Conclusie
Beste [eiser] , Je salaris voor september is al door [A] verwerkt. Je ziet hierbij ook de salarisstrook voor september. Dit houdt in dat je netto 2925.58 over ku[n]
t maken als netto loon uit je BV naar je privébankrekening, De komende maanden (voor het jaar 2008) zal het netto-salaris niet wijzigen dus je kunt in principe nu eenmalig een bedrag van € 2925,58 over maken met alls omschrijving (netto loon Fizzy-Bizzy[lees: Fizzy-Bizz, A-G]
) en voor de maanden oktober, november en december hier een automatische overmaking van maken.
28-1-2008 Met [eiser] gesproken Als duidelijk is hoe we het doen met b.v. management-fee verrekenen wij dit salaris als voorschot."
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1dat het hof het Participatiewet-arrest heeft miskend. Dat zou in het bestreden arrest (onder andere) tot uitdrukking komen in het volgens [eiser] in het licht van het Participatiewet-arrest [5] onjuiste oordeel in rov. 3.5 dat in dit geding (alleen) de vraag centraal zou staan of de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2008 met wederzijdse instemming geëindigd is en in dat geval geen aanspraak op loon zou bestaan.
of tussen partijen nog een arbeidsovereenkomst bestaat.In dat kader heeft het hof de concreet geformuleerde grieven beoordeeld, waarbij hetgeen verder in de memorie van grieven is aangevoerd is beschouwd als toelichting op die grieven. Hetgeen [eiser] in dat verband heeft aangevoerd ten aanzien van (de vermeende miskenning van) het ondernemings- en vennootschapsrecht is niet relevant
voor de vraag of tussen [eiser] en Treffina in de loop van 2008 overeenstemming heeft bestaan over het beëindigen van hun arbeidsovereenkomst.In elk geval is dat niet van doorslaggevend belang en vindt het hof daarin geen grond om anders te oordelen dan hiervoor. […].” [Onderstrepingen A-G]
nietzien op de vraag of de arbeidsovereenkomst is beëindigd, irrelevant zijn, maar ook uit andere overwegingen, waaronder rov. 3.12.1 (grieven I, II, IV en V zijn volgens het hof irrelevant voor de vraag of de bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2008 is beëindigd) en rov. 3.12.7 ( [eiser] heeft ‘vrijwel niets’ overgelegd dat substantieert dat hij, ondanks de uitvoerig onderbouwde stellingname van Treffina dat partijen bedoeld hebben de destijds bestaande arbeidsovereenkomst te beëindigen, toch gedurende bijna 10 jaar de met management fees gefactureerde werkzaamheden op basis van de oude, bestaande arbeidsovereenkomst in loondienst van Treffina is blijven uitvoeren). Dat [eiser] dit in de hiervoor eerstbedoelde zin van ‘opnieuw een arbeidsovereenkomst’ bedoelt in subonderdeel 1.1, volgt uit de passage in de eerste alinea van de klacht dat “(…) het hof ten onrechte niet [heeft] onderzocht of de rechtsverhouding tussen [eiser] en Treffina die in de plaats kwam van de met ingang van 1 september 2008 beëindigde rechtsverhouding voldoet aan de criteria van een arbeidsovereenkomst in art. 7:610 BW Pro (arbeid, loon, gezag). Onjuist is ’s hof[s] oordeel in rov. 3.5 dat in dit geding (slechts) de vraag centraal zou moeten staan of de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2008 met wederzijdse instemming geëindigd is en dat “
in dat geval” geen aanspraak op loon meer zou bestaan.” Daarmee zou volgens de klacht het Participatiewet-arrest zijn geschonden.
vanaf1 september 2008
opnieuwsprake was van een arbeidsovereenkomst, moet eerst de uitleg van de grieven van het hof van tafel, omdat in cassatie niet méér aan de orde kan komen dan in hoger beroep aan de orde was [9] . Dat lukt niet met deze rechtsklacht, omdat de Hoge Raad hier is gehouden uit te gaan van deze aldus in cassatie niet bestreden uitleg van de omvang van de rechtsstrijd in appel [10] .
vanaf1 september 2008
opnieuwsprake was van een arbeidsovereenkomst. Ook zo komen we niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de reikwijdte van het Participatiewet-arrest.
subonderdeel 1.2niet tot cassatie leiden, omdat daar als uitgangspunt wordt genomen de situatie dat het hof
nietzou hebben miskend dat het moest beoordelen of de na 1 september 2008 tussen [eiser] en Treffina bestaande rechtsverhouding voldeed aan de criteria van een arbeidsovereenkomst. Zoals uit de bespreking van subonderdeel 1.1 volgt, hoefde het hof daar geen oordeel over te geven in deze procedure.
Haviltex-maatstaf moet worden gebruikt. In het algemeen kunnen ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden nadat een rechtshandeling is verricht, medebepalend zijn voor de uitleg daarvan [14] . Het is in deze context ook alleszins begrijpelijk dat het hof stilstaat bij de bedoeling van partijen, omdat het bij uitleg aan de hand van de
Haviltex-maatstaf van belang is – en zelfs volstaat [15] – dat kan worden vastgesteld dat partijen een gemeenschappelijke bedoeling hadden. Van in strijd handelen met het Participatiewet-arrest is zo bezien helemaal geen sprake.
voor het geval dat:
subonderdeel 2.1richt [eiser] verschillende rechtsklachten tegen rov. 3.8. Het hof heeft daar, aldus het subonderdeel, geoordeeld dat de rechtsverhouding tussen [eiser] en Treffina vanaf 1 september 2008 geen arbeidsovereenkomst is omdat vanaf 1 september 2008 geen sprake meer is geweest van loon in de zin van art. 7:610 BW Pro. De klachten die [eiser] vervolgens formuleert, gaan uit van deze lezing. Ik zal hierna toelichten dat dit een verkeerde lezing is en dat de klachten daarom feitelijke grondslag missen.
vanaf1 september 2008 heeft gekwalificeerd en geoordeeld dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst omdat het ontbreken van het element loon daaraan in de weg zou staan.
subonderdeel 2.2richt [eiser] motiveringsklachten tegen rov. 3.8. Een toereikende motivering ontbreekt, omdat het hof niet (voldoende) op de volgende essentiële stellingen van [eiser] zou hebben gerespondeerd:
subonderdeel 3.1richt [eiser] een rechtsklacht tegen rov. 3.10 vanaf de tweede volzin, waar het hof volgens het subonderdeel heeft miskend dat voor de vraag of is voldaan aan het criterium gezag in art. 7:610 BW Pro beslissend is of de werkzaamheden van de werknemer ( [eiser] ) organisatorisch zijn ingebed en of zijn werkzaamheden een wezenlijk onderdeel uitmaken van de bedrijfsvoering (
core business) van de werkverschaffer (Treffina), en dat hierbij bijzondere betekenis toekomt aan de economische realiteit, namelijk of degene die arbeid verricht echt zelfstandig was, dan wel sprake was van schijnzelfstandigheid (bevindt degene die werkzaamheden verricht zich in een afhankelijkheidsrelatie tot de werkverschaffer).
startpunt” bij invulling van het gezagscriterium moet zijn dat het gaat om organisatorische inbedding van het werk in de zin dat het werk moet zijn ingebed in de organisatie van de werkverschaffer [29] . Uit de rechtspraak van de civiele kamer van de Hoge Raad volgt echter nog niet dat wordt aangesloten bij deze notie van ‘organisatorische inbedding’ [30] .
subonderdeel 3.2richt [eiser] een rechtsklacht tegen oordelen uit rov. 3.10 die, geparafraseerd, inhouden (i) dat wil er na 1 september 2008 sprake zijn van een arbeidsovereenkomst, er na 1 september 2008 een gezagsverhouding zou moeten zijn die “
zo vergaand” van aard was, en vergaand ingreep in de (afgeleide) managementbevoegdheden van [eiser] , dat van een arbeidsovereenkomst gesproken kan worden en (ii) dat [eiser] omstandigheden zou hebben moeten stellen die zouden kunnen leiden tot het oordeel dat de gezagsverhouding tussen Treffina en [eiser] “
van dien aard” was dat “
ondanks alle andere omstandigheden” (toch) van een arbeidsovereenkomst gesproken zou kunnen worden. [eiser] klaagt dat het hof daarmee een onjuiste, want te strenge maatstaf heeft aangelegd voor het aannemen van een arbeidsrechtelijke gezagsverhouding.
Subonderdeel 4.1bevat een inleiding waarna de klachten in subonderdelen
4.1.1 t/m 4.1.3zijn uitgewerkt. Deze klachten zouden kort kunnen worden afgedaan bij gebrek aan belang, nu tegen het zelfstandig dragende oordeel in rov. 3.12.7 dat sprake is van een onvoldoende gesubstantieerd verweer van [eiser] dat het de bedoeling van partijen was de arbeidsovereenkomst in 2008 te beëindigen en dat hetgeen daarover wel is aangevoerd in de vorm van doorbetaling bij ziekte en inschakeling van de Arbodienst van Treffina daartoe onvoldoende is. Ik bekijk de klachten evenwel ook inhoudelijk nu.
subonderdeel 4.1.1dat voor zover het ziekteperiode-oordeel berust op het oordeel dat wanneer Fizzy-Bizz bij ziekte van [eiser] “op andere wijze dan via [eiser] ” in de nakoming van de managementovereenkomst blijft voorzien, zij ook onverminderd aanspraak blijft behouden op managementvergoedingen, dit in strijd komt met art. 24 Rv Pro en/of berust op een onbegrijpelijke uitleg van Treffina’s stellingen. Daartoe wordt betoogd dat Treffina dit niet aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd en dat als het hof Treffina’s stellingen wel zo heeft uitgelegd, die uitleg onbegrijpelijk is.
subonderdeel 4.1.2dat het ziekteperiode-oordeel onvoldoende gemotiveerd is voor zover het berust op het oordeel dat Fizzy-Bizz niet als partij in dit geding is betrokken en Fizzy-Bizz zich daarom niet zou kunnen uitlaten over haar motieven om bij ziekte toch fees aan Treffina te blijven factureren. Betoogd wordt dat het hof niet heeft gerespondeerd op [eiser] ’ stelling dat de bij Treffina werkzame [betrokkene 1] tot april 2018 de facturen van Fizzy-Bizz voor de managementfees opstelde, waarin besloten ligt dat niet Fizzy-Bizz maar Treffina in de periode van ziekte van [eiser] de facturen voor managementfees opmaakte en in de boekhouding van Treffina voegde. Dit maakt volgens de klacht dat Treffina kon verklaren waarom zij tijdens de periode van ziekte van [eiser] facturen van Fizzy-Bizz bleef opmaken en betalen.
subonderdeel 4.1.3dat het ziekteperiode-oordeel onvoldoende is gemotiveerd voor zover het is gebaseerd op het oordeel dat Treffina haar Arbodienst heeft ingeschakeld omdat zij belang had bij herstel van [eiser] , omdat hij een managementfunctie bij Treffina vervulde. Het subonderdeel voert daartoe aan dat het hof niet heeft gerespondeerd op de volgende essentiële stellingen van [eiser] :
waaromTreffina tijdens ziekte van [eiser] vergoedingen aan Fizzy-Bizz is blijven betalen. Het ziekteperiode-oordeel rust echter niet alleen op het oordeel dat wanneer Fizzy-Bizz bij ziekte van [eiser] op andere wijze dan via [eiser] in de nakoming van de managementovereenkomst blijft voorzien, Fizzy-Bizz ook onverminderd aanspraak zou houden op de managementvergoedingen. Het ziekteperiode-oordeel rust (juist ook) op het daaropvolgende oordeel in rov. 3.9 dat doorbetaling van vergoedingen aan
Fizzy-Bizztijdens ziekte van [eiser] nog niet betekent dat Treffina daar op grond van een arbeidsovereenkomst jegens [eiser] toe verplicht was. Dit is een zelfstandig dragende overweging voor het ziekteperiode-oordeel. Er kunnen verschillende redenen zijn waarom Treffina Fizzy-Bizz is blijven doorbetalen, waaronder de mogelijkheid (die het hof veronderstellenderwijs lijkt aan te nemen) dat Fizzy-Bizz op een andere wijze dan via [eiser] in de nakoming van de overeenkomst van opdracht (de managementovereenkomst) is blijven voorzien. Dat het hof niet heeft vastgesteld dat dit feitelijk de reden was, doet volgens mij niet ter zake. Het punt is dat in het licht van alle andere feiten en omstandigheden er geen reden is om te oordelen dat Treffina is blijven doorbetalen met als reden dat zij daartoe verplicht was op grond van een arbeidsovereenkomst. De klacht van subonderdeel 4.1.1 faalt daarmee bij gebrek aan belang.
op grond van een bestaande arbeidsovereenkomstdaartoe verplicht zou zijn.