Conclusie
1.Partijaanduiding en samenvatting cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
De rechtbank heeft ter zitting (voor zover van belang) bepaald dat de behandeling van het verzoek van de raad wordt voortgezet op een nader te bepalen datum.
Ter zitting heeft de raad mondeling verweer gevoerd en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen. [10]
De procesinleiding bevat een voorbehoud tot aanvulling van het cassatiemiddel, in verband met het niet tijdig kunnen beschikken over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij het hof. Op 17 augustus 2022 heeft de moeder een aanvullende procesinleiding ingediend. [12]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
welde verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. [16] Gedurende een ondertoezichtstelling kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die is belast met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen, indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarig (art. 1:265b lid 1 BW).
alleomstandigheden van het geval. In zoverre codificeert de Wet herziening kinderbeschermingsmaatregelen de al bestaande praktijk/rechtspraak. [25] Dit brengt mee dat niet in alle gevallen waarin de ouders de verzorging en opvoeding niet binnen een aanvaardbare termijn op zich kunnen nemen, een gezagsbeëindiging moet volgen. [26] Bruning wijst er in dit verband op dat het in de meeste verzoeken tot beëindiging om jonge kinderen gaat, die al geruime tijd in een pleeggezin wonen terwijl duidelijk is dat daar hun toekomstperspectief ligt, en niet bij ouders thuis en dat dit de situatie is die de wetgever bij de wijziging van de rechtsgrond voor ogen heeft gehad. Zij pleit er dan ook voor dat de uitzonderingsgevallen waarin de gezagsbeëindiging door de kinderrechter wordt afgewezen op grond van zijn discretionaire bevoegdheid, slechts zeer beperkt moeten blijven, aangezien de maatregel nu juist bedoeld is om het perspectief van de minderjarige, en niet van de ouders, centraal te stellen. [27]
Strand Lobben/Noorwegenen
M.L./Noorwegenheeft miskend.
Art. 8 EVRM Pro bepaalt, voor zover van belang, dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven en dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Strand Lobben/Noorwegen [31] betrof de adoptie van een driejarig kind door zijn pleegouders, die vanaf de vierde levensweek voor dit kind hadden gezorgd, zonder dat de moeder met de adoptie instemde. Het EHRM overwoog daarin onder meer als volgt:
de factofamily situation changed again may override the interests of the parents to have their family reunited (…)”
M.L./Noorwegen [32] handelde over een adoptie door de pleegouders zonder instemming van de biologische moeder. In die zaak was het kind negen dagen na de geboorte uit huis geplaatst en was in de periode van ongeveer vier jaar tussen de uithuisplaatsing en de adoptie sprake van een zeer beperkte contactregeling tussen de moeder en het kind (eens per drie maanden twee uur). Het EHRM herhaalde de hiervoor geciteerde uitgangspunten en overwoog vervolgens onder meer:
Strand-Lobben-uitspraak schetste, de uitvoeringspraktijk waarin nationale autoriteiten zich na het uit huis plaatsen van jonge kinderen vooral op een nieuwe opvoedplek in een nieuw gezin voor het kind richten, is in Nederland ook aanwezig, al kan dan niet worden toegewerkt naar een adoptie voor het kind. Een beperking van het contact tussen een uit huis geplaatst kind en zijn ouders tot slechts enkele keren per jaar zullen we in Nederland niet snel meemaken, al is het niet onmogelijk. Maar wel zien we in Nederland dat voor een uit huis geplaatst kind de blik van de verantwoordelijke beroepskrachten vaak vooral is gericht op het creëren van een nieuwe bestendige opvoedplek binnen een gezin voor een kind. Het toewerken naar een terugkeer van het kind naar de eigen ouder(s) wordt vaak niet als prioriteit geoormerkt.
De uitspraak van het Hof leert dat juist bij een eerste uithuisplaatsing van een jong kind moet worden gewerkt aan intensieve begeleiding in de thuissituatie om de kans op terugkeer van het kind zo groot mogelijk te maken. Juist in deze eerste periode na uithuisplaatsing moet de koers niet te snel richting een nieuwe opvoedplek voor het kind zijn, maar moet worden ingezet op een versterking van de band van het kind met de eigen ouders met als doel het serieus verkennen van de mogelijkheden voor een kind om terug naar huis te gaan, of anders regelmatig contact te garanderen met ouders. (…).”
Een van hun observaties is de voorzichtige trend die het EHRM lijkt in te zetten om bij de beoordeling van permanente uithuisplaatsingen het gehele traject te betrekken. Zij merken in dat kader op dat direct na een uithuisplaatsing serieuze inspanningen moeten worden geleverd om de thuissituatie te verbeteren, maar dat in de huidige Nederlandse praktijk de benodigde hulp en ondersteuning vaak niet beschikbaar is en er lange wachtlijsten zijn. Bovendien is om een terugplaatsing mogelijk te maken een frequente omgangsregeling tussen ouders en kinderen noodzakelijk en moet daarmee volgens het EHRM zo snel mogelijk na een plaatsing worden gestart. Ook dit komt, aldus Bruning en Van Zon, in de Nederlandse praktijk niet altijd van de grond, als gevolg waarvan ouders weinig kans krijgen om zichzelf te bewijzen en een terugplaatsing mogelijk te maken.
Strand Lobben/Noorwegenen
M.L./Noorwegen.
subonderdeel 1.5wordt, samengevat, geklaagd dat het hof in het bijzonder heeft miskend dat uit art. 8 EVRM Pro en de uitspraak van het EHRM in de zaak
Strand Lobben/Noorwegenvoortvloeit dat een echte afweging moet worden gemaakt tussen de belangen van een kind en zijn biologische familie [38] en dat het hof bovendien heeft miskend dat uit art. 8 EVRM Pro en de EHRM-uitspraken
Strand Lobben/Noorwegenen
M.L./Noorwegenvolgt dat een uithuisplaatsing tijdelijk moet zijn, gericht op terugplaatsing, waarbij op de autoriteiten de positieve verplichting rust om hereniging van een kind met zijn biologische familie na te streven. [39]
subonderdeel 1.6miskend door in rov. 5.9 te overwegen dat, hoewel aan de moeder kan worden toegegeven dat er de afgelopen jaren niet opnieuw is onderzocht of het kind bij haar teruggeplaatst zou kunnen worden en welke hulp daarvoor zou kunnen worden ingezet, desondanks het gezag kan worden beëindigd. Daartoe voert het subonderdeel aan dat hereniging tussen het kind en zijn moeder niet serieus in overweging is genomen en door de autoriteiten onvoldoende is gedaan om deze hereniging tot stand te brengen, nu, zoals het hof constateert, de GI al een half jaar na plaatsing van het kind in het pleeggezin de raad heeft verzocht om te onderzoeken of gezagsbeëindigende maatregelen passend zouden zijn en daarna geen onderzoek en hulp gericht op terugplaatsing is verricht. [40] Althans motiveert het hof onvoldoende waarom de autoriteiten aan hun positieve verplichting om gezinshereniging na te streven hebben voldaan, en waarom het gezag kan worden beëindigd, aldus het subonderdeel.
“considerable period of time”, waardoor de feitelijke gezinssituatie bij de pleegouders prevaleert boven de belangen van de ouders bij gezinshereniging. [41] Daarnaast blijkt nergens uit de bestreden beschikking, de beschikking van de rechtbank of het procesdossier dat de bevoegde autoriteiten binnen dat half jaar hadden voldaan uit hun uit art. 8 EVRM Pro voortvloeiende
“duty to take measures to preserve family bonds tot he extent reasonably feasible”,althans het hof heeft verzuimd dat nader te onderzoeken of motiveren. [42] Het hof kan dan ook, volgens het subonderdeel, niet in rov. 5.9 concluderen dat sprake is van een korte aanvaardbare termijn, althans niet zolang niet vaststaat dat de autoriteiten aan hun positieve verplichting tot gezinshereniging hebben voldaan.
subonderdeel 1.8uit het arrest
Strand Lobben/Noorwegen(par. 223) dat het hof niet had mogen beslissen over de gezagsbeëindiging zonder over een recent onderzoek te beschikken naar de vaardigheden en (nieuwe) omstandigheden van de moeder, aangezien een dergelijk onderzoek blijkens rov. 5.9 de afgelopen jaren niet of niet voldoende is verricht. Volgens het subonderdeel heeft de moeder ook een onderzoek verzocht. [43]
Strand Lobben/Noorwegenvolgt immers dat effectieve bescherming van
“family life”met zich mee brengt dat de toekomstige betrekkingen tussen ouder en kind uitsluitend worden bepaald in het licht van alle relevante overwegingen, en niet door louter tijdsverloop, aldus het subonderdeel.
high fiveis een futiliteit [46] , en dat de moeder niet in staat zou zijn om gezagsbeslissingen te nemen, gelet op de beperkte informatie die zij heeft, kan haar moeilijk worden verweten, gelet op de uithuisplaatsing en de beperkte omgang. Het had op de weg van de raad of de GI gelegen om de moeder beter te informeren of te helpen. Juist de stelling van de raad dat de rol van de moeder in het leven van het kind goed moet worden onderzocht en de mogelijkheden die daar zijn moeten worden benut, had aanleiding gegeven tot nader onderzoek in plaats van gezagsbeëindiging. In elk geval blijkt hieruit dat nog niet alle mogelijkheden zijn uitgeput, zodat niet is voldaan aan de eisen van proportionaliteit/subsidiariteit van art. 8 EVRM Pro, aldus de klacht.
Strand Lobben/Noorwegen) volgt dat een echte afweging moet worden gemaakt tussen de belangen van het kind en die van zijn ouder(s). Daarbij mocht het hof de belangen van het kind vooropstellen. [48] Zoals hiervoor onder 3.17 vermeld zijn de factoren waarmee volgens de jurisprudentie van het EHRM rekening moet worden gehouden o.a. de veilige en gezonde leefomgeving van de oorspronkelijke gezinssituatie, de behoefte van het kind aan stabiliteit, de mogelijkheid van het kind zich positief te ontwikkelen, de duur van het verblijf in het pleeggezin en de hechting en de band met de pleegouders. Deze omstandigheden heeft het hof in zijn motivering betrokken. Het hof heeft zijn oordeel niet uitsluitend gegrond op het tijdsverloop sinds het kind zich bij de pleegouders bevindt.
Na de eerste uithuisplaatsing is de moeder tijdens de plaatsing in het Babyhuis uitgebreid begeleid, met het doel om te onderzoeken of het kind weer bij haar zou kunnen gaan wonen. Deze plaatsing was derhalve uitdrukkelijk gericht op gezinshereniging. Aldaar is geconstateerd dat de moeder onvoldoende sensitief en responsief was richting het kind, en dat zij bovendien ook onvoldoende leerbaar was. Er bestond dus niet de verwachting dat de moeder met een langere plaatsing in het Babyhuis wel in staat zou zijn om voldoende sensitief en responsief richting het kind te zijn.
Voor stelling iv, dat de moeder haar leven op de rit heeft, in een studio met kamer voor het kind woont, en een betaalde baan heeft voor twee dagen per week, geldt bovendien dat het oordeel van het hof dat de moeder niet of onvoldoende in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van het kind te dragen, niet is gebaseerd op de leefomstandigheden van de moeder, maar op de omstandigheid dat zij niet voldoende in staat is om voldoende sensitief en responsief te reageren op wat het kind nodig heeft, en zij onvoldoende leerbaar is.
M.L./Noorwegenen
Strand Lobben/Noorwegen, waarin de betreffende kinderen (zonder instemming van de moeder) werden geadopteerd door de pleegouders, met als gevolg dat de juridische band tussen het kind en de moeder geheel werd verbroken, blijft na een gezagsbeëindiging de juridische band tussen de ouder en het kind bestaan. Het hof heeft in dit verband ook (terecht) benadrukt dat de GI de moeder en het kind ruimte en ondersteuning dient te geven om hun band te onderhouden en verder te ontwikkelen.