Conclusie
1.Feiten en procesverloop
“het belang van [de zoon] vereist dat een einde komt aan de strijd tussen de moeder, de pleegouders en de GI, dat op zo kort mogelijke termijn [de zoon] opvoedperspectief duidelijk is en dat de voor hem dringend noodzakelijk hulp wordt in gezet.”Sinds die beschikking is die strijd echter zeker niet minder geworden en met het verlenen van de noodzakelijke hulp is pas in oktober 2021 met de plaatsing bij De Aventurijn een aanvang gemaakt. Er is, naar het oordeel van het hof, mede ook door de houding van de moeder veel te veel kostbare tijd verstreken en het is in strijd met het belang van [de zoon] om nog langer onzekerheid over zijn perspectief te laten bestaan. Een contra-expertise acht het hof om die redenen in strijd met het belang van [de zoon] en het daartoe strekkende verzoek ex artikel 810a Rv zal dan ook worden afgewezen.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
aanvaardbaar te achten termijn.
b. Als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarbij in beginsel geen juiste maatregel.
c. In die gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend.
d. De enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij toewijzing van het verzoek tot beëindiging van het gezag.”
“Het hof heeft na een afweging van de belangen van de minderjarige en die van de moeder geoordeeld dat in de gegeven omstandigheden het belang van de minderjarige bij duidelijkheid, continuïteit en een ongestoord hechtingsproces zwaarder weegt dan het belang van de moeder. Het hof heeft niet miskend dat uit art. 8 EVRM Pro en de uitspraak Strand Lobben voortvloeit dat een echte afweging moet worden gemaakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s), maar heeft deze afweging gemaakt. Het hof heeft, zoals uit het vorenstaande volgt, zijn oordeel niet slechts gegrond op het tijdsverloop sinds de minderjarige zich bij de pleegmoeder bevindt. Het heeft voorts de mogelijkheid van hereniging van de minderjarige met de moeder serieus in overweging genomen. Het oordeel van het hof is toereikend gemotiveerd. Voor het overige is het oordeel van het hof van feitelijke aard en kan het in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.”
De zorgen binnen de rechtspraak over de jeugdzorg zijn groot. [20] Door een tekort aan onder andere gezinsvoogden komt de noodzakelijke zorg niet altijd goed van de grond. In de onderhavige zaak onderkent het hof dat er sprake is van de situatie dat te weinig lijkt te zijn gewerkt aan thuisplaatsing van het kind en de GI in dat aspect niet vrij is van alle blaam [21] , maar dat de moeder hierin eveneens een zeer groot en mogelijk bepalend aandeel heeft gehad door de afgelopen zes jaar in een strijdmodus te verkeren en blijven hangen. [22] Uit een recent WODC onderzoek blijkt dat de doelen van de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen (in werking getreden 1 januari 2015) maar heel beperkt worden gerealiseerd. Dat komt door tekortkomingen in de wet zelf, maar het ligt voor een belangrijk deel ook aan de context van het jeugdbeschermingsstelsel. Zo zorgen de problemen als gevolg van de decentralisatie van de jeugdhulp ervoor dat de wet niet uit de verf komt. Noodgrepen en urgente actie zijn noodzakelijk concluderen onderzoekers van de Universiteit Leiden in de wetsevaluatie die zij in opdracht van het WODC uitvoerden. De onderzoekers hebben aanbevelingen geformuleerd voor onder andere de rechtsgronden voor de ondertoezichtstelling (OTS), rechtsbescherming van ouders en jeugdigen, de transparantie van de uitvoering van de OTS en het ingewikkelde jeugdbeschermingsstelsel. [23]
subonderdelen 2.1.1, 2.1.2, 2.1.3, richten zich - in de kern - erop dat vanwege de continuïteit van [de zoon] huidige gezinssituatie bij de pleegouders het gezag van de moeder zou zijn beëindigd en dat dit geen dragende overweging zou zijn, althans de in rov. 5.4-5.7 gegeven overwegingen niet een duidelijke of begrijpelijke motivering bevatten, mede omdat louter tijdsverloop nooit het opleggen van kinderbeschermingsmaatregelen mag bewerkstelligen of rechtvaardigen en ook de evenredigheidseis is miskend. Het middel stelt ook dat door het hof ten onrechte geen kenbare aandacht is besteed aan grief V [24] en grief VI [25] waarin - kortweg - is gesteld dat de aanvaardbare termijn niet is verstreken, omdat [de zoon] naar huis wil, hij niet op zijn plek zit en het onbetwist slechter gaat met hem en moeder opvoedingsvaardigheden bezit gelet op de rapportages, zodat te vroeg het perspectief is verlegd (grief V) en dat ten onrechte is geoordeeld door de rechtbank dat het feit dat kostbare tijd is verloren, de beslissing niet anders maakt (grief VI).
Subonderdeel 2.2.2voegt daaraan toe dat grief I niet kenbaar bij de beoordeling is betrokken, namelijk dat het raadsonderzoek onzorgvuldig en onvolledig is en niet ingaat op de vereisten voor het ouderschap zoals vervat in 1:247 BW. [27] Ook zou ten onrechte de beëindiging voor alles gebaseerd zijn op de hulpvragen van [de zoon] en het niet tot stand komen van adequate zorg- en hulpverlening.
binneneen voor de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn voor terugplaatsing. Die termijn is voor [de zoon] na circa zes jaar ruimschoots verstreken, zodat de vraag of moeder de juiste opvoedvaardigheden heeft of specifieke zorg aan [de zoon] kan leveren niet (meer) relevant is. Na de verstreken jaren in het perspectief biedende pleeggezin, de verrichte onderzoeken, de vele wisselingen in het jeugdbeschermingstraject en de strijdmodus van moeder die maakt dat de samenwerking met de GI’s moeizaam is verlopen zodat mede daarom het hulpverleningstraject voor [de zoon] niet op gang kon komen, konden rechtbank en hof tot het oordeel komen dat het belang van [de zoon], dat onder meer ziet op zekerheid krijgen over zijn toekomstperspectief en hulp voor zijn problematiek, zwaarder weegt dan het belang van moeder.
subonderdeel 2.3.4klaagt de moeder dat het hof niet voorbij kon gaan aan de grieven III [28] en IV [29] en de moeder ten onrechte als een niet meewerkende moeder die zelfs alle schuld zou hebben aan het niet tot stand komen van zorg- en hulpverlening (en daarmee een mogelijke gezinshereniging) hebben weggezet. Daarbij zou het Hof hebben miskend dat er door toedoen van de G.I. veel (wel passende) hulpverlening niet is ingezet of doorgezet.
2.3.4slagen op grond van het voorgaande niet.
subonderdelen 2.4.1en 2.4.2 noemt het middel een aantal feiten die het hof bij zijn beoordeling had dienen te betrekken en die met zich meebrengen dat de belangen van [de zoon] zich er juist tegen verzetten om - na het verstrijken van een aanzienlijke periode - zijn feitelijke gezinssituatie bij de pleegouders voort te zetten. [31] De pleegouders zouden niet bij machte zijn gebleken om effectief ouderlijk gezag over [de zoon] uit te oefenen, zodat continuïteit bij het pleeggezin - in plaats van gezinshereniging - onder deze omstandigheden geen doelstelling kan zijn ten behoeve van de ontwikkeling van het kind.
naar omstandighedengoed in het pleeggezin ontwikkelt en de raad het schadelijk acht voor [de zoon] om verandering in deze situatie te brengen en de stabiliteit te doorbreken. [32]
subonderdelen 2.4.1en
2.4.2slagen derhalve niet.
specifiek nader onderzoekzijn belangen zou schaden.
subonderdeel 2.5faalt.