Conclusie
(hierna: [eiseres] )
(hierna: [verweerster] )
1.Inleiding
2.Uitgangspunten en procesverloop
vordert na eiswijziging in incidenteel appel, onder meer, dat de overeenkomsten worden ontbonden voor zover deze zien op de geleverde besmette haasproducten en, voor zover het hof de vorderingen van [eiseres] toewijst, dat [eiseres] wordt veroordeeld zijn verplichtingen uit de overeenkomsten (alsnog) na te komen. [5]
In conventie heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank Noord-Holland gedeeltelijk vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, [verweerster] veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 42.930,21, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 26 november 2019, tot de dag der algehele voldoening.
In reconventie heeft het hof het eindvonnis gedeeltelijk vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, (i) de vordering tot het terughalen en het afvoeren van de leveringen die ten grondslag liggen aan de facturen [001] en [002] afgewezen en (ii) de koopovereenkomsten waarop de facturen [003] , [004] , [005] en [006] betrekking hebben, ontbonden.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 1 en 2klagen over het oordeel dat [verweerster] de algemene voorwaarden van [eiseres] op goede gronden heeft vernietigd.
Onderdeel 4klaagt over de door het hof bepaalde ingangsdatum van de wettelijke handelsrente. De
onderdelen 3 en 5bevatten louter voortbouwende klachten. Ik bespreek achtereenvolgens de
onderdelen 1, 2, 4 en 3 en 5.
subonderdeel 1.1dat het oordeel in rov. 3.7.1 onjuist is, omdat het hof de maatstaf van artikel 6:230a BW en artikel 4 lid 1 Dienstenrichtlijn Pro om te bepalen of sprake is van een dienst, niet of op onjuiste wijze heeft toegepast. Het hof heeft volgens de klacht miskend dat bij de toepassing van de maatstaf niet van (doorslaggevend) belang is dat de door partijen gesloten overeenkomst naar nationaal recht als een koopovereenkomst moet worden gekwalificeerd.
Subonderdeel 1.2richt motiveringsklachten tegen dit het oordeel. Volgens
subonderdeel 1.2.1is het oordeel onbegrijpelijk, omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom [eiseres] geen dienst zou verrichten in de zin van artikel 6:230a BW, nu vaststaat dat [eiseres] een groothandel is in vlees en vleeswaren en zij sinds 2012 diverse soorten vlees aan [verweerster] levert. Volgens
subonderdeel 1.2.2is het oordeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van de door [eiseres] bij grieven I.1 en III.7 betrokken essentiële stelling dat zij een dienstverrichter is in de zin van de Dienstenrichtlijn en haar onderbouwing daarvan.
De Dienstenrichtlijn verplicht de lidstaten om belemmeringen voor de vrijheid van vestiging van dienstverrichters in de lidstaten en voor het vrije verkeer van diensten tussen lidstaten te verwijderen (considerans 5). In dat verband bevat de Dienstenrichtlijn onder meer voorwaarden waaraan lidstaten moeten voldoen om de toegang tot en uitoefening van een dienstenactiviteit van een vergunning afhankelijk te mogen stellen (artikel 9 e.v.). Deze bepalingen zijn in Nederland van invloed op het bestuursrecht. [6] Voorts beoogt de Dienstenrichtlijn een grotere doorzichtigheid en meer informatie ten behoeve van de afnemers van diensten, in het bijzonder consumenten (considerans 2). In dat verband bepaalt artikel 22 Dienstenrichtlijn Pro dat op een dienstverrichter een informatieplicht rust jegens diens afnemer.
Uit 6:234 lid 1, eerste zin, BW volgt dat de dienstverrichter kan kiezen tussen de wijzen van informatieverschaffing van artikel 6:234 BW Pro en de wijzen van informatieverschaffing van artikel 6:230c BW. [9] De mogelijkheid om te voldoen aan de informatieplicht door de algemene voorwaarden voor de afnemer gemakkelijk elektronisch toegankelijk te maken op een door de dienstverrichter meegedeeld adres (artikel 6:230c onder 3 BW) wordt doorgaans als ‘gemakkelijker’ ervaren dan de overige manieren waarop op grond van artikel 6:234 BW Pro aan de informatieplicht kan worden voldaan. [10]
Uit de Dienstenrichtlijn blijkt dat artikel 6:230a BW verwijst naar het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. Inmiddels moet de verwijzing naar artikel 50 van Pro het EG-Verdrag worden gelezen als een verwijzing naar artikel 57 VWEU Pro.
Artikel 57 VWEU Pro bepaalt dat als diensten worden beschouwd de dienstverrichtingen die gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen daarop niet van toepassing zijn. Diensten omvatten volgens artikel 57 VWEU Pro onder meer werkzaamheden van commerciële aard.
Commission Staff Working Paper on the process of mutual evaluation of the Services Directive [14] kan worden afgeleid dat verschillende lidstaten groothandelsverkoop noemen als een dienst die valt onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn in verband met vestigingseisen (par. 6.1.1.1) of met grensoverschrijdende dienstverlening (par. 6.1.1.2).
Ook voor groothandelsverkoop geldt immers dat het gaat om een economische activiteit anders dan in loondienst tegen vergoeding, die niet onder de uitsluitingen van artikel 2, leden 2 en 3, Dienstenrichtlijn valt, en dat sprake is van een commerciële activiteit als bedoeld in artikel 57 VWEU Pro. Verder kan groothandelsverkoop worden geschaard onder de in considerans 33 van de Dienstenrichtlijn genoemde distributiehandel. Voorts kan ook ten aanzien van groothandelsverkoop in het algemeen worden aangenomen dat (zoals het HvJEU overwoog ten aanzien van detailhandel) die thans behalve de rechtshandeling verkoop een toenemend aantal nauw met elkaar verband houdende activiteiten of diensten omvat. Ik zie althans geen reden om in dit opzicht een principieel verschil te maken tussen groothandel en detailhandel.
merchant wholesalers, die goederen inkopen en doorverkopen, en daarbij in de tussenliggende periode de juridische eigendom van de goederen houden, en (ii)
brokersof
agents, die veeleer bemiddelen tussen een koper en verkoper, maar die zelf niet de juridische eigendom van de goederen verwerven. Bij de eerste categorie kan nader worden onderscheiden tussen (a)
full-service wholesalers, en (b)
limited-service wholesalers. De eerste categorie groothandelaren kunnen hun afnemers bij de verkoop van goederen een breed palet aan diensten aanbieden. In de tweede categorie ligt de focus van de groothandelaar daarentegen op een beperkt aantal specifieke diensten, of worden de goederen zonder (aanvullende) diensten tegen een lagere prijs aangeboden. [24] Bij diensten die groothandelaren bij de verkoop van goederen aanbieden kan worden gedacht aan onder meer: het opkopen van grote partijen goederen en het opsplitsen daarvan, opslag en het aanhouden van voorraden, transport, financiering, uitvoeren van marktonderzoek, verstrekken van productinformatie, en het bieden van training en advies aan detailhandelaren. [25] Een deel van deze diensten hangt direct samen met de positie die groothandelaren innemen in de distributieketen.
Een aantal auteurs signaleert een toenemende druk op groothandelaren om de waarde die zij in de distributieketen toevoegen te vergroten. Een van de manieren waarop groothandelaren hun toegevoegde waarde kunnen vergroten, is door meer en betere (aanvullende) diensten te verlenen aan hun afnemers, waaronder detailhandelaren. [26] Op basis van het voorgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat ook bij groothandelsverkoop sprake is van een aantal nauw met elkaar verband houdende activiteiten en/of diensten, die afhankelijk van de betrokken groothandelaar aanzienlijke verschillen kunnen vertonen.
subonderdeel 1.1naar mijn mening terecht over het oordeel van het hof in rov. 3.7.1 dat [eiseres] geen dienstverrichter is, omdat tussen [eiseres] en [verweerster] steeds koopovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Het oordeel van het hof kan niet anders worden begrepen dan dat volgens het hof de enkele omstandigheid dat [eiseres] en [verweerster] koopovereenkomsten ter zake van goederen hebben gesloten er reeds aan in de weg staat dat sprake is van een activiteit die onder het begrip ‘dienst’ in de zin van de Dienstenrichtlijn en de artikelen 6:230a-6:230c BW kan vallen. Uit het voorgaande volgt dat dit oordeel onjuist is, omdat ook groothandelsverkoop van goederen onder het begrip ‘dienst’ in de zin van de Dienstenrichtlijn kan vallen.
subonderdeel 1.2, omdat het enkele gegeven dat tussen [eiseres] en [verweerster] koopovereenkomsten zijn gesloten, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet volstaat voor verwerping van het beroep van [eiseres] op toepasselijkheid van de regeling van de artikel 6:230a-6:230c BW.
subonderdelen 2.1-2.2over het oordeel in rov. 3.7.2 (geciteerd in 3.2 hierboven), voor zover daarin besloten ligt dat [eiseres] de algemene voorwaarden niet overeenkomstig een in artikel 6:230c BW voorziene wijze heeft verstrekt, althans dat dit niet gesteld of gebleken zou zijn.
onderdeel 2bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
First Data/Attingo: [30]
subonderdelen 4.1-4.3motiveringsklachten tegen het oordeel in rov. 3.15 dat de wettelijke handelsrente moet worden toegewezen vanaf 26 november 2019 tot de dag der voldoening, en tegen de daaraan voorafgaande weergave van de vorderingen van [eiseres] in rov. 3.6.
welbetaalde facturen. Het hof overweegt dat partijen een afzonderlijke betalingsafspraak hebben gemaakt, dat aan [eiseres] werd toegestaan om gebruik te maken van opslagruimte bij [verweerster] en dat over de uitvoering van de afspraak is gecorrespondeerd. Daarom verwerpt het hof de stelling van [eiseres] dat sprake was van een fatale betalingstermijn van 30 dagen na factuurdatum. Ook overweegt het hof dat niet is gebleken dat [verweerster] in gebreke is gesteld op de voet van artikel 6:82 BW Pro.
subonderdeel 4.1dat het oordeel in rov. 3.15 onbegrijpelijk is voor zover het hof ervan is uitgegaan dat [eiseres] slechts de wettelijke handelsrente vanaf 26 november 2019 gevorderd zou hebben. Uit de vordering blijkt dat [eiseres] ook wettelijke handelsrente tot 26 november 2019 heeft gevorderd. [eiseres] heeft in haar eis onderscheid gemaakt tussen de wettelijke handelsrente tot 26 november 2019 en de wettelijke handelsrente vanaf die datum, omdat zij in de memorie van grieven tevens houdende wijziging van eis al heeft berekend hoeveel de wettelijke handelsrente tot 26 november 2019 (de roldatum waarop dat processtuk is genomen) bedroeg. Om dezelfde redenen klaagt
subonderdeel 4.3dat het oordeel in rov. 3.15 onbegrijpelijk is als dit berust op de weergave van de vordering van [eiseres] in 3.6.
Subonderdeel 4.2klaagt dat het oordeel van het hof in rov. 3.15 ook onbegrijpelijk is als het hof er niet van is uitgegaan dat [eiseres] slechts wettelijke handelsrente vanaf 26 november 2019 heeft gevorderd, omdat dan onduidelijk is waarom het hof alleen de wettelijke handelsrente vanaf 26 november 2019 heeft toegewezen
deze renteen de ingangsdatum van de rente niet ter discussie heeft gesteld. Met
deze rentedoelt het hof volgens [verweerster] specifiek op de vanaf 26 november 2019 gevorderde rente.
Volgens [verweerster] (s.t. nrs. 3.26-3.28) heeft het hof de rente tot 26 november 2019 afgewezen, omdat partijen een betalingstermijn waren overeengekomen die op 26 november 2019 nog niet verstreken was, zoals volgt uit het partijdebat en de rov. 2.3-2.9 en 3.10. [verweerster] verwijst daarbij naar vindplaatsen in haar memorie van antwoord tevens memorie van grieven in incidenteel appel tevens houdende vermeerdering van eis. De daar ingenomen stellingen komen erop neer (a) dat de vorderingen van [eiseres] ter zake van de betaling van facturen niet opeisbaar zijn gelet op de tussen partijen gemaakte betalingsafspraak en (b) dat er geen sprake is van verzuim zijdens [verweerster] .
subonderdelen 4.1 en 4.3slagen naar mijn mening. De in 3.40 weergegeven vorderingen kunnen niet anders worden begrepen dan dat [eiseres] ook de wettelijke handelsrente over de niet-betaalde facturen vordert over een periode die is gelegen vóór 26 november 2019. Het hof heeft deze vordering in hoofdsom toegewezen voor zover het betrof de niet (volledig) betaalde facturen voor de twee niet besmette leveringen. Voor zover het hof de vorderingen aldus heeft opgevat dat [eiseres] de wettelijke handelsrente slechts heeft gevorderd over de periode vanaf 26 november 2019, is deze uitleg van de vorderingen van [eiseres] onbegrijpelijk. De lezing die [verweerster] geeft aan rov. 3.15 (voorlaatste zin en slotzin) komt mij niet aannemelijk voor, mede gezien de weergave van de betreffende vordering door het hof in rov. 3.6.
subonderdeel 4.2terecht dat het oordeel onbegrijpelijk is gemotiveerd. Het hof licht niet toe waarom het ter zake van de twee niet (volledig) betaalde facturen voor niet-besmette leveringen de gevorderde wettelijke handelsrente voor de periode tot en met 25 november 2019 afwijst en vanaf 26 november 2019 toewijst. Die toelichting was wel nodig.
onderdelen 3 en 5bevatten voortbouwklachten gericht tegen alle oordelen van het hof die voortbouwen op overwegingen die zijn bestreden in aan deze onderdelen voorafgaande onderdelen van het middel. Deze onderdelen slagen voor zover zij voortbouwen op de
onderdelen 1 en 4.
onderdelen 1, 3, 4 en 5van het middel slagen. Het bestreden arrest dient te worden vernietigd en de zaak dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing.