Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Herformulering: Wat zou (…) moeten doen in het kader van zijn opdracht? Wat houdt het vooronderzoek in dit geval feitelijk in?
Toevoeging: Is bij de presentatie over de situatie van [verweerder 3 in beide zaken] verteld?Ik beroep mij op mijn verschoningsrecht, omdat dat op dezelfde inhoud duidt waarover ik het eerder gehad hebt. Dat verzoek wordt door de rechtbank gehonoreerd.”
Bent u ermee bekend dat er een overleg heeft plaatsgevonden tussen de gemeente en de politie aangaande [verweerder 3 in beide zaken] in het vierde kwartaal van 2018?
Wat is de aanleiding geweest om daarover te spreken?
Wat is er door de politie naar voren gebracht inzake [verweerder 3 in beide zaken] en zijn ondernemingen?
Wat is door de politie tijdens het 2e overleg naar voren gebracht over [verweerder 3 in beide zaken] ?
3.Bespreking van het cassatiemiddel
jegens partijen. Als de rechter-commissaris bij dat verhoor een beroep op een verschoningsrecht van de getuige verwerpt – waartegen volgens vaste rechtspraak alleen voor de getuige een rechtsmiddel openstaat, omdat deze de enige die het verschoningsrecht kan inroepen [13] –, heeft dat echter te gelden als een einduitspraak
jegens de getuige, omdat dit voor de getuige een einde de zaak maakt, voor zover hij daarbij is betrokken. De getuige kan van die verwerping dan ook steeds onmiddellijk beroep instellen. [14] Partijen – die het recht van beroep alleen hebben als het beroep op het verschoningsrecht van de getuige is gehonoreerd [15] – dienen voor de aanwending van een rechtsmiddel de einduitspraak af te wachten dan wel op de voet van de art. 337 lid 2 en Pro 401a lid 2 Rv verlof te verkrijgen voor een tussentijds beroep. [16]
Open bronnen, zoals het internet, kranten, het Kadaster, het handelsregister van de Kamer van Koophandel (zowel het publiek toegankelijke deel als de extra gegevensset op grond van artikel 28 Handelsregisterwet Pro 2007) en de eigen registratiesystemen.
Politiegegevensop basis van artikel 4.3, eerste lid onder l, Besluit politiegegevens. (…)
Justitiële gegevensop basis van artikel 15 Besluit Pro justitiële en strafvorderlijke gegevens. (…)
Netwerktekeningenvan de afdeling TRACK van de Dienst Justis van het Ministerie van Justitie en Veiligheid op basis van artikel 6, onder g, Besluit controle op rechtspersonen. (…)
Strafvorderlijke gegevens:zie art. 39f, eerste lid, onder d en g, en tweede lid, Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en hoofdstuk III, onderdeel 3, onder g, van de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. (…)
Artikel 11a bericht. Op grond van artikel 11a Wet Bibob kan de rechtspersoon met overheidstaak het Bureau schriftelijk vragen of over de betrokkene in de afgelopen twee jaar een advies is uitgebracht en wat de conclusie van het advies was.
Tip van de officier van justitie. Op grond van het huidige artikel 26 Wet Pro Bibob kan de officier van justitie het bestuursorgaan of de rechtspersoon met overheidstaak adviseren een Bibob-advies aan te vragen indien hij beschikt over gegevens die erop duiden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten. Indien het bestuursorgaan zelf vermoedens heeft dat de betrokkene antecedenten heeft, kan het de officier bovendien verzoeken een dergelijke tip uit te brengen.
Ingevulde Bibob-vragenlijst(artikel 7a nieuw / geldende artikel 30)
Adviezen van het Bureau: volgens de voorgestelde wijziging van artikel 29 mogen Pro deze vijf jaar worden hergebruikt in verband met een andere beslissing.” [46]
zodat het aan de rechter is om van geval tot geval uit te maken of grond bestaat voor het aanvaarden van een op deze geheimhoudingsplicht gebaseerd verschoningsrecht.” [65]
Subonderdeel 2bkeert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 2.12-2.14 dat het eigen onderzoek van het bestuursorgaan pas aanvangt op het moment waarop het bestuursorgaan de vragenlijst ingevolge art. 7a Wet Bibob aan betrokkene verstuurt. Het subonderdeel voert aan dat het eigen onderzoek niet noodzakelijkerwijs dan begint, omdat het bestuursorgaan bij de uitvoering van het eigen onderzoek meerdere informatiebronnen ter beschikking staan, naast of in aanvulling op de bedoelde vragenlijst. Uit art. 7a Wet Bibob en uit andere toepasselijke wetgeving volgt geen beperking ten aanzien van de vraag wanneer een bestuursorgaan gebruik maakt van een bevoegdheid tot het opvragen van gegevens onder de Wet Bibob.
Subonderdeel 2cbevat klachten tegen rov. 2.25, die geheel voortbouwen op de door subonderdelen 2a en 2b bestreden oordelen.
allegegevens die met het oog op de toepassing van de Wet Bibob worden verkregen door degenen die bij die toepassing zijn betrokken (de hiervoor in de eerste zin van 3.23 genoemde personen). [68] Al die gegevens zijn in beginsel naar hun aard vertrouwelijk, reden waarom de geheimhouding daarvan door de wetgever op haar plaats is geacht en daarom door (de tekst van) art. 28 lid 1 Wet Pro Bibob wordt voorgeschreven. Het betreft immers, zoals hiervoor bleek in 3.16, 3.17 en 3.20-23, haast per definitie privacygevoelige en soms ook justitieel of politioneel vertrouwelijke informatie. [69] Het zou nogal merkwaardig zijn dat geen geheimhoudingsplicht met betrekking tot deze gegevens zou bestaan voor genoemde personen als formeel nog niet met het onderzoek in de zin van de wet is aangevangen of dat onderzoek niet is aangevangen met de stap waarmee dat mogelijk formeel zou moeten gebeuren, zoals, in de visie van het hof, de toezending van de in art. 7a lid 2 Wet Bibob genoemde vragenformulieren. Art. 28 lid 1 Wet Pro Bibob valt dan ook te betrekken op alle genoemde gegevens. [70]
verplichtbegint met het voorleggen van het vragenformulier. [78] [79] Ook in de literatuur en rechtspraak trof ik dergelijke uitlatingen niet aan. [80]
Subonderdeel 3aklaagt dat oordeel (ii) een verboden aanvulling behelst van hetgeen partijen aan hun verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd zoals bedoeld in art. 24 Rv Pro.
Subonderdeel 3bklaagt dat het hof bij oordeel (i) heeft miskend dat de geheimhoudingsverplichting van art. 28 lid 1 Wet Pro Bibob ziet op alle gegevens die krachtens de Wet Bibob zijn verkregen, ook indien die gegevens (mede) zien op de betrokkene zelf.
Subonderdeel 4bvoert aan, voor zover van belang, dat de betrokkene op grond van art. 28 lid 2 sub a Wet Pro Bibob slechts recht heeft op de in art. 28 lid 2 Wet Pro Bibob bedoelde gegevens indien dit noodzakelijk is ter motivering van de naar aanleiding van het advies te nemen beslissing. In dit geval doet die situatie zich niet voor, aldus het subonderdeel.