK-signalen juist met gelijk vermogen werden verzonden. Aldus ligt veeleer in de rede dat de woorden ‘
in addition’ door de gemiddelde vakman zullen worden begrepen als gevolg van het gebruik van antipodale signalen, en niet (a contrario redenerend) als tegenstelling.”
subonderdeel 7.6houdt in dat rov. 4.74 onbegrijpelijk is, omdat deze overweging tegenstrijdig zou zijn met rov. 4.13-4.14. De bestreden overweging dient te worden gelezen tegen de achtergrond van de voorafgaande overwegingen. Daarin staat dat de EV-DO standaard (een mobiel telecommunicatiesysteem):
AckChannelGain(rov. 4.72); en
per signaaltype afzonderlijkhet zendvermogen kan worden ingesteld (onafhankelijk van het zendvermogen van het andere type signaal). Dit in tegenstelling tot de EV-DO standaard waar aan de hand van de indicatie van het basisstation het vermogen van het kanaal waarover de signalen worden verzonden, wordt verhoogd of verlaagd
ongeacht het signaaltype. In rov. 4.14 bespreekt het hof dat een
enkeleoffsetwaarde verzonden door een basisstation een
aparteindicatie kan inhouden voor elk signaaltype, omdat het zendvermogen van het ene signaaltype (bijvoorbeeld een ACK-signaal) dan kan worden bepaald relatief aan dat van het andere signaaltype (bijvoorbeeld een NACK-signaal). Ook hier blijft de tegenstelling tot de EV-DO standaard overeind, omdat bij die standaard aan de hand van een indicatie niet per signaaltype het vermogen afzonderlijk wordt bepaald.
problem solution approach(PSA). Het hof gaat daarbij uit van de EV-DO standaard als de meest nabije stand van de techniek (rov. 4.71), formuleert verschilmaatregelen (4.72-4.73), formuleert het objectieve probleem dat moet worden opgelost (4.76) en kijkt als laatste stap of – in aanmerking nemende de stand van de techniek – de vakman op een voor de hand liggende wijze op de in de conclusies omschreven oplossing zou zijn gekomen. Deze laatste stap begint in rov. 4.80, waarin voor zover relevant is overwogen:
subonderdeel 7.7.1dat het hof buiten de rechtsstrijd van partijen is getreden door
implementatieproblemen ten grondslag te leggen aan het oordeel in rov. 4.81, omdat partijen deze problemen niet naar voren zouden hebben gebracht. Met Philips (s.t. 87) meen ik dat rov. 4.81 een vervolg is op de laatste stap in de PSA en dit bouwt voort op hetgeen daarover al in rov. 4.80 is overwogen, het is nog steeds dezelfde laatste stap in de PSA-toets. De door het hof in rov. 4.81 besproken stellingen zijn wel gewoon deel van inventiviteitsdebat geweest. Philips wijst bij s.t. 89 terecht op MvG 226 met een citaat uit een als productie overgelegde verklaring. Zie ook de pleitnota Wiko (eerste aanleg) 52-54 en de pleitnota Philips (eerste aanleg) 97-99. De klacht kan dan ook niet slagen.
subonderdeel 7.7.2is dat rov. 4.81 (over inventiviteit) tegenstrijdig zou zijn met het oordeel in rov. 4.138 en 4.139 (over toegevoegde materie, een hele andere toets):
subonderdeel 7.7.3betoogt Wiko dat rov. 4.81 onbegrijpelijk zou zijn als dragende overweging voor rov. 4.52, waarin het hof het argument van Wiko verwerpt dat inventiviteit ontbreekt in het licht van de algemene vakkennis. Rov. 4.81 richt zich immers alleen op de AckChannelGain, dat uitsluitend in de EV-DO standaard voorkomt en niet in TS.308, waarvan Wiko (ook) heeft aangevoerd dat het algemene vakkennis betreft.
power control bit’ […],
AckChannelGain[…] en/of
power offset[…] zou meelezen […]. Deze indicaties gelden immers voor het zendvermogen van het kanaal waarover, respectievelijk voor het zendvermogen van,
allesignalen die over het desbetreffende kanaal worden verzonden. Deze indicaties beïnvloeden dus gelijkelijk het zendvermogen waarmee zowel ACK- als NACK-signalen worden verzonden. Aanpassing van het zendvermogen van een van beide signalen of toepassing van verschillende zendvermogens naar gelang het type signaal (waardoor de foutkansen kunnen worden beïnvloed) is daarbij niet mogelijk. […]”
subonderdeel 7.8richt Wiko zich tegen rov. 4.94, waarin het hof ter verdere onderbouwing van zijn oordeel verwijst naar rov. 4.49 (in 4.94gedeeltelijk geciteerd). In rov. 4.94 overweegt het hof:
(d) TR 25.855 in combinatie met algemene vakkennis, Shad of Shad Derryberry
Doerga/Ymere-arrest over art. 6:104 BW Pro, waarin onder meer is uitgemaakt [192] :
sui generiswinstafdracht bedoeld in art. 70 lid 5 ROW Pro 1995 dat voor zover relevant als volgt bepaalt [195] :
naastschadevergoeding [197] . Dit is in lijn met het daarvóór in 1989 ingevoerde art. 27a van de Auteurswet [198] . Uw Raad heeft laatstgenoemde bepaling als volgt uitgelegd in
Danestyle [199] :