ECLI:NL:PHR:2022:377
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van dwang door feitelijkheid bij verkrachting binnen familieverhouding
In deze zaak is verdachte door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens verkrachting van zijn minderjarige en verstandelijk beperkte dochter. Het hof stelde vast dat verdachte het slachtoffer door andere feitelijkheden heeft gedwongen tot seksuele handelingen, zonder gebruik van fysiek geweld, maar door misbruik van zijn fysieke en geestelijke overwicht.
De Hoge Raad overweegt dat dwang door een feitelijkheid als bedoeld in art. 242 Sr Pro alleen aanwezig is indien de verdachte opzettelijk een situatie heeft veroorzaakt waarin het slachtoffer zich niet redelijkerwijs kan verzetten tegen seksueel binnendringen. Dit kan zich uiten in psychische druk of afhankelijkheidsrelaties. De rechtspraak bevestigt dat factoren zoals de ouder-kindrelatie, de plaats van de handeling (woning verdachte), en de verstandelijke beperkingen van het slachtoffer relevant zijn.
Het hof heeft deze factoren in samenhang bezien en geoordeeld dat verdachte een bedreigende situatie heeft gecreëerd. De gebruikte bewoordingen en het overwicht van verdachte maakten dat het slachtoffer zich niet kon verzetten. De Hoge Raad vindt dit oordeel niet onbegrijpelijk en verwerpt het cassatiemiddel dat de motivering van de bewezenverklaarde dwang aanvalt.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dat het cassatieberoep moet worden verworpen en dat de bewezenverklaring en strafoplegging door het hof standhouden. Dit bevestigt de verruiming van het begrip dwang door feitelijkheden en de toepassing daarvan binnen kwetsbare afhankelijkheidsrelaties.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest waarin verdachte is veroordeeld wegens verkrachting met dwang door feitelijkheid blijft in stand.