Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
het hof begrijpt: [betrokkene 1])
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 10 april 2017 (ongenummerd).
(het hof begrijpt: [telefoonnummer 2] )is van mij.
als mededeling van voornoemde verbalisant:
als mededeling van voornoemde verbalisanten:
als mededeling van voornoemde verbalisant:
als mededeling van voornoemde verbalisant:
verdachte:
- 400 Turkse Lira (IBN J.05.02.001.001)
- 155 Roemeense Lei (IBN J.05.02.001.002)
- 1200 Dirham van de VAB (IBN J.05.02.001.003)
- V: Herkent u deze goederen?
- A: Ja, die zijn van mij
- In de hal werd op het tafeltje een Rolex horloge (IBN J.01.01.001) aangetroffen. Wij tonen de verdachte foto 23.
getuige [betrokkene 2] :
[AG: een blik over de papieren muur wijst uit dat de juiste naam van de eigenaar/verhuurder van de woning is [betrokkene 5] ].
[AG: een blik over de papieren muur wijst uit dat met [betrokkene 5] wordt bedoeld de verhuurder, [betrokkene 5] ]verklaart bij zijn verhoor dat de woning verhuurd was aan [betrokkene 2] en [betrokkene 4] , en later alleen aan [betrokkene 2] .
[verdachte] was ook niet altijd in de woning. Hij was daar soms met een meisje.Het is daarom [betrokkene 3] ook toegestaan om af en toe in de woning te verblijven. Wij deelden de kosten met zijn drieën. U vraagt mij of [betrokkene 5] van [betrokkene 3] op de hoogte was. Ja. Ik heb [betrokkene 5] altijd van alles op de hoogte gehouden. [betrokkene 5] is ook een paar keer in de woning langs geweest en hij heeft toen [betrokkene 3] ook gesproken”.
dat hij eind 2014 nog in die woning is geweest en toen [betrokkene 3] in de woning heeft gezien. Hij kon niet zeggen wie het meeste in de woning was.Op pag. 3, 6e alinea van dat verhoor verklaart hij:
“U vraagt mij of ik na eind 2014 nog contact met [verdachte] heb gehad. Nee. U vraagt mij of het mij bekend is tot wanneer [verdachte] in die woning heeft verbleven. Nee”. Op pagina 4, 1e alinea verklaart [betrokkene 2] , dat slaapkamer 2 zijn slaapkamer was.
[AG: zelf]en (de verklaring van) de verdachte, terwijl [betrokkene 1] met betrekking tot die woning op alle vragen zich beroept op zijn zwijgrecht. In elk geval, uit de verklaring van [betrokkene 2] volgt, dat hij altijd de toegang heeft gehad tot die woning en dat hij eind 2014 alleen [betrokkene 3] in de woning heeft gezien, na eind 2014 geen contact te hebben gehad met verdachte en niet wist tot wanneer verdachte in die woning verbleven heeft en kamer 2 zijn eigen kamer was.
Bewijsoverweging
3.Het eerste middel
NJ2020/251, m.nt. H.J.B. Sackers, heeft de Hoge Raad voor het “voorhanden hebben” van een wapen en/of van munitie
[AG: hierna door mij gezamenlijk ook wel aangeduid als ‘wapentuig’]het volgende beoordelingskader geformuleerd:
een anderdan de verdachte het wapen en de munitie in de slaapkamer van de woning heeft gelegd en dat de verdachte daarvan geen wetenschap had. Aangevoerd wordt (i) dat de kast waarin het wapen en de munitie zijn aangetroffen, toegankelijk was voor anderen, (ii) dat op het adres verschillende personen woonden en de woning ook door verschillende personen werd bezocht, (iii) dat de verdachte slechts sporadisch en op uitnodiging in de woning aanwezig was en (iv) dat op het wapen DNA-sporen zijn aangetroffen die niet matchen met het DNA-profiel van de verdachte.
enigebewoner van de woning was en dat hij het huis huurde van een vriend (zie hiervoor onder randnr. 2.2. bewijsmiddel 3), (b) deze verklaring van de verdachte overeenkomt met de verklaring van de getuige [betrokkene 2] , die heeft verklaard dat de verdachte de woning van hem heeft (onder)gehuurd en feitelijk in het pand verbleef (bewijsmiddel 9), (c) elders in de woning spullen van de verdachte zijn aangetroffen, namelijk een Rolex-horloge en een money transferticket op een kastje in de hal (onderdeel van bewijsmiddel 4, hiervoor onder randnr. 2.5. niet opgenomen) en (d) de verdachte een telefoongesprek heeft gevoerd waarin hij heeft gezegd dat [a-straat 1] zijn adres is (bewijsmiddel 2 en 3). Het hof voegt hieraan toe dat het feit dat op het vuurwapen geen DNA-sporen zijn aangetroffen die matchen met het DNA-profiel van de verdachte – in het licht van de genoemde bewijsmiddelen – niet tot een ander oordeel leidt.
anderepersonen dan de verdachte in de woning hebben verbleven (bewijsmiddel 9), dat de koffer met de ID-kaart van de verdachte
open niet in de kast lag waar het wapen is gevonden (bewijsmiddel 4) en dat
indie kast geen eigendommen van de verdachte zijn aangetroffen. “(D)e bewijsmiddelen en de bewijsoverweging (laten) de mogelijkheid open c.q. in het midden (…) dat anderen dan verzoeker het wapen en de munitie in de kast hebben gelegd zonder dat verzoeker enige wetenschap heeft gehad daarvan.” Nu het bij een ontkennende verdachte bij de beoordeling van de toereikendheid van de bewijsconstructie inzake het voorhanden hebben van een wapen aankomt op de vindplaats van het wapen én de mate waarin een ‘alternatieve bezitter’ in beeld is gekomen (zie hiervoor onder randnr. 3.4.), volgt uit het voorgaande dat in de onderhavige zaak de bewijsvoering, en in het bijzonder de bewijsmotivering, op beide punten tekortschiet. [7] Het oordeel van het hof dat de verdachte het wapen en de munitie voorhanden heeft gehad, is niet zonder meer begrijpelijk.
4.Het tweede middel
Oplegging van straf
NJ2011/411, m.nt. M.J. Borgers geen enkel misverstand over laten bestaan dat art. 7 lid 1 EVRM Pro niet in de weg staat aan de in het middel gewraakte werkwijze van het Amsterdamse hof. Het oordeel van het hof dat de Amsterdamse oriëntatiepunten op het onderhavige geval van toepassing zijn, is dan ook niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Ook het tweede onderdeel van het middel gaat niet op.