Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bevestigde het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarbij de verdachte werd veroordeeld voor openlijke geweldpleging met zwaar lichamelijk letsel en zware mishandeling. De straf bestond uit vijf maanden gevangenisstraf, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd een schadevergoedingsmaatregel opgelegd ten behoeve van het slachtoffer.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van in totaal €21.346,94, die deels werd toegewezen. Het hof stelde vast dat het letsel ernstig was, met een gedeeltelijk afgebeten oor waarvoor meerdere operaties noodzakelijk waren. Nieuwe schadeposten werden eveneens erkend en meegenomen in de schadevergoedingsmaatregel, die werd vastgesteld op €30.901,19 inclusief wettelijke rente.
In cassatie werd geklaagd over het ontbreken van een expliciete vermelding in het arrest dat betaling aan de Staat de betalingsverplichting jegens het slachtoffer vervult (alternatieve vergoedingsplicht) en over het niet vermelden van hoofdelijke aansprakelijkheid. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht niet hoefde te bepalen of sprake was van hoofdelijke aansprakelijkheid en dat het verzuim omtrent de alternatieve vergoedingsplicht niet tot vernietiging leidt.
Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.