Conclusie
Nummer19/01785
Bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverweging
1. Een schriftelijke bescheid, te weten een loonheffingsstaat november 2012 van [A] BV, (…) voor zover inhoudende:
Bespreking van de middelen
eerstemiddel bestaat uit enkele deelklachten, die ik in afwijkende volgorde bespreek. Eén van de deelklachten houdt in dat de bewezenverklaring onder 4 ontoereikend met redenen is omkleed, nu uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse werkgeversverklaring en salarisspecificatie over de maand januari 2013.
het hof begrijpt: [A] B.V.] bezig met de verkoop. Af en toe maakte ik schoon en deed ik boodschappen.
tweedemiddel bevat bewijsklachten betreffende het onder 2 bewezenverklaarde. Uit de bewijsvoering zou niet kunnen volgen dat de verdachte (steeds) met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, dat de geldbedragen c.q. voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf en dat zij telkens wist dat de geldbedragen c.q. voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf. Het hof zou hebben miskend dat het uitbetaalde salaris niet (zonder meer) voortkomt uit de valselijk opgestelde salarisspecificaties en een vals dienstverband en ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, hebben aangenomen dat valsheid in geschrifte het grondmisdrijf bedoeld bij witwassen is. En een ‘vals dienstverband’ zou ‘sec bezien’ niet als enig grondmisdrijf zijn aan te merken.
derdemiddel bevat de klacht dat de bewijsmiddelen niet-redengevende onderdelen bevatten en dat de bewezenverklaringen onder 1, 2 en 4 om die reden niet behoorlijk zijn gemotiveerd. De stellers van het middel wijzen daarbij in de eerste plaats op bewijsmiddel 1 en de bewijsmiddelen 2 t/m 6, voor zover inhoudende loonheffingsstaten van de medeverdachte, in de tweede plaats op bewijsmiddel 8, in de derde plaats op bewijsmiddel 10, onder meer voor wat betreft de transactie met betrekking tot het sanitair ter waarde van ongeveer € 40.000,-, en in de vierde plaats op bewijsmiddel 12.
vierdemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn, in het bijzonder de inzendingstermijn in cassatie.