Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
[…] / Wilton Feijenoord [14] ,waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat voor de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro een subjectief bekendheidscriterium geldt:
[…] / Wilton Feijenoordkomen in vele nadien gewezen arresten van de Hoge Raad als vooropstelling terug. [18]
[…] /VU. [19] Daarin heeft de Hoge Raad, in een uitwerking van zijn eerdere rechtspraak, [20] geoordeeld dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen:
NJ2002, 383; vgl. ook HR 20 april 2001, nr. C99/293,
NJ2002, 384), zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat (HR 24 januari 2003, nr. C02/011,
NJ2003, 300). Voorts heeft de Hoge Raad beslist dat, indien de benadeelde zijn vordering niet kan instellen door omstandigheden die aan de schuldenaar moeten worden toegerekend, het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de schuldenaar zich erop zou vermogen te beroepen dat de vijfjarige verjaring is begonnen te lopen op het zojuist bedoelde tijdstip. De korte verjaringstermijn gaat dan pas in wanneer die omstandigheden niet langer verhinderen dat de vordering kan worden ingesteld (… [21] ). Tegen de achtergrond van voormelde rechtspraak en in het licht van de mede naar aanleiding van deze arresten verschenen literatuur komt de Hoge Raad thans tot het oordeel dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro, gelet op de strekking van deze bepaling, pas begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van deze schade in te stellen.”
[…]-arrest [23] op dat de Hoge Raad met betrekking tot de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro de billijkheid tot regel heeft verheven, hetgeen vooral berust op de ratio van de korte verjaringstermijn. Over deze ratio merkt hij het volgende op:
WPNR6572, p. 254).”
[…] / […] [24] overwogen dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn niet is vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van dat tekortschietend of foutief handelen. Voldoende is dat de benadeelde bekend is geworden met schade die hij heeft geleden of lijdt als gevolg daarvan. Die bekendheid stelt de benadeelde immers daadwerkelijk in staat om tegen de aansprakelijke persoon een vordering tot schadevergoeding in te stellen. De verjaringstermijn die vervolgens op de voet van art. 3:310 lid 1 BW Pro begint te lopen geldt mede voor de vordering tot vergoeding van schade waarvan de benadeelde kon verwachten dat hij die als gevolg van datzelfde tekortschietend of foutief handelen van de aansprakelijke persoon zou kunnen gaan lijden.
X/Betonmortelfabriek [30] een (zekere mate van) onderzoeksplicht aangenomen voor degene die zich op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke persoon beroept. De Hoge Raad overwoog dat degene die de identiteit van de aansprakelijke persoon met een beperkt onderzoek eenvoudig had kunnen achterhalen, maar heeft nagelaten een dergelijk onderzoek in te stellen, zich ter afwering van een beroep op verjaring niet kan beroepen op subjectieve onbekendheid met de aansprakelijke persoon. Indien die identiteit gemakkelijk kan worden vastgesteld, mag van de benadeelde in beginsel worden verlangd dat hij zich enigermate inspant om erachter te komen wie voor de schade aansprakelijk is. Volgens de Hoge Raad verdraagt het zich niet met de rechtszekerheid en de billijkheid, die het instituut van de verjaring mede beoogt te dienen, dat de benadeelde door het nalaten van een redelijkerwijs van hem te verlangen, eenvoudig uit te voeren onderzoek naar de identiteit van de aansprakelijke persoon, zou kunnen voorkomen dat de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro een aanvang neemt.
[…] /mr. X. [31] Daarin had Hartkamp zich aangesloten bij het standpunt van de meeste auteurs dat het criterium voor de aanvang van de korte termijn in beginsel subjectief is. Z.i. is de reden daarvoor dat de praktijk uitwijst dat een verjaringstermijn van vijf jaar aan de korte kant is en dan alleen is te rechtvaardigen in gevallen waarin de schuldeiser weet dát en tegen wie hij (mogelijkerwijs) een vorderingsrecht heeft. Hartkamp verklaarde zich geen voorstander van een onderzoeksplicht bij de korte termijn – waar een objectief criterium op neer zou komen –, doch meende ook dat enige objectivering onvermijdelijk is. Die objectivering gaat z.i. echter niet zo ver dat de korte verjaringstermijn ook al gaat lopen als de schuldeiser met zijn vordering bekend had kunnen of moeten zijn.
[…]-arrest in Ars Aequi een onderscheid gemaakt tussen onderzoek naar de mogelijkheid van een vordering en onderzoek in een later stadium. [32] Hartkamp heeft het over het doen van onderzoek naar de mogelijkheid van een vordering, Hartlief doelt naar eigen zeggen op “activiteit van de benadeelde in een later stadium”. De korte verjaringstermijn gaat volgens Hartlief lopen indien er voldoende aanknopingspunten zijn voor de benadeelde om werk te maken van een vordering jegens iemand.
[…]-arrest in de NJ [33] dat van de benadeelde enig onderzoek zal mogen worden gevergd als er voldoende aanknopingspunten zijn voor het bestaan van aansprakelijkheid van een voldoende bepaalde persoon. Du Perron schrijft:
NJ2006, 113.
X/
Betonmortelfabriekleidde. Volgens Smeehuijzen kan het in situaties waarin de benadeelde
welwist dat jegens hem een onrechtmatige daad was begaan, zeer wel verdedigbaar zijn dat de benadeelde zich niet op onbekendheid met andere feiten kan beroepen als hij die feiten eenvoudig had kunnen achterhalen. Die opvatting vloeit voort uit de gedachte dat het er bij de relatieve termijn ten gronde om gaat vanaf welk moment van de benadeelde redelijkerwijze actie verlangd mag worden. Als de benadeelde eenmaal weet dat hij mogelijk een vordering heeft, weet hij ook dat er mogelijk een debiteur is met wiens belangen hij rekening heeft te houden. Die wetenschap kan hem verplichten (een vorm van) onderzoek te doen.
X/
Betonmortelfabriek. [36] De rechtspraak van de Hoge Raad kan, aldus Tjong Tjin Tai, het beste aldus worden uitgelegd dat niet meer wordt gevergd dan een onderzoek direct na bekendheid met de schade, dat voorzienbaar snel resultaat oplevert, en bovendien goedkoop en eenvoudig is. De verjaringstermijn gaat dan lopen kort na bekendheid met de fout en de schade, nu het gevergde onderzoek ook kort daarna de identiteit zou hebben opgeleverd die nodig is om daadwerkelijk een rechtsvordering in te stellen.
X/Betonmortelfabriek.
een deelvan de uittredersgoodwill, ad € 600.000 bruto per participant, vervroegd uit te keren en dat [de man] uit dien hoofde op 1 januari 2005 een vervroegde uitkering ("upfrontbetaling") van € 600.000,- heeft verkregen. [de vrouw] ,
althans haar adviseurs, hebben hiermee informatie ontvangen waaruit zij
redelijkerwijze hadden kunnen en moeten begrijpendat [de man] omstreeks 1 januari 2005, naast het voorschot van € 600.000,-, nog meer goodwillaanspraken had. De omstandigheid dat de totale hoogte van de goodwillaanspraken ad € 1.725.000,- niet is vermeld in de brief van 12 juni 2008 en ook niet in de jaarstukken van Capricorn & The Fox B.V. maakt dat niet anders. Het had daarom op de weg van [de vrouw] gelegen om over de hoogte van de aanspraken en de condities waaronder deze zouden worden uitgekeerd, vragen aan [de man] te stellen. Dat [de vrouw] , die werd bijgestaan door deskundig te achten adviseurs, dat toen niet heeft gedaan, kan
niet ten nadele van [de man]komen. In het voorgaande ligt al besloten dat het hof [de vrouw] niet volgt in haar stelling dat de brief, beoordeeld naar de situatie van toen, wat betreft de hoogte van de toegekende goodwillaanspraken ook anders kan worden uitgelegd. In de brief wordt, zoals mr. Van Buul in zijn pleitnota aanvoert, weliswaar vermeld dat in het kader van de herstructurering van De Eglantier de financiële banden tussen [de man] en De Eglantier per 1 januari 2005 zijn doorgesneden, maar ook staat in de brief dat in dat kader een aparte stichting (Stichting Gesde) is opgericht voor het beheer en de afwikkeling van de goodwillaanspraken en dat het die stichting is geweest die heeft besloten om een deel van de goodwillaanspraken (groot € 600.000,- per participant) vervroegd uit te keren. Een
redelijke uitlegvan die brief brengt mee dat, anders dan mr. Van Buul in de pleitnota aanvoert, hieruit kan worden afgeleid dat de financiële banden zijn doorgesneden doordat diverse op De Eglantier rustende verplichtingen ter zake van de tot 1 januari 2005 door [de man] opgebouwde goodwillaanspraken (ad € 1.725.000,-) zijn overgedragen aan Stichting Gesde.
Dat [de vrouw] de brief anders heeft uitgelegd, in die zin dat het grootste deel van de goodwillaanspraken (€ 1.125.000,-) buiten het doorsnijden van de financiële banden blijft, en dat zij daardoor in 2008 aan die brief en de overige door [de man] verstrekte stukken de conclusie heeft verbonden dat de goodwillaanspraken € 600.000,- bedroegen, waarvan per saldo geen te verrekenen huwelijksvermogen resteerde, moet daarom voor haar rekening blijven. Daarbij komt dat
[de man]er in deze omstandigheden
van heeft mogen uitgaandat hij [de vrouw] voldoende heeft voorgelicht over de goodwillaanspraken. Het hof is daarom van oordeel dat [de vrouw] in ieder geval op 19 augustus 2008 wist,
althans behoorde te weten, dat [de man] aanspraak had op (substantiële) goodwillaanspraken die uitstegen boven de uitgekeerde € 600.000,-, en dat [de vrouw]
daarom geacht moet wordenin ieder geval op 19 augustus 2008 bekend te zijn geweest met de gestelde onrechtmatige gedragingen van [de man] ter zake van die goodwillaanspraken en met de eventueel daaruit voor haar voortvloeiende schade.
wistvan de
daadwerkelijkeomvang van de goodwillaanspraken en [de man] haar niet de juiste omvang van de – hier aan de orde zijnde – goodwillaanspraken heeft medegedeeld tijdens de bespreking van 19 augustus 2008 noch mondeling, noch in de aan haar zijdens [de man] verschafte stukken (in verband met de bespreking op 19 augustus 2008). [43]
redelijkeuitleg van de brief heeft het hof geoordeeld dat [de vrouw] althans haar adviseurs, informatie hebben ontvangen waaruit zij
redelijkerwijzehadden kunnen en moeten begrijpen dat [de man] omstreeks 1 januari 2005, naast het voorschot van € 600.000,–, nog meer goodwillaanspraken had.
redelijkerwijze hadden kunnen en moeten begrijpendat [de man] omstreeks 1 januari 2005 nog meer goodwillaanspraken had. Deze door mij gecursiveerde woorden duiden er m.i. op dat het hof heeft miskend dat het er bij de korte verjaringstermijn niet om gaat of de benadeelde met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon redelijkerwijs bekend had behoren te zijn, maar dat het erop aankomt of de benadeelde daarmee daadwerkelijk bekend was (zie het standaardarrest
[…] / Wilton Feijenoord [46] , rov. 3.4.4). Daadwerkelijke bekendheid houdt meer in dan het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is. Er moet sprake zijn van een voldoende mate van zekerheid. [47] Ik merk in dit kader op dat het hof in het arrest geen terminologie heeft gebezigd uit de vele vaste rechtspraak van de Hoge Raad over het aanvangstijdstip van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro, noch naar deze rechtspraak heeft verwezen. Het hof heeft dan ook nergens overwogen – zoals blijkens de vaste rechtspraak van de Hoge Raad doorslaggevend is – dat de benadeelde op 19 augustus 2008 daadwerkelijk in staat was een rechtsvordering tot vergoeding van de door haar geleden schade in te stellen. [48] Wat betreft dit laatste punt verwijs ik ook naar hetgeen ik hierna onder 3.40 heb opgemerkt in het kader van de behandeling van de eerste klacht van onderdeel 2.
Hoewel ik blijkens het voorgaande van mening ben dat het hof niet de juiste maatstaf heeft gehanteerd, behandel ik toch (uitsluitend) de eerste klacht van het onderdeel, inhoudende dat het hof een onbegrijpelijk motivering heeft gegeven voor zijn oordeel voor de aanvang van de vijfjaarstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro. Daartoe wordt aangevoerd dat het hof de aanvang van die termijn met objectieve gegevens onderbouwt, maar dat die gegevens het oordeel dat [de vrouw]
daadwerkelijkbekend was met de schade niet kunnen dragen. Dat geldt volgens de klacht temeer, althans in ieder geval, nu het hof een aantal stellingen van [de vrouw] (veronderstellenderwijs) als juist aanmerkt of de juistheid in het midden laat, waaruit volgt dat en waarom [de vrouw] , kort gezegd, niet wist van de juiste omvang van de goodwillaanspraken op of omstreeks 19 augustus 2008 en [de man] haar niet heeft geïnformeerd over de juiste omvang van de goodwillaanspraken, sterker nog deze voor haar verborgen (verzwegen) heeft gehouden. De “informatie" die [de man] heeft gegeven (vlak voor en tijdens de bespreking van 19 augustus 2008) heeft zij (èn haar adviseurs) niet zo begrepen dat de goodwillaanspraak maar liefst € 1.725.000,– bedroeg.