Conclusie
Koninklijke FrieslandCampina N.V.,
FrieslandCampina Nederland B.V.,
FrieslandCampina Kievit B.V.,
Zuivelcoöperatie DeltaMilk B.A.,
FrieslandCampinaen verweerster in cassatie als
SPC.
1.Inleiding
Alcatel-Lucentuit 2016, [1] zonder daar overigens veel nieuws aan toe te voegen. Die zaak betrof eveneens een geschil tussen een werkgever en het aan haar gelieerde ondernemingspensioenfonds over de gevolgen van de beëindiging van de uitvoeringsovereenkomst.
2.Feiten
Campina) en haar werkmaatschappijen. Ter uitvoering van de met haar werknemers gesloten pensioenovereenkomst(en) hebben Campina (en haar rechtsopvolgers) met SPC opeenvolgende uitvoeringsovereenkomsten gesloten (hierna in het enkelvoud:
UVO). De UVO werd steeds voor onbepaalde tijd gesloten en aangepast wanneer bijstelling van de afspraken nodig werd geacht.
Pensioen CAO 2006) gold voor medewerkers van Campina – kort gezegd en voor zover hier van belang – een middelloonregeling met een
voorwaardelijketoeslagverlening aan inactieven. In de Pensioen CAO 2006 is hierover het volgende bepaald:
Artikel 13
Toeslagverlening
Friesland Foods). Uit deze fusie is FrieslandCampina ontstaan. In verband met deze fusie zijn de arbeidsvoorwaarden voor het nieuwe concern geharmoniseerd. In afwachting van nieuwe afspraken over de uitvoering van de Pensioen CAO 2006 voor alle werknemers van FrieslandCampina, is de uitvoering van de Pensioen CAO 2006 voor de bestaande werknemers van Campina en de uitvoering van pensioenovereenkomsten met inactieven (slapers en gepensioneerden) gecontinueerd bij SPC.
UVO 2010luidde in grote lijnen hetzelfde als UVO 2007, met een enkele wijziging/aanvulling. Aan de beëindigingsbepaling (die voor het overige gelijkluidend is aan het hiervoor onder 2.6 geciteerde art. 10 UVO Pro 2007) werd de volgende clausule toegevoegd (mijn onderstreping):
van de nog te maken kosten voor de nakoming van de rechten en aansprakendie zijn opgebouwd tijdens de werkingsduur van deze overeenkomst en de daaraan voorafgaande overeenkomsten. Indien partijen hierover binnen zes maanden geen overeenstemming bereiken zullen partijen ieder een deskundige aanwijzen, die samen met een door hen aan te wijzen derde deskundige, een voor partijen bindend voorstel zullen opstellen.”
3.Procesverloop
het hof).
De kernvraag: Is FrieslandCampina c.s. verplicht tot betaling van een aanvullende vergoeding wegens de opzegging van UVO 2010 per 1 januari 2015?
De hiervoor (...) weergegeven onderdelen (...) klagen terecht dat het hof in het bestreden arrest onvoldoende is ingegaan op de stellingen van het Pensioenfonds in hoger beroep dat, indien de gestelde andere betalingsverplichtingen niet volgen uit/ de uitvoeringsovereenkomst, de kosten waarop die verplichtingen betrekking hebben voor rekening van Alcatel-Lucent komen in verband met een leemte in de uitvoeringsovereenkomst dan wel in verband met de omstandigheid dat de uitvoeringsovereenkomst een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd is en de beëindiging daarvan Alcatel-Lucent noopt tot betaling van schadevergoeding.”
dan wel in verband met de omstandigheid etc.” in deze overweging kan naar het oordeel van het hof het standpunt van FrieslandCampina c.s., dat eerst sprake moet zijn van een leemte voordat aan schadevergoeding kan worden toegekomen, niet worden gevolgd.
4.Bespreking van het middel in het principale beroep
Onderdeel 1stelt aan de orde dat art. 10 UVO Pro 2010 voorziet in een uitputtende regeling voor het bepalen van een beëindigingsvergoeding bij opzegging. Voor een aanvullende vergoeding is daarom geen ruimte.
Onderdeel 2bestrijdt dat door de opzegging van de UVO 2010 schade is geleden door SPC. Volgens
onderdeel 3had het hof de Pensioen CAO 2006, die pas bij het pleidooi in hoger beroep in het geding is gebracht, moeten weigeren nu geen sprake is van een toegestane toelichting op eerdere stellingen.
Onderdeel 4betoogt dat FrieslandCampina, gelet op alle door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden en met name wat zij al aan betalingen heeft gedaan, niet gehouden is tot betaling van een schadevergoeding.
Onderdeel 5richt zich tegen de verwerping door het hof van het eigen schuld-verweer van FrieslandCampina.
Onderdeel 6bevat een voortbouwklacht.
Gogliouit 2018, die de huidige stand van het leerstuk goed weergeven: [20]
Goglio-arrest: de uitvoeringsovereenkomst is opzegbaar maar de aanvullende en beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kunnen hieraan nadere eisen en beperkingen stellen. De ‘nadere eis’ die in deze zaak centraal staat, is een (eventuele) verplichting om bij de opzegging een aanbod tot betaling van (schade)vergoeding te doen. Dát de UVO 2010 geldig is opgezegd en dat die opzegging effect heeft gesorteerd, is tussen partijen niet in geschil. [21]
schadevergoeding hoeft te zijn. Zo is een klantenvergoeding op voet van art. 7:442 BW Pro bij agentuur geen schadevergoeding, terwijl schadeloosstelling bij onregelmatige opzegging van agentuur evenmin hoeft overeen te komen met de volledige schade. Drion [27] ziet in het woordgebruik van de Hoge Raad ook een aanwijzing dat hij hiermee andere vergoedingen dan alleen die tot vergoeding van schade open wenst te houden. Drion noemt als voorbeelden goodwill of aan afhankelijkheid gerelateerde vergoedingsgrondslagen. Ook Wallart [28] ziet ruimte voor andere vergoedingen dan strikt schadevergoedingen. Hij ziet bijvoorbeeld een mogelijkheid bij beëindiging van een distributieovereenkomst voor een aanbod aan de distributeur tot vergoeding voor een door de distributeur gecreëerd klantenbestand voor de producten van de principaal waar de principaal na het einde van de distributieovereenkomst nog voordeel van heeft (goodwill).
aard (…) van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval” genoemd in rov. 3.6.3 van het
Goglio-arrest, en oefent zijn invloed uit op het soort (schade)vergoeding dat bij beëindiging van een uitvoeringsovereenkomst verschuldigd kan zijn. Ik maak in dat verband eerst een kort uitstapje om, ter achtergrond, een beeld te schetsen van de financiële werkelijkheid waarmee pensioenfondsen en werkgevers te maken hebben. Daarbij beperk ik mij tot
ondernemingspensioenfondsen, zoals SPC. [31]
Financieel Toetsingskaderin Hoofdstuk 6 van de Pensioenwet. Met de daarin vervatte financiële voorschriften is beoogd te borgen dat pensioenuitkeringen kunnen worden uitbetaald. [37]
passiva) moeten gedekt zijn door bezittingen (
activa). Hiertoe vereist de Pensioenwet dat het ondernemingspensioenfonds een zodanig eigen vermogen heeft dat met een zekerheid van 97,5% is gewaarborgd dat zij aan haar pensioenverplichtingen kan voldoen (art. 132 lid 2 Pw Pro). Dit betekent in essentie dat de kans op onderdekking binnen één jaar niet groter mag zijn dan 2,5%. [38]
verplichtingenwordt ook wel aangeduid met de term ‘technische voorzieningen’. De technische voorzieningen worden gewaardeerd aan de hand van een door DNB bepaalde rekenrente op basis van rentetarieven op financiële markten (kort gezegd: de marktrente). [40] Die rekenrente bepaalt hoeveel geld het pensioenfonds
nunodig heeft om
laterhet toegezegde pensioen uit te keren. Hoe hoger de rekenrente, hoe minder geld het ondernemingspensioenfonds nu in kas hoeft te hebben om later het toegezegde pensioen uit te keren. Hoe lager de rekenrente, hoe meer geld ze in kas moet hebben. Bijvoorbeeld: bij een pensioentoezegging van 100 over twintig jaar, tegen een rekenrente van 2% dient het pensioenfonds
nu67.30 in kas te hebben (100 / 1,0220 = 67.30).
uitkeringendoor het pensioenfonds aan gepensioneerden. [45] Ik memoreer dat de premie, naast de actuarieel benodigde component die noodzakelijk is voor de pensioenopbouw, een opslag bevat voor de bij die pensioenopbouw benodigde aangroei van het vereist eigen vermogen (de solvabiliteitsopslag). Die opslag is geen onderdeel van de pensioenuitkering, en valt bij uitkering dus vrij. Deze ‘vrijval’ van reserveringen heeft een positief effect op de dekkingsgraad omdat verplichtingen aan de passiefzijde afnemen, en een voorziening waar activa tegenover staan vrijvalt die aan de algemene middelen van het pensioenfonds wordt toegevoegd. Daardoor stijgt de dekkingsgraad. Het lijkt wellicht paradoxaal, maar hoe meer het pensioenfonds uitkeert, hoe groter dit positieve effect is op de dekkingsgraad.
niettoereikend is omdat bijvoorbeeld de opslag voor uitvoeringskosten te laag blijkt te zijn om de uitvoeringskosten te dekken, of omdat het pensioenfonds in een tekortsituatie verkeert en onder een herstelplan opereert. In dat geval laat de afhankelijkheid van het pensioenfonds zich juist te meer gelden nu het pensioenfonds buiten overrendement, geen andere financiële bronnen kan aanspreken om het eigen vermogen te versterken. Als de werkgever niet financieel bijspringt kan het pensioenfonds gedwongen zijn over te gaan tot het opschorten van indexaties en (in een ultiem geval) tot het korten van pensioenrechten en -aanspraken, teneinde de dekkingsgraad op een aanvaardbaar peil te houden.
voor het bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende vereist eigen vermogen” van het ondernemingspensioenfonds (art. 128 lid Pro 1, onder b en c, Pw). Of een vergoeding in verband met de beëindiging van de opslag voor indexatieverlening verschuldigd is, zal denk ik veelal afhangen van de voorwaarden waaronder indexatie wordt verleend. Is deze onvoorwaardelijk toegezegd, of is zij niet afhankelijk gemaakt van overrendement maar bijvoorbeeld van premie, dan ligt een vergoeding eerder voor de hand.
Alcatel-arrest. [54] Die uitleg is volgens het middel onjuist. Pas als sprake is van een leemte kan worden toegekomen aan de aanvulling daarvan met een schadevergoeding bij opzegging op grond van eisen van redelijkheid en billijkheid. [55]
1.2.1klaagt het middel dat het hof ten onrechte enkel acht heeft geslagen op art. 10 UVO Pro 2010 en het belang van andere bepalingen uit de UVO 2010 heeft miskend. In art. 5 lid 4 en Pro 5 UVO 2010 zijn partijen premieopslagen overeengekomen die in hoogte en duur begrensd waren, zodat betaling daarvan na beëindiging van de UVO geen voorziening behoefde. Verder blijkt uit art. 8 lid 2 UVO Pro blijkt dat FrieslandCampina geen betalingsverplichtingen had voor toeslagverlening (indexatie) aan inactieven. Uit deze bepalingen volgt, of kan volgen, dat partijen
bewustgeen ruimte hebben willen laten voor aanvullende vergoedingen op basis van de UVO 2010, aldus het middel. [57]
bewustongeregeld hebben gelaten. Partijen kunnen ook een onderwerp ongeregeld laten zonder daartoe de bedoeling te hebben gehad, bijvoorbeeld omdat zij er in onderhandelingen niet uit zijn gekomen. In dat geval bevat de overeenkomst wél een leemte die kan worden aangevuld. [59] Het gaat dus in essentie om de vraag of ter zake van een onderdeel van de overeenkomst – iets dat is geregeld of juist ongeregeld is gelaten – geen wilsovereenstemming bestaat. [60]
bewustgeen andere vergoedingen overeen zijn gekomen maar beroept zich niet op stellingen of bewijsmiddelen waar dat uit zou kunnen volgen. De strekking van het betoog lijkt mij te zijn dat zulks
a contrariomoet worden afgeleid uit art. 5 lid 4 en Pro 5 en art. 8 UVO Pro 2010.
bewusteen vergoedingsregeling voor gemiste solvabiliteitsopslagen hebben willen uitsluiten. Ook zie ik niet hoe art. 8 UVO Pro 2010 het hof tot een ander oordeel had moeten brengen. Het hof heeft geen ongeclausuleerde financieringsverplichting voor indexaties aangenomen op basis van art. 8 UVO Pro 2010, maar enkel geoordeeld dat de opzegging van de UVO 2010 tijdens de looptijd van het herstelplan op grond waarvan SPC afhankelijk was van solvabiliteitsopslagen, noopt tot het betalen van een schadevergoeding.
1.2.2klaagt het middel dat het hof ten onrechte geen acht heeft geslagen op de aard van partijen en het feit dat zij zich door adviseurs lieten bijstaan. [63]
1.2.3betoogt het middel dat de overwegingen van het hof diens oordeel niet kunnen dragen. Het middel identificeert drie ‘schakels’ op basis waarvan het hof tot zijn oordeel is gekomen, namelijk: (i) SPC hoefde niet anders te begrijpen dan dat de vergoeding uit art. 10 UVO Pro 2010 enkel zag op uitvoeringskosten, (ii) het standpunt van FrieslandCampina omtrent de betaalde kostendekkende premie noopt niet tot een ander oordeel, en (iii) buiten de UVO 2010 is een bedrag van € 24,5 miljoen betaald op grond van de vaststellingsovereenkomst. Ten aanzien van schakel (i) stelt het middel dat het feit dat art. 10 UVO Pro 2010 uitsluitend betrekking heeft op uitvoeringskosten niet betekent dat art. 10 daarmee Pro niet allesomvattend is en sprake zou zijn van een leemte. Partijen zijn namelijk
bewustgeen andere vergoeding overeengekomen. Schakel (ii) kan het oordeel van het hof evenmin dragen omdat het hof niet inzichtelijk maakt
waaromde stellingen van FrieslandCampina niet tot een ander oordeel nopen. Met betrekking tot schakel (iii) voert de klacht aan dat het hof niet is ingegaan op de essentiële stelling dat de betalingen voor het langlevenrisico en de vrijval van het vroegpensioen onverplicht waren. Dat die betalingen onverplicht zijn gedaan bevestigt dat de UVO 2010 géén leemte bevat en dat de regeling daarin dus wél uitputtend was, aldus het middel. [66]
onverplichtis verricht. Dat gaat evenwel voorbij aan het belang dat het hof aan die betaling toekent: namelijk dat partijen met art. 10 UVO Pro 2010 niet
bewustandere vergoedingen hebben willen uitsluiten door voor
allevergoedingen een uitputtende regeling te treffen.
1.2.4is een voortbouwklacht die faalt in het verlengde van het voorgaande.
2.1.1acht rov. 7.3 onbegrijpelijk in het licht van een zestal essentiële stellingen waaraan het hof voorbij zou zijn gegaan. De stellingen zien er, samengevat, op dat: (i) ook zonder premiebetaling herstel mogelijk is gebleken als gevolg van de solvabiliteitsvrijval, (ii) de inactieven op lange termijn beter af zijn in een situatie waarin geen pensioenopbouw meer plaatsvindt bij SPC als gevolg van de opzegging van de UVO 2010, (iii) het reservetekort waarin SPC zich bevond niet is toe te rekenen aan de opzegging van de UVO 2010, (iv) opzegging van de UVO 2010 heeft geleid tot een verbetering van de financiële situatie van SPC, (v) de effecten van pensioenopbouw en premiebetaling op de dekkingsgraad van SPC verwaarloosbaar zijn, en (vi) SPC voordeel heeft genoten van de opzegging van de UVO 2010 bestaande uit de beëindigingsvergoeding voor uitvoeringskosten en de bedragen onder de vaststellingsovereenkomst. Ter zake van de stellingen onder (iv) en (v) heeft FrieslandCampina een bewijsaanbod gedaan welk aanbod het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft gepasseerd. [71]
versterktdoor opzegging van de UVO 2010 [72] zie ik niet. Bovendien doet dat niet af aan het belang dat het hof heeft gehecht aan het herstellende effect van de betaling van de solvabiliteits
opslag.
voordelen, wat op zijn minst vatbaar is voor discussie. De genoemde betalingen dienden tot compensatie van aanzienlijke kostenposten die anders door SPC, en indirect door de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden, waren gedragen.
2.1.2richt het middel zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de verwerping van het standpunt dat de bufferopslagen toebehoren aan de actieven en niet aan de inactieven. Dit zou rechtens onjuist zijn gelet op art. 128 Pw Pro. Uit de bewoordingen “
bij aangroei van pensioenverplichtingen” in art. 128 lid Pro 1, aanhef en onder b, Pw volgt dat de bufferopslagen zijn bedoeld voor actieven, en niet voor inactieven. De zinsnede “
in ieder geval onder de PW zoals deze gold ten tijde van belang” is onbegrijpelijk omdat het hof niet inzichtelijk maakt welke periode het van belang acht. Als dat vóór 1 januari 2007 was, is dat oordeel onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling in rov. 7.3 dat de peildatum in 2013, dan wel in 2015 lag. Het onderdeel bevat tot slot een voortbouwklacht. [74]
in stand houden van het” vervangen door “
bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende”. Deze wijziging strekte ertoe te verduidelijken dat het bij een kostendekkende premie niet gaat om een premie voor reeds bestaande verplichtingen maar voor de aangroei van verplichtingen. [76] Voor reeds bestaande verplichtingen is immers al premie betaald. [77]
verschillendepensioenregelingen, maar kennelijk niét zou gelden binnen
dezelfdepensioenregeling tussen actieven en inactieven.
PW zoals deze gold ten tijde van belang” op art. 128 Pw Pro zoals dat is gaan luiden ná de wijziging in 2008.
2.1.3acht het middel onbegrijpelijk het oordeel dat het indexeringsperspectief van de “
inactieven van nu” cq het indexeringsperspectief “
op korte termijn” is verslechterd. In rov. 7.3 stelt het hof namelijk vast dat bestaande en toekomstig inactieven op lange termijn beter af zijn in een situatie waarin geen pensioenopbouw meer plaatsvindt bij SPC. Het nadeel op korte termijn kan wegvallen tegen het voordeel op lange termijn. Het hof geeft geen inzicht in de verhouding tussen het nadeel op de korte en het voordeel op de lange termijn.
kunnenopheffen. Daargelaten of op de lange termijn de door het middel gestelde verbetering zich zou hebben voorgedaan, ook áls die verbetering zich zou hebben voorgedaan dan zijn daarmee niet alle bestaande en toekomstige inactieven op lange termijn beter af. Er zullen namelijk inactieven zijn die de verbetering van dat resultaat op de lange termijn niet zullen genieten, omdat zij geen pensioenuitkeringen meer ontvangen op het moment dat het effect zal zijn opgeheven. De inactieven die niet in de positie zijn de nadelen op de lange termijn te zien kenteren in voordelen, lijden dan schade. In zoverre faalt de klacht.
2.1.4richt het middel een motiveringsklacht tegen rov. 7.3. De overweging dat een en ander temeer klemt omdat het indexatieperspectief door de sluiting van de pensioenregeling in 2009 ook al onder druk was komen te staan, is onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling van het hof in rov. 10 dat mag worden aangenomen dat de financiële gevolgen van de sluiting van de pensioenregeling met SPC in 2009 voor nieuwe deelnemers zijn geregeld omdat dit bij het aangaan van de UVO in 2010 al bekend was. Nu die gevolgen zijn geregeld is onbegrijpelijk – want innerlijk tegenstrijdig – dat het hof in rov. 7.3 aan de sluiting van die regeling gewicht heeft toegekend en mede richtinggevend heeft geacht voor het aannemen van schade, aldus de klacht.
2.1.5betoogt het middel dat het hof zijn oordeel dat de schade van de inactieven als schade
van SPCheeft te gelden, ontoereikend heeft gemotiveerd. Niet valt in te zien waarom SPC schade lijdt of zal kunnen lijden door een verslechterd indexeringsperspectief van de inactieven. Een verslechterd indexatieperspectief geeft inactieven geen vorderingsrecht op SPC en het kan er ook niet toe leiden dat SPC schade zal lijden. [81]
van SPCis aan te merken, in plaats van specifiek schade
van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden. [82] Het hof heeft zich gesteld gezien voor de vraag of de verplichtingen in de UVO 2010 moeten worden aangevuld met een (schade)vergoeding omdat door de opzegging indexatieperspectief wordt gemist. Dit is een
aanvullingop hetgeen op basis van de UVO 2010
tussen FrieslandCampina en SPCheeft te gelden.
raison d’êtreis gelegen in het beheer van aan anderen toekomende pensioenrechten en -aanspraken.
Alcatel-arrest. Daar overwoog uw Raad dat ook bij opzegging van een uitvoeringsovereenkomst ruimte is voor een verplichting om een (schade)vergoeding aan te bieden, en dat daarbij de volgende gezichtspunten van belang zijn:
Alcatel) is onvoldoende ingegaan op de stellingen van het pensioenfonds dat de door haar gevorderde kosten op die grondslag kon worden toegewezen. In het
Alcatel-arrest werd door het pensioenfonds een waaier aan betalingsverplichtingen gevorderd, waaronder herstelpremiebetalingen op basis van het (korte en lange termijn) herstelplan, excassokosten, solvabiliteitsopslagen, opslagen ten behoeve van de algemene reserve, kosten voor indexatie, etc. Voornoemde gezichtspunten brengen met zich mee
datdergelijke (schade)posten aan het pensioenfonds
kunnenworden vergoed. Onbegrijpelijk zou het oordeel van de Hoge Raad zijn indien – met FrieslandCampina in deze zaak – zou moeten worden aanvaard dat pensioenfondsen van die (schade)posten überhaupt geen vergoeding kunnen vorderen omdat de gevolgen van niet-betaling uiteindelijk worden gedragen door gewezen deelnemers en gepensioneerden.
2.1.6bouwt het middel voort op de klachten onder 2.1.2 en 2.1.3 waar het betoogt dat het slagen van deze klachten ook de beslissingen in rov. 8.5-8.7 raakt. Voorts voert het middel aan dat voor het aannemen van een (schade)vergoedingsplicht geen plaats is wanneer het pensioenfonds geen schade heeft geleden en de opzegging van de UVO 2010 zelfs voordeel heeft opgeleverd. In ieder geval is dat een relevant gezichtspunt. [83]
grieven, het oordeel kunnen dragen dat sprake is van een nadere uitwerking.
ten grondslagheeft gelegd. Het hof heeft evenwel in rov. 8.6 enkel belang gehecht aan de Pensioen CAO 2006 bij het vaststellen van hetgeen waartoe FrieslandCampina met betrekking tot de waardevastheid van de pensioenen was gehouden, wederom mede in het licht van goed werkgeverschap. In rov. 8.7 hecht het hof enkel belang aan de Pensioen CAO 2006 in de context van het verschil in indexaties tussen de twee groepen oud-werknemers, mede in het licht van goed werkgeverschap. Reeds bij inleidende dagvaarding heeft SPC beroep gesteld dat FrieslandCampina zich diende te bekommeren om de waardevastheid van de pensioenen van de inactieven en dat door dat niet te doen, FrieslandCampina gehouden was tot betaling van (schade)vergoeding. In dat verband heeft SPC mede een beroep gedaan op goed werkgeverschap. [87] Ook ter zake van het verschil tussen de twee groepen oud-werknemers heeft SPC een beroep gedaan op goed werkgeverschap. [88] Dat het hof met het overleggen van de Pensioen CAO 2006 een nadere toelichting op eerder ingenomen stellingen heeft gezien, vind ik daarom niet onbegrijpelijk.
niet als zelfstandige grondslagvoor de veroordeling van FrieslandCampina tot betaling van schadevergoeding heeft aangenomen. In die schendingen heeft het hof (enkel) relevante omstandigheden gezien die, in het verlengde van de vanaf rov. 6.1 ingezette analyse over gevolgen van de opzegging van duurovereenkomsten, nopen tot het aanbieden van (schade)vergoeding.
Alcatel-zaak);
Alcatel-zaak);
in aanvulling ophetgeen partijen in de UVO 2010 zijn overeengekomen.
uit premieszouden worden gefinancierd, FrieslandCampina daarmee in feite een financieringsverplichting ter zake van die indexaties had en
daaromniet de UVO 2010 kon opzeggen zonder het aanbieden van een schadevergoeding. Dat FrieslandCampina buiten de context van de UVO 2010 (onverplicht of niet) betalingen heeft gedaan doet daaraan niet toe of af. De stelling dat het herstelplan niet uitgaat van aanvullende betalingen voor FrieslandCampina (stelling (viii)) miskent dat het hof de schade en het causaal verband niet gelegen heeft gezien in de stopzetting van de op basis van het herstelplan (en art. 5 lid 4 en Pro 5 UVO 2010) genoemde herstelbetalingen, maar in het stopzetten van de reguliere premiebetaling waarin een solvabiliteitsopslag was verdisconteerd.
pensioenovereenkomstnu juist had toegezegd de indexaties te financieren uit
premie, en dus niet uit beleggingsresultaten. Dat in de UVO 2010 is bepaald dat de indexaties uit beleggingsrendement zouden worden gefinancierd doet daar, zo oordeelt het hof alleszins begrijpelijk, niet aan af.
relevanteomstandigheden van het geval bij zijn beoordeling diende te moet betrekken (zoals blijkt uit rov. 5.1 en 8.1). Voor zover het hof door FrieslandCampina aangevoerde
omstandighedenonbesproken heeft gelaten vloeit daar geen miskenning van die norm voort.
Alcatel-arrest. Daarin wordt benadrukt “
een zekere verantwoordelijkheid” die de werkgever heeft behouden ten opzichte van de vroegere werknemer. [92]
4.3.1miskent het hof dat in het geval van een juridische fusie (zoals hier tussen FrieslandFoods en Campina) de rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst weliswaar overgaan op de nieuwe werkgever maar dat de norm van goed werkgeverschap, op zijn best noopt tot gelijke behandeling binnen de groep werknemers die bij
dezelfderechtsvoorganger van de door fusie ontstane entiteit in dienst zijn (geweest) en/of dat de contractuele werking van 7:611 BW geen verplichting met zich brengt voor de nieuwe werkgever om slapers die voorafgaand aan de fusie in dienst zijn geweest van verschillende werkgevers gelijk te behandelen, in die zin dat de nieuwe verkrijgende werkgever arbeidsvoorwaarden na de fusie moest gelijktrekken op het hoogste niveau dat vóór de fusie bestond bij één werkgever. Als het hof dit niet heeft miskend, is het oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat het hof niet voldoende toelicht waarom het in afwijking van het voornoemde wel die verplichting heeft aangenomen. [94]
Alcatel-arrest, waarin de Hoge Raad enkele gezichtspunten benoemt die relevant zijn voor de beantwoording van de vraag of de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van een uitvoeringsovereenkomst in de weg staan aan opzegging zonder betaling van een (schade)vergoeding (mijn onderstreping):
en aan de omstandigheid dat de uitvoeringsovereenkomst betrekking heeft op (opgebouwde) pensioenaanspraken van (gewezen) werknemers, tegenover wie de (voormalige) werkgever op grond van de (voormalige) arbeidsverhouding een zekere verantwoordelijkheid heeft (behouden).”
zekere verantwoordelijkheid” die de werkgever heeft ten opzichte van de werknemer, niet tot uitdrukking gebracht dat de norm van goed werkgeverschap slechts marginaal kan worden getoetst. De Hoge Raad zegt niet meer dan er staat:
dátde werkgever een zekere verantwoordelijkheid heeft behouden ten opzichte van de voormalig werknemer. Dat een
voormaligwerkgever een “
zekere verantwoordelijkheid” heeft ten aanzien van
voormaligwerknemers is overigens reeds uitgemaakt in het
ECN-Omenarrest. [96]
Vleesmeesters / Alog [98] en
Compaen. [99] Op grond van deze jurisprudentie dient een contractant onder omstandigheden rekening te houden met de belangen van derden die bij de behoorlijke nakoming van de overeenkomst betrokken kunnen zijn. Relevante gezichtspunten hierbij zijn (a) de hoedanigheid van alle betrokken partijen, (b) de aard en strekking van de desbetreffende overeenkomst, (c) de wijze waarop de belangen van de derde daarbij zijn betrokken, (d) de vraag of deze betrokkenheid voor de contractant kenbaar was, (e) de vraag of de derde erop mocht vertrouwen dat zijn belangen zouden worden ontzien, (f) de vraag in hoeverre het voor de contractant bezwaarlijk was met de belangen van de derde rekening te houden, (g) de aard en omvang van het nadeel dat voor de derde dreigt, (h) de vraag of van de derde kon worden gevergd dat hij zich daartegen had ingedekt, en (i) de redelijkheid van een aan de derde aangeboden schadeloosstelling. [100]
gezichtspunten (a) en (b).
gezichtspunt (c)in de beoordeling betrokken. Het hof gaat voorts in rov. 8.5-8.7 uitdrukkelijk in op de relatie tussen FrieslandCampina en de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van SPC. Het hof overweegt dat FrieslandCampina zich om de waardevastheid van de pensioenen diende te bekommeren, niet alleen omdat zij daartoe op grond van de Pensioen CAO 2006 gehouden was, maar ook omdat zij daarin had toegezegd om indexaties uit de premie te zullen financieren.
de hand op de knip” houden, waardoor hun perspectief op indexatie illusoir is geworden (immers geen indexering zonder financiering). Deze overwegingen lijken mij betrekking te hebben op voornoemde
gezichtspunten (f) en (g).
Gezichtspunt (i)heeft het hof bij zijn oordeel betrokken door te oordelen dat het onredelijk is dat in het geheel geen schadevergoeding is aangeboden. [101]
ten volle” aan goed werkgeverschap heeft getoetst, of de postcontractuele relatie tussen FrieslandCampina en de gewezen deelnemers en gepensioneerden van SPC zou hebben miskend, zie ik dan ook niet. FrieslandCampina en SPC staan, zoals het middel met juistheid opmerkt, niet in een werkgever-werknemer relatie tot elkaar zodat geen sprake kan zijn van verplichtingen die FrieslandCampina rechtstreeks jegens SPC heeft op grond van goed werkgeverschap. Dat heeft het hof ook niet miskend. Het hof heeft in de door hem geïdentificeerde schendingen van goed werkgeverschap van FrieslandCampina jegens de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van SPC een relevante omstandigheid gezien die er mede toe strekt dat opzegging van de UVO 2010 zonder het aanbieden van een schadevergoeding onrechtmatig is. Het gaat hier om een invulling van feiten en omstandigheden ter bepaling van wat op grond van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid tussen Friesland Campina en SPC heeft te gelden. Schending van goed werkgeverschap is in dat verband een relevante omstandigheid.
Alcatel-arrest heeft het hof kunnen concluderen dat schendingen van goed werkgeverschap relevante omstandigheden zijn die in het licht van redelijkheid en billijkheid vergden dat een aanbod tot (schade)vergoeding werd gedaan. Dat is niet onbegrijpelijk. Onjuist is het evenmin. In zoverre falen de onderdelen 4.2 en 4.3.1.
nietveroordeeld tot betaling van dezelfde indexaties aan de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden van SPC die de oud-FrieslandFoods werknemers hebben genoten. In zoverre mist de klacht feitelijke grondslag.
pensioenovereenkomstvielen, en er in zoverre sprake is van dezelfde
pensioenregeling [102] (zie ook de hiervoor besproken gezichtspunten). Ná de fusie ontstond dus een volgens het hof ontoelaatbaar verschil in indexatieresultaat tussen twee groepen werknemers die op basis van dezelfde pensioentoezegging in de Pensioen CAO 2006 in dezelfde pensioenregeling deelnamen. [103] Het enkele feit dat vóór de fusie dat onderscheid niet bestond, althans niet in strijd was met goed werkgeverschap, doet niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat het ná de fusie laten voortbestaan van dit onderscheid een relevante omstandigheid is die noopt tot (schade)vergoeding bij opzegging. Het oordeel dat ná de fusie FrieslandCampina niet kon volstaan met het accepteren van de verschillen in indexatie als voldongen feit is evenmin onjuist of onbegrijpelijk. Bovendien heeft het hof niet
alleenbelang gehecht aan het onderscheid tussen de indexaties, maar ook aan de omstandigheid dat door de opzegging van de UVO 2010 een forse balansvoorziening vrijviel wat strekte tot voordeel van FrieslandCampina.
4.3.2voert het middel een motiveringsklacht aan. FrieslandCampina heeft ontkend dat de betaling van € 64 miljoen aan Avéro te maken had met toeslagverlening (indexatie), maar het hof oordeelt dat ongeloofwaardig. Dat dit in de visie van het hof ongeloofwaardig is, vindt het middel dan weer onbegrijpelijk in het licht van de gedingstukken. Daaruit blijkt namelijk dat de betaling samenhangt met het langlevenrisico. Als het hof zijn beslissing in rov. 8.4 dat de ontkenning door FrieslandCampina ongeloofwaardig is mede heeft gebaseerd op de “
erkenning in de MvA van 8.4.4” is dat oordeel eveneens onbegrijpelijk. In die passages heeft FrieslandCampina namelijk enkel gesteld dat er (in vier tranches) € 64 miljoen in het indexatiedepot is gestort, maar dat betekent niet dat die storting ook gedaan is met het oog op de toeslagverlening. Die storting hield verband met het langlevenrisico. [104]
waaruit de indexatie kan worden gefinancierd”. In dat licht acht ik het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
4.4.1richt het middel zich tegen rov. 5.1 en 8.5 van het bestreden arrest, waaruit volgt dat FrieslandCampina de UVO heeft opgezegd zonder SPC een schadevergoeding aan te bieden. Dat is onbegrijpelijk nu, zo ook het hof onderkent in rov. 2.14, FrieslandCampina diverse voorstellen voor een carve-out heeft gedaan en daarbij aanvullende vergoedingen heeft aangeboden. Niet valt in te zien waarom dat niet gezien moet worden als een aanbod tot schadevergoeding.
4.4.2klaagt het middel dat het hof een essentiële stelling onbesproken heeft gelaten. Die stelling is dat er geen schadevergoedingsplicht bestaat omdat FrieslandCampina tijdens de looptijd van de UVO 2010 geen premieplicht had. Er was immers slechts sprake van een voorwaardelijke toeslagverlening en pensioenrechten werden uit beleggingsrendementen gefinancierd (art. 8 UVO Pro). FrieslandCampina kan jegens SPC geen zwaardere betalingsverplichtingen hebben ná beëindiging van de UVO dan tijdens de looptijd daarvan, aldus het middel.
uit premiezouden worden gefinancierd. Dat het aannemen van een verplichting tot het aanbieden van een (schade)vergoeding een situatie creëert waarin FrieslandCampina jegens SPC zwaardere betalingsverplichtingen heeft ná beëindiging van de UVO dan daarvoor kan – daargelaten of die situatie zich werkelijk voordoet – evenmin tot een ander oordeel leiden. Mij lijkt dit mogelijke gevolg inherent te zijn aan de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid.
4.4.3richt het middel zich tegen het oordeel dat FrieslandCampina geen cent heeft bijgedragen. Dat oordeel acht FrieslandCampina onbegrijpelijk nu zij het volgende heeft betaald: (i) een beëindigingsvergoeding van € 20,2 miljoen, (ii) € 42 miljoen op basis van de vaststellingsovereenkomst en (iii) € 77 miljoen aan herstelbetalingen. Daar komt bij (iv) dat zij SPC carve-out voorstellen heeft gedaan met aanvullende vergoedingen die een positief effect zouden hebben gehad op de ontwikkeling van de dekkingsgraad van SPC.
geen cent heeft bijgedragen” is onderdeel van de motivering op grond waarvan het hof oordeelt dat FrieslandCampina zich diende te bekommeren om de waardevastheid van de pensioenrechten en -aanspraken bij SPC en om het verschil in indexaties tussen de twee groepen (ex-)werknemers. Nu het daaraan heeft geschort heeft het hof geoordeeld dat FrieslandCampina eind 2013 de UVO 2010 niet mocht opzeggen zonder het aanbieden van een schadevergoeding. Daar doet er niet aan af dat zij overigens wel (aanzienlijke) betalingen heeft gedaan.
Onderdeel 5.1betoogt dat de verwerping in rov. 9.1 van het eigen schuld-verweer van FrieslandCampina niet met redenen omkleed is. Het hof heeft immers in het midden gelaten of de stelling van FrieslandCampina juist is dat een carve-out een gunstig effect op de dekkingsgraad zou hebben gehad. Dit staat als hypothetisch feitelijke grondslag vast, zodat er ook van moet worden uitgegaan dat een carve-out een zodanig voldoende gunstig effect zou hebben gehad op de dekkingsgraad wat het indexatieperspectief van inactieven bevordert, althans kan bevorderen. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom het hof heeft gemeend dat die gevolgen voor de inactieven aan een acceptatie van de carve-out in de weg stonden, nu het hof niet heeft vastgesteld dat aanvaarding van de carve-out voor inactieven nadelig was. De overweging van het hof dat de aanvullende betalingen in het kader van een carve-out niet zagen op betaling aan SPC ten behoeve van het indexatieperspectief van de achterblijvende inactieven maakt dat niet anders, nu daaruit evenmin blijkt dat acceptatie van de voorstellen voor een carve-out nadelig voor de inactieven was.
Onderdeel 5.2bevat een motiveringsklacht tegen rov. 9.1 waarin het hof zonder enige motivering is voorbij gegaan aan het relevante aanvullend bewijsaanbod van FrieslandCampina bij pleidooi in hoger beroep.
Dieschade is groter dan ze had kunnen zijn als SPC in 2011-2013 het voorstel voor een carve-out had aanvaard.
gesteld noch gebleken is dat geen redelijk handelend ondernemingspensioenfonds in dezelfde omstandigheden het aanbod van FrieslandCampina c.s. zou hebben afgewezen”. Het hof past hier element (ii) van de genoemde entreetoets toe. De benadeelde moet kunnen worden aangerekend dat hij zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden met het oog op zijn eigen belang zou hebben gedaan. [108] De toepassing van die maatstaf stelt het middel niet ter discussie.
allebij SPC opgebouwde pensioenrechten en -aanspraken aan een pensioenverzekeraar). Dit voorstel had een financiële waarde van € 240 miljoen. Partijen hebben in 2013 geprobeerd de kloof tussen deze bedragen te overbruggen, maar zonder succes.
5.Bespreking van het middel in het incidentele beroep
op zichzelfonrechtmatig was, is dit
onbegrijpelijk. De stellingen van SPC laten zich namelijk niet anders uitleggen dan dat de sluiting van de pensioenregeling voor nieuwe deelnemers terwijl SPC zich in een herstelsituatie bevond, een van de omstandigheden is die maakt dat FrieslandCampina onrechtmatig heeft gehandeld door de UVO 2010 op te zeggen.
onderdeel 2.3heeft het hof bovendien art. 24 Rv Pro geschonden. FrieslandCampina heeft niet gesteld, noch aan haar verweer ten grondslag gelegd, dat de financiële gevolgen van de sluiting van de regeling in 2009 in de UVO 2010 waren geregeld.
onderdeel 2.4.
nietonrechtmatig was, maar enkel een van de omstandigheden vormde waarom de
opzeggingvan de UVO 2010 gepaard diende te gaan met een (schade)vergoeding. Het middel tracht kennelijk in de onrechtmatigbevinding van de opzegging van de UVO 2010 per 1 januari 2015 een haakje te vinden om schade als gevolg van de sluiting van de pensioenregeling in deze procedure (en mogelijk hierna in een eventuele schadestaatprocedure) mee te nemen. Maar de beëindiging van die pensioenregeling was naar de stellingen van SPC zelf niet onrechtmatig. Niet valt dan in te zien waarom die kennelijk in onderdeel 2.1 rechtmatig geachte beëindiging van de pensioenregeling in 2009, een grondslag zou kunnen bieden voor het vergoeden van de gevolgen daarvan enkel omdat de opzegging van de UVO 2010 per 1 januari 2015 met het aanbod tot betaling van (schade)vergoeding gepaard diende te gaan.