Conclusie
Nummer 19/03630
Het eerste middel
eerste deelklachtvan dit middel ziet op de bewijsmotivering van het in zaak A onder 2 bewezenverklaarde. Voorafgaand aan de bespreking van het middel geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging die op dit feit betrekking heeft weer.
In het bijzonder met betrekking tot het wapen- en munitiebezit
41. Een proces-verbaal van bevindingen met nummer 2015092870 van 30 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 4] en [verbalisant 5] (…).
sender: [betrokkene 2] ”.
44. Een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 5237311 van 22 juni 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 9] (…).
Ik ben thuis man”. Ik herken de stem van de beller voor 100% als de stem van verdachte [betrokkene 2] .
het hof begrijpt: het aangetroffen vuurwapen AK47] niet van mij is, van wie is het dan wel is. Ja, van hem natuurlijk, wij wonen daar toch. Wij zijn de enige die in de woning kunnen, want er zijn maar twee sleutels. Ik ga niet naar zijn kamer.
naar het hof begrijpt: met SIN nummer AAIA7800NL] en dat dit spoor is te herleiden naar [betrokkene 2] .
51. Een deskundigenverslag, te welen een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 16 oktober 2015, nummer 2015.04.23.197 (aanvraag 006 en 007), opgemaakt door ing. J.L.W. Dieltjes (…).
DNA-onderzoeksmateriaal:AAIC5518NL#01 bemonstering (opening en rits toilettas/etui ‘Air Caraibes' (AAID6602NL)) is onderworpen aan een DNA-onderzoek.
AAIC5519NL#01 bemonstering (opening, rits en handvat toilettas ‘LEEF’ (AAID6718NL)) is onderworpen aan een DNA-onderzoek.
16 december 2014: Op diverse foto’s is verdachte [verdachte] te zien waarop hij met zijn rechterhand een automatisch vuurwapen vasthoudt. In zijn linkerhand houdt hij een patroonhouder vast met munitie erin.
15 januari 2015: Een foto waarop [betrokkene 2] staat, hij houdt een automatisch vuurwapen vast.
25 januari 2015: [betrokkene 2] houdt in zijn rechterhand een automatisch vuurwapen met houder erin. Hij draagt geen kleding maar wel handschoenen. Op een andere foto richt hij het wapen op de camera.
28 februari 2015: Foto’s van een automatisch vuurwapen met gevulde houders, waar een toilettas bij staat met als inhoud een grote hoeveelheid patronen. Bij de doorzoeking in de [f-straat 1] zijn een automatisch vuurwapen en een toilettas vol met patronen gevonden, deze zijn gelijkend op het wapen en de toilettas met patronen op de foto.
53. Een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 5649586 van 15 september 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 9] en [verbalisant 11] (…).
fuck (hij lacht) we hebben choppers genoeg, I spray your ass with.. fuck you all day, fuck you".
met dit shit.. je weet toch.. chop chop you down".
Hit you with the chop”.
Hit you with the chop”.
We hebben vier choppers" en laat hierbij 4 vingers zien.
[verdachte] zegt: “
Met fucking niggers zoals mij, ga je verdwijnen. Weet je waarom? We hebben geen geweten”.
naar het hof begrijpt: op een eerder moment] diverse foto’s gezien van het genoemde in beslag genomen wapen en ik zag dat deze ogenschijnlijk overeenkwam met het voorwerp op de foto’s en films [
die, naar het hof begrijpt, op de SD-kaart stonden]. Uit onderzoek bleek dat de genoemde bestanden zeer waarschijnlijk gemaakt zijn op 16 december 2014. Dit blijkt uit de metadata van deze mediabestanden. In de metadata van het bestand [bestand 13] .mp4 stond “16/12/14 14.46” geregistreerd bij “file created”, “last written” én “last accessed”. De toegekende bestandsnaam is door het toestel waarmee het mediabestand is opgenomen blijkbaar een combinatie van datum en tijd, in dit geval de (afgeronde) naam [bestand 13] .mp4, waarbij dient te worden opgemerkt dat de ingestelde tijd van het toestel geen rekening houdt met een zomer- of wintertijd en een uur afwijking kan bestaan. Verder blijkt uit deze metadata dat alle mediabestanden zijn gemaakt met een Samsung S-G900F, wat een typenummer is van een mobiele telefoon van het merk/type Samsung S5.
Alle foto’s zijn voorzien van een originele bestandsnaam. Deze bestandsnaam wordt door het toestel waarmee de foto c.q. filmopname is gemaakt aan de foto of film toegekend. De bestandsnamen zijn opgebouwd uit de datum en het tijdstip van de opname. De foto voorzien van de bestandsnaam [bestand 1] .jpg geeft dus aan dat deze foto op 16 december 2014 te 15.45 uur en 30 seconden is gemaakt. De foto’s die betrekking hebben op [verdachte] zijn voorzien van de volgende bestandsnamen:
Vervolgens zag ik dat de man het patroonmagazijn in de AK47 bracht en daar allerlei poses mee aannam.
het hof begrijpt: een dekbed/sprei] lag die grote gelijkenis vertoonde met de deken
[het hof begrijpt: het dekbed/de sprei] op de aan óns verstrekte foto’s.
Door de plaats van het bed, de kleur van de wanden en het plafond en een in de kast aangetroffen deken [
het hof begrijpt: dekbed/sprei], heb ik de overtuiging dat dit de ruimte is die door het onderzoeksteam 13Kloes bedoeld werd.
[betrokkene 2] : Okay. Wachtje op wirie of zo. Ik heb wirie alles hier he. Kijk of je 3 minuten kan maken. [verdachte] : Kil, ik ben over 5 minuten bij jou gab.
tanteshuis, maar…
[verdachte] : Maar je was zeker gejumpt?
[betrokkene 6]’. Toen merkte ik dat ik die mannen niet kon tegenhouden. Ik sprong via het balkon.
Vervolgens neemt hij met het vuurwapen diverse poses aan. In de metadata van één van deze bestanden stond bij ‘file created’, ‘last written’ en ‘last accessed’ geregistreerd ‘16/12/2014’. De namen van deze bestanden vingen telkens aan met ‘ [...] _’. De kenmerken van de ruimte waarin de opnames zijn gemaakt, komen blijkens een proces-verbaal van [verbalisant 26] overeen met die van één van de slaapkamers in de woning van de moeder van [betrokkene 2] op het adres [h-straat 1] te Almere-Haven. De materiedeskundige vuurwapens J.A.J.M. Waaijer heeft de eigenschappen van het bij de doorzoeking aangetroffen aanvalsgeweer vergeleken met het aanvalsgeweer dat op het beeldmateriaal te zien is. Aan de hand van een aantal bijzondere kenmerken - het in een zwarte kleur gespoten voorhout en het ontbreken van een mondingsdop bij de loopmonding en van een pompstok - heeft hij geconcludeerd dat het redelijk is om aan te nemen dat het om één en hetzelfde wapen gaat.
eerste deelklachtvan het middel houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een (automatisch) vuurwapen, gelet op hetgeen het hof (slechts) tot het bewijs heeft gebezigd, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting dan wel dat de bewezenverklaring niet zonder meer begrijpelijk is dan wel onvoldoende met redenen is omkleed. In de toelichting voeren de stellers van het middel aan dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte in de kamer van de medeverdachte [betrokkene 2] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn handen heeft gestaan. En dat een wapen – waarvan het hof heeft vastgesteld dat de verdachte met dit voorwerp in zijn handen heeft gestaan, is teruggevonden in een sporttas, die zich in de kledingkast bevond in de kamer van de medeverdachte [betrokkene 2] . Het slechts kort vasthouden van een vuurwapen in een kamer van een ander, in aanwezigheid van die ander, is volgens de stellers van het middel onvoldoende om te kunnen spreken van het voorhanden hebben van dat wapen. In dat verband wijzen zij in het bijzonder op HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7725,
NJ2010/642.
NJ2020/251 m.nt. Sackers heeft Uw Raad het volgende overwogen:
NJ2010/642, het arrest dat de stellers van het middel noemen in de toelichting, had het hof vastgesteld dat de verdachte een vuurwapen korte tijd heeft vastgehouden toen haar vriend haar dat wapen en de munitie in de auto had laten zien. Op basis daarvan had het hof geoordeeld dat de verdachte ‘gedurende zekere, zij het korte tijd, mede de beschikkingsmacht over dat wapen en munitie heeft gehad’. Hieruit kon volgens Uw Raad niet zonder meer volgen dat zij tezamen en in vereniging met een ander het wapen en de munitie voorhanden had gehad. Ook anderszins kon uit de bewijsvoering niet worden afgeleid dat voldaan was aan het vereiste van een - op het voorhanden hebben van die voorwerpen gerichte - bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de mededader. De bewezenverklaring was daarom niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
NJ2020/252 m.nt. Sackers was namens de verdachte aangevoerd dat hij geen beschikkingsmacht had gehad over het airsoftwapen dat van zijn vader was. De vader van de verdachte had, zo kan uit de conclusie van P-G Silvis worden afgeleid (randnummer 19), in hoger beroep als getuige verklaard dat zijn zoon geen spullen van hem weg zou gooien zonder zijn goedvinden en de verdachte had verklaard dat hij niet aan de spullen van zijn vader kwam. Het hof verwierp dat verweer. Ook al was het wapen van de vader van de verdachte dan nog was er naar het oordeel van het hof ‘sprake van een zekere mate van machtsuitoefening, beschikkingsmacht, aan de zijde van de verdachte. De verdachte had het wapen uit de woning kunnen verwijderen en kunnen wegdoen. Hij had ook zijn vader kunnen vragen het wapen weg te doen, hetgeen de verdachte volgens de vader die als getuige ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord, nooit tegen hem heeft gezegd. De vader-zoon relatie doet aan een en ander niet af en ook de stelling van de verdachte dat hij niet heeft geholpen bij het schoonmaken van het wapen, wat daar ook van zij, maakt dit niet anders’. Uw Raad overwoog dat ‘s hofs oordeel dat de verdachte het wapen voorhanden heeft gehad niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigde en toereikend was gemotiveerd, mede gelet op de als bewijsmiddel 4 opgenomen verklaring van de verdachte inhoudend ‘dat het wapen op de bank lag, hij en zijn vader het na lange tijd weer uit een kast hadden getrokken, hadden schoongemaakt en in het vet hadden gezet, zij een paar dagen daarvoor ermee in de tuin hadden geschoten en het wapen voor alleen zijn vader en hem voorhanden was’.
fuck (hij lacht) we hebben choppers genoeg, I spray your ass with.. fuck you all day, fuck you’. Daarna heeft de verdachte het vuurwapen neergelegd en is hij verder gegaan met het vullen van de patroonhouder. Hij heeft hierop het vuurwapen opnieuw opgepakt en gezegd: ‘
met dit shit.. je weet toch.. chop chop you down’. Hij heeft de patroonhouder in het wapen gedaan en het wapen vervolgens voor zich gericht en gezegd: ‘
hit you with the chop’. En nadat de verdachte de patroonhouder weer uit het wapen heeft gehaald, heeft hij nog gezegd: ‘
Met fucking niggers zoals mij, ga je verdwijnen. Weet je waarom? We hebben geen geweten.’ Uit de vastgestelde handelingen en uitlatingen van de verdachte, familie en vriend van [betrokkene 2] , volgt dat verdachte niet ‘onverhoeds of ongewild kortstondig’ het wapen in handen heeft gekregen en ook niet dat hij ‘onverwacht kennis’ heeft gekregen van de aanwezigheid van het wapen terwijl hij daarvan redelijkerwijs niet direct afstand kon nemen. Het oordeel van het hof getuigt daarom niet van een onjuiste rechtsopvatting, is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
tweede deelklachtbetreft de bewezenverklaring van het in zaak B onder 3 tenlastegelegde. Ook die bewezenverklaring zou onvoldoende met redenen zijn omkleed, ‘nu het hof daartoe onder meer het bewezenverklaarde voorhanden hebben van een vuurwapen redengevend heeft geacht’.
Het tweede middel
eerste deelklachtvan dit middel ziet op de afwijzing van een voorwaardelijk verzoek tot het horen van een getuige. De
tweede deelklachtbetreft de bewezenverklaring in zaak A onder 3. Voorafgaand aan de bespreking van het middel geef ik de bewezenverklaring, de bewijsmiddelen en de bewijsoverweging die op dit feit betrekking heeft weer.
1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2015092870-6 van 23 april 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] (…).
het hof begrijpt: [slachtoffer 1]] als schoonmaker. Vandaag waren wij omstreeks 06.20 uur klaar met ons werk. Ik zag toen dat twee mannen naar binnen liepen. De ene man, NN1, betrof een negroïde man met een heel donkere huidskleur en korte dreadlocks. Zijn lengte is ongeveer 180-185 centimeter. Hij droeg een korte zwarte winterjas. De andere man, NN2, betrof een negroïde man met een lichtere huidskleur. Hij droeg een lange winterjas voorbij zijn knie in de kleur gebroken wit. Ik hoorde NN1 in het Engels tegen [slachtoffer 1] zeggen dat ze koffie wilden. Ik zei dat wij hen niet aan koffie konden helpen en dat wij op het punt stonden om weg te gaan. Nadat ik dit had gezegd liepen ze naar buiten. Kort daarop kwamen ze weer naar binnen. [slachtoffer 1] en ik stonden nog op dezelfde plek. NN1 vroeg hoe laat ze koffie konden krijgen. Ik zei dat zij pas om 08.00 uur koffie konden krijgen, als de golfclub opengaat. Dezelfde man vroeg mij of hij van het toilet gebruik mocht maken, waarop ik hem het toilet wees. Ik zag dat beide mannen in onze richting liepen. Ik zag dat NN1 een pistool in zijn hand had en op ons richtte. Ik zag dat NN2 op hetzelfde moment zijn jas openmaakte en dat er aan de voorzijde een groot vuurwapen zat. Ik zag dat het een lange zwarte loop had. Ik hoorde hem in het Engels zeggen dat hij een AK47 bij zich had en dat wij geen gekke dingen moesten doen omdat hij ons anders zou vermoorden. De mannen spraken Engels met mij en Nederlands met mijn collega [slachtoffer 1] . Onder bedreiging van hun wapens dwongen de mannen ons op onze knieën. Wij moesten allebei onze telefoon afgeven. Ik zag dat NN1 de telefoon van [slachtoffer 1] aannam. Ik had mijn telefoon op de grond gelegd. NN1 pakte ook mijn telefoon. De mannen vroegen ons of wij geld bij ons hadden, waarop wij hebben gezegd dat wij geen geld hadden. Zij vroegen ons naar de kluis. NN1 ging het pand doorzoeken met de sleutels van [slachtoffer 1] . NN2 bleef achter en hield zich op achter de deur van de ruimte waar wij ons bevonden, Ik hoorde dat [slachtoffer 1] huilde. Ik hoorde dat NN2 de deur openmaakte en [slachtoffer 1] waarschuwde dat hij stil moest zijn. Nadat het enige tijd stil was geweest, klopte ik op de deur van de ruimte waarin wij ons bevonden. Toen ik niets hoorde, heb ik de deur opengemaakt en ben ik met [slachtoffer 1] naar de uitgang gelopen. Daar zag ik een donkere auto wegrijden in de richting van Abcoude.
[
opmerking hof: Gelet op de opgegeven signalementen en het overige bewijs gaat het hof ook uit van hetgeen onder i) en ii) is vermeld].
het hof begrijpt: de getuige [getuige]] op 4 mei 2015 gevraagd of iemand van zijn personeel een horloge is verloren. [getuige] antwoordde dat niemand een horloge verloren was, dat het aangetroffen horloge niet van één van zijn personeelsleden was en dat ook geen klant heeft gemeld een horloge te zijn verloren.
- 06.25 uur: NN2 legt iets neer op de kast naast de ingang van de ruimte. Ik zie dat NN2 terugloopt naar NN1, dat NN1 en NN2 het grijze voorwerp weer optillen en dat NN2 voorop loopt;
12. Een deskundigenverslag, zijnde een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 30 april 2015, met nummer 2015.04.23.197 (aanvraag 001), opgemaakt door dr. S. van Soest, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (…).
De bemonstering AAID5544NL#02 betreft een DNA-mengprofiel van minimaal vier personen. De afgeleide combinatie van DNA-kenmerken van de hoofddonor matchen met het DNA-profiel van [betrokkene 2] . De matchkans [
naar het hof begrijpt: van de afgeleide DNA-kenmerken- combinatie] is kleiner dan één op één miljard.
het hof begrijpt: de passagierszijde]. Dit spoor betrof drie vingers met de vingertoppen naar beneden. Deze vingerafdrukken zijn veiliggesteld en voorzien van SlN-nummer AAID7403NL. Wij zagen dat de auto aan de binnenzijde beroet was en dat de stoel aan de bestuurderszijde brandschade vertoonde.
17. Een proces-verbaal van sporenonderzoek met nummer PL1300-2015092870-14 van 14 mei 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 20] (…).
26. Een proces-verbaal van bevindingen met documentcode 5560565 van 30 augustus 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 11] (…).
het hof begrijpt: gepleegd in die periode].
het hof begrijpt: 2015] gezien?
De volgende relevante telefonische contacten en de bijbehorende locaties zijn waarneembaar op 22 en 23 april 2015:
het hof begrijpt: de historische gegevens) van de telefoon van [verdachte] met nummer 06- [0001] , is te zien dat hij op 3 mei 2015, tien dagen na de overval op de golfclub, om 17.10 uur contact opnam met [betrokkene 1] op nummer 06- [0005] . Uit onderzoek is gebleken dat [betrokkene 1] een medewerker is van het restaurant [A] , gevestigd in [B] in Amsterdam. Hij is daar als kok in dienst.
- om 15.11 uur en 16:01 uur gebeld naar het prepaid-nummer [0006] en
- om 17.19 uur gebeld naar het nummer [0002] , in gebruik bij [betrokkene 2]
NJ2017/440 m.nt. Kooijmans heeft Uw Raad over het daarbij te hanteren kader het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
requirement for the defence to substantiate a request to examine prosecution witnesses, (…) that the underlying principle of the right contained in Article 6 § 3 (d) of the Convention in relation to the examination of prosecution witnesses is that the defendant in a criminal trial should have an effective opportunity to challenge the evidence against him or her. (…) Therefore, in a situation where the prosecution relies on such a witness statement and the trial court may use that statement to support a guilty verdict, the interest of the defence in being able to have the witness concerned examined in his or her presence must be presumed and, as such, constitutes all the reason required to accede to a request by the defence to summon that witness’(par. 56). In dat licht was sprake van ‘
absence of a good reason for the non-attendance of the witnesses’ (par. 63). Het EHRM stelt voorts vast ‘
that the evidence of the absent witnesses was of such significance or importance as is likely to have been determinative of the outcome of the case’ (par. 64). En er waren geen ‘
sufficient counterbalancing factors to compensate for the handicaps under which the defence laboured’ (par. 69). Dat leidt ertoe dat een schending van art. 6, eerste lid, en derde lid onder d, EVRM wordt vastgesteld.
good reason’) in het beoordelingsschema kunnen worden verwerkt (vgl. ook randnummer 52).
relies on such a witness statement’ en dat ‘
the trail court may use that statement to support a guilty verdict’ is volgens het EHRM ‘
all the reason required to accede to a request by the defence to summon that witness’. Dat ontbreken van een toereikende motivering speelt in de onderhavige zaak een belangrijke rol bij de afwijzing van het verzoek. Het hof overweegt dat ‘de raadsman niet concreet heeft benoemd waaromtrent hij [betrokkene 1] vragen zou willen stellen. De opmerking van de raadsman dat hij met [betrokkene 1] wil “natafelen” over de verhoren die van hem zijn afgenomen door inspecteur [verbalisant 1] acht het hof onvoldoende specifiek’. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking ‘dat het op 10 december 2015 door [verbalisant 1] afgenomen verhoor woordelijk is uitgewerkt’. Deze vaststellingen zijn, op zichzelf beschouwd, tegen de achtergrond van Keskin v. Nederland naar het mij voorkomt een ontoereikende basis voor de afwijzing van het getuigenverzoek.
did not request in any manner the examination of witnesses at the appellate court’s hearing’ (rov. 46). [8] Dat maakt het niet voor de hand liggend om in de omstandigheid dat de verdachte deze getuige niet al voor de zitting heeft opgegeven, een toereikende grond voor afwijzing van het verzoek te zien.
relies’ op de betwiste getuigenverklaring doet zich derhalve uiteindelijk niet voor. Ook dat maakt dat het minder voor de hand ligt de verdediging tegen te werpen dat zij tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet al eerder om een verhoor heeft verzocht.
NJ2014/488 m.nt. Borgers, rov. 3.5, overwogen dat het bij een voortbouwend appel in de rede ligt ‘dat het aan de procespartijen en de appelrechter wordt overgelaten te beoordelen of een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijk bewijsoordeel eist dat die persoon op de terechtzitting als getuige wordt gehoord’. Het brengt wel mee dat het – nog – minder in de rede ligt om in het late tijdstip van het verzoek een toereikende reden voor afwijzing te zien.
good reason’ besloten ligt om een ondervraging achterwege te laten en dat verdachte niet kan worden tegengeworpen dat hij – door niet eerder een getuigenverzoek te doen – nationale rechtsmiddelen niet heeft uitgeput. Ik merk daarbij op dat een eerdere ondervraging waarbij de getuige heeft geweigerd te antwoorden onder omstandigheden misschien een goede reden kan opleveren om een nieuwe ondervraging achterwege te laten. [11] Daarover heeft het hof zich evenwel niet uitgelaten, wellicht omdat de raadsman heeft aangevoerd te denken dat de verdenking tegen [betrokkene 1] is uitgemond in een sepotbeslissing. Dat zou meebrengen dat [betrokkene 1] zich bij een nieuw verhoor niet op een verschoningsrecht kan beroepen.
When a witness’s fear is attributable to the defendant or those acting on his behalf, it is appropriate to allow the evidence of that witness to be introduced at trial without the need for the witness to give live evidence or be examined by the defendant or his representatives – even if such evidence was the sole or decisive evidence against the defendant’. [13] Dat daarvan in het onderhavige geval sprake kan zijn, blijkt uit ‘s hofs overweging dat het ‘aannemelijk (is) dat de terughoudende wijze van verklaren door [betrokkene 1] geworteld is geweest in angst voor repercussies. Zo is hem door degenen die hij had ontmoet te verstaan gegeven dat hij ‘zijn bek’ dicht moest houden en was hij bang om ‘twee kogels door zijn poten te krijgen’’. Het hof wijst er daarbij ook nog op dat de verdachte zich in een telefoongesprek in vergelijkbare termen heeft uitgelaten. Uit het arrest blijkt evenwel niet dat het hof in deze angst een reden heeft gezien om een nieuw verhoor af te wijzen. Het hof betrekt de angst slechts bij het waarderen van de betrouwbaarheid van de eerder afgelegde verklaring. Mede in dat licht kan in de vastgestelde angst naar het mij voorkomt geen impliciete grond voor afwijzing worden gezien. Ik betrek daarbij dat angst van de getuige een reden kan zijn om een verhoor af te wijzen, maar niet tot afwijzing van het getuigenverzoek verplicht.
counterbalancing factorseen rol kunnen spelen.
that the evidence of the absent witnesses was of such significance or importance as is likely to have been determinative of the outcome of the case’. [15]
counterbalancing factorsbetreft, geldt dat het hof een bewijsoverweging heeft gewijd aan de betrouwbaarheid van de getuige [betrokkene 1] . Het hof stelt daarin voorop dat ‘de manier waarop [betrokkene 1] aan zijn informatie zegt te zijn gekomen bevestiging vindt in zijn belgedrag voorafgaand aan 8 oktober, de dag waarop hij voor de eerste maal door de politie is gehoord. Toen het [betrokkene 1] duidelijk was geworden dat de politie hem wilde spreken heeft hij op 7 oktober 2015 het nodige in het werk gesteld om ‘ [naam] ’ ( [betrokkene 3] ) en een ander die dag te kunnen ontmoeten, in verband met iets dat serieus was’. Daarmee kan worden gezegd dat het hof ‘
provided reasoning as to why they considered that evidence to be reliable’. [16] Tegelijk geldt dat het hof uit het belgedrag van [betrokkene 1] voorafgaand aan 8 oktober 2015 slechts een bevestiging afleidt van de manier waarop [betrokkene 1] aan zijn informatie zegt te zijn gekomen, niet van de informatie zelf. [17]
counterbalancing factorin aanmerking kan worden genomen. Het EHRM heeft als ‘
additional safeguard’ aangemerkt het tijdens de terechtzitting vertonen van ‘
a video-recording of the absent witness’s questioning at the investigation stage in order to allow the court, prosecution and defence to observe the witness’s demeanour under questioning and to form their own impression of his or her reliability’. [18] Ook een woordelijke uitwerking vormt een zekere waarborg; die staat naar het mij voorkomt evenwel niet gelijk aan een audiovisuele opname.
counterbalancing factors.
NJ2015/390 m.nt Mevis, het volgende overwogen: [19]
NJ2015/399 m.nt. Mevis waren ten laste van de verdachte drie tezamen en in vereniging gepleegde inbraken bij bedrijven bewezenverklaard. In cassatie werd per bewezenverklaarde inbraak geklaagd dat deze niet uit de bewijsvoering kon volgen. A-G Spronken concludeerde dat de middelen slaagden. Ter onderbouwing gaf zij onder meer aan dat uit de bewijsvoering niet kon volgen dat de verdachte bij één van de drie inbraken een uitvoeringshandeling had verricht. Uw Raad kwam tot het oordeel dat de middelen faalden. Bij die afweging speelde onder meer een rol dat het hof blijkens de bewijsvoering had vastgesteld dat bij één inbraak een RABO-bankpas was weggenomen. Deze werd kort daarna aangetroffen in een kelderbox in een aan de verdachte toebehorend vest waarin ook een bivakmuts zat. Met die bankpas was geld gepind door twee mannen die identieke bivakmutsen droegen. Uw Raad wees erop dat uit de bewijsvoering van het hof volgde “
dat de verdachte geen verklaring heeft gegeven voor het feit dat die bivakmuts en dat RABO-bankpasje in zijn vest zijn aangetroffen”. En Uw Raad vermeldde dat het hof “
de door de verdachte aangevoerde alternatieve scenario’s (…) als ongeloofwaardig terzijde (heeft) gesteld.”
derde deelklachtbetreft de bewezenverklaring van het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde. Nu de bewezenverklaring van de overval op de brasserie onvoldoende met redenen zou zijn omkleed, zou ook de bewezenverklaarde deelneming aan de criminele organisatie onvoldoende met redenen zijn omkleed.
Derde middel; afronding
derdemiddel klaagt over de vervangende hechtenis bij de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen.
NJ2020/409 m.nt. Ten Voorde, terecht voorgesteld maar kan onbesproken blijven indien Uw Raad met mij van oordeel is dat het tweede middel dient te leiden tot terugwijzing wat betreft (onder meer) de strafoplegging.