Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De zaak
3.Het beslag bij de deken van de Orde van Advocaten
4.De beklagprocedure en de beschikking van de rechtbank
Aard en omvang van het verschoningsrecht
De verschillende grondslagen van het verschoningsrecht in relatie tot de toezichthoudende functie van de deken
maatschappelijke functievan een persoon of instelling – die niet direct betrekking heeft op een hulpverleningsrelatie met een cliënt – een verschoningsrecht kan worden toegekend. Ook al kan de grens tussen een beroep en een functie een vloeiende zijn, zal ik voor dit type verschoningsrecht in deze conclusie de term ‘functioneel verschoningsrecht‘ gebruiken, omdat deze term bij de analyse van de positie van de toezichthouders die zich in onderhavige beklagprocedures uitdrukkelijk beroepen op een uit hun functie voortvloeiend zelfstandig verschoningsrecht, goed aansluit. [30]
professioneelverschoningsrecht is in het Wetboek van Strafvordering in art. 218 verankerd Pro en toegekend aan hen die “uit hoofde van hun stand, hun beroep of hun ambt [31] tot geheimhouding verplicht zijn”. De wettelijke bepaling is breed geformuleerd en benoemt niet aan welke subjecten het verschoningsrecht wordt toegekend. In de jurisprudentie van de Hoge Raad is de kring van professioneel verschoningsgerechtigden beperkt tot de zogenaamde vertrouwensberoepen, waaronder advocaten, notarissen, artsen en geestelijken worden begrepen (‘het klassieke kwartet’). [32] De grondslag van het professioneel verschoningsrecht is gelegen in een in Nederland algemeen geldend rechtsbeginsel, dat meebrengt dat “bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden”. [33]
functioneelverschoningsrecht, formuleert de Hoge Raad het volgende beoordelingskader dat uit drie stappen bestaat:
Dit gebeurt doordat deze uitzonderingen in de bovengenoemde gevallen doelgebonden zijn en alleen gelden ten opzichte van degenen die belast zijn met het de uitoefening van het toezicht, de uitvoering van een tuchtrechtelijk vooronderzoek, de uitoefening van de tuchtrechtspraak en het uitvoeren van intercollegiale kwaliteitstoetsen. De binding van een uitzondering op de geheimhoudingsplicht aan specifieke doeleinden betekent dat indien een toezichthouder, een (voor)onderzoeker, de tuchtrechter of een kwaliteitstoetser kennis neemt van een cliëntdossier, op deze voor al hetgeen buiten deze doeleinden valt een afgeleide geheimhoudingsplicht rust, waaraan het verschoningsrecht is verbonden. Met deze waarborg wordt een zorgvuldige balans gevonden tussen het belang van een goed en effectief toezicht en het bevorderen van de integriteit en kwaliteit van de advocatuur enerzijds, en het maatschappelijk belang bij de geheimhoudingsplicht van de advocaat en de vertrouwelijkheid van diens relatie met zijn cliënt anderzijds.” [67]
nietis opgenomen: de wetgever achtte een verwijzing naar art. 218 Sv Pro in art. 45a lid 2 Advw niet nodig omdat de deken reeds uit hoofde van zijn beroep
als advocaateen verschoningsrecht toekomt. Hoewel bij de juistheid van deze redenering vraagtekens kunnen worden geplaatst [72] is van belang dat uit voormelde onder 5.31 geciteerde passage naar mijn mening in ieder geval kan worden opgemaakt dat de wetgever ook ten aanzien van de deken de bedoeling heeft gehad dat deze zich, net als de kwaliteitstoetser, vooronderzoeker of rapporteur zelfstandig kan beroepen op het verschoningsrecht ten aanzien van de informatie die hij als toezichthouder heeft verkregen.
45a, derde lid, 46m, derde lid, en 60d, eerste lid, naar het voorgestelde artikel 11a een geheimhoudingsplicht die gelijk is aan die van de advocaat en zijn medewerkers en ander personeel. In de jurisprudentie is het leerstuk ontwikkeld dat voor medewerkers van degenen die onder het verschoningsrecht vallen, en die geen zelfstandige geheimhoudingsplicht hebben, een afgeleid verschoningsrecht geldt.
Door het voorgestelde artikel 11a en de verwijzingen hiernaar in de genoemde overige artikelen van de Advocatenwet verkrijgen de daar genoemde personen een zelfstandige wettelijke geheimhoudingsplicht en kunnen zij zich beroepen op artikel 218 van Pro het Wetboek van Strafvordering.” [74]
al hetgeenwaarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening
ten behoeve van het houden van toezichtkennisneemt.
6.Het eerste middel
Overweging ten overvloede over de reikwijdte van het verschoningsrecht van de deken als toezichthouder
ten behoeve van het houden van toezichtkennisneemt. Hiervoor kwam ik onder 5.39 tot de conclusie dat dit op grond van de wetsgeschiedenis nog geen uitgemaakte zaak is.
Het tweede middel: is sprake van zeer uitzonderlijke omstandigheden die doorbreking van het verschoningsrecht van de deken rechtvaardigen?
medischverschoningsrecht. [90] Ten aanzien van het verschoningsrecht van advocaten en notarissen heb ik geen voorbeelden aangetroffen. AG Harteveld kwam in zijn conclusie van 8 december 2023 tot eenzelfde observatie. “In alle situaties waarin de doorbrekingsgrond tot dusver in de jurisprudentie is aangenomen, was de advocaat tevens verdachte en hield de inbeslagneming van voorwerpen daarmee rechtstreeks verband.” [91] In een voetnoot breidt hij deze bevinding uit tot het notariaat: “het aannemen van deze grond jegens een advocaat/notaris is vooralsnog, voor zover ik heb kunnen zien, zonder precedent.” [92]