Conclusie
1.Feiten
[het Fonds]”. Over de looptijd van 18 maanden wordt een rendement van 30% verwacht terwijl het maximale risico slechts 18,3% bedraagt.
cultivars’). Het Fonds stond onder toezicht van de AFM en beschikte over een informatiememorandum voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, afgegeven door het accountantskantoor Deloitte & Touche.
[het Fonds]
de factoslechts door handelaren met een ‘negatieve positie’ (meer aankopen dan verkopen) werd betaald en slechts aan handelaren met een ‘positieve positie’ (meer verkopen dan aankopen) werd doorbetaald. Bij dat laatste gold de voorwaarde dat de desbetreffende koopsommen daadwerkelijk waren betaald (dit werd het ‘één-op-één-systeem’ genoemd).
2.Procesverloop
Zorgplicht bank
Beleggingsprofiel
Causaal verband - schade’ de weg geplaveid voor afwijzing van de vordering, hoewel de Bank dus wel degelijk iets te verwijten valt:
Onregelmatigheden rond het Fonds na oprichting’ ingegaan op enkele specifieke door [verweerder] aan de Bank gemaakte verwijten. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat de Bank wetenschap had of behoorde te hebben over feiten die mogelijk onrechtmatig waren (rov. 4.8.) en dat [verweerder] ook niet duidelijk heeft gemaakt dat en hoe het hem had kunnen baten als de Bank hem op enig later moment had gewaarschuwd over onregelmatigheden (rov. 4.9.). Ook het verwijt dat de Bank druk heeft uitgeoefend op [verweerder] om te participeren in het Fonds wordt tevergeefs naar voren gebracht (rov. 4.10.).
Optreden bank kwalificeert als advisering
cultivarsniet deskundig was en dus ook geen eigen standpunt had over de in het prospectus opgenomen prognoses. Feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn niet gesteld of gebleken.”
cultivarsin verhouding met de door HBU in haar interne kredietvoorstel gehanteerde omvang van de markt in
cultivarsin 2002 van € 100 miljoen en de exceptionele verschillen tussen aan- en verkoopprijzen van de verhandelde
cultivars. Indien HBU op basis van deze gegevens een nadere analyse had uitgevoerd, had zij deze exceptionele omvang en prijsverschillen gesignaleerd en was dit aanleiding geweest om nadere vragen te stellen, aldus de onderzoekers.
cultivarsin 2002 van € 100 miljoen de op de transactieoverzichten vermelde aan- en verkoopbedragen niet kònden kloppen en dat (grote) vraagtekens moesten worden gezet bij de onderliggende speculatieve termijntransacties in
cultivarsen in het verlengde daarvan bij de inbaarheid van de vorderingen van het Fonds op de termijnkopers. Met dat laatste stond of viel de soliditeit van het Fonds. Veel transacties zijn later ook betwist (zie Bijlage I onder 36 bij conclusie van antwoord). Het nader onderzoek zou de bank al voor de oprichting van het Fonds op 23 juni 2003 hebben kunnen en moeten doen, omdat zij ten tijde van de oprichting al over de transactieoverzichten beschikte. In dat verband is nog van belang dat pas op 31 oktober 2003 een bedrag van ruim € 73 miljoen van de HBU-rekening van het Fonds naar Stichting [F] is overgemaakt waaruit volgt dat er tijd was voor onderzoek. Voor zover het ontbreken van kennis van de markt van nieuwe tulpenbollenrassen ertoe heeft geleid dat de bank geen vraagtekens bij de transactieoverzichten heeft gezet, komt dat voor haar rekening en risico. Nu de bank geen onderzoek in bedoelde zin heeft gedaan, kan, gezien de aard van deze aansprakelijkheid, de schade haar in de zin van art. 6:98 worden Pro toegerekend.”
cultivarsniet deskundig was en dus ook geen eigen standpunt had over de in het prospectus opgenomen prognoses, hetgeen de bank heeft nagelaten. In dit licht bezien is er naar het oordeel van het hof geen sprake van (noemenswaardige) eigen schuld aan de zijde van [verweerder] .”
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
cultivarsniet deskundig was en dus ook geen eigen standpunt had over de in het prospectus opgenomen prognoses;
Causaal verband” neemt het hof vervolgens aan dat sprake is van condicio sine qua non-verband (rov. 3.9) en van toerekeningsverband (rov. 3.10);
cultivarsniet deskundig was en dus ook geen eigen standpunt had over de in het prospectus opgenomen prognoses, hetgeen de Bank heeft nagelaten;
Onderdeel 1bestrijdt met diverse klachten wel de invulling die het hof in rov. 3.7 en 3.8 aan de bijzondere zorgplicht van de Bank heeft gegeven (de eerder genoemde verduidelijkingsplicht). Dit onderdeel wordt uitgewerkt in subonderdelen 1.1 tot en met 1.5. Om de bespreking van de klachten van onderdeel 1 fundament te geven, zal ik eerst een aantal opmerkingen maken over de bijzondere zorgplicht van banken in het algemeen.
renteswaps) een beroep gedaan op een tot hun bescherming strekkende bijzondere zorgplicht van de bank. [13]
MeesPierson/ Ten Bos-arrest, [27] het
Safe Haven-arrest [28] en het recentere
Ponzi-zwendel-arrest [29] is er namelijk een primaire dader (een ‘kwade genius’; in casu een fraudeur) die de schade heeft veroorzaakt en wordt vervolgens de bank als een ‘secundaire dader’ of ‘zijdelingse laedens’ aangesproken, omdat zij de schade niet alsnog heeft voorkomen. Uit de rechtspraak van Uw Raad met betrekking tot de bijzondere zorgplicht jegens derden valt af te leiden dat de bank in dat soort gevallen niet zonder meer aansprakelijk is, maar pas wanneer zij over zodanige kennis beschikt of voor haar anderszins aanleiding bestaat dat zij in het belang van betrokken derden tot actie overgaat. Zo heeft Uw Raad zowel in het
Safe Haven-arrest als in het
Ponzi-zwendel-arrest geoordeeld dat op de bank, die kennis had van de beleggingsactiviteiten en die zich ook heeft gerealiseerd (althans: had moeten realiseren) dat die activiteiten mogelijk in strijd waren met de Wet toezicht effectenverkeer, de verplichting rustte om in het belang van de betrokken derden een onderzoek in te stellen naar die beleggingsactiviteiten. Wetenschap (althans: serieuze aanwijzingen) bij de bank is (zijn) derhalve vereist voor het aannemen van een bijzondere zorgplicht van de bank (als ‘secundaire dader’ of ‘zijdelingse laedens’) jegens een derde. [30] Van de bank kan, buiten deze gevallen van wetenschap of serieuze aanwijzingen voor onregelmatigheden, in principe niet worden verlangd dat zij nader onderzoek doet naar mogelijke fraude. [31] Dat dit werkelijk anders is wanneer van een contractuele verhouding (cliënt) sprake is in plaats van een buiten-contractuele (derde), ligt niet voor de hand. [32]
subonderdeel 1.1(nader uitgewerkt in randnummers 1.1.1 en 1.1.2 van de procesinleiding) klaagt de Bank dat het hof in rov. 3.7 en 3.8 een te vergaande zorgplicht heeft aanvaard en/of ten onrechte, althans zonder voldoende motivering heeft geoordeeld dat de Bank de op haar bij advisering aan [verweerder] rustende zorgplicht heeft geschonden. Het hof heeft volgens de Bank in het bijzonder onvoldoende gerespondeerd op het betoog van de Bank dat Deloitte & Touche als onafhankelijke, professionele derde de werking van het Fonds had onderzocht en dat de Bank (mede gelet op de betrokkenheid van de overige adviseurs) in redelijkheid daarop mocht vertrouwen (randnummer 1.1.1 van de procesinleiding). Daaraan heeft de Bank toegevoegd dat het hof ook heeft miskend dat Deloitte & Touche, zoals de Bank in (randnummer 4.3.4 van) haar conclusie van antwoord had aangevoerd, overeenkomstig algemeen aanvaarde richtlijnen voor onderzoek van toekomstgerichte financiële informatie, een cijferanalyse met betrekking tot de financiële gegevens heeft uitgevoerd, de aan het rendementsoverzicht ten grondslag liggende veronderstellingen inhoudelijk heeft beoordeeld en is nagegaan of het rendementsoverzicht op een juiste wijze op basis daarvan is opgesteld en toegelicht. Ook stelt de Bank dat [verweerder] in appel geen (kenbare) stellingen heeft aangevoerd met de strekking dat een en ander ertoe leidt dat de beoordelingsverklaring “niets inhoudelijks zegt over (de juistheid en volledigheid althans realiteitszin van) de veronderstellingen waarop het rendementsoverzicht is gebaseerd”, en dat het duidelijk is dat het voorbehoud ertoe strekte duidelijk te maken dat het gaat om prognoses, waaraan inherent is dat onzeker is of zij zich zullen verwerkelijken (randnummer 1.1.2 van de procesinleiding). In
subonderdeel 1.2klaagt de Bank dat het hof in rov. 3.8 heeft miskend dat op de Bank in de gegeven omstandigheden van het geval geen verplichting rustte om zelf onderzoek te doen naar de juistheid van de in het prospectus gepresenteerde rendementsprognoses. Ook betoogt de Bank in dit subonderdeel dat het oordeel van het hof in rov. 3.8 dat zij niet alleen op het prospectus had mogen afgaan en dat zij een eigen onderzoek had moeten doen, onbegrijpelijk is mede gelet op de reeds door haar verrichte inspanningen (informatievergaring, overleg met het bestuur van [D] en het positief beoordelen van de inhoud van het prospectus met inachtneming van onder meer de verklaringen van Deloitte & Touche).
cultivarsniet deskundig was en dat zij dus ook geen eigen standpunt had over de in het prospectus opgenomen prognoses. Het hof zegt hier dus niet meer dan dat de verklaringen van Deloitte & Touche en de andere adviseurs niet afdoen aan de (in rov. 3.7) aangenomen schending van de verduidelijkingsplicht door de Bank, nu deze verklaringen niets inhoudelijks zeggen over de juistheid en volledigheid van de gehanteerde veronderstellingen die aan de in het prospectus opgenomen prognoses ten grondslag liggen. Het hof is dus, anders dan subonderdeel 1.1 suggereert, wel ingegaan op het voornoemde betoog van de Bank. Dat de respons van het hof niet naar tevredenheid van de Bank is, neemt niet weg dat deze goed te volgen (en dus begrijpelijk) is in het licht van de gedingstukken waarvan de uitleg voorbehouden is aan de feitenrechter. Daarmee faalt
subonderdeel 1.1.
Subonderdeel 1.2faalt derhalve.
subonderdeel 1.3klaagt de Bank dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de aard en reikwijdte van de in de gegeven omstandigheden op de Bank rustende bijzondere zorgplicht is uitgegaan en dat het tenminste zijn oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd. Ter toelichting stelt de Bank dat zij, mede gelet op de vertrouwenwekkende bevindingen van deskundige betrokken partijen als Deloitte & Touche, geen indicaties had dat er ten tijde van de aankoopbeslissing door [verweerder] iets niet in orde was of kon zijn bij het Fonds. Ook dit subonderdeel faalt om de navolgende redenen.
cultivarsniet deskundig was en dat zij dus ook geen eigen standpunt had over de prognoses in het prospectus, is gebaseerd op enkele feiten en omstandigheden die het hof in rov. 3.6 en in rov. 3.7 heeft vastgesteld. Het gaat om de volgende feiten en omstandigheden:
subonderdelen 1.4 en 1.5betoogt de Bank, onder meer, dat het hof in rov. 3.8 heeft miskend dat voor het aannemen van een verplichting om [verweerder] bepaalde mededelingen te doen, vereist is dat de Bank begreep dat die mededeling voor [verweerder] relevant was en dat [verweerder] bij een dergelijke mededeling zou hebben afgezien van het nemen van participaties in het Fonds (hierna voor het gemak ook aangeduid als ‘kenbaarheidsvereiste’).
voorkomendat hij zijn beslissing om in het Fonds te beleggen (mede)
zoubaseren op de door de Bank gewekte indruk dat zij achter het Fonds stond. Ik vat dit oordeel dan ook zo op dat het hof (met de rechtbank) meent dat de Bank [verweerder] uit de (vermoedelijke) waan had moeten halen dat zij achter het Fonds stond en dat de Bank door dat niet te doen het risico heeft gecreëerd dat [verweerder] zijn aankoopbeslissing (mede) op die (onjuiste) gewekte indruk zou baseren. Daarin ligt volgens het hof de schending van de bijzondere zorgplicht van de Bank jegens [verweerder] . Voor zijn oordeel over de zorgplichtschending heeft het hof derhalve niet relevant geacht of die mededeling voor [verweerder] daadwerkelijk bepalend was en evenmin of de Bank daarvan op de hoogte was of had behoren te zijn.
subonderdelen 1.4 en 1.5falen.
subonderdeel 1.5klaagt de Bank ook nog dat het hof art. 24 Rv Pro heeft geschonden door in rov. 3.8 te oordelen dat de Bank duidelijk had moeten maken dat zij op het terrein van
cultivarsniet deskundig was en dus ook geen eigen standpunt had over de in het prospectus opgenomen prognoses. Volgens de Bank heeft [verweerder] deze omstandigheid niet aan zijn betoog (in appel) ten grondslag gelegd.
cultivarshad en dat zij geen eigen standpunt had over de in het prospectus opgenomen prognoses. De boodschap van het hof past in het partijdebat: de Bank had de door haar bij [verweerder] gewekte (onjuiste) indruk dat zij achter het Fonds stond, moeten wegnemen door hem eenvoudigweg duidelijk te maken dat zij geen onderzoek naar het Fonds (waaronder ook de
cultivarsvallen) had gedaan en dat zij daarover dus ook geen eigen standpunt had. Ook daarom faalt
subonderdeel 1.5.
onderdeel 1faalt.
subonderdeel 2.1). Het gaat dan om de rechtsklacht in subonderdeel 2.1 aanhef en om de motiveringsklacht in subonderdeel 2.1 onder a., die onder meer nader uitgewerkt is in randnummer 2.1.1 van de procesinleiding. Vervolgens zal ik, kort, ingaan op subonderdeel 2.1 onder b., dat nader is uitgewerkt in randnummer 2.1.2 van de procesinleiding. Daarna komen subonderdelen 2.2 tot en met 2.4 aan bod die, als gezegd, het door het hof aangenomen toerekeningsverband in de zin van art. 6:98 BW Pro bestrijden.
subonderdeel 2.1 aanhefbetoogt de Bank dat het hof heeft miskend dat er een condicio sine qua non-verband dient te bestaan tussen het
onrechtmatigehandelen van de Bank en de vermogensschade die [verweerder] heeft geleden.
het voorstel van de bank,
het voorlichtingsmateriaal dat hij via de bank heeft ontvangenen
de voorlichtingsbijeenkomst die hij heeft bezocht, en waar de bank was vertegenwoordigd” [onderstrepingen door mij, A-G]. Daarmee brengt het hof in dit verband bij wijze van spreken elke vorm van betrokkenheid van de Bank in beeld, terwijl die nu juist
als zodanigniet onrechtmatig is geoordeeld. Beslissend zou moeten zijn, maar de door het hof gehanteerde formulering past daar niet bij en werpt daarop ook geen licht, of [verweerder] dezelfde keuze zou hebben gemaakt wanneer de Bank haar positie aan hem zou hebben verduidelijkt. De klacht van
subonderdeel 2.1 aanheftreft daarom doel.
subonderdeel 2.1 onder a.betoogt de Bank dat het hof essentiële stellingen, die zien op de door [verweerder] aan de Bank verweten normschending voorafgaand aan het nemen van participaties in het Fonds, ongemotiveerd heeft gepasseerd, aldus de Bank. In randnummer 2.1.1 van de procesinleiding werkt de Bank deze motiveringsklacht uit: daarbij geeft de Bank aan dat zij in dit geding gemotiveerd heeft betoogd dat een “disclaimer” door de Bank [verweerder] niet op andere gedachten zou hebben gebracht, en daarmee dus ook niet als zij aan haar verduidelijkingsplicht had voldaan. Daarbij heeft de Bank verwezen naar haar stelling in hoger beroep dat [verweerder] zich, in het kader van de vermogensbeheerrelatie, niet actief met de door de Bank gekozen beleggingen bemoeide (memorie van antwoord, randnummers 3.8.9 tot en met 3.8.10). Daarbij heeft de Bank inderdaad niet volstaan met een ‘blanco’ betwisting (in de trant van ‘ [verweerder] had hoe dan ook de aankoopbeslissing genomen’). Ter onderbouwing van haar verweer heeft de Bank, onder meer, verwezen naar rov. 4.2. van het vonnis van de rechtbank van 20 april 2016 (hiervoor randnummer 2.6). Aldaar heeft de rechtbank, onder meer, overwogen:
subonderdeel 2.1 onder a.
subonderdeel 2.1 onder b.)klaagt de Bank verder nog dat het hof ook haar stellingen waaruit volgt dat er geen condicio sine qua non-verband bestaat tussen de normschending die ziet op de fase nadat [verweerder] was ingestapt en zijn schade, niet bij zijn oordeel heeft betrokken. De Bank miskent hier dat het hof geen zorgplichtschending door de Bank heeft aangenomen in het tijdvak ná de aankoopbeslissing door [verweerder] . Het hof heeft enkel een schending van de verduidelijkingsplicht aangenomen ten tijde van de advisering (rov. 3.7 en 3.8, waarover nader hiervoor randnummers 3.17 tot en met 3.19). Meer dan dat heeft het hof niet aangenomen.
Subonderdeel 2.1 onder b.faalt derhalve wegens gemis aan feitelijke grondslag.
subonderdeel 2.1gedeeltelijk. Daarmee kom ik nu toe aan
subonderdeel 2.2waarin de Bank klachten heeft gericht tegen rov. 3.10, waarin het hof zijn oordeel over het toerekeningsverband van art. 6:98 BW Pro heeft neergelegd (hiervoor randnummer 3.2 onder (F)).
subonderdeel 2.3een drietal motiveringsklachten neergelegd die betrekking hebben op de door het hof, in het kader van het toerekeningsverband, aangenomen schending van de onderzoeksplicht door de Bank. Nu de rechtsklacht in subonderdeel 2.2, uitgewerkt in randnummer 2.2.1 van de procesinleiding, slaagt, heeft de Bank geen belang meer bij een inhoudelijke bespreking van deze motiveringsklachten (en dus ook niet bij
subonderdeel 2.3).
subonderdeel 2.4heeft de Bank betoogd dat het oordeel van het hof in rov. 3.10 niet strookt met het
Safe Haven-arrest [43] en de benadering in de zaak die uiteindelijk tot het
Ponzi-zwendel-arrest [44] heeft geleid, omdat daaruit volgt dat voor een secundaire aansprakelijkheid van de Bank, zoals in casu aan de orde is, subjectieve wetenschap van de fraude vereist was.
MeesPierson/ Ten Bos-arrest [45] aansluit, kan inderdaad worden afgeleid dat een ‘secundaire dader’ of ‘zijdelingse laedens’ zoals hier een bank niet zonder meer aansprakelijk is wanneer een primaire dader (zoals in casu een fraudeur) (de kiem voor het ontstaan van) de schade in eerste instantie heeft gelegd. Dat deze rechtspraak steeds betrekking heeft op de aansprakelijkheid van de bank jegens derden brengt niet mee dat aan de kern daarvan geen betekenis toekomt in de contractuele verhouding van een bank tot haar wederpartij. Er is dan ook, gevallen waarin de contractuele verhouding nu juist een vergaande bescherming door de een van de ander tegen mogelijke fraude of misbruik door derde vergt daargelaten, geen reden om aan te nemen dat ook zonder kennis of serieuze aanwijzing omtrent fraude of misbruik door een derde, actie moet worden ondernomen op straffe van aansprakelijkheid. Wanneer de grondslag voor aansprakelijkheid niet bestaat uit het ten onrechte niet reageren op kennis van fraude door derden of serieuze aanwijzingen daarvoor, zoals in casu waar het hof juist enkel een schending van een verduidelijkingsplicht heeft aangenomen, gaat het niet aan om de omvang van de daarop te gronden aansprakelijkheid door een ruimhartige toepassing van art. 6:98 BW Pro alsnog tot de gevolgen van fraude door derden uit te breiden. Het gevolg daarvan is immers een aansprakelijkheid voor de gevolgen van fraude van derden zonder dat de Bank in het kader van de vraag of zij haar zorgplicht ter zake heeft geschonden, kan worden verweten dat zij in weerwil van kennis of serieuze aanwijzingen is blijven stilzitten. In zoverre slaagt ook
subonderdeel 2.4.
onderdeel 2.
causale verdelingen vervolgens om een (mogelijke)
billijkheidscorrectie.
mede een gevolgis van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden
toegerekend. Aldus blijkt dat omstandigheden aan de zijde van de benadeelde condiciones sine quibus non zijn voor zijn schade. [47] Voor toepassing van art. 6:101 BW Pro dienen deze omstandigheden die mede tot de schade hebben geleid, aan de benadeelde te kunnen worden
toegerekend. In dit verband moet de benadeelde aangerekend kunnen worden dat hij zich anders heeft gedragen dan een redelijk mens onder de gegeven omstandigheden met het oog op zijn eigen belang zou hebben gedaan. [48] Bij eigen schuld gaat het derhalve om een bijdrage aan de schade door het betrachten van onvoldoende zorg voor eigen persoon of goed waarvan niet de dader maar de benadeelde het risico draagt. Het woord ‘risico’ sluit daarbij in dat het behalve om onzorgvuldig of onvoorzichtig gedrag van de benadeelde ten aanzien van het eigen belang ook kan gaan om omstandigheden die in zijn risicosfeer liggen (zoals handelen of nalaten van een door hem ingeschakelde persoon). [49]
mede een gevolgis van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden
toegerekend, is men als het ware door de poort van art. 6:101 BW Pro. Vervolgens wordt aan de hand van de in het eerste lid van deze bepaling neergelegde maatstaven (de al genoemde causale verdeling en de billijkheidscorrectie) nagegaan of, en zo ja in hoeverre, de vergoedingsplicht van de aansprakelijke persoon wordt verminderd. In eerste instantie gaat het om een verdeling van de zowel aan benadeelde als aan aansprakelijke persoon toe te rekenen omstandigheden in evenredigheid met de mate waarin zij aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen. Dit is een puur causale verdeling waarbij (mate van) verwijtbaarheid geen rol speelt. [50] Tot welke verdeling dat uiteindelijk leidt, is een kwestie van weging op basis van mate van gevaarzetting (in hoeverre hebben de fouten over en weer gevaar voor het ontstaan van de schade in het leven geroepen?). [51] Vervolgens wordt nagegaan of het resultaat van deze causale verdeling (het vergoedingspercentage) aanvaardbaar is of juist bijstelling verdient. Een dergelijke bijstelling (die behalve tot een ander vergoedingspercentage ook tot verval van aansprakelijkheid of juist tot een volledige vergoedingsplicht kan leiden) wordt billijkheidscorrectie genoemd. Zij kan haar grond vinden, zo blijkt reeds uit de tekst van art. 6:101 lid 1 BW Pro, in het uiteenlopen van de ernst van de wederzijds gemaakte fouten dan wel in andere omstandigheden. [52]
Dexia-zaken (ook wel het ‘Hofmodel’ genoemd) omarmd, maar daarbij benadrukt dat er nog altijd ruimte moet bestaan om ook rekening te houden met de individuele omstandigheden van de betrokkene. [58] In dit regime wordt de schade in de verhouding tussen belegger en aanbieder in beginsel verdeeld volgens de verhouding 1:2 ten nadele van de aanbieder. Indien de aanbieder had moeten begrijpen dat de mogelijke financiële gevolgen van de leaseovereenkomst een onaanvaardbaar zware last voor de afnemer vormden, geldt dit zowel wat betreft de eventuele restschuld als wat betreft de reeds betaalde rente, aflossingen en kosten. Indien echter geen sprake was van een onaanvaardbaar zware last, heeft deze verdeling slechts betrekking op de eventuele restschuld, omdat de verplichting tot schadevergoeding van de aanbieder zich dan immers niet mede uitstrekt over de door de afnemer betaalde rente, aflossingen en kosten. De (aard van) vuistregel laat nog steeds ruimte voor afwijkingen. Zo heeft Uw Raad in enkele meer recente
Dexia-zaken aanleiding gezien om, op basis van een nadere billijkheidscorrectie, zelfs een 100%-vergoedingsplicht, zowel ten aanzien van een eventuele restschuld als ten aanzien van de betaalde rente, aflossingen en kosten én ongeacht de vraag of van een onevenredig zware last sprake zou zijn, bij de aanbieder neer te leggen. [59] Die aanleiding lag in de verzwarende omstandigheid dat de betrokken effectenleaseovereenkomsten tot stand waren gekomen op advies van een tussenpersoon die niet over de vereiste (advies)vergunning beschikte waarvan Dexia op de hoogte was althans behoorde te zijn. In deze gevallen had Dexia de afnemer hoe dan ook moeten weigeren. [60]
Dexia-zaken). In casu heeft het hof alsnog 50% (bovenop de 50% die al uit de causale verdeling zou voortvloeien) ten laste van de Bank gebracht met in wezen niet meer dan een verwijzing naar het gegeven dat de Bank schending van een bijzondere zorgplicht kan worden verweten. Dat enkele gegeven, ik herhaal het nog maar, is bij het handelen in opties en bij effectenlease wel voldoende om een groter deel ten laste van de bank te brengen dan van de benadeelde, maar niet voldoende voor het naar 0 terugbrengen van de bijdrage van de benadeelde. Daar is méér voor nodig.
onderdeel 3met beide klachten doel treft.
onderdeel 4doel.
4.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Onderdeel 1valt uiteen in twee subonderdelen.
subonderdeel 1.1klaagt [verweerder] dat het hof, mede gelet op hetgeen het hof in rov. 3.6 tot en met 3.9 heeft vastgesteld, een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven door te overwegen dat de omstandigheid dat [verweerder] heeft besloten om in het Fonds te participeren in zijn risicosfeer ligt, en dat het hof daarmee ook een innerlijk tegenstrijdig oordeel heeft gegeven. In
subonderdeel 1.2klaagt [verweerder] dat het hof een onvoldoende gemotiveerd oordeel heeft gegeven door ten onrechte voorbij te gaan aan de stelling van [verweerder] dat hij er op grond van de informatie van de Bank op mocht vertrouwen dat hij een verantwoord risico zou nemen en dat het feit dat de belegging een onverantwoord risico bleek te zijn waarbij [verweerder] zijn volledige inleg kwijt zou raken, een omstandigheid is die volledig voor risico van de Bank dient te komen.
subonderdelen 1.1 en 1.2en daarmee
onderdeel 1.