ECLI:NL:PHR:2022:1048

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
11 november 2022
Zaaknummer
21/01468
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 302 SrArt. 6:166 BWArt. 6:102 BWArt. 6:7 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling voor openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel en schadevergoedingsmaatregel

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigde het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij de verdachte werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel en zware mishandeling. De straf bestond uit vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van het slachtoffer.

De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van in totaal €21.346,94, die deels werd toegewezen. Het hof stelde vast dat het letsel ernstig was, met een gedeeltelijk afgebeten oor waarvoor meerdere operaties noodzakelijk waren. Nieuwe schadeposten werden eveneens erkend en meegenomen in de schadevergoedingsmaatregel, die werd vastgesteld op €30.901,19 inclusief wettelijke rente.

In cassatie werd geklaagd over het ontbreken van een expliciete vermelding in het arrest dat betaling aan de Staat de betalingsverplichting jegens het slachtoffer vervult (alternatieve vergoedingsplicht) en over het niet vermelden van hoofdelijke aansprakelijkheid. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht niet hoefde te bepalen of sprake was van hoofdelijke aansprakelijkheid en dat het verzuim omtrent de alternatieve vergoedingsplicht niet tot vernietiging leidt.

Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bevestigd met straf en schadevergoedingsmaatregel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer21/01468

Zitting15 november 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 2 april 2021 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats [plaats] , van 11 april 2018 bevestigd, behalve voor wat betreft de kwalificatie, de opgelegde straf, de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde ] en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het hof heeft de verdachte wegens 1 en 2 primair “de eendaadse samenloop van openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft en zware mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde ] en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals nader in het arrest bepaald.
Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld. Namens de benadeelde partij [benadeelde ] heeft H. Sytema, advocaat te ’s-Gravenhage, daartegen een verweerschrift ingediend. Nadat vervolgens door de rolraadsheer een nadere termijn was toegekend voor het indienen van een aanvullende schriftuur, is namens de verdachte nog een aanvullend middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel heeft betrekking op de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het valt in twee deelklachten uiteen. De eerste deelklacht houdt in dat het hof heeft “verzuimd in zijn arrest op te nemen dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel een alternatieve vergoedingsplicht meebrengt, in die zin dat de verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van het slachtoffer indien en voor zover hij heeft voldaan aan één van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade”. De tweede deelklacht houdt in dat “het hof ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat verdachte van de beide betalingsverplichtingen eveneens zal zijn bevrijd indien en voor zover zijn mededader aan diens betalingsverplichting jegens of ten behoeve van de benadeelde partij zal hebben voldaan”, althans “ten onrechte niet [heeft] doen blijken te hebben onderzocht of in de vordering ook in de zaak van de ander gewezen uitspraak (gedeeltelijk) is toegewezen”.
4. Voordat ik overga tot een bespreking van beide deelklachten geef ik eerst de bewezenverklaring van het hof en aansluitend de voor deze bespreking van belang zijnde overwegingen van het hof weer.
5. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
“1.
op 18 december 2016 te [plaats] openlijk, te weten op de openbare weg, [a-straat] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde ] en [betrokkene 1] , welk geweld bestond uit
- het meermalen met kracht en met gebalde vuist slaan tegen het hoofd en het lichaam van die [benadeelde ] en/of die [betrokkene 1] en het tegen de grond geduwd houden van (het hoofd van) die [benadeelde ] en
- het meermalen -terwijl die [benadeelde ] , op de grond lag- met kracht schoppen tegen het hoofd, en
- het afbijten van een stuk van het (linker-)oor van die [benadeelde ] , welk door verdachte gepleegde geweld zwaar, lichamelijk letsel (een gedeeltelijk afgebeten/afgestorven oor) bij die [benadeelde ] ten gevolge heeft gehad;
2.
primair
hij 18 december 2016 te [plaats] aan een persoon, te weten [benadeelde ] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (gedeeltelijk) afbeten/afgestorven oor, heeft toegebracht door opzettelijk het hoofd van die [benadeelde ] tegen de grond geduwd te houden en
- een stuk van het (linker-)oor van die [benadeelde ] af te bijten.”
6. Het hof heeft in een aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van het letsel van het slachtoffer het volgende overwogen:
“Het hof stelt aan de hand van de gebezigde bewijsmiddelen vast dat door de verdachte aan het slachtoffer letsel is toegebracht, te weten een deels afgebeten oor. Dit letsel was van dien aard dat medisch ingrijpen, in de vorm van meerdere operaties ter reconstructie van het oor, noodzakelijk is gebleken. Uit de schriftelijke aanvullende vordering tot schadevergoeding en schadevergoedingsmaatregel van [benadeelde ] leidt het hof af dat er thans nog geen uitzicht is op volledig herstel, nu er nog operaties aan het oor dienen plaats te vinden.”
7. Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel:

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde ]
De benadeelde partij [benadeelde ] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 21.346,94, te vermeerderen met de wettelijke rente.
[…]
De rechtbank heeft bij het vonnis waarvan beroep de vordering gedeeltelijk toegewezen tot een bedrag van € 4.284,94, te weten € 1.784,94 aan materiële schade (jeans, shirt, eigen risico 2016, 2017 en 2018 en reiskosten in verband met ziekenhuisbezoek) en € 2.500,- aan immateriële schade. De rechtbank heeft de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering voor de meer gevorderde materiële schade en de vordering is ten aanzien van de meer gevorderde immateriële schade afgewezen.
[…]
De benadeelde partij [benadeelde ] heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van een schadevergoeding welke in totaal hoger is dan de vordering in eerste aanleg. De benadeelde partij dient voor dit hogere gedeelte van de vordering, groot € 9554,25, niet-ontvankelijk te worden verklaard.
[…]
Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 21.346,94 zal worden toegewezen.
Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente, zoals hierna opgenomen. […]
Het hof zal de verdachte, die als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde ]
Het hof ziet voorts aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente zoals hierna vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.
Verder heeft de benadeelde partij in hoger beroep nieuwe schadeposten opgevoerd, te weten de na het vonnis waarvan beroep gemaakte reiskosten ten behoeve van ziekenhuisbezoeken in de periode van 5 juni 2018 tot en met 11 maart 2020 ad € 496,50, eigen risico over de jaren 2019 en 2020 - in totaal € 632,75 - en een aanvullende vordering studievertraging ad € 8.425,-. Het totaal van deze schadeposten bedraagt € 9.554,25.
Deze kosten zijn naar het oordeel van het hof het rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Het hof acht deze posten voldoende onderbouwd en aannemelijk geworden. De verdachte is dan ook naar burgerlijk recht aansprakelijk voor deze schade. Het hof zal ook hiervoor de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Gelet op het vorenoverwogene ziet het hof aanleiding om aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen tot een bedrag van (€ 21.346,94 + € 9.554,25 =) € 30.901,19, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals hierna opgenomen.
Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor de duur van ten hoogste 189 dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.
[…]

BESLISSING

[…]

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde ]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde ] ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 21.346,94 (eenentwintigduizend driehonderdzesenveertig euro en vierennegentig cent) bestaande uit € 11.346,94 (elfduizend driehonderdzesenveertig euro en vierennegentig cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de. datum van deze uitspraak begroot op nihil.
[…]
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Schadevergoedingsmaatregel [benadeelde ]

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde ] , ter zake van het onder 1 en 2 primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 30.901,19 (dertigduizend negenhonderdéén euro en negentien cent) bestaande uit € 20.901,19 (twintigduizend negenhonderdéén euro en negentien cent) materiële schade en € 10.000,00 (tienduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 189 (honderdnegenentachtig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.”
De eerste deelklacht
8. De eerste deelklacht houdt – kort gezegd – in dat het hof heeft verzuimd in zijn arrest op te nemen dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel een alternatieve vergoedingsplicht meebrengt.
9. Bij de beoordeling van deze klacht moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest over de vordering van de benadeelde partij van 28 mei 2019 het volgende heeft overwogen: [1]
“Indien voor dezelfde schade zowel de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen als de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, dient de rechter in de uitspraak op te nemen dat de verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van het slachtoffer indien en voor zover hij heeft voldaan aan één van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade.” [2]
10. In de onderhavige zaak was in het vonnis in eerste aanleg bepaald dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
11. Het hof heeft het vonnis waarvan beroep vernietigd ten aanzien van (onder meer) de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, in zoverre opnieuw recht gedaan en het vonnis waarvan beroep voor het overige bevestigd. Het hof heeft wat betreft de vordering tot schadevergoeding opnieuw beslist ten aanzien van de hoogte van het toegewezen bedrag vermeerderd met wettelijke rente, de kostenverdeling, de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade en de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering voor het overige. Daarnaast heeft het hof aan de verdachte een (hogere) schadevergoedingsmaatregel opgelegd, de maximale duur van de gijzeling bepaald, bepaald dat toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft en de aanvangsdata van de wettelijke rente voor de materiële en immateriële schade bepaald.
12. De advocaat van de benadeelde partij heeft in het verweerschrift in cassatie kort gezegd aangevoerd dat het hof de beslissing over de alternatieve vergoedingsplicht niet in zijn arrest hoefde op te nemen, omdat het hof het vonnis van de rechtbank op dit punt heeft bevestigd. Volgens de advocaat van de benadeelde partij heeft de vernietiging van het vonnis alleen betrekking op de beslissing op de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en niet op de beslissing over de alternatieve vergoedingsplicht.
13. Ik meen dat aan de beslissing over de alternatieve vergoedingsplicht geen zelfstandige betekenis toekomt. Een dergelijke beslissing kan immers niet los worden gezien van het oordeel over de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Door het vonnis te vernietigen ten aanzien van de beslissing over de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, heeft het hof ook de beslissing vernietigd dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
14. Het hof heeft vervolgens verzuimd in zijn arrest op te nemen dat de verdachte is gekweten van zijn plicht tot schadeloosstelling van het slachtoffer indien en voor zover hij heeft voldaan aan één van de hem opgelegde wijzen van vergoeding van de door het slachtoffer geleden schade. Het middel klaagt daarover terecht.
15. Dit verzuim hoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. [3] De Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelf afdoen en verstaan dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere in zoverre vervalt.
De tweede deelklacht
16. De tweede deelklacht houdt in dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te bepalen dat ten aanzien van de toegewezen vordering van de benadeelde partij en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de verdachte van de beide betalingsverplichtingen bevrijd zal zijn indien en voor zover zijn mededader aan diens betalingsverplichting jegens of ten behoeve van de benadeelde partij zal hebben voldaan, althans dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken te hebben onderzocht of de vordering in de zaak van de ander gewezen uitspraak (gedeeltelijk) ook is toegewezen.
17. Met betrekking tot hoofdelijke aansprakelijkheid heeft de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest over de vordering van de benadeelde partij van 28 mei 2019 het volgende vastgesteld: [4]
“Hoofdelijke aansprakelijkheid bestaat indien en voor zover meerdere personen verplicht zijn tot vergoeding van dezelfde schade (art. 6:102 BW Pro), hetgeen doorgaans het geval is indien de schade is ontstaan door onrechtmatige gedragingen van twee of meer personen. […] Indien de rechter oordeelt dat sprake is van hoofdelijkheid moet hij dit bij de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel tevens in het dictum tot uitdrukking brengen. Aldus wordt duidelijk dat de door de wet aan hoofdelijkheid verbonden gevolgen – waaronder de bevrijding van de schuldenaar in geval van betaling door een medeschuldenaar (art. 6:7, tweede lid, BW) – intreden.
[…]
Indien sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid kan ook de schadevergoedingsmaatregel voor het totale schadebedrag worden opgelegd. Zoals hiervoor onder 2.6 is overwogen dient eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel tot uitdrukking te worden gebracht.” [5]
18. Ik lees deze overwegingen van de Hoge Raad aldus dat de rechter, indien hij in de aan het dictum voorafgaande overwegingen heeft vastgesteld dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, in het dictum moet opnemen dat daarvan sprake is. De rechter is daarmee niet verplicht vast te stellen of sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid, maar als hij in zijn uitspraak oordeelt dat dit wel het geval is, moet hij dit oordeel ook in het dictum tot uitdrukking brengen. Hieruit volgt eveneens dat de rechter niet hoeft na te gaan of de vordering in de zaak van een medeverdachte is toegewezen.
19. Een dergelijke uitleg van het overzichtsarrest is in lijn met de inhoud van de conclusies die mijn (voormalige) ambtgenoten in de afgelopen decennia met betrekking tot dit onderwerp hebben genomen. [6] Deze conclusies bevatten kort gezegd het standpunt dat de rechter niet gehouden is (ambtshalve) met hoofdelijke aansprakelijkheid rekening te houden, aangezien hoofdelijke aansprakelijkheid voortvloeit uit de wet. De Hoge Raad deed deze zaken steevast af met art. 81 RO Pro. [7]
20. In de onderhavige zaak heeft het hof in de overwegingen voorafgaand aan het dictum niet vastgesteld dat sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid. Gelet hierop, was het hof niet gehouden in het dictum te vermelden dat de verdachte van de betalingsverplichtingen bevrijd zal zijn indien en voor zover zijn mededader aan diens betalingsverplichtingen jegens of ten behoeve van de benadeelde partij zal hebben voldaan. Aangezien het hof niet verplicht was te bepalen of sprake was van hoofdelijke aansprakelijkheid, hoefde het evenmin vast te stellen of de vordering in een eventuele zaak tegen een medeverdachte ook was toegewezen of dat door betaling door een mededader de betalingsverplichting van de verdachte vervalt. De verdediging heeft geen van deze punten overigens in eerste aanleg of in hoger beroep aan de orde gesteld.
21. Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Het aanvullende middel

22. Het middel bevat de klacht dat het arrest is gewezen door één of meer raadsheren die onjuist is of zijn beëdigd, zodat het arrest nietig dient te worden verklaard en de zaak naar het hof dient te worden teruggewezen.
23. Het middel faalt op de gronden als vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438.

Slotsom

24. Het middel is tevergeefs voorgesteld. Het aanvullende middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 lid 1 RO Pro bedoelde motivering.
25. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
26. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Met weglating van voetnoten.
2.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
3.Vgl. HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV2855, r.o. 2.3 en 6 en HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797,
4.Met weglating van voetnoten.
5.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
7.Zie HR 29 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8820, r.o. 3; HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9864, r.o. 2; HR 13 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3794, r.o. 2; HR 18 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:705, r.o. 2; HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1281, r.o. 4.