Conclusie
Het cassatieberoep zie ik geen doel treffen bij gebrek aan feitelijke grondslag en omdat geen sprake is van ontoereikende motivering, zeker niet in het licht van de grote mate van vrijheid voor de feitenrechter bij bewijswaardering en zijn beperkte motiveringsplicht op dat punt.
28 september 1000,- betaald.
per bank € 1500.00per keer aan [eiser] hebben terugbetaald voor de lening die hij bij ons, ( [de vader] en [de moeder] ) heeft gedaan op 14 juli 2016.
in contanten, waar [eiser] het over heeft, hebben wij persoonlijk in een envelop aan [eiser] overhandigd en was afkomstig van onze zoon [verweerder] . Dit hebben wij duidelijk aangegeven aan [eiser] . Dit was 1 van de twee betalingen die [verweerder] via ons contant aan [eiser] heeft gedaan."
Is het bewijs geleverd?
Het was een brievenbus die aan de gevel vastzit, geen brievenbus in een deur" - is in dat licht bezien niet zo verwonderlijk en benadert de feitelijke situatie heel behoorlijk, zeker wanneer in aanmerking wordt genomen dat [verweerder] de verklaring ruim viereneenhalfjaar heeft afgelegd na de dag waarop hij, volgens zijn verklaring, de envelop met inhoud in de brievenbus van [eiser] heeft gedeponeerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
ten eerstedat het hof daarmee heeft miskend dat [verweerder] verklaring ten aanzien van de door hem te bewijzen feiten geen bewijs in diens voordeel oplevert. De partijgetuigenverklaring heeft beperkte bewijskracht, gelet op art. 164 lid 2 Rv Pro levert een partijgetuigenverklaring namelijk geen bewijs ten voordele van die partij, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs.
ten tweedeeen motiveringsklacht tegen wat het hof overigens overweegt in rov. 2.5 t/m 2.9; met name de passage dat aan [eiser] verklaring sterk getwijfeld moet worden: dat is onvoldoende om tot bewezenverklaring van het probandum te komen. De verklaring van [verweerder] is en blijft (ook dan) een partijverklaring die in diens voordeel geen bewijs kan opleveren. Dat de verklaring van [verweerder] strekt tot aanvulling van onvolledig bewijs, is door het hof niet vastgesteld, ook niet in het tussenarrest: daarin is ook niet overwogen dat sprake zou zijn van onvolledig bewijs. Aan [verweerder] , terecht belast met het bewijsrisico hier, is dan ook opgedragen ‘te bewijzen’ dat hij eind 2016 de som van € 2.000,- contant aan [eiser] heeft betaald. Daaraan doet met name ook niet af dat de verklaring van [verweerder] op cruciale punten zou worden bevestigd door de schriftelijke verklaring van de voormalige partner van [verweerder] . Dat die laatste verklaring een begin van bewijs op zou leveren en de verklaring van [verweerder] strekt tot aanvulling van dat onvolledige bewijs is volgens de klacht door het hof niet vastgesteld.
Ibro/Newinco-problematiek, waar hierna nader op wordt ingegaan [10] .
Ibro/Newinco,waarin de Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank een partijgetuigenverklaring niet buiten beschouwing had mogen laten op de enkele grond dat aan de verklaring van een gewone getuige geen beslissende betekenis gehecht kon worden en die verklaring daarom geen onvolledig bewijs in de zin van art. 164 lid 2 Rv Pro opleverde. De rechtbank had hier behoren te onderzoeken in hoeverre de partijgetuigenverklaring steun vond in die getuigenverklaring of ander voorhanden bewijsmateriaal [17] :
rechtsklachtdat het hof de beperkte bewijskracht van de partijgetuigenverklaring van [verweerder] heeft miskend, omdat het geslaagd zijn in het hem opgedragen bewijs dat hij de laatste € 2.000,- heeft terugbetaald (alleen) zou zijn gegrond op de partijgetuigenverklaring van [verweerder] , mist feitelijke grondslag.
motiveringklachtenkan ik betrekkelijk kort zijn; deze treffen evenmin doel. Dat het hof niet (bedoeld is mogelijk: expliciet) geoordeeld zou hebben dat er sprake is van een partijgetuigenverklaring van [verweerder] die strekt tot aanvulling van onvolledig bewijs (ook niet in het tussenarrest), mist feitelijke grondslag. Dit is natuurlijk wel degelijk (ten minste impliciet) het hofoordeel hier; dat is de hele ratio van de bewijsopdracht aan partij [verweerder] . Het hof oordeelt in het tussenarrest immers dat het bewijs van de terugbetaling van de laatste € 2.000,- nog niet (helemaal) is geleverd. Gelet op de te betrachten behoedzaamheid bij de waardering van verklaringen van een ex – en dat impliceert natuurlijk niet dat die geen begin van bewijs kunnen zijn ten voordele van [verweerder] (tussenarrest rov. 4.6) – laat het hof in rov. 4.7 van het tussenarrest [verweerder] toe, conform zijn aanbod, tot “
aanvullend getuigenbewijs” “
door het horen van zichzelf als partijgetuige”. Zonder meer goed te volgen is dat dit het oordeel behelst dat de partijgetuigenverklaring van [verweerder]
aanvullendkan zijn op de verklaringen van diens ex, welke laatste aldus tot
onvolledig(maar wel een begin van) bewijs worden bestempeld door het hof. Daar ketsen de betreffende motiveringsklachten meteen al op af. Dit wordt ook niet anders, zoals het middel ingang wil doen vinden, nu het dictum van het tussenarrest luidt dat [verweerder] wordt toegelaten ‘te bewijzen’ dat hij eind 2016 € 2.000,- contant aan [eiser] heeft betaald, omdat het dictum in het licht van onder meer het zo-even besproken rov. 4.7 van het tussenarrest moet worden gelezen.
ten derdeis weergegeven over de waardering van de getuigenverklaring van [eiser] , bestaat geen belang in cassatie, nu het hof niet alleen op grond van die verklaring tot bewezenverklaring van het probandum is gekomen, zoals we hiervoor hebben gezien. Daar strandt deze klacht onder
ten derdeal integraal op. Ten overvloede: het oordeel over de betrouwbaarheid van [eiser] verklaring is (opnieuw) een kwestie van bewijswaardering en die is aan het hof als feitenrechter en ook hier goed te volgen. Het hof heeft dit oordeel blijkens rov. 2.6 gebaseerd op het gegeven dat [eiser] in hoger beroep als getuige heeft verklaard dat [verweerder] van het geleende bedrag van € 4.500,-
nietszou hebben terugbetaald (rov. 2.4), terwijl [eiser] tegen de beslissing van de kantonrechter dat al (op grond van de whatsappconversatie tussen partijen op dit punt bewezen is dat) € 2.500,- is terugbetaald, geen hoger beroep heeft ingesteld. Het hof heeft daaruit zonder schending van motiveringsregels kunnen afleiden dat nu [eiser] over dat andere aspect niet de waarheid heeft gesproken, dit afbreuk kan doen aan de betrouwbaarheid van zijn verklaring over het punt van de ontvangst van de € 2.000,- waar het in appel (en cassatie) nog wel over gaat. Dat [eiser] in hoger beroep niet heeft
erkenddat hij de € 2.500,- heeft ontvangen, maar zijn hoger beroep alleen heeft beperkt tot de ontvangst van € 2.000,-, zoals de motiveringsklacht nog aankaart, maakt het aangevallen oordeel niet onbegrijpelijk in cassatie-technische zin.