Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Het toetsingskader
in beginselniet hoefde aan te passen nadat nieuwe cijfers beschikbaar kwamen:
earnings before interest and tax, A-G] over 2007 uit op € 73.239,-- positief (…). De zelfstandige activiteiten van PeP hadden daarom een substantiële invloed op het resultaat van PeP over 2007.
dividenduitkeringendoor BSU aan PeP en niet de waarde van PeP’s aandelen in BSU heeft bepaald en (ii) niet ervoor heeft gekozen PeP en BSU ten behoeve van de waardering te consolideren. De rechtbank heeft deze verwijten onterecht geacht, omdat er geen grond was voor consolidatie, nu PeP maar een derde van de aandelen in BSU hield (rov. 6.65.) en verder omdat [de vrouw] dit verwijt in de echtscheidingsprocedure niet heeft gemaakt en daarom in zoverre niet heeft voldaan aan haar schadebeperkingsplicht (rov. 6.66. en 6.67.).
- 50% van de waarde van het 1/3 belang van PeP in BSU;
- € 33.640,71 (advocaatkosten over 2011);
- € 14.637,00 (kosten [betrokkene 2] over 2011);
- steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 januari 2012;
- € 15.119,99 (kosten [betrokkene 2] over 2012 tot en met 2014;
- € 33.875,06 en € 2.926.00 (niet eerder toegewezen kosten van [betrokkene 3] en niet eerder toegewezen advocaatkosten);
- steeds te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden van de desbetreffende facturen;
- met veroordeling van [verweerder 1] [
- zijn Advies Waardebepaling heeft gehandhaafd en dat niet heeft aangepast op grond van de resultaten van PeP over 2008 en 2009 (en 2010);
- de automatiseringsomzet van PeP (in 2007) niet als bestendig heeft aangemerkt.
Deze verwijten lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De desbetreffende resultaten over 2008, 2009 en 2010 zijn immers ontstaan uit de automatiseringsomzet.
de waarde van de aandelen en van het maatschapsaandeel per 19 juli 2006 vast te stellen, rekening houdend met de verwachtingen ten aanzien van toekomstige resultaten op basis van inmiddels bekend geworden resultaten”. Bij de beoordeling is van belang dat het hof de opdracht geeft en de betekenis bepaalt van deze zinsnede (in het bijzonder: de term “inmiddels bekend geworden resultaten”).
Opgemerkt wordt[door [de vrouw] , hof]
dat de jaarrekening Pep Beheer 2008 nog niet gereed en aangeleverd was op het moment van waarderen[eind 2009, hof]
en dat de inhoud van de jaarrekening van invloed zou kunnen zijn op de waarderingsrapportage. Naar onze mening klopt het dat de inhoud van een finale jaarrekening PeP Beheer 2008 van invloed kan zijn geweest op de rapportage. (...) Indien de resultaten afwijken van de bedragen in de prognose zal dit wel haar weerslag hebben op de waardering (...). Verder wil ik opmerken dat het rapport is opgesteld in het vierde kwartaal 2009 toen de gegevens over 2008 ons onbekend waren."”
(...) anders dan de vrouw lijkt te veronderstellen was de deskundige niet gehouden om zijn bericht in een later stadium aan te passen in verband met later aan hem ter beschikking gestelde gegevens. Gelet op de vraagstelling kan van de deskundige niet worden verlangd dat hij de definitieve versie[het gaat hier kennelijk, zo blijkt uit de context, om de versie die in het vierde kwartaal van 2009 is voorbereid, hof]
van zijn bericht aanpast als daarna nieuwe gegevens beschikbaar komen.” Het hof in de echtscheidingsprocedure heeft aldus, ondanks de wetenschap van alle relevante gegevens en ondanks de substantiële impact van de gepubliceerde jaarcijfers over 2008 en 2009 (in die zin dat een veel hoger bedrag ten gunste van [de vrouw] zou kunnen worden toegewezen), het werk van [verweerder 1] aanvaardbaar geacht, geen nader onderzoek opgedragen en de eindbeschikking van 13 december 2011 gegeven.”
Het hof in de echtscheidingsprocedure is niet ingegaan op de punten in de brief van 4 februari 2011, anders dan de korte overweging (in de eindbeschikking van 13 december 2011, 3.11 hiervoor):
Ook is door hem[ [verweerder 1] , hof]
genoegzaam toegelicht waarom met de hard- en softwareactiviteiten zijns inziens geen rekening dient te worden gehouden. Naar het oordeel van het hof geeft de deskundige daarbij terecht aan dat die activiteiten voor de waardering van het bedrijf per 19 juli 2006 niet relevant zijn. Dit laatste geldt ook voor de verkoop van de aandelen in BSU in 2010 door PEP Beheer B.V.: ook dit is voor de waardering van het bedrijf per 19 juli 2006 niet relevant.””
going concernte waarderen?
Op deze wezenlijke vragen is geen (op voldoende kenbare en begrijpelijke wijze gepresenteerde) input gegeven in dit geding. Ook in de rapporten van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en Denneboom, waar [de vrouw] zich op beroept, is de vereiste toelichting (voor zover het hof zonder nadere toelichting kan nagaan) niet gegeven. [betrokkene 3] heeft de verkoop voor € 5.000,00 betrokken bij één van zijn berekeningen, maar [de vrouw] heeft niet uitgelegd dat en hoe hij de ongeoorloofde gedragingen en de gevolgen daarvan voor de onderneming daarbij heeft betrokken.
3.De gerechtsdeskundige en diens aansprakelijkheid voor fouten
Inleiding
common sense, dat wil zeggen de feiten van algemene bekendheid en algemene ervaringsregels van art. 149 lid 2 Rv Pro, kunnen worden opgelost. Is een computervirus de oorzaak van het disfunctioneren van een bepaalde industriële installatie? Wat zijn in de bouwwereld gebruikelijke ‘toleranties’ bij de plaatsing van lateien? Heeft een slachtoffer arbeidsvermogen verloren en, zo ja, hoeveel? Soms hebben partijen schriftelijke stukken in het geding gebracht aan de hand waarvan dergelijke vragen kunnen worden beantwoord of wordt een partijdeskundige ter zitting gehoord (zie art. 200 Rv Pro). Of dat volstaat, zal onder meer afhangen van de inhoud van het partijdebat. Volstaan deze informatiebronnen niet, dan kan de betrokkenheid van een deskundige ‘van buiten’ nodig zijn.
mondelinge of schriftelijke toelichting of aanvullingte verschaffen, ook indien geen deskundigen
verhooris bevolen. [30] Of een deskundigenbericht een advies aan de rechter dan wel een bewijsmiddel (of beide) is, kan hier in het midden blijven. [31] Het deskundigenbericht is in ieder geval een middel tot waarheidsvinding. [32]
De deskundigen stellen hun onderzoek in, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij zelfstandig.” [43] Wie bepaalt dan of het onderzoek onder leiding van de rechter of zelfstandig wordt ingesteld? Logischerwijs is dat de rechter. [44] In het
Halcion II-arrest benadrukte Uw Raad onder meer met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis echter de vrijheid van de gerechtsdeskundige. [45] Aan de gerechtsdeskundige moet de nodige vrijheid en zelfstandigheid te worden gelaten om het onderzoek, waarvoor hij of zij immers verantwoordelijk is, op de hem of haar best voorkomende wijze te verrichten, aldus Uw Raad. [46] De gerechtsdeskundige, niet de rechter en/of partijen, moet de aanpak bepalen, waaronder de gehanteerde methode. [47] In de praktijk laat de rechter de gerechtsdeskundige ook zelfstandig te werk gaan. [48] De rechter heeft – zo moet uit art. 198 lid Pro 2, eerste volzin, BW worden afgeleid – wel een zekere instructiebevoegdheid en kan de teugels aanhalen als hij dat nodig acht. [49]
gedurendehet onderzoek en kan volstaan met inbreng voor aanvang en na afloop van het onderzoek. [51] Vaste praktijk is dat partijen mogen reageren op een concept deskundigenbericht. [52] De gerechtsdeskundige wordt geacht na te gaan of de reacties van partijen aanleiding geven tot aanpassing en moet in het definitieve deskundigenbericht of een bijlage daarbij toelichten waarom dat wel of niet het geval is. [53]
naar beste weten” te volbrengen, een norm die hierna ook van belang zal blijken voor het aansprakelijkheidsregime voor de gerechtsdeskundige. Bij deze norm uit art. 198 lid 1 Rv Pro draait het om “
kennis, ervaring en attitude”. [54] De gerechtsdeskundige moet de vragen uiteraard naar waarheid beantwoorden. [55] Een behulpzaam criterium is dat eigenlijk niet, want de waarheid is juist nog niet aan het licht gebracht als de gerechtsdeskundige aan de slag gaat en het is ook niet of nauwelijks mogelijk om te controleren of het deskundigenbericht waarheidsgetrouw is. [56] Zinniger is om na te gaan
hoede gerechtsdeskundige kan bevorderen dat de waarheid binnen bereik komt. Volgens mij gaat het daarbij om (minstens) twee aspecten.
zo goed mogelijkadviseren. Een deskundigenbericht is dus geen standaardproduct, maar hoogwaardig maatwerk. Daarbij geldt dat de gebruiken, waaronder methoden, die in het eigen vakgebied algemeen worden aanvaard, in beginsel zullen moeten worden gevolgd, tenzij de gerechtsdeskundige kan uitleggen waarom hij of zij dat niet doet. [57] In zoverre is de vrijheid van de gerechtsdeskundige dus begrensd.
onderzoekeren moet daarom juist ook openstaan voor de mogelijkheid dat ‘het anders zit’ dan in de lijn der verwachting ligt. [58] De gerechtsdeskundige moet nagaan of verzoeken of opmerkingen van partijen of van de rechter aanleiding vormen om tot andere bevindingen te komen en moet zich dus niet defensief opstellen. [59] Dat geldt ook voor nieuwe informatie waarmee de gerechtsdeskundige wordt geconfronteerd. [60] Verderop, in randnummer 3.36, zal ik uitleggen waarom deze aspecten van belang zijn voor de inhoud van de toepasselijke zorgvuldigheidsnorm.
met redenen omkleed” is. Uit de rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat de motivering van een deskundigenbericht kenbaar en controleerbaar moet zijn voor partijen en de rechter. [61] Uw Raad heeft overigens wel geoordeeld dat de eigen wetenschap en ervaring van de deskundige in belangrijke mate redengevend kunnen zijn, [62] zodat aan de motivering ook niet zonder meer hoge eisen moeten worden gesteld.
omslachtig, tijdrovend en kostbaar” wordt gezien. [64]
battle of experts, als de gerechtsdeskundige tot andere bevindingen komt dan één of meer partijdeskundigen. [70] De vraag wie gelijk heeft, zal voor de rechter doorgaans moeilijk te beantwoorden zijn. Vaak zal de rechter vanuit praktisch oogpunt dan ook geneigd zijn de bevindingen van het deskundigenbericht over te nemen. [71] Dat een marginale toetsing niet is toegestaan (zie het voorgaande randnummer), wordt daarbij nog wel eens over het hoofd gezien. [72]
de factoechter vrij weinig verlangd als het gaat om de beoordeling van het deskundigenbericht. [77] Een marginale toetsing is weliswaar niet toegestaan (randnummer 3.17 hiervoor), maar aan de
motiveringvan de beslissing om de bevindingen van een deskundigenbericht te volgen, kunnen in beginsel geen hoge eisen worden gesteld. [78] Als partijen geen (of weinig uitgewerkte) bezwaren aanvoeren tegen het deskundigenbericht en de rechter verenigt zich daarmee, dan hoeft de motivering niet meer in te houden dan dat de rechter het deskundigenbericht overtuigend vindt. [79] Worden er wel bezwaren aangevoerd, dan is de inhoud van de motiveringsplicht volgens Uw Raad “
afhankelijk van de aard van het bewijsmateriaal en de aard en de mate van precisering van de daartegen door partijen aangevoerde bezwaren.” [80] Het initiatief ligt volgens deze rechtspraak dus bij partijen. Voor zover partijen geen concrete, uitgewerkte bezwaren aanvoeren tegen een deskundigenbericht kan de rechter dit – enigszins bot gezegd – blind volgen. Dit biedt de rechter geen sterke stimulans een eigen oordeel te vormen over de juistheid van een deskundigenbericht. [81] Deze stand van zaken blijft dan ook niet zonder kritiek: een eigen, ambtshalve beoordeling van het deskundigenbericht door de rechter wordt wenselijk gevonden. [82] In een recent artikel wordt ook gepleit voor een meer indringende toetsing in cassatie van het oordeel van de feitenrechter met betrekking tot het deskundigenbericht. [83]
PricewaterhouseCoopers/ […]. [90] In dat arrest was niet de aansprakelijkheid van een gerechtsdeskundige aan de orde, maar de aansprakelijkheid van een bindend adviseur die een waardering had gemaakt van aandelen. Uw Raad overwoog dat bindend adviseurs bij hun werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht moeten nemen en dat zij, indien zij als beroepsbeoefenaar optreden, tegenover de opdrachtgever de zorg moeten betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot/vakgenoot mag worden verwacht. [91] Daaraan voegde Uw Raad toe dat het van de omstandigheden van het geval afhankelijk is wat de gehoudenheid om als goed opdrachtnemer te handelen in concreto meebrengt, waaronder de aard en inhoud van de opdracht, de positie van de opdrachtnemer en de aard en ernst (ik lees: gewicht) van de betrokken belangen. [92] De meeste elementen van deze maatstaf lijken mij duidelijk. Wat onder ‘de positie van de opdrachtnemer’ moet worden verstaan, is echter minder helder. Vermoedelijk wordt hiermee onder meer gerefereerd aan het beroep of de branche van de opdrachtnemer en de specifieke verplichtingen die daaruit voortvloeien, zoals de medische-professionele standaard voor een arts. [93]
beslist. Getuige het arrest
PricewaterhouseCoopers/ […]leidt dat niet tot een andere zorgvuldigheidsnorm, maar wel tot een hogere drempel voor aansprakelijkheid. Daarop zal ik in randnummers 3.39 en 3.40 hierna nader ingaan.
PricewaterhouseCoopers/ […]mijns inziens dus een goede basis vormt, maak ik daarbij wel twee kanttekeningen.
Staat/ […] [96] heeft (i) bevestigd – wat ook voor de hand lag – dat de maatstaf ‘naar beste weten’ uit art. 198 Rv Pro ook van belang is voor de invulling van de zorgvuldigheidsnorm van de gerechtsdeskundige en (ii) gewezen op het belang van de vrijheid en zelfstandigheid van de gerechtsdeskundige. In die zaak was aan de orde of de Raad voor de Kinderbescherming – die aan de rechter advies in de zin van art. 810 lid 1 Rv Pro had uitgebracht – onrechtmatig had gehandeld jegens de moeder van een minderjarig kind, door onvoldoende onderzoek te doen naar het risico dat de vader zich schuldig maakt of zal maken aan seksueel misbruik van dat kind. De moeder had een verklaring voor recht met die strekking gevorderd. Uw Raad overwoog onder meer dat “
[i]ndien de Raad[voor de Kinderbescherming, A-G]
op de voet van art. 810 lid 1 Rv Pro door de rechter om advies wordt gevraagd, geldt wat betreft de eisen waaraan het onderzoek van de Raad dient te voldoen, geen andere maatstaf dan die welke geldt voor het onderzoek van een deskundige die door de rechter op de voet van art. 198 Rv Pro wordt benoemd. De Raad dient de hem door de rechter opgedragen taak dan ook naar beste weten te volbrengen.” [97] Daarop liet Uw Raad – onder verwijzing naar het arrest
Halcion II [98] – volgen dat aan door de rechter ingeschakelde deskundigen de nodige vrijheid en zelfstandigheid dient te worden gelaten om het onderzoek, waarvoor zij immers verantwoordelijk zijn, op de hun best voorkomende wijze te verrichten. [99] Ook overwoog Uw Raad dat een onderzoek niet onzorgvuldig is op de enkele grond dat dit ook op andere wijze, of met meer of andere middelen, had kunnen worden uitgevoerd. [100]
dat het de deskundige is, die heeft te bepalen welke door partijen te verschaffen gegevens voor de uitvoering van het hem opgedragen onderzoek noodzakelijk zijn.” [105] Ik betwijfel echter of de gerechtsdeskundige daarbij een grote mate van vrijheid heeft. Welke gegevens wel en niet van belang zijn, zou mijns inziens moeten worden afgebakend aan de hand van de vraagstelling, de gekozen methode, de gehanteerde aannamen en het materiaal dat aan de deskundige ter beschikking is gesteld. Dit zorgt voor een logische samenhang. Zijn bepaalde gegevens in het licht van de vraagstelling en methode relevant én beschikbaar, dan zullen zij in beginsel moeten worden gebruikt. Zijn bepaalde gegevens niet relevant, dan moeten zij in beginsel buiten beschouwing blijven.
PricewaterhouseCoopers/ […]. Uw Raad formuleerde in dat arrest een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid van bindend adviseurs. Door bindend adviseurs gemaakte fouten kunnen eerst tot hun aansprakelijkheid jegens (een van de) opdrachtgevers leiden (dan wel een gegrond verweer opleveren tegen hun vordering tot betaling van de overeengekomen vergoeding), indien het in hun verhouding tot (een van de) opdrachtgevers in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn aan die fouten geen gevolgen ten nadele van de bindend adviseurs te verbinden. [110] Een minder strikte maatstaf zou volgens Uw Raad tot de onwenselijke gevolgen kunnen leiden dat bindend adviseurs niet in vrijheid en onbevangenheid kunnen oordelen en dat een partij de nadelige gevolgen van een (naar inhoud of wijze van totstandkoming) onjuist bindend advies gemakkelijker op de bindend adviseurs zou kunnen afwentelen dan dat zij de bindende kracht daarvan langs de weg van art. 7:904 zou Pro kunnen aantasten. [111]
naar het beleid en de gang van zaken van een rechtspersoon, hetzij in de gehele omvang daarvan, hetzij met betrekking tot een gedeelte of een bepaald tijdvak” (art. 2:345 lid 1 BW Pro). Volgens de door de Ondernemingskamer opgestelde
Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures [117] kan het onderzoek tot doel hebben: “
opening van zaken en vaststelling bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid” en “
sanering en herstel van gezonde verhoudingen door naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen te treffen maatregelen van organisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon.” Hoewel de OK-onderzoeker dus net als de gerechtsdeskundige een door de rechter benoemde onderzoeker is, is diens taak minder nauw omschreven en gaat de uitoefening van die taak gepaard met veel vrijheid, ook waar het gaat om de vraag wat er precies moet worden onderzocht. [118] De OK-onderzoeker hoeft zich niet te beperken tot de bezwaren die de Ondernemingskamer ten grondslag heeft gelegd aan het toewijzen van het enquêteverzoek. [119] Bovendien schuurt de uitoefening van die taak aan tegen het vellen van een normatief oordeel [120] en verlangt zij een zekere bemoeienis met de verhoudingen binnen de onderneming. Tot dat laatste behoort mogelijkerwijs zelfs het beproeven van een schikking, hoewel dat niet onomstreden is. [121] In mijn woorden: de OK-onderzoeker heeft een behoorlijk heikele taak, die gepaard gaat met moeilijkheden en risico’s. Zo bezien verbaast het niet dat art. 2:351 lid 5 BW Pro sinds 2012 de aansprakelijkheid van de OK-onderzoeker beperkt. Volgens deze bepaling zijn “
[d]e met het onderzoek belaste personen(…)
niet aansprakelijk voor schade die het gevolg is van het verslag van de uitkomst van het onderzoek, tenzij zij met betrekking tot hun in het verslag neergelegde bevindingen of met betrekking tot het onderzoekopzettelijk onbehoorlijk hebben gehandeld dan wel met kennelijk grove miskenning van hetgeen een behoorlijke taakvervulling meebrengt.” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G) Volgens de wetsgeschiedenis is de achtergrond van deze bepaling vooral gelegen in het bevorderen van de verzekerbaarheid van het aansprakelijkheidsrisico. [122] Naar mijn mening is er geen grond voor een analoge toepassing van deze beperking op de aansprakelijkheid van de gerechtsdeskundige, omdat de taakstelling van de gerechtsdeskundige uiteindelijk toch een aanzienlijk andere is. De gerechtsdeskundige moet doorgaans vrij specifieke vragen beantwoorden en, anders dan bij de OK-onderzoeker, ligt die beantwoording in de regel niet zeer dicht aan tegen het vellen van een normatief oordeel. De gerechtsdeskundige heeft ook geen taak op het vlak van “
sanering en herstel van gezonde verhoudingen”. De daarmee gepaard gaande moeilijkheden en risico’s ontloopt de gerechtsdeskundige, zodat er ook geen grond is voor een dienovereenkomstige bescherming.
in beginsel een ruime mate van vrijheid toe” en is alleen persoonlijk aansprakelijk (dus afgezien van aansprakelijkheid van de faillissementsboedel) indien hij of zij niet heeft gehandeld “
zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.” [124] Kenmerkend voor de taak van zowel de bestuurder als de faillissementscurator is dat relatief snel handelen en risico’s nemen op basis van incomplete informatie (en soms op onbekend terrein) daarvan inherent deel uitmaakt. Een onderneming kan zonder risico’s, soms grote risico’s, niet bestaan; de welvaart die een onderneming genereert dus ook niet. Als bestuurders en faillissementscuratoren als leidraad zouden krijgen om vergissingen tot een minimum te beperken op straffe van persoonlijke aansprakelijkheid, dan zouden zij alle risico’s zo veel mogelijk moeten mijden. Zij zouden dan, in de woorden van Uw Raad (in het kader van bestuurdersaansprakelijkheid) “
hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen.” [125] Maatschappelijk is niet een
minimaleaanvaarding van risico’s gewenst, maar een
optimaleaanvaarding van risico’s, een balans tussen verwachte kosten en verwachte baten. [126] Zonder pogingen om bijvoorbeeld machines te ontwikkelen die mogelijk nooit de markt zullen bereiken, zullen geen machines worden ontwikkeld. Zonder (mogelijk tevergeefse) pogingen om failliete vennootschappen te laten doorstarten, zullen geen failliete rechtspersonen doorstarten. Te veel voorzichtigheid leidt tot een maatschappelijk welvaartsverlies.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
randnummers 3.7., 3.10., 3.13., 3.31. en 3.33.van de procesinleiding. Ik zal eerst de inhoud van deze klachten weergeven en ze daarna gezamenlijk bespreken.
[g]elet op een en ander” (naar ik begrijp: gelet op de feiten en omstandigheden genoemd in randnummers 3.14. tot en met 3.30. van de procesinleiding) onjuist, althans onbegrijpelijk, is dat het hof in deze zaak heeft geoordeeld dat het hof in de echtscheidingsprocedure (a) door [verweerder 1] voldoende is voorgelicht (mede naar aanleiding van de bezwaren van [de vrouw] ) en (b) zich daarom ervan bewust was dat (1) nieuwe gegevens na 2009 bekend waren geworden en (2) deze gegevens “
een substantiële impact zouden hebben” op de waardering indien zij bij de waardering zouden worden betrokken. In het verlengde daarvan klaagt [de vrouw] in randnummer 3.33. dat het hof niet of niet voldoende begrijpelijk heeft gerespondeerd op het betoog van [de vrouw] , dat (kennelijk) wordt weergegeven (op tamelijk uitvoerige wijze) in randnummer 3.32. De inhoud daarvan zal, voor zover van belang, in het navolgende aan de orde komen.
in 2007winst behaalde uit ‘zelfstandige activiteiten’, dus activiteiten náást het van BSU ontvangen dividend, de managementfee en de onkostenvergoeding (rov. 3.1. onder h.). [136] [verweerder 1] ging ervan uit dat het om incidentele omzet (en winst) ging waarvan alleen in 2007 sprake was (rov. 3.1. onder h.). [137] Ik teken aan dat rov. 3.12. van het bestreden arrest de lezer op dit punt op het verkeerde been zet. Daar heeft het hof overwogen dat [verweerder 1] “
de keuze[heeft]
gemaakt om bij zijn advies geen rekening te houden met (de automatiseringsomzet, ook zelfstandige omzet genoemd, zoals verantwoord in) de gepubliceerde jaarrekeningen van PePover 2008 en 2009” (onderstreping toegevoegd door mij, A-G). Hiermee lijkt het hof voorbij te zijn gaan aan een springend punt. In rov. 3.12. laat het hof – anders dan de rechtbank in rov. 6.36. tot en met 6.39. – namelijk onvermeld dat [verweerder 1] voor wat betreft 2007 een
andere keuzeheeft gemaakt.
nietgeoordeeld dat de hiervoor bedoelde informatie, als zij in het onderzoek zou zijn betrokken, geen (wezenlijke) invloed zou hebben gehad op de waardering van de aandelen in PeP. Integendeel, in het oordeel van het hof ligt besloten dat die invloed substantieel zou zijn geweest (rov. 3.16.). Dat moet hier dan ook tot uitgangspunt dienen. Het hof heeft echter grote betekenis toegekend aan de rol van het hof in de echtscheidingsprocedure. Het hof in de echtscheidingsprocedure zou “
de interpretatie en de keuzes van [verweerder 1][hebben]
geaccepteerd” en hebben geoordeeld dat [verweerder 1] “
zijn opdracht naar behoren (dat wil zeggen: naar tevredenheid van het hof)[heeft]
uitgevoerd” (rov. 3.15.), terwijl het zich “
ervan bewust[was]
dat nieuwe gegevens na 2009 bekend waren geworden en dat deze nieuwe gegevens een substantiële impact zouden hebben op de waardering indien zij bij de waardering zouden worden betrokken” (rov. 3.16.). Volgens het hof blijkt dat laatste “
ook onmiskenbaar uit de gegevens die [de vrouw] in de echtscheidingsprocedure (in het bijzonder: de gepubliceerde jaarcijfers over 2008 en 2009) heeft overgelegd” (rov. 3.16.). Daarop heeft het hof laten volgen: “
[verweerder 1] stelt in de onderhavige procedure onweersproken dat het hof in de echtscheidingsprocedure beschikte over alle relevante gegevens. Het hof in de echtscheidingsprocedure vond niettemin een nader onderzoek niet nodig(…).” Dat heeft het hof tot de volgende constatering gebracht: “
Het hof in de echtscheidingsprocedure heeft aldus, ondanks de wetenschap van alle relevante gegevens en ondanks de substantiële impact van de gepubliceerde jaarcijfers over 2008 en 2009 (in die zin dat een veel hoger bedrag ten gunste van [de vrouw] zou kunnen worden toegewezen), het werk van [verweerder 1] aanvaardbaar geacht, geen nader onderzoek opgedragen en de eindbeschikking van 13 december 2011 gegeven” (rov. 3.16.). Als ik het goed begrijp, heeft het hof vervolgens benadrukt dat dit oordeel van het hof in de echtscheidingsprocedure niet behoort “
tot de kennis en kunde van de deskundige, maar tot het domein van het hof, namelijk de regie in de zaak, de verantwoordelijkheid voor de processuele rechtvaardigheid en een juiste beslissing over de vorderingen” (rov. 3.17.). Pas daarna is het hof ingegaan op het betoog van [de vrouw] dat – kort gezegd – de beslissing van het hof in de echtscheidingsprocedure berustte op de onjuiste voorlichting door [verweerder 1] (rov. 3.18.). Dat betoog heeft het hof verworpen. Volgens het hof heeft “
[verweerder 1](…)
in de echtscheidingsprocedure openheid van zaken gegeven over zijn werkzaamheden, zijn interpretatie, zijn keuzes en zijn advies(…)” (rov. 3.18.). Het hof heeft daarbij verwezen naar rov. 3.13. van het bestreden arrest. Daar heeft het hof onder meer de brief van 20 oktober 2010 van [verweerder 1] aangehaald (randnummer 2.18 hiervoor). Vervolgens heeft het hof overwogen: “
heeft het hof daarmee in de gelegenheid gesteld om hem desgewenst nadere instructies te geven (nader onderzoek, een aanvullende toelichting, een nieuwe rekensom, enz.). Het standpunt van [de vrouw] , dat [verweerder 1] het hof zou hebben misleid, is onvoldoende onderbouwd aan de hand van concrete feiten. De door [de vrouw] gestelde onjuiste keuzes of beslissingen van het hof in de echtscheidingsprocedure leveren – bij deze stand van zaken – geen grond op voor een verwijt aan [verweerder 1] .” (rov. 3.18.)
openheid van zaken[heeft]
gegeven over zijn werkzaamheden, zijn interpretatie, zijn keuzes en zijn advies”. In het verlengde hiervan ligt de constatering van het hof dat het hof in de echtscheidingsprocedure beschikte over alle relevante gegevens en zich ervan bewust
wasdat de nieuwe gegevens die na 2009 bekend waren geworden “
een substantiële impact” zouden hebben op de waardering indien zij bij de waardering zouden worden betrokken (rov. 3.16.). Waarop is dit gegrond?
inhoudelijkereden om dat niet te doen, wordt in deze passage niet vermeld. De opmerking van [verweerder 1] dat de
balanspositieeind 2008 niet van belang was, is geen relevant argument, zoals de rechtbank in rov. 6.39., 6.40. en 6.43. van het tussenvonnis van 1 februari 2017 (in onderlinge samenhang gelezen) heeft overwogen en [de vrouw] in essentie in randnummer 3.10. van de procesinleiding betoogt. Waar het volgens de rechtbank en volgens [de vrouw] om gaat, is dat [verweerder 1] had moeten beseffen en had moeten vermelden dat de jaarrekening over 2008 sterk de indruk wekt dat PeP ook in dat jaar zelfstandige activiteiten had, zodat niet langer kon worden aangenomen dat de zelfstandige activiteiten in 2007 incidenteel waren. Dat [verweerder 1] ook dit inzicht over het voetlicht heeft gebracht met de brief van 20 oktober 2010 kan het hof niet oprecht hebben gemeend. Het hof kan al zeker niet hebben gemeend dat [verweerder 1] daarin heeft uitgelegd waarom de nieuwe gegevens (waaronder de jaarrekening over 2008) desondanks buiten beschouwing konden blijven. Het hof in de echtscheidingsprocedure kon uit de bewoordingen van de brief in ieder geval niet afleiden dat de nieuwe gegevens “
een substantiële impact” zouden hebben op de waardering indien zij bij de waardering zouden worden betrokken en dat er desondanks een goede reden was om daarop geen acht te slaan.
een substantiële impact” zouden hebben op de waardering indien zij bij de waardering zouden worden betrokken. Daarin is voor zover van belang als volgt overwogen (zie rov. 3.14. van het bestreden arrest):
11.6.5.(…)
De deskundige heeft zich aan[de]
vraagstelling gehouden en heeft bij zijn onderzoek gebruik gemaakt van de gegevens die hem daarvoor op dat moment beschikbaar waren gesteld. Mogelijk had hij nog kunnen beschikken over de definitieve jaarrekening van PEP Beheer B.V. van 2008, die begin 2010 was gedeponeerd, of over de definitieve cijfers van BSU van 2009; feit is dat hij daarover niet beschikte en anders dan de vrouw lijkt te veronderstellen was de deskundige niet gehouden om zijn bericht in een later stadium aan te passen in verband met later aan hem ter beschikking gestelde gegevens. Gelet op de vraagstelling kan van de deskundige niet worden verlangd dat hij de definitieve versie van zijn bericht aanpast als daarna nieuwe gegevens beschikbaar komen.(…).”
substantiële impact” als deze gegevens bij de waardering zouden worden betrokken, blijkt hier niet. Dat verbaast niet, omdat de brief van 20 oktober 2010 van [verweerder 1] daartoe ook geen aanleiding gaf.
de interpretatie en de keuzes van [verweerder 1] heeft geaccepteerd” en heeft geoordeeld dat [verweerder 1] “
zijn opdracht naar behoren (dat wil zeggen: naar tevredenheid van het hof)[heeft]
uitgevoerd” (rov. 3.15.). [de vrouw] bepleit [141] mijns inziens terecht dat het hof voor zover het gaat om de ‘nieuwe gegevens’ wel erg gemakkelijk heeft aangenomen dat het hof in de echtscheidingsprocedure aan de hand van de informatie die [verweerder 1] heeft verstrekt, goed kon overzien wat de interpretatie van [verweerder 1] nu precies was en welke keuzes [verweerder 1] heeft gemaakt (en waarom). Dat het hof in de echtscheidingsprocedure begreep dat de nieuwe gegevens erop wezen dat het uitgangspunt van [verweerder 1] dat alleen in 2007 winst was behaald uit zelfstandige activiteiten kwestieus was geworden, is zeer de vraag. Ook op dit punt is het bestreden arrest mijns inziens onbegrijpelijk.
de interpretatie en de keuzes van [verweerder 1] heeft geaccepteerd”, [verweerder 1] alleen al daarom niet meer kan worden aangesproken op die interpretatie en/of die keuzes. Cruciaal is namelijk wat het hof in de echtscheidingsprocedure zou hebben beslist als [verweerder 1] aan het hof had bericht dat de nieuwe gegevens wél een aanleiding vormden om het eerdere rapport te herzien. Dat het hof in de echtscheidingsprocedure zou afwijken van de opvatting van een deskundige dat een rapport moet worden herzien in het licht van nieuwe gegevens die door een partij zijn aangedragen, ligt niet voor de hand. Te verwachten valt dat het hof in de echtscheidingsprocedure in die situatie nader onderzoek nodig en wenselijk zou hebben geacht, zoals [de vrouw] heeft betoogd en de rechtbank heeft geoordeeld. Dát het hof in de echtscheidingsprocedure “
de interpretatie en de keuzes van [verweerder 1] heeft geaccepteerd” (rov. 3.15.) staat er daarom niet aan in de weg dat [verweerder 1] (al eerder) zijn invloed had moeten aanwenden om het hof in de echtscheidingsprocedure erop te wijzen dat het nog niet volledig was voorgelicht en/of dat de betrouwbaarheid van de bestaande bevindingen tekortschoot. Het hof heeft hieraan echter geen betekenis toegekend.
aanleiding vormdenom het eerdere deskundigenrapport te herzien (randnummer 1.10, tweede gedachtestreepje, hiervoor). Inderdaad valt niet goed in te zien waarom [verweerder 1] bij die stand van zaken gehouden was het onderzoek eigenstandig te heropenen en de gepubliceerde cijfers over 2008 en 2009 te betrekken bij zijn waardering (in plaats van aan het hof te rapporteren over de vraag of er aanleiding was het deskundigenrapport te herzien). Ik meen dat, in het verlengde daarvan, rov. 3.23. tot en met 3.26. van het bestreden arrest niet worden geraakt door de hiervoor besproken slagende klachten. Die rechtsoverwegingen hebben, als ik het goed begrijp, betrekking op de vraag welke berekening [verweerder 1] volgens het standpunt van [de vrouw] had moeten maken. De slagende klachten hebben echter niet betrekking op het betoog van [de vrouw] dat [verweerder 1] uit zichzelf een andere berekening had moeten maken, maar op het betoog dat [verweerder 1] het hof in de echtscheidingsprocedure – kort gezegd – beter had moeten voorlichten over het belang van de nieuwe gegevens.
randnummer 3.6.wordt geklaagd dat het hof in rov. 3.10. tot en met 3.19. heeft miskend althans onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt, althans onvoldoende begrijpelijk heeft meegewogen het gegeven dat een deskundigenbericht als bedoeld in art. 194 Rv Pro wordt gezien als een kwalitatief hoogwaardig bewijsmiddel omdat de daarin vervatte oordelen afkomstig zijn van een persoon die door de rechter is benoemd en deze wordt verondersteld onpartijdig en deskundig te zijn en dat de rechter daarom doorgaans aan de bevindingen van de gerechtsdeskundige doorslaggevende betekenis zal toekennen en die zal overnemen.
randnummer 3.8.wordt een klacht gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 3.16. dat [verweerder 1] onweersproken heeft gesteld dat het hof in de echtscheidingsprocedure beschikte over alle relevante gegevens. Volgens [de vrouw] is dit oordeel onjuist althans onbegrijpelijk omdat het gegeven dat het hof de opvatting van [verweerder 1] dat er geen reden was het definitieve rapport aan te passen heeft gevolgd, niet zonder meer meebrengt dat [verweerder 1] – zo lees ik de klacht – het hof in de echtscheidingsprocedure voldoende heeft geïnformeerd. Bovendien heeft [de vrouw] , zo betoogt zij, de stelling van [verweerder 1] dat het hof in de echtscheidingsprocedure beschikte over alle relevante gegevens wel degelijk weersproken.
op zichzelf los staan” van wat het hof in rov. 3.11. tot en met 3.19. heeft overwogen, hebben betrekking op – kort gezegd – feiten en omstandigheden die [de vrouw] volgens het hof pas bij pleidooi in deze zaak (van 20 oktober 2020) naar voren heeft gebracht en waarvan [verweerder 1] volgens het hof niet eerder kennis hoefde te hebben. Kort gezegd gaat het om de door [de vrouw] gestelde feiten en omstandigheden die erop neerkomen dat [de man] vanaf 2006 klanten van BSU, buiten BSU om, heeft benaderd, met hen zaken heeft gedaan en de daaruit voortvloeiende omzet op ongeoorloofde wijze heeft omgeleid naar PeP, wat uiteindelijk tot een regeling heeft geleid waarbij de door PeP gehouden aandelen in BSU aan de overige compagnons werden verkocht voor € 5.000. Uit de klachten die onder het kopje ‘Klacht I’ naar voren zijn gebracht, volgt geenszins dat deze overwegingen en oordelen van het hof in rov. 3.20. tot en met 3.26. niet kunnen standhouden. Mij ontgaat welke samenhang [de vrouw] op dit punt ziet. Zij licht dat ook niet toe, althans niet op kenbare en begrijpelijke wijze. Volledigheidshalve merk ik op dat de overwegingen en oordelen van het hof in rov. 3.20. tot en met 3.26. op andere, hierna te bespreken gronden toch niet alle in stand kunnen blijven.
randnummer 3.34.klaagt [de vrouw] – samengevat – dat het onjuist althans onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.12. heeft overwogen dat [verweerder 1] zijn keuze om de gepubliceerde jaarrekening over 2008 niet bij zijn onderzoek te betrekken
heeft gehandhaafdna vragen van het hof in de echtscheidingsprocedure en dat het hof daaraan mede de latere gevolgtrekking verbindt dat [verweerder 1] zorgvuldig heeft gehandeld. [de vrouw] voert in dit verband aan dat [verweerder 1] – samengevat – zijn opdracht (oorspronkelijk) zo uitlegde dat hij in ieder geval de gerealiseerde jaarcijfers tot en met 2008 bij zijn waardering diende te betrekken en deze ook bij [de man] of [betrokkene 1] heeft opgevraagd. Dat [verweerder 1] op 20 oktober 2010 stelt dat de gerealiseerde jaarcijfers niet van belang zijn, is daaraan tegenstrijdig, aldus [de vrouw] .
de keuze[heeft]
gemaakt om bij zijn advies geen rekening te houden met (de automatiseringsomzet, ook zelfstandige omzet genoemd, zoals verantwoord in) de gepubliceerde jaarrekeningen van PeP over 2008 en 2009” en dat hij “
deze keuze gehandhaafd[heeft]
in antwoord op vragen van het hof[in de echtscheidingsprocedure, A-G]”. De e-mail van 22 oktober 2009 aan [betrokkene 1] (randnummer 5.14 hiervoor) laat mijns inziens geen andere lezing toe dan dat [verweerder 1] oorspronkelijk juist de keuze heeft gemaakt om (onder meer) de jaarcijfers over 2008 en ook de eventueel daaruit blijkende zelfstandige omzet wél in zijn onderzoek te betrekken. Uit de brief van 20 oktober 2010 kan mijns inziens niet worden afgeleid waarom [verweerder 1] later tot een andere keuze is gekomen (randnummer 5.10 hiervoor). Dat [verweerder 1] op dit punt een keuze zou hebben
gehandhaafd, zoals het hof heeft overwogen, is in ieder geval onbegrijpelijk.
randnummer 3.36.van de procesinleiding klaagt [de vrouw] dat het oordeel van het hof in rov. 3.11. tot en met rov. 3.19. (te meer) onjuist althans onbegrijpelijk is, omdat het hof in rov. 3.13. tot uitgangspunt heeft genomen dat [verweerder 1] het feitenonderzoek in het vierde kwartaal van 2009 heeft uitgevoerd en eind 2009 heeft afgerond, terwijl dat uitgangspunt onjuist althans niet begrijpelijk is. De formulering in randnummer 3.36. is aanmerkelijk ingewikkelder, maar dit is volgens mij de essentie van de klacht. De klacht wordt uitgewerkt in randnummers 3.37. tot en met 3.54.
randnummer 3.55.van de procesinleiding klaagt [de vrouw] dat de gedachtegang van het hof in rov. 3.20. tot en met 3.22. rechtens onjuist althans onbegrijpelijk is gemotiveerd. Tot de kern teruggebracht en voor zover in cassatie van belang, aldus de klacht, volgt het hof het standpunt van [verweerder 1] dat hij de door [de vrouw] bedoelde feiten betreffende de onderneming van BSU – kort gezegd: dat PeP buiten BSU om klanten van BSU heeft benaderd en met hen zaken heeft gedaan en de gebeurtenissen die daarvan het gevolg waren – voor het eerst hoorde ten tijde van het pleidooi (van 20 oktober 2020) en dat [de vrouw] dat ook niet heeft betwist. Daarbij komt, zo overweegt het hof volgens [de vrouw] , dat [de vrouw] niet heeft gesteld, waaruit volgt dat [verweerder 1] bij een goede uitvoering van zijn taken de gestelde ongeoorloofde bedragen had moeten ontdekken. [de vrouw] werkt deze klacht uit in randnummers 3.56. en 3.57. In
randnummer 3.58.klaagt [de vrouw] in het verlengde daarvan dat rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.22. van oordeel is dat het hof in de echtscheidingsprocedure de hier door [de vrouw] bedoelde ongeoorloofde gedragingen niet voldoende relevant heeft geacht althans de stellingen van [de vrouw] daarover heeft gepasseerd. Deze klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
ongeoorloofdekarakter van de door [de vrouw] gestelde activiteiten van PeP. Voor de waardering zijn de financiële implicaties van die activiteiten van belang, in het bijzonder de ‘zelfstandige omzet’ die daarmee werd gerealiseerd. [de vrouw] is goed te volgen in haar betoog dat de brief van 29 oktober 2010 [verweerder 1] aan het twijfelen had moeten brengen met betrekking tot de betrouwbaarheid van de door [de man] verstrekte gegevens. De klachten behoeven voor het overige geen bespreking.
randnummer 3.59.voldoet niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eis van bepaaldheid. [de vrouw] doet een beroep op haar betoog in hoger beroep, onder verwijzing naar een reeks vindplaatsen, maar vermeldt niet wat dat betoog inhoudt en waarom het oordeel van het hof tegen de achtergrond van dat betoog onbegrijpelijk zou zijn.
randnummer 3.61.van de procesinleiding luidt als volgt:
absolute perfectie” niet de norm is, ontgaat mij wat [de vrouw] met deze klacht wil bereiken. De klacht houdt niet in dat het hof daarmee een verkeerde maatstaf heeft aangelegd, maar dat het hof onbegrijpelijkerwijs ervan zou zijn uitgegaan dat de rechtbank en [de vrouw] “
absolute perfectie” als maatstaf hebben genomen. Ik maak twee korte opmerkingen. De eerste is dat [de vrouw] bij deze klacht geen belang kan hebben. Het hof moest de juiste maatstaf hanteren en in cassatie staat niet ter discussie dat het hof dat heeft gedaan. Buiten kijf staat dat het hof er terecht van is uitgegaan dat “
absolute perfectie” niet de norm is. Het is in cassatie irrelevant of het hof het oordeel van de rechtbank en het standpunt van [de vrouw] over de te hanteren maatstaf goed heeft weergegeven. De tweede opmerking is dat de klacht feitelijke grondslag mist. Uit rov. 3.29. blijkt geenszins dat het hof ervan is uitgegaan dat door de rechtbank is geoordeeld en/of door [de vrouw] is betoogd dat “
absolute perfectie” de norm is. De bewuste passage in het bestreden arrest biedt voor die lezing geen aanknopingspunt.
randnummer 3.62.brengt [de vrouw] de klacht naar voren dat rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk is dat het hof blijkens onder meer rov. 3.29. (kennelijk) van oordeel is dat het feit dat na “
een uitvoeri[n]g debat in dit geding in eerste aanleg” (eerst) blijkt dat [verweerder 1] “
methodologische fouten” heeft gemaakt, niet kan leiden tot aansprakelijkheid van [verweerder 1] . [de vrouw] verwijst daarbij naar het “
hiervoor in hoofdstuk 2 uiteengezet juridische kader”.
kunnenleiden tot aansprakelijkheid van [verweerder 1] . Het hof heeft wel bij de beoordeling betrokken dat de gerechtsdeskundige die in deze procedure is opgetreden (de heer C. Denneboom) het voordeel van voortschrijdend inzicht had en méér onvolkomenheden heeft ontdekt dan eerdere deskundigen die zich over de kwestie hebben gebogen (onder wie [betrokkene 3] ), zodat [de vrouw] – tegen die achtergrond – onvoldoende heeft toegelicht waarom [verweerder 1] tot dezelfde inzichten had moeten komen als de heer Denneboom. Dat is wat het hof kennelijk heeft bedoeld waar het in rov. 3.29. als volgt heeft overwogen: “
De kennis en kunde van de vijfde deskundige (Denneboom), die na een uitvoerig debat in dit geding in eerste aanleg aan de slag gaat, profijt heeft van het werk van zijn voorgangers, en nieuwe inzichten heeft, is niet de norm. Het hof is van oordeel dat [de vrouw] tegenover de betwisting door [verweerder 1] onvoldoende heeft onderbouwd dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot bij de werkzaamheden in 2009/2010/2011 de gestelde fouten niet zou hebben gemaakt. Dat volgt al uit het gegeven dat [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] niet hebben gewezen op deze fouten. [de vrouw] gaat ervan uit dat (in ieder geval) [betrokkene 3] zeer deskundig is. Daarom zijn de verwijten van [de vrouw] op het punt van de zeven methodologische fouten, mede gelet op de standpunten van [de vrouw] in eerste aanleg, ongegrond.” Het hof heeft hiermee dus niet geoordeeld dat [verweerder 1] onder die omstandigheden niet aansprakelijk kán zijn, maar dat het betoog van [de vrouw] tekortschiet. Overigens kan ik de redenering van het hof op dit punt ook goed volgen.
randnummer 3.64.van de procesinleiding dat onbegrijpelijk is wat het hof in rov. 3.33. heeft overwogen, te weten – kort gezegd – dat [de vrouw] haar standpunt met betrekking tot het belang in BSU onvoldoende heeft onderbouwd. [de vrouw] verwijst daarbij naar haar memorie van antwoord in principaal appel en memorie van grieven in incidenteel appel en wijst erop dat zij met grief IV heeft aangevoerd dat de rechtbank de waardering van het aandelenbelang van PeP in BSU ten onrechte heeft afgewezen. Zij wijst er ook op dat zij in de genoemde memorie heeft verwezen naar een artikel van Denneboom en daarbij heeft aangevoerd dat het aandelenbelang wel moet worden meegenomen. Zij heeft, aldus [de vrouw] , in randnummers 6.39. tot en met 6.42. van de genoemde memorie uiteengezet dat de economische waarde van het aandelenbelang van PeP in BSU alsnog moet worden meegenomen, primair conform de waardering door [betrokkene 3] en subsidiair vast te stellen door Denneboom. Uit haar betoog blijkt duidelijk welke berekening [verweerder 1] volgens [de vrouw] had moeten maken, aldus [de vrouw] .
De rechtbank heeft vastgesteld dat [betrokkene 3] geen rekening heeft gehouden met het feit dat PeP slechts een derde van de aandelen in BSU hield. De rechtbank overweegt dat PeP niet staat aan het hoofd van een groep en niet als enige centrale leiding heeft, zodat consolidatie niet aan de orde lijkt te zijn. In haar memorie van grieven in incidenteel appel is [de vrouw] niet ingegaan op de concrete berekening waartoe [verweerder 1] volgens haar had moeten overgaan. Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat de door [de vrouw] verdedigde verplichting de waardering aan de hand van een consolidatie uit te voeren, onvoldoende is onderbouwd.” Primair heeft het hof dus geoordeeld dat er geen grond aan het licht is gekomen om het belang in BSU (separaat) te waarderen. Daarbij heeft het hof net als de rechtbank in aanmerking genomen dat PeP slechts een derde van de aandelen in BSU houdt, niet aan het hoofd staat van een groep en niet als enige centrale leiding heeft, zodat consolidatie niet aan de orde lijkt te zijn. Een bijkomend argument is volgens de rechtbank en het hof kennelijk dat [de vrouw] niet is ingegaan op de concrete berekening waartoe [verweerder 1] volgens haar had moeten overgaan.
welkeberekening [verweerder 1] volgens [de vrouw] had moeten maken, maar daarmee is nog niet duidelijk
waaromdie berekening had moeten worden gemaakt. Ik kan daarnaar slechts raden aan de hand van de door [de vrouw] genoemde vindplaatsen, zodat de klacht niet aan de aan een cassatieklacht te stellen eisen voldoet.
[e] en en ander” ertoe leidt dat rov. 3.42. tot en met 3.48. alsmede het dictum onder 4. niet in stand kunnen blijven.