Conclusie
1.Inleiding
Marsare c.s. heeft tegen het arrest van hof cassatieberoep ingesteld. De klachten richten zich onder meer tegen de uitleg die het hof aan het horecaverbod heeft gegeven, tegen de maatstaf die het hof daarbij heeft toegepast en tegen de afwijzing door het hof van het beroep van Marsare c.s. op onder andere rechtsverwerking.
De klachten treffen mijns inziens geen doel.
2.Feiten
pand) is op 17 augustus 2007 gesplitst in appartementsrechten. Op dat moment was Marsare c.s. eigenaar van het gehele pand. Marsare c.s. heeft de VvE opgericht. De appartementen op de verdiepingen 1 tot en met 4 zijn vervolgens door Marsare c.s. verkocht en geleverd aan derden. Marsare c.s. bleef eigenaar van het appartementsrecht op de begane grond.
de splitsingsakte) [2] van 17 augustus 2007 is het Modelreglement bij splitsing in appartementsrechten van 17 januari 2006 (hierna:
het Modelreglement) [3] van toepassing verklaard en staat daarover verder, voor zover relevant:
H. UITWERKING MODELREGLEMENTOp de tekst van het modelreglement worden hierbij de navolgende aanvullingen en/of wijzigingen vastgesteld: (…)
Artikel 25
Lid 1 wordt gewijzigd in:
“Iedere eigenaar en gebruiker is verplicht het privé-gedeelte te gebruiken overeenkomstig de bestemming”.
De bestemming is voor het op de begane grond gelegen privé-gedeelte: bedrijfs-/-winkelruimte en voor elk der overige privé-gedeelten: woning voor privé-doeleinden.
Het is toegestaan, mits met inachtneming van de daarvoor geldende gemeentelijke bepalingen, mede een kantoor- of beroepsruimte voor eigen gebruik in de woning te hebben.
Het is niet toegestaan in de privé-gedeelten beroepen of bedrijfsmatige activiteiten op het gebied van de horeca en/of erotiek uit te oefenen, noch daarin gelegenheid te geven tot het (doen) uitoefenen van gokspelen. (…)”’
Artikel 21. De eigenaars en de gebruikers moeten zich overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid jegens elkander gedragen. Iedere eigenaar en gebruiker dient voorts de bepalingen van het reglement, het eventuele huishoudelijk reglement, de eventuele regels als bedoeld in artikel 5:128 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek, en overige tussen hen krachtens wet of gewoonte bestaande regels voor zover die op hem betrekking hebben, na te leven. (…)
Artikel 261. De vloerbedekking van de privé gedeelten dient van een zodanige samenstelling te zijn dat contactgeluiden zo veel mogelijk worden tegengegaan. Met name is het niet toegestaan parket of stenen vloeren aan te brengen, tenzij dit geschiedt met inachtneming van normen die bij huishoudelijk reglement of door de vergadering zijn vastgesteld en zodanig dat geen onredelijke hinder kan ontstaan voor de overige eigenaars en/of gebruikers.
2. De eigenaars en gebruikers mogen zonder toestemming van de vergadering geen open vuur/haardinstallaties aanleggen.
3. Bestaande situaties ten tijde van de splitsing dienen te worden geduld. (…)’
de wijzigingsakte) staat onder meer:
ALGEMEENDe gerechtigde heeft besloten over te gaan tot wijziging van de akte van splitsing in appartementsrechten betreffende het gebouw bestaande uit een bedrijfs-/ winkelruimte en vier afzonderlijke bovenwoningen met de daarbij behorende grond, plaatselijk bekend [het pand] (…)
HET REGLEMENT(…)
Op de tekst van het model-reglement worden hierbij de navolgende aanvullingen en/of wijzigingen vastgesteld:
Artikel 8
(…)
De overige inhoud van de akte van splitsing in appartementsrechten blijft ongewijzigd. (…)’
[huurder 1]) en [huurder 2] (hierna:
[huurder 2]) als huurders is per 1 januari 2017 een huurovereenkomst gesloten voor een periode van vijf jaar met betrekking tot de bedrijfsruimte gelegen op de begane grond in het pand, met kelder en bijbehorende woning (hierna: het gehuurde). [4] In artikel 1.3 van de huurovereenkomst is bepaald dat het gehuurde zal worden bestemd om te worden gebruikt als ‘”wijnhuis” een café met speciale wijnen’.
[F]) zijn de vennoten van de Vof. De Vof, [huurder 2] en [F] worden hierna gezamenlijk aangeduid als de
Vof c.s..
3.Procesverloop
In eerste aanleg
.
De VvE heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging voor het overige, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van Marsare c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep.
Marsare c.s. heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot verwerping daarvan, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de VvE in de kosten van het geding in hoger beroep.
De VvE heeft in principaal appel geconcludeerd tot bekrachtiging voor het overige, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de Vof c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep.
De Vof c.s. heeft in incidenteel appel geconcludeerd tot verwerping daarvan, met – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van de VvE in de kosten van het geding in hoger beroep.
Het hof heeft aan de beslissing in het principaal appel ten grondslag gelegd dat het door de Vof c.s. gevorderde afstuit op hetgeen het hof in het hoger beroep van Marsare c.s. heeft overwogen en dat de Vof c.s. de voor haar verstrekkende consequenties van het feit dat Marsare c.s. in haar relatie tot de VvE niet bevoegd is de ruimte op de begane grond te (laten) gebruiken als horecagelegenheid in het kader van de huurrelatie bij Marsare c.s. aan de orde dient te stellen. Tevens geldt voor de Vof c.s. dat zij zich niet kan beroepen op bepalingen die alleen gelden tussen de VvE en haar leden, aangezien zij geen lid is van de VvE. (r.o. 3.23). Hierop stuit naar het oordeel van het hof ook de vordering van de Vof c.s. in reconventie af. (r.o. 3.24).
Voor de beoordeling van het incidenteel appel van de VvE verwijst het hof naar hetgeen het daarover in r.o. 3.22 in de zaak 200.255.592/01 heeft overwogen. (r.o. 3.27)
4.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
5.Bespreking van het cassatiemiddel
eerste klachtstelt onder meer aan de orde aan de hand van welke maatstaf artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte dient te worden uitgelegd en welke uitleg op basis van die maatstaf aan dat artikel moet worden gegeven. Ik merk op dat in het vonnis van de rechtbank van 21 november 2018, het arrest van het hof van 6 april 2021, de processtukken en het cassatiemiddel wordt gerefereerd aan het horecaverbod dat in artikel 25 van Pro de splitsingsakte is opgenomen. Omwille van de leesbaarheid neem ik die weergave over. Uit de splitsingsakte blijkt echter, zoals hiervoor onder 2.3 deels geciteerd, dat in artikel H van de splitsingsakte, met kopje ‘Uitwerking Modelreglement’, aanvullingen en wijzigingen op het van toepassing verklaarde modelreglement worden vastgesteld, waaronder aanvullingen van en wijzigingen op artikel 25 van Pro het Modelreglement. Voor de beoordeling van de klachten maakt een en ander geen verschil.
moetinhouden een regeling omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gemeenschappelijke gedeelten. Ingevolge art. 5:112 lid 4 BW Pro
kanhet reglement een regeling inhouden omtrent het gebruik, het beheer en het onderhoud van de gedeelten die bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt. Zo kan in het splitsingsreglement worden bepaald dat de privégedeelten overeenkomstig de daaraan in de splitsingsakte toegekende bestemming moeten worden gebruikt. In de akte komen bestemmingen voor als ‘woning’ en ‘bedrijfsruimte’, en ‘winkel’. Ook kunnen bepaalde activiteiten worden verboden, bijvoorbeeld de exploitatie van horeca of de uitoefening van bedrijfsmatige erotiek. [11]
- bij de uitleg komt het aan op de in de splitsingsstukken tot uitdrukking gebrachte bedoeling van degene(n) die tot vaststelling van die stukken is (zijn) overgegaan, welke bedoeling moet worden afgeleid uit de daarin gebruikte bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud daarvan;
- de rechtszekerheid vergt dat bij de uitleg slechts acht mag worden geslagen op gegevens die voor derden uit of aan de hand van de in de openbare registers ingeschreven splitsingsstukken kenbaar zijn;
- indien de ingeschreven splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn, dient de rechter vast te stellen welke uitleg van deze stukken naar objectieve maatstaven het meest aannemelijk is;
- het is niet in strijd met een uitleg naar objectieve maatstaven om de uitleg van de splitsingsstukken mede te baseren op waarneming van de feitelijke kenmerken van het splitsingsobject indien de splitsingsstukken voor verschillende uitleg vatbaar zijn en verwijzen naar feitelijke kenmerken van het splitsingsobject, of kennisneming van de situatie ter plaatse van belang is voor de beantwoording van de vraag welke uitleg van de splitsingsstukken tot de meest aannemelijke rechtsgevolgen leidt. [19]
toegestaan, maar
niet verplichtis, de uitleg mede te baseren op waarneming van de situatie ter plaatse. Daartoe zal mijns inziens eerder aanleiding bestaan indien de tekst en/of tekening onvoldoende of tegenstrijdige aanknopingspunten bieden van de bedoeling van degene(n) die tot splitsing over is (zijn) gegaan of expliciet naar de situatie ter plaatse verwijzen dan wanneer aanknopingspunten in de akte en/of tekening overwegend in dezelfde richting wijzen. Uitgangspunt is een uitleg van de ter discussie staande bewoordingen naar objectieve maatstaven, in het licht van de gehele inhoud van de akte en de tekening (eerste liggende streepje). [20] Dit uitgangspunt sluit ook aan bij de in r.o. 3.4 genoemde rechtszekerheid en hierna genoemde ratio van deze objectieve uitlegmaatstaf.
De grieven 1 tot en met 6 in principaal appelvan Marsare c.s. zijn tegen de onder 3.8 vermelde overwegingen gericht. Marsare c.s. heeft daarmee betoogd dat de VvE niet kan worden gezien als een derde waarover de rechtbank spreekt, omdat de VvE zelf niet de rechtsopvolger van Marsare c.s. is. De individuele appartementseigenaren zijn evenmin als bedoelde derden te beschouwen en voor zover dat wel het geval zou zijn, heeft te gelden dat zij geen procespartij zijn. Verder heeft Marsare c.s. aangevoerd dat de daadwerkelijke bedoeling van de bij de splitsing betrokken partijen en de feitelijke situatie ten tijde van de splitsing bij de uitleg van de splitsingsakte moet worden betrokken. Marsare c.s. heeft nooit beoogd zichzelf een horecaverbod op te leggen. De appartementseigenaren wisten bij aankoop van hun appartementsrecht dat het horecaverbod niet werd nageleefd, omdat er horeca op de begane grond was gevestigd. Dit was ook ten tijde van de splitsing het geval. De wil van Marsare c.s. geen horecaverbod voor de bedrijfsruimte van kracht te laten zijn was dus kenbaar voor hen. Het is niet in strijd met de uitleg naar objectieve maatstaven om de splitsingsakte mede aan de hand van de waar te nemen feitelijke situatie ter plekke uit te leggen. Uit het van kracht zijnde bestemmingsplan blijkt van aanwezigheid van horeca en bij de Kamer van Koophandel was op te vragen welke bedrijven in de bedrijfsruimte zijn gevestigd geweest. In dit licht bezien is het oordeel dat in de splitsingsakte een horecaverbod is neergelegd, althans dat dit verbod ook van toepassing is op de begane grond, dan ook onjuist. Het in de splitsingsakte in artikel 25 opgenomen Pro horecaverbod slaat slechts terug op de in dit artikel voorgaande zin die ziet op de woningen in het pand en niet op de bedrijfsruimte. Artikel 26 lid 3 van Pro het Modelreglement heeft daarentegen volgens Marsare c.s. juist een verdergaande strekking dan door de rechtbank geoordeeld; ook de aanwezigheid van horeca in de bedrijfsruimte op de begane grond valt onder de te dulden situaties.
A) klaagt dat de kennelijke gedachte van het hof in de eerste helft van r.o. 3.11, dat het beroep op de splitsingsakte van de VvE jegens Marsare en Fortaleza moet worden beoordeeld tegen de achtergrond dat derden in het algemeen moeten kunnen afgaan op de inhoud van de splitsingsakte, welke derden een beroep op de inhoud van de splitsingsakte kunnen doen, zodat om te kunnen achterhalen wat de partijbedoeling achter artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte is en om te beoordelen of het beroep van de VvE gegrond is, op grond van een objectieve uitlegmethode slechts de inhoud van de splitsingsakte van belang is, zodat moet worden geabstraheerd van de kennis over de partijbedoeling die binnen de VvE aanwezig is of aanwezig moet worden geacht dan wel zodat moet worden geabstraheerd van de aan de VvE toe te rekenen invloed die de andere appartementseigenaren op de vast te stellen partijbedoeling hebben gehad, rechtens onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is.
a. het niet de bedoeling was van Marsare en Fortaleza om voor de begane grond een horecaverbod in de splitsingsakte op te nemen en dat dit aan de andere appartementseigenaren bij aankoop van het desbetreffende appartementsrecht bekend was;
b. de andere appartementseigenaren de aanwezigheid van horecabedrijven op de begane grond hebben geaccepteerd, zodat zij hebben aanvaard dat op de begane grond horeca is toegestaan;
c. de splitsingsakte alleen ziet op de interne verhoudingen binnen de eigenaarsvereniging en dat bescherming van de nietsvermoedende derde die zonder meer op de openbare registers moet kunnen afgaan niet aan de orde is. (randnr. 1.1.1-1.1.2)
Uitgaande van de juistheid van deze stellingen kan de gelijkstelling door het hof van de VvE met een derde en daarmee toepassing van de door het hof gebruikte objectieve uitleg niet overeind blijven. Ter onderbouwing van deze (sub)klacht heeft Marsare c.s. tevens aangevoerd dat het in deze zaak gaat om het verbintenisrechtelijke beroep van de VvE tot handhaving van bepalingen uit de splitsingsakte jegens Marsare c.s. en de binding van de VvE aan de splitsingsakte. Daaraan is een derde niet gebonden. De splitsingsakte geeft de interne verhoudingen binnen de eigenaarsvereniging ook niet per se volledig of steeds volledig weer, omdat deze ook en steeds door (veranderingen in) gedragingen binnen de eigenaarsvereniging kunnen worden aangevuld of gewijzigd, bijvoorbeeld door (niet-)naleving van uit de splitsingsakte voortvloeiende verplichtingen en aanvaarding van een met de splitsingsakte strijdige situatie. Het hof kon daarom niet, of niet ongemotiveerd, voorbijgaan aan de door Marsare c.s. gestelde kennis en invloed die de andere appartementseigenaren als zodanig hebben gehad op de interne verhoudingen binnen de eigenaarsvereniging en had de (actuele) partijbedoeling achter artikel 25 lid 1 van Pro de splitsingsakte moeten bepalen met inachtneming van de niet uit de splitsingsakte blijkende verhoudingen terzake binnen de eigenaarsvereniging. Marsare c.s. verwijst in dit verband naar het arrest
DSM/Fox. [25] (
randnr. 1.1.3-1.1.5)
Randnr. 1.1.7voegt hieraan toe dat het hof ten minste ten aanzien van de niet uit de splitsingsakte blijkende verhoudingen binnen de eigenaarsvereniging een (meer) subjectieve uitlegmethode van de splitsingsakte had moeten hanteren.
Onder
randnr. 1.1.8klaagt Marsare c.s. dat indien het hof heeft gemeend dat de door Marsare c.s. gestelde kennis en invloed van de overige appartementseigenaren hier niet van belang zijn, het dat oordeel ten onrechte niet kenbaar en voldoende heeft gemotiveerd.
Voorts wijst Marsare c.s. er
onder 1.1.6op dat onbegrijpelijk is dat het hof in r.o. 3.14 wel niet uit de splitsingsakte blijkende omstandigheden heeft meegewogen bij de beoordeling of de VvE een beroep op de splitsingsakte toekomt, maar niet bij de uitleg in r.o. 3.11 de aan de VvE toe te rekenen kennis van en invloed op de partijbedoeling heeft meegewogen.
Randnr. 1.1.9klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is omdat het gegeven de aanwezigheid van horecabedrijven op de begane grond ook voor een derde kenbaar was dat het (beweerdelijke) horecaverbod tot een dode letter was verworden.
onderdeel 1.Uit het hiervoor geschetste juridisch kader volgt dat het hof in r.o. 3.9 en 3.11, in navolging van de rechtbank, de juiste maatstaf heeft toegepast bij de uitleg van artikel 25 van Pro de splitsingsakte. Deze objectieve maatstaf dient het belang van rechtszekerheid in het goederenrecht en de betrouwbaarheid van de openbare registers. Het ‘horecaverbod’ geldt niet alleen in de onderlinge verhouding van de huidige VvE en haar leden, maar ook jegens eventuele rechtsopvolgers van de huidige appartementseigenaren. Onjuist is dan ook de stelling in
1.1.1 onder c(zie hiervoor onder 5.19) dat de splitsingsakte alleen ziet op de interne verhoudingen binnen de eigenaarsvereniging. Deze stelling behelst in zoverre dus geen feit waar – al dan niet bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag – van uit moet worden gegaan in cassatie, maar een – onjuiste – rechtsopvatting. Gelet op de toepasselijke maatstaf en kwalitatieve werking van het splitsingsverbod is irrelevant of de VvE kan worden gezien als een derde of niet. Met de overweging in het midden van r.o. 3.8 ‘In het kader van de beantwoording (…) beperkt recht op een registergoed’ in samenhang met de overweging in r.o. 3.11 dat de rechtbank van een juiste maatstaf is uitgegaan, heeft het hof ook voldoende kenbaar en duidelijk gemotiveerd dat de door Marsare c.s. gestelde kennis en invloed van de overige appartementseigenaren voor de uitleg van de splitsingsakte niet van belang zijn. Dat ook voor een derde kenbaar zou kunnen zijn dat het horecaverbod tot een dode letter was geworden, doet aan het vorenstaande niet af, gelet op het belang van rechtszekerheid in het goederenrecht en de betrouwbaarheid van de openbare registers. Bovendien heeft het hof niet vastgesteld dat het horecaverbod een dode letter was geworden, maar dat er voor de komst van de wijnbar horecagelegenheden gevestigd waren van andere aard en dat na 1 januari 2017 een wezenlijk nieuwe situatie is ontstaan (r.o. 3.9, 3.14, 3.16).
Verder is in de klacht miskend dat de vraag hoe artikel 25 van Pro de splitsingsakte moet worden uitgelegd, dient te worden onderscheiden van de vervolgvraag of de VvE zich al dan niet jegens Marsare c.s. op die bepaling in de splitsingsakte kan beroepen. Bij die vervolgvraag zijn de feitelijke omstandigheden en het gedrag van partijen wel relevant en in zoverre is juist de opmerking
onder 1.1.3 (sub d)dat de splitsingsakte de verhoudingen binnen de eigenaarsverenging niet of niet steeds volledig weergeeft. R.o. 3.11 heeft evenwel alleen betrekking op de uitleg van artikel 25 van Pro de splitsingsakte en niet op de vervolgvraag.
onder 1.2.1van de toelichting dat het oordeel van het hof van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat een uitleg naar objectieve maatstaven van de splitsingsstukken mede kan plaatsvinden aan de hand van waarneming van de feitelijke kenmerken ter plaatse, de situatie ter plaatse en de manier waarop de desbetreffende appartementseigenaars zich binnen de desbetreffende vereniging van eigenaars tegenover elkaar hebben gedragen, ook indien de bewoordingen van de bepalingen helder en eenduidig zijn en de inhoud van de splitsingsakte geen aanknopingspunten biedt voor een andere uitleg, voor de beantwoording van de vraag welke uitleg van de splitsingsstukken tot de meest aannemelijke rechtsgevolgen leidt, althans voor zover die uitleg ziet op de onderlinge verhoudingen van verbintenisrechtelijke aard binnen de betreffende vereniging van eigenaars.
Onder 1.2.2 t/m 1.2.4van de toelichting op onderdeel 2 is, samengevat, aangevoerd dat ‘[h]eldere bewoordingen in de splitsingsakte (…) namelijk niet uit[sluiten] dat, zoals hier het geval is, een met die heldere bewoordingen strijdige situatie jarenlang zonder protest vanuit de eigenaarsvereniging blijft bestaan’ en dat het hof die destijds geldende en feitelijk nog steeds voortdurende omstandigheden bij de uitleg had moeten betrekken.
Onder 1.2.5klaagt Marsare c.s. dat het hof ‘hierom’ niet of niet zonder nadere motivering kon oordelen dat het (gestelde) horecaverbod niet alleen ziet op de woningen boven de begane grond, maar ook op de ruimte op de begane grond.
onder 1.2.1faalt derhalve.
onder 1.2.1 t/m 1.2.5af.
klacht 1falen derhalve.
44. Uiterst subsidiair menen Fortaleza en Marsare dat de VVE, onder de hierboven ontwikkelde gronden, misbruik van recht maakt.’
onderdelen 2 en 3lenen zich gedeeltelijk voor gezamenlijke behandeling. De onderdelen klagen dat het oordeel van het hof in r.o. 3.16, dat door de rechtbank feiten zijn genoemd die duiden op een intensievere horeca exploitatie en een duidelijk zwaardere belasting voor de bewoners van de bovenverdiepingen veroorzaken dan voorheen het geval was, dat in potentie met deze feiten althans meer overlast een gegeven is, ongeacht de overige omgevingsgeluiden in de buurt, dat deze feiten niet concreet zijn betwist en daarmee vaststaan, dat Marsare c.s. niet hebben toegelicht waarom de in die overweging genoemde feiten niet als duidelijke verzwaring van de belasting dienen te worden gezien, terwijl dat uit de aard van deze feiten in beginsel wel volgt en de beslissing van het hof om uit te gaan van een duidelijke verzwaring van de belasting rechtens onjuist, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
onder 2.2.1-2.2.5 en 2.3.1-2.3.3dat het bestreden oordeel innerlijk tegenstrijdig is, omdat een potentieel feit geen rechtens vast te stellen feit is, behoudens de potentie zelf en omdat de door het hof gebruikte combinatie van de woorden ‘de aard van deze feiten’ en ‘in beginsel’ duidt op een innerlijke tegenstrijdigheid in de redenering van het hof, althans op een gebrekkige motivering. Het hof heeft kennelijk een aanname gehanteerd (duidelijke verzwaring van de belasting volgt in beginsel uit de feiten) in plaats van feiten vast te stellen (er is sprake van een duidelijke verzwaring). De VvE heeft alleen gesteld [29] dat sprake is van (verzwaarde) overlast – en niet (slechts) van de mogelijkheid daarvan, zodat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden en gehouden was te onderzoeken of van (verzwaarde) overlast sprake was.
Onder 2.3.4 in samenhang met 2.3.6klaagt Marsare c.s. dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is, omdat het hof niet heeft aangegeven vanaf wanneer sprake is van een duidelijke verzwaring van de belasting die een beroep op het horecaverbod mogelijk maakt en niet heeft vastgesteld dat in dit geval de grenswaarde is bereikt.
Onder 2.3.5klaagt Marsare c.s., onder verwijzing naar vindplaatsen in de memorie van grieven, ‘dat het hof met deze overweging een onjuiste verdeling van de stelplicht en bewijslast heeft gehanteerd, dan wel dat het gerechtshof Marsare en Fortaleza ten onrechte niet tot levering van (tegen)bewijs heeft toegelaten, gelet op de bewijsbaarheid terzake de gestelde geluidsoverlast’.
Randnr. 2.3.7-2.3.8klaagt dat het hof niet voldoende kenbaar op het argument heeft gereageerd dat Marsare c.s. heeft gesteld [30] dat overlast hen niet is gemeld en dat de VvE dit aan zichzelf heeft te wijten, zodat in cassatie van de juistheid van deze stellingen moet worden uitgegaan en evenzeer sprake is van een onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd oordeel.
randnrs. 2.2.1-2.2.5 en 2.3.1-2.3.4 en 2.3.6-2.3.8falen derhalve.
Ook de klacht
onder 2.3.5faalt.
randnr. 2.2.6lees ik geen klacht die afzonderlijke behandeling behoeft. In de memorie van antwoord, randnr. 41.3, derde alinea lees ik overigens geen wijziging van eis. De VvE betoogt daar, in reactie op het vonnis van de rechtbank en de stellingen van Marsare c.s., dat er in plaats van een winkel in kant en klaar maaltijden ineens een rumoerig café is gekomen.
klacht 2falen.
de tiende grief in principaal appelheeft Marsare c.s. naar voren gebracht dat het voor haar onmogelijk is om te voldoen aan het opgelegde verbod en gebod, omdat zij de begane grond heeft verhuurd aan [huurder 1] en [huurder 2] en het daarom niet in haar macht is deze onderdelen van het vonnis na te leven. Ook deze grief slaagt niet. Marsare c.s. heeft wel degelijk macht over de begane grond, aangezien zij appartementseigenaar is. Zij kan en dient ervoor te zorgen dat haar huurders het niet toegestane gebruik beëindigen. De gevolgen daarvan voor [huurder 1] en [huurder 2] , respectievelijk de Vof c.s., zijn verstrekkend, maar dat is een kwestie die speelt tussen Marsare c.s. en haar huurders en de Vof c.s. De VvE staat hierbuiten.’
randnr. 3.2ook heeft onderkend, heeft de VvE gevorderd Marsare c.s. te verbieden de begane grond van het pand te gebruiken of te laten gebruiken als café-restaurant, wijnbar, café of andersoortige horeca-gelegenheid en te gebieden dit gebruik te staken en gestaakt te houden. Naleving van het gebod en verbod impliceert dat Marsare c.s. zal moeten zorgen dat de huurders het niet toegestane gebruik beëindigen (vgl. ook het hof in r.o. 3.17). De VvE hoefde dit dus niet afzonderlijk te vorderen. Daarnaast dient r.o. 3.17 mijns inziens niet zo te worden gelezen dat het hof bedoeld heeft te overwegen dat Marsare c.s. een procedure tegen hun huurders moet starten. Indien dat in de praktijk al nodig zou zijn om het niet toegestane gebruik te beëindigen, dan geldt ook hiervoor dat de VvE dit niet afzonderlijk hoefde te vorderen. Ook de (sub)klacht dat het hof Marsare c.s. dwingt om eigenrichting toe te passen, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Marsare c.s. zou de huurovereenkomst met [huurder 1] en [huurder 2] kunnen beëindigen, ook al zijn de gevolgen daarvan voor Marsare c.s. verstrekkend, zoals ook het hof onderkent. Verder volgt noch uit het horecaverbod, noch uit enige rechtsregel dat de VvE zou moeten stellen dat Marsare c.s. in staat is tot naleving van het horecaverbod. Het hof heeft vastgesteld dat de splitsingsakte een horecaverbod bevat dat ook Marsare c.s. bindt en dat de VvE zich jegens Marsare c.s. op dit verbod kan beroepen. Het is aan Marsare c.s. om te stellen en te onderbouwen waarom zij daartoe rechtens niet kan worden gehouden, hetgeen zij – tevergeefs – ook geprobeerd heeft.
randnr. 3.6vermelde vormt een herhaling van het in klacht 2 aangevoerde en behoeft geen afzonderlijke behandeling.