Conclusie
1.De feiten
hof). [2]
SIO) bestuurt in Amsterdam de school voor voortgezet onderwijs op islamitische grondslag, het Cornelius Haga Lyceum (hierna: het
Haga).
Bestuur
3. Het bestuur bestaat uit maximaal tien toezichthoudende bestuursleden, hierna te noemen het algemeen bestuur en één uitvoerend bestuurslid, hierna te noemen het dagelijks bestuur of de directeur-bestuurder.
(…)
(…)
(…)
[betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (secretaris; hierna:
[betrokkene 2]) vormden samen het algemeen bestuur. [eiser] (hierna:
[eiser]) was de directeur-bestuurder.
Artikel 3 - Bestuur en intern toezicht
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
8. Het intern toezicht beslist als werkgever over de profielschets, benoeming, arbeidsvoorwaarden en beloning en beoordeling, schorsing en ontslag van de leden van het bestuur.
(…)”
(…)
(…)”
Inspectie) heeft op 29 mei 2019 een rapport vastgesteld betreffende het Haga en SIO. In dit rapport worden tekortkomingen geconstateerd als het gaat om de kwaliteit van bestuur, het financieel beheer en het onderwijs. De Inspectie heeft aan het bestuur herstelopdrachten gegeven en aanbevelingen voor verbetering gedaan. De Inspectie heeft ook te kennen gegeven er geen vertrouwen in te hebben dat het huidige bestuur in staat zal zijn om aan de herstelopdrachten te voldoen. De minister heeft op basis van het Inspectierapport geoordeeld dat sprake is van ernstig bestuurlijk tekortschieten door SIO. Volgens de minister was sprake van wanbeheer in de zin van art. 103g lid 2 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs. De situatie vereiste volgens de minister in dit geval dat het gehele schoolbestuur zou worden wordt vervangen, reden waarom de minister een aanwijzing met die strekking aan SIO heeft gegeven. Dit besluit is door de rechtbank Amsterdam op 20 januari 2020 vernietigd. [3] In de periode maart-juli 2020 is de Inspectie begonnen met het herstelonderzoek bij SIO, welk onderzoek zich richtte op de vraag of de tekortkomingen zoals geconstateerd in het rapport uit mei 2019 hersteld waren. Hangende dit (tweede) onderzoek van de Inspectie gedurende de eerste helft van 2020, ontstond de hierboven weergegeven bestuurscrisis.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
- op geen enkele manier contact te hebben met het personeel en de leerlingen, de ouders van de leerlingen en alle andere op enigerlei wijze bij het Haga betrokken personen;
vonnis) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de
voorzieningenrechter) de in conventie gevraagde voorzieningen geweigerd en [eiser] en [betrokkene 2] in de kosten veroordeeld van dat geding. In reconventie heeft de voorzieningenrechter, eveneens uitvoerbaar bij voorraad en zakelijk weergegeven:
arrest) heeft het hof het vonnis bekrachtigd en [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. Daartoe heeft het hof onder meer als volgt overwogen:
3. BeoordelingProcedures tussen partijen
Kort geding vonnis van 10 juni 2020 (C/13/684624/KG ZA 20-479, het in de onderhavige appelprocedure bestreden vonnis)(…)
3.3
De voorzieningenrechter heeft de door [eiser] en [betrokkene 2] in conventie gevorderde voorzieningen geweigerd en de vorderingen van SIO in reconventie toegewezen op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat [eiser] en/of [betrokkene 2] met nakoming in gebreke zou(den) blijven tot een maximum van € 50.000,-, een en ander met uitvoerbaar verklaring bij voorraad en met veroordeling van [eiser] en [betrokkene 2] in de proceskosten.
b. kort geding vonnis van 28 oktober 2020 rechtbank Amsterdam inzake executiegeschil [eiser] (C/13/690347/KG/ZA 20-681)3.4
SIO heeft bij deurwaardersexploot van 14 augustus 2020 [eiser] aangezegd dat hij € 50.000,-- aan dwangsommen had verbeurd omdat hij niet had voldaan aan het vonnis van 10 juni 2020. SIO heeft executoriaal loonbeslag gelegd onder zichzelf op het loon van [eiser] . De vordering van [eiser] tot opheffing van dit loonbeslag is door de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 28 oktober 2020 afgewezen.
[eiser] heeft op 16 juli 2020 een kort geding bij de kantonrechter te Amsterdam aanhangig gemaakt waarbij hij -samengevat- heeft gevorderd dat SIO veroordeeld zou worden tot intrekking van het schorsingsbesluit van 25 mei 2020 en het ontslagbesluit van 2 juni 2020 en waarin hij voorts wedertewerkstelling en doorbetaling van loon heeft gevorderd. De kantonrechter heeft [eiser] in zijn vorderingen strekkende tot intrekking van het ontslag- en schorsingsbesluit niet ontvankelijk geacht omdat over de kwestie van schorsing/ontslag van [eiser] als bestuurder reeds was geoordeeld in het kort geding vonnis van 10 juni 2020. De kantonrechter heeft de vordering tot doorbetaling van loon toegewezen en de vordering tot wedertewerkstelling afgewezen.
d. bodemzaak beschikking 12 november 2020 kantonrechter Amsterdam, gewezen tussen [eiser] en SIO onder zaaknummer 8685713 EA 20-5673.6
De kantonrechter heeft zich onbevoegd geacht ten aanzien van de vorderingen tot intrekking van het schorsings- en ontslagbesluit van [eiser] als bestuurder. Ten aanzien van de arbeidsrechtelijke kant van de zaak heeft de kantonrechter geoordeeld dat het ontslag op staande voet geldig was, op basis van de hiervoor onder 2.21 [zie onder 1.21 hiervoor, A-G] weergegeven derde ontslaggrond, te weten de weigering tot afgifte van de in het schorsingsbesluit van 25 mei 2020 genoemde zaken. De kantonrechter overweegt:- samengevat - dat de weigering van [eiser] om de genoemde zaken af te geven de school in ernstige problemen heeft gebracht, onder meer omdat de salarissen over de maand juni 2020 niet betaald konden worden.
3.7
heeft ter zitting van dit hof op 22 december 2020 verklaard dat hij geen bodemprocedure is begonnen met betrekking tot zijn schorsing en ontslag als bestuurder, maar dat hij bezig was om voorbereidingen te treffen voor het instellen van hoger beroep tegen voornoemde uitspraak van de kantonrechter van 12 november 2020 inzake zijn arbeidsrechtelijk ontslag en tegen het kort geding vonnis van 28 oktober 2020 inzake de executie van het kort geding vonnis van 10 juni 2020.
Beoordeling van het appel
[eiser] komt tegen voormeld vonnis van de kantonrechter van 10 juni 2020 op onder aanvoering van vijf grieven.
Grief1 richt zich tegen de vaststelling van een aantal feiten en tegen de overweging sub 5.1 van het bestreden vonnis. Nu noch deze feiten, noch deze overweging bijdragen aan na te noemen oordeel van het hof behoeft deze grief geen bespreking.
De
grieven 2 tot en met 5richten zich, samengevat, tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure het schorsings- en ontslag besluit ten aanzien van [eiser] stand zal houden.
De grieven op dit onderdeel stellen de vraag aan de orde hoe in de statuten de verhouding tussen het algemeen bestuur enerzijds en de directeur-bestuurder anderzijds, is geregeld. SIO stelt zich op het standpunt dat de artikelen 11 en 12 uitsluitend de leden van het algemeen bestuur betreffen. [eiser] heeft betoogd dat, gelet op het bepaalde in artikel 4 lid 3 en Pro lid 4 van de statuten, ervan uit moet worden gegaan dat met “bestuur” in de artikelen 11 en 12 gedoeld wordt op het voltallige bestuur, derhalve inclusief de bestuurder-directeur.
Vervolgens is in de artikelen 6 en 7 van de statuten een duidelijk onderscheid aangebracht tussen enerzijds de taken van het Dagelijks Bestuur (de directeur-bestuurder) en anderzijds de taken van het Algemeen Bestuur. In het kopje van artikel 10 van Pro de statuten is vermeld dat dit artikel de vergaderingen van het Algemeen Bestuur betreft. In het kopje van de artikelen 11 en 12 van de statuten is niet vermeld of deze artikelen alleen zien op besluitvorming door het Algemeen Bestuur of op besluitvorming door het volledige bestuur, inclusief de bestuurder-directeur. Anders dan door [betrokkene 2] betoogd, volgt hieruit echter niet zonder meer dat (dus) bedoeld is dat deze artikelen gaan over besluitvorming door het voltallige bestuur, dat wil zeggen inclusief de directeur-bestuurder.
Bij de vraag hoe artikelen van statuten moeten worden uitgelegd, dient naast de tekst van de betreffende bepalingen ook belang gehecht te worden aan de overige tekst van de statuten, de wettekst en de bedoelingen van de wetgever, alsmede aan een toepasselijk Huishoudelijk Reglement. Tevens kan meewegen de aannemelijkheid van de (rechts)gevolgen waartoe de onderscheidene interpretaties leiden en de vraag in hoeverre deze redelijk zijn.
Zowel de artikelen 24d, 24 e en 24e1 [bedoeld zal zijn: 24e1, A-G] van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) als de Code VO voorzien in een (strikte) scheiding tussen enerzijds het uitvoerend bestuur in de persoon van de bestuurder-directeur en eventuele (school)directeuren, en anderzijds het toezicht op het bestuur. Ook in het Huishoudelijk Reglement is een dergelijke scheiding geborgd. In artikel 7 van Pro het Huishoudelijk Reglement onder p) is bepaald dat het Algemeen Bestuur “aan zichzelf houdt” de benoeming, schorsing en ontslag van leden van het Algemeen Bestuur. Met een dergelijke scheiding tussen enerzijds het uitvoerend bestuur en anderzijds het toezichthoudend bestuur, is onverenigbaar dat de bestuurder-directeur deelneemt aan besluitvorming aangaande benoeming, ontslag en schorsing van leden van het Algemeen Bestuur.
Daarnaast bevat het hiervoor genoemde artikel 4 lid 4 van Pro de statuten een sterke aanwijzing voor de zienswijze dat niet alleen de benoeming van de directeur- bestuurder, maar ook zijn schorsing en ontslag alleen door het Algemeen Bestuur kan plaatsvinden, en dat hij zelf (de directeur bestuurder) geen deel uitmaakt van deze besluitvorming. In artikel 11 lid 1 van Pro de statuten is bepaald dat “behoudens het bepaalde in artikel 12” de meerderheid van de zittende leden van het
algemeen(onderstreping hof) bestuur aanwezig dient te zijn om rechtsgeldig besluiten te kunnen nemen.
Concluderend is het hof van oordeel dat met “bestuur” in de artikelen 11 en 12 van de statuten, (uitsluitend) gedoeld wordt op het algemeen bestuur, derhalve exclusief de directeur-bestuurder. Dit voert tot de volgende conclusies met betrekking tot de ten aanzien van [eiser] genomen schorsings- en ontslagbesluiten.
Het hof is voorshands van oordeel dat het ontslagbesluit van 2 juni 2020 ten aanzien van [eiser] als bestuurder in een bodemprocedure stand zal houden. Het volgende is daartoe redengevend. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen aangaande de verhouding tussen enerzijds het algemeen bestuur en anderzijds de directeur-bestuurder, en voorts naar de motivering van het hof in het gelijktijdig met het onderhavige arrest uitgesproken arrest in de zaak tussen [betrokkene 2] en SIO onder rol- en zaaknummer 200.280.119/01, staat de geldigheid van het ontslagbesluit van 27 mei 2020 ten aanzien van [betrokkene 2] als lid van het algemeen bestuur voorshands vast.
Dit betekent dat [betrokkene 1] op 2 juni 2020 als enig overgebleven lid van het algemeen bestuur op grond van artikel 12 lid 1 van Pro de statuten rechtsgeldig een ontslagbesluit ten aanzien van [eiser] kon nemen. Aan dit ontslag heeft [betrokkene 1] , kort gezegd, ten grondslag gelegd het vertrouwen in [eiser] als bestuurder te hebben verloren.
Het schorsingsbesluit valt onder de reikwijdte van artikel 11 van Pro de statuten. Op grond van artikel 11 lid 1 dient Pro - behoudens het bepaalde in artikel 12 van Pro de statuten - de meerderheid van de zittende leden van het algemeen bestuur aanwezig te zijn om rechtsgeldig besluiten te kunnen nemen. Vast staat dat tijdens de bestuursvergadering op 25 mei 2020 [betrokkene 1] aanwezig was en [eiser] niet. Over de vraag of het 32 seconden durende telefoongesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 25 mei 2020 kwalificeert als “aanwezigheid” van [betrokkene 2] tijdens de bestuursvergadering, verschillen partijen van mening. De beantwoording van deze vraag kan echter in het midden blijven op grond van het feit dat [eiser] reeds enkele dagen daarna rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder. Ook indien het schorsingsbesluit van 25 mei 2020, achteraf bezien, onterecht was, blijft overeind dat hij vanaf 2 juni 2020 rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder.
Voor zover de vorderingen van [eiser] gebaseerd zijn op de stelling dat zijn schorsing op 25 mei 2020 onterecht was, heeft hij hierbij onvoldoende belang nu het hof voorshands van oordeel is dat het ontslagbesluit rechtsgeldig is genomen. De overige vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op zijn stelling dat het ontslagbesluit van 2 juni 2020 ongeldig was, welk betoog faalt. De slotsom is dat de grieven voor zover gericht tegen de twee voornoemde besluiten falen en dat hetgeen overigens in het kader van de grieven is aangevoerd zelfstandige betekenis mist in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen.
3.22
Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en [eiser] zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.”
herstelarrest) heeft het hof op verzoek van SIO het arrest (dus het arrest van 2 maart 2021) aldus verbeterd dat in de aanhef van het arrest in plaats van “STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS” gelezen dient te worden “STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS NEDERLAND” en de verbetering op de minuut van het arrest (“dat arrest”) gesteld.
3.De bespreking van het cassatiemiddel
De cassatieklachten
Gemeenschappelijk Hof) [8] en zij “dus” uiterlijk op 28 februari 2021 “[zal] zijn gedefungeerd als raadsheer in het gerechtshof Amsterdam”. Het arrest en het herstelarrest vermelden slechts de data waarop zij zijn uitgesproken (2 maart 2021 en 6 april 2021), niet dat zij zijn gewezen “voordat mr. Arnold is gedefungeerd”, [9] zodat ervan uitgegaan moet worden dat deze arresten “niet voor het defungeren van mr. Arnold zijn gewezen”. Voor het arrest (dat is uitgesproken op 2 maart 2021) blijkt dit ook uit het roljournaal, want daarin is vermeld dat het arrest op 2 maart 2021 is gewezen. Uit het voorgaande volgt dat het arrest en het herstelarrest nietig zijn. [10] Dit heeft ook te gelden als alsnog zou blijken “dat de arresten voor het defungeren van mr. Arnold zijn gewezen of dat één van de arresten daarvoor is gewezen”, omdat dit dan, onder andere uit een oogpunt van controleerbaarheid, in het arrest c.q. deze arresten “zelf vermeld had moeten zijn”, aldus nog steeds het onderdeel. [11]
Vraag 2
Vraag 3
Gelet op artikel 23 van Pro de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie;
HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:
te benoemen tot lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met standplaats Curaçao met ingang van 1 maart 2021:
mr. Albertine Sophie ARNOLD,
geboren [geboortedatum] 1961, raadsheer bij het Hof Amsterdam.
Onze Minister voor Rechtsbescherming is belast met de uitvoering van dit besluit.”
Het Gemeenschappelijk Hof, dat in het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep rechtspreekt, [13] telt onder zijn leden een groot aantal rechterlijk ambtenaren met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland (kort gezegd: rechters in rechtbanken, raadsheren in gerechtshoven) die tijdelijk zijn uitgezonden. [14] Deze rechterlijk ambtenaren met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland worden op voordracht van de Rijksministerraad bij koninklijk besluit benoemd als lid van het Gemeenschappelijk Hof (art. 23 lid 1 Rijkswet Pro Gemeenschappelijk Hof van Justitie) en treden dan bij het Gemeenschappelijk Hof in dienst. Alhier, in het Europese deel van Nederland, pleegt hen voor de duur van de uitzending overzee (op eigen verzoek) buitengewoon verlof te worden verleend als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland (dus, kort gezegd: als rechter in de rechtbank, als raadsheer in het gerechtshof), met de kennelijke bedoeling dat zij na verloop van enige tijd (normaliter enige jaren), na ommekomst van de termijn van de uitzending, terugkeren en hun werkzaamheden als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland hervatten (dat buitengewoon verlof neemt dan normaliter dus weer een einde). Dit valt als gangbare praktijk aan te merken. [15] Het voorgaande strookt met de gang van zaken in de onderhavige zaak, zoals mede blijkt uit 3.3 hiervoor: mr. A.S. Arnold is per 1 maart 2021 bij koninklijk besluit benoemd tot lid van het Gemeenschappelijk Hof [16] en haar is per diezelfde datum op eigen verzoek buitengewoon verlof verleend als raadsheer in het hof (dus het gerechtshof Amsterdam), zonder dat zij daarbij in laatstgenoemde functie is geschorst (op non-actief is gesteld) [17] of is ontslagen. [18] Van een ‘defungeren’ als raadsheer in het hof kan hier niet worden gesproken, mr. A.S. Arnold bekleedt die functie nog steeds. Dit laat zich als volgt nader toelichten.
Naar de kern genomen veronderstelt het onderdeel (zie onder 3.2 hiervoor) dat mr. A.S. Arnold uiterlijk op 28 februari 2021 is ‘gedefungeerd’ als raadsheer in het hof, al dan niet voorafgaand aan het moment waarop zij - als onderdeel van de combinatie die in het onderhavige hoger beroep het hof vormde, dus mr. T.S. Pieters, mr. A.S. Arnold en mr. G.C. Boot - mede het arrest onderscheidenlijk het herstelarrest wees, omdat zij vanaf 1 maart 2021 lid is van (“raadsheer” is in) het Gemeenschappelijk Hof. Gezien 3.3 en dit 3.4 hiervoor is deze veronderstelling m.i. onjuist (mr. A.S. Arnold is niet (deswege) ‘gedefungeerd’ als raadsheer in het hof), waarmee reeds de bodem wegvalt onder het onderdeel, [31] dat bij deze stand van zaken geen verdere behandeling behoeft. Kort en goed: wat het onderdeel aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie “dat de arresten nietig zijn”.
Hierop stuit het onderdeel af.
In rov. 3.18 van het arrest overweegt het hof onder meer dat:
ongegrond is (zie daarvoor mijn conclusie in die zaak met nr. 21/01868 van heden), terwijl het enkele ingesteld zijn van dat cassatieberoep door [betrokkene 2] naar de aard nog niet maakt dat ’s hofs bestreden oordeel in rov. 3.18 en 3.19 van het arrest - waarbij het gaat om een procedure in kort geding en het hof in essentie gemotiveerd tot uitdrukking brengt de geldigheid van het ontslagbesluit van 27 mei 2020 ten aanzien van [betrokkene 2] als lid van het algemeen bestuur zelf, en voor doeleinden van de in rov. 3.1 e.v. van het arrest voorliggende beoordeling, als voorshands vaststaand te beschouwen [32] - ‘dus’ onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk is.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Hiertoe voert het subonderdeel ten eerste het volgende aan. De redenen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd, zijn vermeld in de brief van 2 juni 2020 van SIO aan [eiser] . [33] Deze redenen zijn door [eiser] betwist. [34] Zowel [eiser] [35] als SIO [36] heeft verwezen naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 november 2020 inzake het arbeidsrechtelijke ontslag van [eiser] , waar in rov. 3 de betwisting van [eiser] van de door SIO aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen is weergegeven. [37] Het hof heeft aan “een en ander” ten onrechte “geen enkele aandacht besteed”, noch aan de door SIO aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen, noch aan de betwisting hiervan door [eiser] . Gelet op “een en ander” zijn ’s hofs genoemde oordelen in rov. 3.19 van het arrest onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, aldus nog steeds het subonderdeel. Ik noem het voorgaande de eerste klacht van het subonderdeel.
“Deze oordelen” zijn “temeer” onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, zo vervolgt het subonderdeel, nu het hof daarbij geen aandacht heeft besteed aan het volgende. Een van de redenen die SIO aan het ontslag op staande voet van [eiser] als bestuurder ten grondslag heeft gelegd, is - kort gezegd - dat [eiser] spullen, zoals genoemd in het schorsingsbesluit van 25 mei 2020, in zijn bezit hield. Hiermee heeft [eiser] SIO naar het oordeel van de kantonrechter een dringende reden voor het ontslag op staande voet gegeven. [38] Uit de overwegingen van het hof in rov. 3.20 van het arrest volgt echter dat het hof - veronderstellenderwijs - ervan had dienen uit te gaan dat het schorsingsbesluit van 25 mei 2021 onterecht was. In ieder geval dient hiervan in cassatie - als hypothetisch feitelijke grondslag - te worden uitgegaan. Daarmee komt de grondslag te ontvallen aan voormelde dringende reden en aan voormeld oordeel van de kantonrechter. Hieraan heeft het hof in rov. 3.19 van het arrest ten onrechte geen aandacht besteed, [39] aldus nog steeds het subonderdeel. Ik noem het voorgaande de tweede klacht van het subonderdeel.
Anders dan de klacht veronderstelt, besteedt het hof in rov. 3.19 van het arrest in het kader van het ontslagbesluit van 2 juni 2020 wel degelijk aandacht aan de door SIO - via [betrokkene 1] , als enig overgebleven lid van het algemeen bestuur - aan dat ontslag op staande voet van [eiser] als bestuurder van SIO en als dagelijks bestuurder van de school ten grondslag gelegde redenen. In rov. 3.19 van het arrest overweegt het hof onder meer dat [betrokkene 1] , kort gezegd, aan dit besluit ten grondslag heeft gelegd het vertrouwen in [eiser] als bestuurder te hebben verloren, alsmede dat niet is gebleken dat die ontslaggrond onverenigbaar is met de daaraan (op grond van Boek 2 BW) te stellen eisen. Met die “grondslag” (“ontslaggrond”) doelt het hof duidelijk op de inhoud van de in rov. 2.21 van het arrest bedoelde ontslagbrief van 2 juni 2020 van SIO (via [betrokkene 1] ) aan [eiser] , waaruit het hof daar ook citeert en - zoals tevens blijkt uit rov. 3.6 van het arrest (“op basis van de hiervoor onder 2.21 weergegeven derde ontslaggrond, te weten de weigering tot afgifte van de in het schorsingsbesluit van 25 mei 2020 genoemde zaken”) - drie te onderscheiden ontslaggronden opmaakt (in die brief geduid als “dringende redenen die ten gevolge hebben dat van het algemeen bestuur redelijkerwijs niet gevergd kan worden de samenwerking met u voort te zetten”), [40] door het hof in rov. 3.19 van het arrest herleid tot, kort gezegd, de noemer (die “ontslaggrond”) verlies van het vertrouwen zijdens SIO in [eiser] als bestuurder. Ik markeer deze drie gronden hieronder met “[1]”, “[2]” en “[3]” in een citaat van rov. 2.21 van het arrest:
SIO heeft [eiser] op 2 juni 2020 op staande voet ontslagen als bestuurder van de SIO en als dagelijks bestuurder van de school. In de ontslagbrief staat:
Bovengenoemde redenen zijn dringende redenen die ten gevolge hebben dat van het algemeen bestuur redelijkerwijs niet gevergd kan worden de samenwerking met u voort te zetten. (…)””
[vetgedrukte cijfers tussen blokhaken toegevoegd, A-G]
Wat betreft de in de klacht bedoelde “betwisting” door [eiser] van de door SIO aan dat ontslag op staande voet van [eiser] als bestuurder van SIO en als dagelijks bestuurder van de school ten grondslag gelegde redenen, geldt dat hetgeen de klacht daartoe aanvoert niet de conclusie rechtvaardigt dat het hof zijn bestreden oordeel in rov. 3.19 van het arrest nog weer nader had moeten motiveren, in het bijzonder nader had moeten ingaan op zo’n betwisting door [eiser] . De klacht wijst in de eerste plaats op de pleitnotities zijdens [eiser] en [betrokkene 2] in eerste aanleg (mrs. Tielemans en Stoop), nrs. 1.31-1.33, die als volgt luiden:
productie 33[de in rov. 2.21 van het arrest bedoelde ontslagbrief van 2 juni 2020, A-G] blijkt dat [betrokkene 1] nu meent [eiser] op staande voet te kunnen ontslaan, nota bene op volledig andere gronden dan welke aan diens schorsing te grondslag zouden liggen. Het is hierdoor volledig onduidelijk wat [betrokkene 1] nu eigenlijk wil: schorsing of ontslag van [eiser] ? En wat betekent dit ontslag op staande voet voor de schorsing: is de schorsing hiermee komen te vervallen?
1.32 Eisers menen dat de gang van zaken rond dit ontslagbesluit - en daarmee de directe beëindiging van de arbeidsovereenkomst van [eiser] - eens te meer bewijzen dat het [betrokkene 1] uitsluitend gaat om het buitenspel zetten [eiser] (en [betrokkene 2] ). Met zowel de totstandkoming als de inhoud van het besluit is dusdanig veel mis, dat duidelijk is dat het [betrokkene 1] uitsluitend te doen is zelf volledig de macht naar zich toe te trekken.
1.33 Het ontslagbesluit is zowel arbeidsrechtelijk als rechtspersoon-rechtelijk niet houdbaar. In de eerste plaats is [eiser] niet gehoord over het kennelijk voornemen tot ontslag op staande voet. Daarnaast is geen sprake van een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW Pro althans is het zelfs volledig onduidelijk op welke feiten [betrokkene 1] meent tot ontslag op staande voet over te gaan op doelt. Het gegeven ontslag is dan ook ongegrond. [eiser] zal zijn ontslag in een seperate verzoekschriftprocedure bij de kantonrechter aanvechten en vernietiging van het gegeven ontslag vragen.”
Het belang van schorsing, ontslag en schorsingsbesluiten heeft doorwerking. Het ontslag van geïntimeerde is namelijk wel rechtmatig geeffectueerd op 3 juni. [eiser] is inmiddels al een paar keer ontslagen en telkens is dit gedaan zonder acht te slaan op de statutaire regels. Zo ook bij de oproeping van 10 juni voor een vergadering van 15 juni (
productie E34). Het belang van [eiser] bij vernietiging van het vonnis speelt ook een grote rol in de reeds gevoerde kantonprocedure omtrent zijn ontslag. In aanloop naar de nieuwe wetgeving omtrent de spagaat van enerzijds het contractuele ontslag en anderzijds de rechtspersoon rechterlijk ontslag bij dagelijks bestuurders is de kantonrechter zelf in een split terechtgekomen. Alle overige ontbindingsgronden die geïntimeerde heeft verzonnen zijn door de kantonrechter achterwege gelaten, om vervolgens ontslag op staande voet te honoreren. Dit, terwijl de kantonrechter de opdrachten uit het bestreden schorsingsbesluit d.d. 23 mei als reden aanvoert. Het behoeft geen betoog dat ontslag op staande voet onverwijld gegeven dient te worden en niet pas op 2 juni (8 dagen later).
54. Echter, vorengenoemde uitspraak in Kanton creëert ondubbelzinnig belang bij het Hof voor [eiser] doormiddel van een juiste beslissing aangaande de (on)rechtmatigheid van de schorsing. De Kantonrechter heeft betoogd dat het Hof in deze het geschil moet beslechten. Dit zou betekenen dat het domino-effect conform het Hay arrest [41] - bij het honoreren van het spoedappel - ervoor zal zorgen dat alle besluiten en oordelen komen te vervallen en het hoger beroep in de Kantonprocedure van [eiser] een kwestie van formaliteit wordt. De bodemprocedure afwachten zal anders onomkeerbare gevolgen hebben voor [eiser] . Het gelijk van [eiser] bij de Kantonrechter zou anders mogelijkerwijs het Hof in een spagaat hebben gebracht.”
productie 65). Met deze beschikking is bevestigd dat [eiser] op 2 juni jl. rechtsgeldig arbeidsrechtelijk als werknemer van SIO is ontslagen.
32. Volgens SIO kan dit arbeidsrechtelijk ontslag niet los worden gezien van de rechtspersoonlijke band die [eiser] met SIO heeft. Uit zowel de statuten als het huishoudelijk reglement komt immers het onlosmakelijke verband, tussen de arbeidsrechtelijke en rechtspersoonrechtelijke betrekking naar voren. SIO verwijst ten eerste naar het huishoudelijk reglement. Hierin bepaalt artikel 15 lid 4 dat Pro het algemeen bestuur het werkgeverschap ten opzichte van het dagelijks bestuurslid vervult. Voorts schrijft artikel 5 lid 2 van Pro de statuten voor dat de directeur-bestuurder zitting heeft “
voor de duur van zijn dienstverband bij de stichting”, behoudens aan hem verleend ontslag als bedoeld in lid 3.
Hierop stuit de eerste klacht van het subonderdeel af.
In rov. 3.20 van het arrest overweegt het hof onder meer dat:
als zodanig(nog los van de vraag of dat schorsingsbesluit, achteraf bezien, al dan niet onterecht was zoals bedoeld in rov. 3.20, slotzin van het arrest). [44]
Hierop stuit de tweede klacht van het subonderdeel af.
Schorsingsbesluit van 25 mei 2020
(…) Ook indien het schorsingsbesluit van 25 mei 2020, achteraf bezien, onterecht was, blijft overeind dat hij [ [eiser] , A-G] vanaf 2 juni 2020 rechtsgeldig is ontslagen als bestuurder.
Conclusie3.21
Voor zover de vorderingen van [eiser] gebaseerd zijn op de stelling dat zijn schorsing op 25 mei 2020 onterecht was, heeft hij hierbij onvoldoende belang nu het hof voorshands van oordeel is dat het ontslagbesluit rechtsgeldig is genomen. De overige vorderingen van [eiser] zijn gebaseerd op zijn stelling dat het ontslagbesluit van 2 juni 2020 ongeldig was, welk betoog faalt. (…)”
Het onderdeel volstaat ermee te ‘verwijzen’ naar “het laatste gedeelte” van subonderdeel II.b, wat kennelijk ziet op de tweede klacht van dat subonderdeel, die faalt. Zie onder (3.9 en) 3.10 hiervoor. Voor zover de (voortbouw)klacht in het onderdeel al voldoet aan de minimumeisen van art. 407 lid 2 Rv Pro, [46] en daarvoor is een wel heel rekkelijke benadering vereist, valt zonder enige uitwerking - die ontbreekt [47] - en gelet op (3.9 en) 3.10 hiervoor niet in te zien waarom rov. 3.20, slotzin en 3.21, eerste twee zinnen van het arrest onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd zijn vanwege “het laatste gedeelte” van subonderdeel II.b, zoals aangevoerd door het onderdeel.
Hierop stuit het onderdeel af.