Conclusie
zevende middelklaagt over de afwijzing door het hof van het verzoek om de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] te horen waarbij onder meer een beroep is gedaan op schending van art. 6, derde lid onder d, EVRM.
[…] Met betrekking tot dit [in art. 6 EVRM Pro bedoelde] recht op een eerlijk proces ligt in de recente rechtspraak van het EHRM ter zake van het ondervragingsrecht de nadruk op de toetsing van de ‘overall fairness of the trial’, mede aan de hand van een aantal door het EHRM geformuleerde, met elkaar samenhangende subvragen (zoals genoemd in de […] uitspraak in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland, §107). Daarbij is beslissend of het strafproces als geheel beschouwd eerlijk is verlopen. Die uiteindelijke balans kan eerst achteraf worden opgemaakt.
2. The Court’s assessment
HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, r.o. 2.6, AG]. The Supreme Court subsequently stated this explicitly in two further leading judgments of 4 July 2017 – that is, after the conclusion of the domestic proceedings in the present case – in which it explained how the requirement that such requests be substantiated related to the right to a fair trial under Article 6 of the Convention […]. It considered that that requirement did not run counter to Article 6 § 3 (d) of the Convention, and in that connection it attached relevance to the fact that the Court had also articulated in its case-law an obligation for the defendant to substantiate a request to call a witness ([…] at point 3.6). At this point in its judgment, in a footnote, the Supreme Court referred to two judgments of the Court: Perna [§ 29] and Poropat [§ 42]. It further noted that the provisions of the CCP concerning the calling and examination of witnesses did not distinguish between witnesses who (could) testify against the accused and witnesses who (could) testify on behalf of the accused ([…] at point 3.7.1], and it held that, as regards the requirements to be met by a request to examine a witness, it made no difference in principle whether that request concerned a witness for the prosecution or a witness for the defence ([…] at point 3.7.2).
kan zijn. Dit laatste laat zich echter – zeker vroeg in de procedure betreffende meer omvangrijke en/of complexe zaken – niet altijd snel overzien. In gevallen waarin de bewijsvoering van een essentieel bestanddeel van de tenlastelegging (mogelijk) slechts op getuigenbewijs zal kunnen berusten of daarvoor doorslaggevend zal zijn, zal een verzoek tot het horen van de betreffende getuige – ook als deze (al dan niet in voorwaardelijke vorm) pas bij pleidooi wordt gedaan - reeds op die grond voor toewijzing in aanmerking komen. Afwijzing van een verzoek tot het horen van een niet eerder gehoorde getuige à charge op grond van een ontoereikende motivering, is in ieder geval niet langer een optie. In geval van hoger beroep zal voor de hoven de vraag kunnen rijzen of tegen de achtergrond van de bewijsvoering in eerste aanleg, actiever moet worden omgegaan met de mogelijkheid van het ambtshalve horen van getuigen door de raadsheer-commissaris, teneinde latere aanhoudingen van de behandeling ter terechtzitting te voorkomen.
[…]
4. datappellante op de voet van artikel 410 lid 3 Wetboek Pro van Strafvordering verzoekt voor de terechtzitting in hoger beroep de volgende personen als getuigen op te roepen, opdat zij aldaar kunnen worden gehoord:
Getuige 2. [getuige 2] ,
Getuige 3. [getuige 3]
5. dathet in het belang van de verdediging te achten is dat voormelde aantal personen als getuige worden gehoord, omdat: het verdedigingsbelang brengt derhalve mee dat de verdediging zelf de mogelijkheid wenst te hebben om deze vier getuigen te bevragen omtrent de voor appellante belastende verklaringen.
❖ Het verhoor van de getuigen kan bijdragen aan de waardering van de betrouwbaarheid en de bruikbaarheid van de bij de politie afgelegde verklaringen, die belastend zijn voor appellante en bepalend zou kunnen zijn voor/zou kunnen bijdragen aan een veroordeling
De motivering tot het horen van deze getuigen is in zeer algemene bewoordingen gesteld. Ondanks herhaald verzoek daartoe is door de verdediging niet aangevoerd waarover deze getuigen concreet zouden kunnen verklaren, noch heeft de verdediging een alternatief scenario voor het tenlastegelegde verwijt aangevoerd waarover deze getuigen zouden kunnen verklaren, terwijl een dergelijke concrete onderbouwing wel van de verdediging mag worden verwacht. Deze verzoeken worden als onvoldoende gemotiveerd afgewezen.”
1. [getuige 1] ,
[…]
2. [getuige 2] ,
[…]
3. [getuige 3][…]
[…]
❖ De getuigen kunnen aldus verklaren over punten die van belang zijn voor enige in deze zaak te nemen beslissing ten aanzien van de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten en/of ten aanzien van relevante punten voor de strafmaat;
Kort voor de zitting van heden, op 17 april 2019, heeft de verdediging wederom een verzoek tot het horen van de 9 getuigen gedaan, met een aantal bijlagen omtrent de wijze waarop de getuigen [getuige 7] en [getuige 8] zijn gehoord door de politie.
[…]
eerste stapin § 62 tot het oordeel dat niet kan worden gezegd dat “the Court of Appeal established good factual or legal grounds for not securing the attendance of prosecution witnesses A to G”. Ten aanzien van de
tweede stapheeft het EHRM vastgesteld dat het bewijs niet geheel berust op verklaringen van getuigen. Gelet op de bewijsvoering van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft het EHRM vervolgens in § 64 geoordeeld dat “the evidence of the absent witnesses was of such significance or importance as is likely to have been determinative of the outcome of the case”. Ten aanzien van de
derde stapkwam het EHRM in § 69 tot het oordeel “that it cannot be said that there were sufficient counterbalancing factors to compensate for the handicaps under which the defence laboured”.
De eerste stap: was er een goede reden voor het ontbreken van een behoorlijke en effectieve ondervragingsmogelijkheid?
De tweede stap: berust de veroordeling uitsluitend of in beslissende mate op de getuigenverklaring(en)?
Feit 2:
De derde stap: is sprake van afdoende compenserende maatregelen?
Conclusie
Feit 1
Uit de bankafschriften van rekeningnummer [rekeningnummer 3] op naam van [getuige 8] blijkt dat er in de periode 1 augustus 2012 tot en met 15 december 2012 in totaal € 22.600,00 vanaf de rekening van [getuige 1] met nummer [rekeningnummer 3] naar de rekening van [getuige 8] is overgeboekt. [getuige 8] is als getuige gehoord en heeft verklaard dat hij de desbetreffende rekening voor [verdachte] heeft geopend, omdat zij zelf niet in staat was om een rekening op haar eigen naam te openen. Hij weet niets over betalingen die van of op die rekening worden gedaan. Voor zover hij weet wordt die rekening alleen door [verdachte] gebruikt. [Verdachte heeft ter terechtzitting (in eerste aanleg) bevestigd dat zij de rekening van [getuige 8] gebruikt om te bankieren.] [38] Aldus constateert de rechtbank dat de gelden zijn overgemaakt naar een rekening waarover niet [getuige 8] , maar de verdachte het feitelijke beheer voerde.
eerste middelklaagt tevergeefs dat het hof het bewezenverklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd als diefstal, terwijl het verduistering oplevert.
NJ1998/695, waarop de steller van het middel een beroep doet. Daar betrof het een bewindvoerder die op zich niet beperkt is in de hoogte van zijn uitgaven.
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring niet uit de gebruikte bewijsmiddelen kan worden afgeleid “gelet op de aanvullende motivering van het bewijs door het hof”. Aangevoerd wordt dat de overweging van het hof, “dat bij een fotokopie sprake kan zijn van montage […] niet redengevend [kan] worden geacht zo lang niet als vaststaand kan worden aangenomen, danwel sprake is van ernstige aanwijzingen van zodanige montage.” Bovendien is het in art. 6 EVRM Pro neergelegde onschuldbeginsel geschonden met het oordeel van het hof dat “de conclusie van de deskundige dat het waarschijnlijker is dat (het origineel) van de betwiste handtekening een authentieke handtekening is, niets afdoet aan de door de rechtbank gebezigde bewijsmotivering ten aanzien van feit 1”. Het hof zou ook in het midden hebben gelaten wie de handtekening op de kopie-kwitantie zou hebben aangebracht.
Onderzoek van de zaak
[…]
6 De straf
- wat betreft de beslissingen ter zake van de onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten en de strafoplegging in welke vernietiging niet is begrepen de aan de verdachte opgelegde schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [getuige 1] (feit 1);
- voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [getuige 1] vervangende hechtenis is toegepast, tot bepaling dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast,
tot terugwijzing van de zaak naar gerechtshof ’s-Hertogenbosch opdat de zaak in zoverre op het bestaande beroep hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan,
en tot verwerping van het beroep voor het overige.