ECLI:NL:PHR:2022:379

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
15 april 2022
Publicatiedatum
15 april 2022
Zaaknummer
22/00412
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:16 lid 1 WvggzArt. 10:3 WvggzArt. 10:7 lid 1 WvggzArt. 10:9 lid 3 WvggzArt. 10:10 lid 3 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt motiveringsgebrek bij overdracht zorg en wijst schadevergoeding af

Deze zaak betreft een Wvggz-klacht over de overdracht van verplichte zorg van betrokkene aan GGZ Drenthe, na eerdere verwijzing door de Hoge Raad. De rechtbank Rotterdam verleende een zorgmachtiging en besloot tot overplaatsing, waartegen betrokkene bezwaar maakte vanwege de afstand en impact op zijn behandeling.

De klachtencommissie verklaarde de klacht ongegrond, maar de rechtbank stelde vast dat de motivering van de overplaatsing ontoereikend was en verklaarde dit deel van de klacht gegrond. De Hoge Raad vernietigde deze beslissing en verwees de zaak terug voor nader onderzoek naar alternatieven dichter bij Rotterdam.

Na terugwijzing concludeerde de rechtbank dat er geen passende alternatieven waren en dat de overplaatsing evenredig en effectief was, hoewel het motiveringsgebrek formeel bleef. Betrokkene verzocht ook om schadevergoeding wegens de lange procedure, maar dit verzoek werd afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing.

De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk voor zover het betrekking heeft op de schadevergoeding en verwerpt het beroep voor het overige. De zaak benadrukt de noodzaak van een deugdelijke motivering bij zorgoverdracht en de strikte toepassing van termijnen bij klachtenprocedures onder de Wvggz.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/00412
Zitting15 april 2022
CONCLUSIE
F.F. Langemeijer
In de zaak van
[betrokkene]
tegen
[verweerster] , in haar hoedanigheid van geneesheer-directeur van GGZ Antes
Deze Wvggz-klachtzaak is een vervolg op HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1162. In dit stadium gaat het, naast een klacht over de overdracht aan een andere zorgaanbieder, om de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

1.Feiten en procesverloop

1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals vermeld in de beschikking van de Hoge Raad van 16 juli 2021. [1] Deze houden, enigszins verkort weergegeven, het volgende in.
(i) Bij beschikking van 30 juni 2020 heeft de rechtbank Rotterdam ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een zorgmachtiging verleend voor het tijdvak tot en met 30 december 2020. Op grond van deze zorgmachtiging is betrokkene opgenomen in een accommodatie van Antes Zorg te Capelle aan den IJssel.
(ii) Op 7 juli 2020 heeft de zorgverantwoordelijke aan de geneesheer-directeur (thans verweerster in cassatie) verzocht de verantwoordelijkheid voor het verlenen van zorg op grond van de zorgmachtiging toe te wijzen aan GGZ Drenthe.
(iii) Op 30 juli 2020 heeft de geneesheer-directeur op de voet van art. 8:16 lid 1 Wvggz Pro besloten de zorg toe te wijzen aan GGZ Drenthe. [2]
(iv) Op 6 augustus 2020 heeft betrokkene op de voet van art. 10:3, aanhef en onder l, Wvggz bij de regionale klachtencommissie een klacht over deze beslissing ingediend. In de klachtbrief vermeldde betrokkene dat een overplaatsing naar Beilen voor hem ingrijpende gevolgen heeft, zeker als het gaat om een overplaatsing voor lange tijd.
(v) Op 17 augustus 2020 heeft de klachtencommissie de klacht ongegrond verklaard.
1.2
Op 18 augustus 2020 heeft betrokkene op de voet van art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro een verzoekschrift bij de rechtbank Rotterdam ingediend ter verkrijging van een beslissing over de klacht. Een dag later is betrokkene overgeplaatst naar de accommodatie van GGZ Drenthe te Beilen.
1.3
Op 9 september 2020 heeft de rechtbank het verzoek mondeling behandeld. De advocaat van betrokkene heeft ter zitting aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de voorkeur van betrokkene om behandeld te worden in of zo dicht mogelijk nabij de regio waarin hij is opgegroeid en waar hij zijn sociale contacten heeft.
1.4
De rechtbank heeft de behandeling van de klacht aangehouden tot 7 oktober 2020 nadat partijen ter zitting waren overeengekomen dat de zorgverantwoordelijke uiterlijk binnen één maand de rechtbank zou berichten of betrokkene kan worden behandeld in een kliniek die dichter bij Rotterdam ligt. Het proces-verbaal vermeldt daaromtrent:
“De [zorgverantwoordelijke] verklaart dat GGZ Drenthe gespecialiseerd is in het gericht behandelen van mensen met dezelfde problematiek als betrokkene. Er zou waarschijnlijk geen kliniek dichter in de buurt van Rotterdam zijn die zo goed aansluit bij de zorgbehoefte van betrokkene. Desondanks heeft de [zorgverantwoordelijke] ingestemd met het voorstel van de advocaat om te onderzoeken of betrokkene in een instelling kan worden behandeld die meer in de buurt is gelegen van Rotterdam. De [zorgverantwoordelijke] gaat onderzoeken of betrokkene in een kliniek voor langdurige opname kan worden behandeld – hetzij in Antes Poortugaal, hetzij in een andere gespecialiseerde kliniek in Den Haag of Amsterdam.”
1.5
Op 7 oktober 2020 is de mondelinge behandeling voortgezet. Bij beschikking van 22 oktober 2020 constateerde de rechtbank (in rov. 2.11) dat de gevraagde nadere toelichting van de zorgverantwoordelijke niet was ontvangen. Daarom heeft de rechtbank de klacht tegen de beslissing van de klachtencommissie gegrond verklaard voor het gedeelte dat ziet op de motivering van de beslissing. De rechtbank heeft het volgende overwogen:
“4.2.3. (…) Zowel uit de stukken als uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken is komen vast te staan dat er geen mogelijkheden zijn om verzoeker langdurig op te nemen en te behandelen in een Antes kliniek of elders in de regio Rotterdam, op een wijze die overeenkomt met de zorg die GGZ Drenthe in Beilen aan verzoeker biedt. In het verleden is gebleken dat een opname en daarna een vervolg van behandeling in de ambulante setting voor verzoeker niet het gewenste effect brengt. Zowel uit de stukken als uit de verklaring van de behandelaar blijkt dat verzoeker langdurige zorg nodig heeft in een gestructureerde omgeving om verzoeker te stabiliseren en een gezond leefpatroon aan te leren. In Rotterdam is die mogelijkheid er niet en valt verzoeker terug in drugsgebruik en zorgmijding. Dit is tijdens de mondelinge behandeling en in de beslissing waar de klacht zich op richt duidelijk gemotiveerd. De rechtbank volgt daarom niet het standpunt van verzoeker dat hij in de ambulante setting in Rotterdam even goed of wellicht beter kan worden behandeld; dit is niet effectief gebleken en er is geen alternatief voor behandeling door GGZ Drenthe.
4.2.4.
De beslissing om de uitvoering van verplichte zorg voor verzoeker over te dragen aan GGZ Drenthe is in de beslissing van de klachtencommissie en tijdens de mondelinge behandeling door de behandelaar uitgebreid gemotiveerd. Verzoeker heeft, zo overweegt ook de rechtbank, baat bij een langdurige opname in een gestructureerde omgeving waar hem intensieve zorg kan worden geboden die aansluit bij zijn zorgvraag.
4.2.5.
Tijdens de zitting van 9 september 2020 heeft de rechtbank de behandeling van het beroep aangehouden omdat partijen onderling overeengekomen zijn dat de psychiater zou onderzoeken of verzoeker in een kliniek voor langdurige opname kan worden behandeld die meer in de buurt van Rotterdam is gelegen – hetzij bij Antes, hetzij in een andere gespecialiseerde kliniek in bijvoorbeeld Den Haag of Amsterdam. De rechtbank heeft, zoals eerder overwogen, van de psychiater geen bericht ontvangen met nadere motivatie waarom dit niet gelukt is. Gelet op de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling besproken is, is niettemin duidelijk gemotiveerd waarom het geen mogelijkheid is om verzoeker te laten verblijven in een Antes kliniek of elders in de regio Rotterdam. Zowel in de stukken als tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk gemotiveerd waarom de keuze is gevallen op de kliniek van GGZ Drenthe in Beilen. (…)”
1.6
In het tegen die beschikking gerichte cassatieberoep [3] keerde betrokkene zich onder meer tegen het oordeel dat er geen mogelijkheid is hem te laten verblijven in een accommodatie die dichter in de buurt van Rotterdam is gelegen dan GGZ Drenthe in Beilen. Betrokkene wees in dat verband erop dat,
anders dan was afgesproken tijdens de mondelinge behandeling op 9 september 2020, niet serieus naar alternatieven is gekeken. De Hoge Raad oordeelde in zijn beschikking van 16 juli 2021 die motiveringsklacht gegrond:
“4.3 (…) Dit oordeel is, in het licht van de afspraak dat zou worden onderzocht of betrokkene zorg zou kunnen ontvangen in een accommodatie die meer in de buurt van Rotterdam is gelegen en de door betrokkene uitgesproken voorkeur voor zorg in een accommodatie in de buurt van Rotterdam, onbegrijpelijk. Dat ter zitting duidelijk is gemotiveerd “waarom de keuze is gevallen op de kliniek van GGZ Drenthe in Beilen”, brengt immers niet mee dat van het toegezegde onderzoek naar alternatieve mogelijkheden in de buurt van Rotterdam kon worden afgezien of dat van zodanig onderzoek geen resultaat te verwachten zou zijn. (…)”
1.7
De Hoge Raad heeft de beschikking van 22 oktober 2020 vernietigd en de zaak teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam ter verdere behandeling en beslissing.
1.8
Op 23 september 2021 heeft de rechtbank Rotterdam het inleidend verzoek opnieuw behandeld. Ter zitting bleek dat betrokkene inmiddels was teruggeplaatst van GGZ Drenthe naar GGZ Antes, locatie Poortugaal. [4] De rechter heeft betrokkene en zijn advocaat gehoord. Een vertegenwoordiger van GGZ Antes was niet aanwezig. [5]
1.9
Betrokkene heeft ter zitting van 23 september 2021 verzocht hem op grond van art. 10:11 lid 2 Wvggz Pro een schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder toe te kennen van € 50,- per dag over de periode van 19 augustus 2020 tot 16 juli 2021, zijnde de periode waarin hij in GGZ Drenthe heeft verbleven. [6]
1.1
De rechtbank heeft de behandeling aangehouden teneinde GGZ Antes als zorgaanbieder in de gelegenheid te stellen schriftelijk te reageren op het verzoekschrift en op het verzoek om schadevergoeding, waarna de advocaat van betrokkene daarop zou kunnen reageren. De rechtbank heeft partijen verzocht aan te geven of zij ermee instemmen dat de rechtbank de zaak daarna schriftelijk afdoet.
1.11
De geneesheer-directeur heeft namens GGZ Antes op 12 oktober 2021 een verweerschrift ingediend en ingestemd met schriftelijke afdoening.
1.12
Op 18 oktober 2021 heeft de advocaat van betrokkene schriftelijk gereageerd op het namens GGZ Antes ingediende verweerschrift. Tevens heeft de advocaat verzocht op grond van art. 5 lid 4 EVRM Pro een schadevergoeding aan betrokkene toe te kennen voor de lange duur van de klachtprocedure. [7] In de brief heeft de advocaat aangegeven dat “een nadere ronde” niet nodig is.
1.13
Op 25 oktober 2021 heeft de geneesheer-directeur namens GGZ Antes nog kort gereageerd op de brief van 18 oktober 2021. [8]
1.14
Bj beschikking van 8 november 2021 (ECLI:NL:RBROT:2021:10861) heeft de rechtbank de klacht gegrond verklaard, voor zover deze betrekking heeft op het door de rechtbank omschreven motiveringsgebrek. De rechtbank heeft in zoverre de beslissing van de geneesheer-directeur van 30 juli 2020 vernietigd en bepaald dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de beslissing van de geneesheer-directeur. [9] De rechtbank heeft voor het overige de klacht ongegrond verklaard en zowel het verzoek tot toekenning van schadevergoeding op grond van art. 10:11 lid 2 Wvggz Pro als het verzoek tot toekenning van schadevergoeding op grond van art. 5 lid 4 EVRM Pro afgewezen.
1.15
De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, het volgende overwogen:
- De vernietiging en verwijzing door de Hoge Raad betekent dat de rechtbank het inleidend verzoek van betrokkene opnieuw zal moeten beoordelen en met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van de beschikking van 22 oktober 2020 (rov. 3.2.2).
- De geneesheer-directeur heeft in haar verweerschrift aangegeven dat niet meer valt na te gaan waaruit destijds het onderzoek van de zorgverantwoordelijke heeft bestaan. Zij heeft daarom zélf onderzocht of voor betrokkene passende alternatieve plaatsingsmogelijkheden bestonden in de regio’s Rotterdam, Den Haag en Amsterdam. Volgens de rechtbank heeft de geneesheer-directeur genoegzaam aangegeven dat en waarom ten tijde van de beschikking van 22 oktober 2020 in de regio’s Rotterdam, Den Haag of Amsterdam er geen zorgaanbieder was die dezelfde of een daaraan gelijkwaardige zorgmogelijkheid bood als GGZ Drenthe (rov. 3.2.3 en 3.2.4).
- Bij de beslissing van 30 juli 2020 tot overplaatsing is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg (art. 3:3 Wvggz Pro) en aan de algemene uitgangspunten van de wet (art. 2:1 Wvggz Pro). Er waren geen minder bezwarende alternatieven met hetzelfde beoogde effect: noch in een ambulante setting, noch in de buurt van Rotterdam. Gelet op het beoogde doel van de behandeling, was de doorverwijzing naar GGZ Drenthe evenredig en naar verwachting effectief. Dit gedeelte van de klacht is dus ongegrond. (rov. 3.2.6 – 3.2.8)
- Hetgeen ontbrak aan de motivering van het besluit tot overplaatsing is duidelijk geworden uit de toelichting van de geneesheer-directeur. Omdat dit deel van de motivering niet eerder aan betrokkene kenbaar werd gemaakt, was de beslissing tot overplaatsing in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Het klachtonderdeel dat daarop ziet is gegrond. (rov. 3.2.9)
- Omdat de klacht van betrokkene slechts ten aanzien van het motiveringsgebrek gegrond wordt verklaard, is er geen aanleiding voor het toekennen van de verzochte schadevergoeding als bedoeld in art. 10:11 lid 2 Wvzgz Pro. (rov. 3.3.2)
1.16
De rechtbank wees ook het verzoek om schadevergoeding op grond van art. 5 lid 4 EVRM Pro af. De gronden van die beslissing komen aan de orde bij de bespreking van het middel.
1.17
Namens betrokkene is op 8 februari 2022 − tijdig − beroep in cassatie ingesteld. [10] Namens de geneesheer-directeur is op 23 maart 2022 een verweerschrift ingediend dat tot referte strekt.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel valt uiteen in twee onderdelen. Onderdeel 1 betreft de duur van de behandeling van deze klachtzaak. Onderdeel 2 heeft betrekking op de inhoudelijke beslissing van de rechtbank over de klacht. Ik zal daarom eerst onderdeel 2 bespreken.
De overplaatsing naar GGZ Drenthe
2.2
Onderdeel 2is gericht tegen de overwegingen 3.2.3 – 3.2.4 en 3.2.6 – 3.2.8. Uit deze overwegingen blijkt volgens het middelonderdeel dat de rechtbank slechts heeft herhaald “wat eerder aan de orde was”, zonder dat het beloofde onderzoek naar alternatieve mogelijkheden in de eigen regio is gedaan. Volgens de klacht is de rechtbank niet ingegaan op hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikking van 16 juli 2021 heeft overwogen. Ten onrechte heeft de rechtbank de beslissing tot overplaatsing slechts
ex tuncgetoetst. De rechtbank heeft met name geen acht geslagen (i) op de negatieve effecten van de overplaatsing naar GGZ Drenthe in Beilen [11] en (ii) op de positieve gebeurtenissen na de terugplaatsing van betrokkene naar Antes in juli 2021. Subsidiair wordt geklaagd over ontoereikende redengeving.
2.3
Deze klacht is toegelicht als volgt:
- In de procedure die heeft geleid tot de beschikking van 22 oktober 2020 is ervan uitgegaan dat overplaatsing naar Beilen een oplossing zou zijn voor de problemen van betrokkene, hoewel tijdens de mondelinge behandeling op 9 september 2020 was toegezegd dat onderzoek zou worden gedaan naar behandelmogelijkheden in de regio’s Rotterdam, Den Haag of Amsterdam. De rechtbank heeft niets gedaan met de bezwaren van betrokkene tegen een overplaatsing naar Drenthe (toelichting onder 2.1).
- In de toelichting onder 2.2 is de beschikking van de Hoge Raad van 16 juli 2021 weergegeven.
- In het geding na terugwijzing heeft de geneesheer-directeur aangegeven dat zij zelf onderzoek heeft gedaan. De rechtbank neemt dit over, hoewel uit niets blijkt dat speciaal ten aanzien van betrokkene een onderzoek is gedaan; er wordt voorbijgegaan aan wat betrokkene nodig heeft. Na de overplaatsing naar Beilen was bekend welke negatieve effecten deze overplaatsing voor betrokkene heeft gehad (toelichting onder 2.3).
- In de toelichting onder 2.4 zijn passages weergegeven uit de reactie van 18 oktober 2021 op het verweerschrift van Antes.
- Het toegezegde onderzoek naar alternatieven is niet gedaan (toelichting onder 2.5).
- In het licht van de uitspraak van 16 juli 2021 is onbegrijpelijk dat de rechtbank “ondanks dat er ook nu nog steeds geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar minder bezwarende alternatieven”, aanneemt dat die alternatieven er niet waren. Uit de beslissing blijkt dat de rechtbank
ex tuncredeneert en de problemen die betrokkene in Beilen heeft gehad noch de positieve effecten van zijn terugkeer naar de regio Rotterdam in haar beoordeling heeft betrokken (toelichting onder 2.6).
2.4
Het inleidende klaagschrift had betrekking op de beslissing van de geneesheer-directeur van 30 juli 2020 om de uitvoering van de zorg over te dragen aan GGZ Drenthe op de voet van art. 8:16 lid 1 Wvggz Pro. Het verwijt dat de rechtbank zich zou hebben beperkt tot een toetsing
ex tuncvan de beslissing van 30 juli 2020, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in rov. 3.2.2 (in cassatie onbestreden) immers met zoveel woorden overwogen dat zij in de procedure na cassatie en verwijzing het inleidend verzoek van betrokkene opnieuw zal beoordelen, met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van de (vernietigde) beschikking van 22 oktober 2020.
2.5
Voor zover in het middelonderdeel de klacht valt te lezen dat de rechtbank bij haar beoordeling óók feiten en omstandigheden had behoren te betrekken die dateren van ná 22 oktober 2020, zoals de (volgens betrokkene: positieve) effecten van de terugplaatsing in juli 2021 naar een accommodatie van Antes GGZ in de regio Rotterdam, merk ik het volgende op.
2.6
Het is juist dat de rechtbank in rov. 3.2.2 de regel van art. 424 Rv Pro in verbinding met art. 429 lid 2 Rv Pro niet helemaal zuiver weergeeft. Ingevolge die bepalingen dient de rechter naar wie de zaak is verwezen (c.q. teruggewezen) de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij is uitgangspunt dat de verwijzingsrechter de zaak moet behandelen in de stand waarin deze zich bevond toen de door de Hoge Raad vernietigde uitspraak werd gewezen. De verwijzingsrechter is (dus) gebonden aan de in die uitspraak gegeven beslissingen die in het eerste cassatieberoep niet of tevergeefs zijn bestreden. Dit uitgangspunt brengt mee dat in het geding na verwijzing geen plaats meer is voor het aanvoeren van nieuwe feiten en omstandigheden. [12] Dit is de regel waarop de rechtbank kennelijk het oog heeft gehad. Het vorenstaande laat onverlet dat partijen in het geding na verwijzing zich mogen beroepen op (een wijziging van) feiten en omstandigheden die zich na de vernietigde uitspraak (heeft) hebben voorgedaan, mits partijen de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie niet overschrijden. In dat geval betrekt de verwijzingsrechter de (wijziging van) feiten en omstandigheden wel in zijn beoordeling. Deze uitzondering vindt haar rechtvaardiging hierin, dat zij voorkomt dat het geschil zou moeten worden beslist aan de hand van inmiddels achterhaalde of onjuist gebleken juridische of feitelijke gegevens. [13] Dit geldt in het bijzonder voor procedures die naar hun aard meebrengen dat de rechter aan de hand van de actuele stand van zaken oordeelt, zoals de Hoge Raad voor machtigingsprocedures op grond van de Wet Bopz heeft uitgemaakt. [14] Volledigheidshalve noteer ik nog dat voor zover de Hoge Raad cassatiemiddelen onbehandeld heeft gelaten, de verwijzingsrechter niet gebonden is aan de beslissingen die in de eerste cassatieprocedure werden bestreden. [15]
2.7
De Hoge Raad heeft op 16 juli 2021 beslist dat het oordeel van de rechtbank dat de geneesheer-directeur voldoende had gemotiveerd waarom de keuze is gevallen op een overplaatsing naar GGZ Drenthe, voor de lezer onbegrijpelijk is
in het licht van de ter zitting tussen partijen gemaakte afspraak. Die afspraak hield in dat zou worden onderzocht of betrokkene passende zorg zou kunnen ontvangen in een accommodatie die dichter in de buurt van Rotterdam ligt dan de accommodatie in Drenthe. De Hoge Raad verwierp de klacht onder 3.3 over de mogelijkheid van ambulante behandeling.
2.8
Ten tijde van de afdoening na cassatie en verwijzing was betrokkene inmiddels weer terug in de regio Rotterdam. De rechtbank behoefde daarom geen beslissing meer te nemen over de vraag of overplaatsing van betrokkene naar Drenthe nodig is; die vraag was toen niet langer actueel. Wel had de rechtbank, in retrospectief, te beoordelen of de beslissing van de geneesheer-directeur om de behandeling over te dragen aan GGZ Drenthe, met alle gevolgen van dien, de in art. 10:10 Wvggz Pro bedoelde rechterlijke toets kan doorstaan. De ter zitting in eerste aanleg gemaakte afspraak tussen partijen bracht mee dat de rechtbank − na cassatie en terugwijzing – zich alsnog ervan behoorde te vergewissen of Antes vóór of tijdens de plaatsing in Beilen onderzoek heeft gedaan naar alternatieve plaatsingsmogelijkheden voor betrokkene dichter bij Rotterdam.
2.9
In rov. 3.2.3 heeft de rechtbank zich aangesloten bij de constatering van de geneesheer-directeur dat niet meer valt na te gaan waaruit het onderzoek van de zorgverantwoordelijke destijds heeft bestaan. Dat oordeel is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. Om die reden heeft de geneesheer-directeur zelf een onderzoek ingesteld naar de vraag of destijds (d.w.z. ten tijde van de beslissing tot overplaatsing en het verblijf in Beilen) in de regio’s Rotterdam, Den Haag en Amsterdam alternatieve plaatsingsmogelijkheden bestonden voor een ten minste gelijkwaardige psychiatrische behandeling van betrokkene. Na een weergave van hetgeen de geneesheer-directeur daarover in het verweerschrift heeft geschreven, kwam de rechtbank in rov. 3.2.4 tot de slotsom dat de geneesheer-directeur genoegzaam heeft gemotiveerd “dat er ten tijde van de beschikking van 22 oktober 2020 geen andere zorgaanbieder was in de regio Rotterdam, Den Haag of Amsterdam, die dezelfde althans een gelijkwaardige zorgmogelijkheid bood als GGZ Drenthe”. Dit oordeel berust op een aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de feiten, met name wat betreft de noodzaak van een gespecialiseerde behandeling van betrokkene. De redengeving in rov. 3.2.3 over de beperkte mogelijkheden voor een behandeling van betrokkene in de regio Den Haag, respectievelijk over de waarschijnlijkheid dat bij overplaatsing naar GGZ regio Amsterdam betrokkene ook zou zijn doorverwezen naar GGZ Drenthe, is voor de lezer niet onbegrijpelijk. Zie ik het goed, dan hield de ter zitting in eerste aanleg gemaakte afspraak een onderzoek naar het bestaande aanbod van behandelmogelijkheden in de diverse instellingen in. De afspraak hield niet in dat voor betrokkene een nieuwe, nog niet bestaande behandelmogelijkheid zou moeten worden gecreëerd.
2.1
Voor zover in de toelichting onder 2.3 is betoogd dat de geneesheer-directeur haar onderzoek had moeten toespitsen op hetgeen betrokkene nodig heeft of nodig had (‘onderzoek speciaal ten aanzien van verzoeker’), faalt de klacht. In rov. 4.2.3 van haar beschikking van 16 oktober 2020 had de rechtbank al vastgesteld dat betrokkene langdurige zorg nodig heeft in een gestructureerde omgeving om hem te stabiliseren en een gezond leefpatroon aan te leren. In Rotterdam, zo vervolgde de rechtbank, is die mogelijkheid er niet en valt betrokkene terug in drugsgebruik en zorgmijding. Tegen die overweging is betrokkene in de eerste cassatieprocedure niet opgekomen. De toen ingediende klacht in middelonderdeel 3.3, over de mogelijkheid van een ambulante behandeling, is door de Hoge Raad verworpen: op dat oordeel kon de verwijzingsrechter dus voortbouwen. Tijdens de mondelinge behandeling en in rov. 3.2.7 van de thans bestreden beschikking is de rechtbank, uitvoeriger dan in haar beschikking van 22 oktober 2020, ingegaan op de problematiek en de persoonlijke situatie van betrokkene, op hetgeen hij volgens zijn behandelaren nodig had, op de (on)mogelijkheid om in de accommodatie te Capelle aan den IJssel aan betrokkene te bieden wat hij nodig had, en op de door de behandelaren daarom noodzakelijk geachte overplaatsing naar GGZ Drenthe. De overwegingen over de aard van de behandeling die betrokkene nodig heeft zijn beschrijvend en feitelijk van aard. Daarom restte uitsluitend de vraag of de noodzakelijk geachte behandeling had kunnen worden gegeven in een accommodatie in de regio’s Rotterdam, Den Haag of Amsterdam.
2.11
De gevolgtrekkingen in rov. 3.2.8 die inhouden (i) dat bij de beslissing tot overdracht van de zorg aan GGZ Drenthe is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg (art. 3:3 Wvggz Pro) en aan de algemene uitgangspunten van deze wet (art. 2:1 Wvggz Pro); (ii) dat er geen minder bezwarende alternatieve mogelijkheden waren die hetzelfde beoogde effect hadden (noch in een ambulante setting, noch in de buurt van Rotterdam) en (iii) dat, gelet op het beoogde doel, de overdracht van de behandeling aan GGZ Drenthe evenredig en naar verwachting effectief was, steunen mede op het door de geneesheer-directeur alsnog uitgevoerde onderzoek naar plaatsingsmogelijkheden. De rechtbank toont zich ervan bewust dat het besluit van 30 juli 2020 een motiveringsgebrek had. De juridische gevolgen van dat gebrek zijn weggenomen op de voet van art. 10:10 lid 3 Wvggz Pro doordat de rechtbank haar beslissing in zoverre in de plaats heeft gesteld van dat besluit. Over de toepassing van dit artikellid wordt in cassatie niet geklaagd.
2.12
De slotsom is dat onderdeel 2 niet tot cassatie leidt. Toepassing van het bepaalde in art. 81 RO Pro wordt in overweging gegeven.
De duur van de behandeling van de klachtzaak
2.13
Met betrekking tot het verzoek om een schadevergoeding op grond van art. 5 lid 4 EVRM Pro overwoog de rechtbank als volgt:
“3.4.1. Verzoeker verzoekt hem een schadevergoeding toe te kennen omdat de rechtbank niet ‘speedily’ heeft beslist als bedoeld in artikel 5 lid 4 EVRM Pro.
3.4.2.
De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 28 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:1054, als regel aanvaard dat in beginsel binnen vier weken na de uitspraak van de Hoge Raad een mondelinge behandeling plaatsvindt, en dat de rechtbank in beginsel binnen vier weken na die mondelinge behandeling beslist op het verzoek van de officier van justitie, dan wel de zaak aanhoudt met het oog op een deskundigenonderzoek.
De rechtbank stelt vast dat de mondelinge behandeling ruim twee maanden na de beschikking van de Hoge Raad van 16 juli 2021 heeft plaatsgevonden. Omdat de geneesheer-directeur door een misverstand niet aanwezig was tijdens de mondelinge behandeling op 23 september 2021, heeft hierna nog een schriftelijke ronde plaatsgevonden, en hebben verzoeker en de geneesheer-directeur ingestemd met schriftelijke afdoening van de zaak zonder nadere mondelinge behandeling. De rechtbank heeft uiteindelijk op 8 november 2021 op de verzoeken beslist.
Hoewel verzoeker kan worden nagegeven dat tussen de beschikking van de Hoge Raad en de beslissing van deze rechtbank niet de nodige voortvarendheid is betracht, is de termijnoverschrijding niet zodanig lang dat dit een schadevergoeding zou rechtvaardigen. Daar komt bij dat verzoeker op geen enkele wijze heeft onderbouwd waaruit zijn schade heeft bestaan, mede gelet op het feit dat hij sinds 9 juli 2021 weer in Antes Poortugaal verblijft.
3.4.3.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding afwijzen.”
2.14
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.4.2. De klacht houdt in dat in relatie tot art. 5 lid 4 EVRM Pro in verbinding met art. 5 lid 5 EVRM Pro en art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro die overweging onjuist is, althans onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd. Deze algemene klacht is nader uitgewerkt in de toelichting onder 1.1 – 1.4.
2.15
Onder 1.1wordt aangevoerd dat de rechtbank de termijn van vier weken voor het doen plaatsvinden van een mondelinge behandeling, te rekenen vanaf 16 juli 2021 (datum uitspraak Hoge Raad), heeft overschreden. [16] Volgens betrokkene had de rechtbank de mondelinge behandeling uiterlijk moeten doen plaatsvinden op 13 augustus 2021. Omdat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 september 2021 is volgens de klacht sprake van een overschrijding met 41 dagen. Ook heeft de rechtbank niet binnen vier weken na de mondelinge behandeling een beslissing genomen. Deze termijn was met 18 dagen verstreken toen de rechtbank uitspraak deed. Volgens de klacht komt de overschrijding van de in art. 5 lid 4 EVRM Pro genoemde korte termijn (‘s
peedily’) daarmee uit op 59 dagen in totaal.
2.16
Onder 1.2bestrijdt de klacht het oordeel dat de overschrijding van de termijn niet zodanig is dat deze toekenning van een financiële vergoeding rechtvaardigt. Betrokkene wijst op het aantal dagen waarmee de termijn is overschreden. Ook wordt aangevoerd dat een schending van de termijn als bedoeld in art. 5 lid 4 EVRM Pro recht geeft op schadevergoeding op grond van het vijfde lid. Het gaat om immateriële schade die wordt voorondersteld in verband met de langdurige onzekerheid waarin degene heeft verkeerd aan wie de vrijheid is ontnomen.
2.17
Onder 1.3(onder het kopje “Duur hele procedure met betrekking tot overplaatsing”) wijst betrokkene erop dat hij bij de rechtbank had aangevoerd dat de overplaatsing tot gevolg heeft gehad dat hij ver weg van zijn vriendin werd geplaatst, dat hij tijdens zijn verblijf in Beilen veel last had van heimwee hetgeen de geneeskundige behandeling ondermijnde, en dat hij “in overleg met de verwijzer in Rotterdam” in juli 2021 weer is overgeplaatst naar de regio Rotterdam. [17]
2.18
Onder 1.4bestrijdt de klacht het oordeel dat betrokkene op geen enkele wijze heeft onderbouwd waaruit zijn schade heeft bestaan. Indien vaststaat dat de beslistermijn is overschreden is, volgens de klacht, daarmee aannemelijk dat de betrokkene een (op geld te waarderen) nadeel heeft geleden, namelijk de spanning of frustratie door het uitblijven van een tijdige rechterlijke beslissing over zijn vrijheidsbeneming en onzekerheid over zijn situatie. [18]
2.19
Allereerst merk ik op dat het verzoek om schadevergoeding niet ter beoordeling staat in de onderhavige cassatieprocedure: betrokkene heeft naar eigen zeggen hoger beroep tegen die beslissing ingesteld. [19] Indien hoger beroep mogelijk is, staat het bepaalde in art. 78 lid 6 RO Pro in de weg aan dit gedeelte van het cassatieberoep. [20] Aan de steller van het middel staat blijkbaar voor ogen dat de Hoge Raad eerst een uitspraak zal doen “over het principe”, waarmee zij bedoelt: de vaststelling “dat de termijn van artikel 5 lid 4 EVRM Pro (…) geschonden is en dat er dus recht bestaat op vergoeding van immateriële schade”, waarna het gerechtshof in hoger beroep een beslissing kan nemen over de hoogte van de schadevergoeding. [21]
2.2
Verder vraag ik mij af of
in een procedure na cassatie en verwijzingde rechtsstrijd kan worden uitgebreid met een nog niet eerder ingediend verzoek om toekenning van een billijke vergoeding. Zie voor de criteria: alinea 2.6 hiervoor. Hoe dan ook is, naar mijn mening, het ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op (de grondslag van) de beslissing over het verzoek tot schadevergoeding. Ik licht dit standpunt hieronder toe.
2.21
Anders dan in de vroegere Wet Bopz is in de Wvggz een afzonderlijk hoofdstuk opgenomen over de klachtenprocedure en schadevergoeding. In de artikelen 10:11 en 10:12 van de Wvggz worden de verzoeken om toekenning van een schadevergoeding geregeld. Voor het onderhavige geschil zijn de volgende bepalingen van belang:
Art. 10:11 lid 2 Wvggz Pro houdt in dat bij een verzoek als bedoeld in art. 10:7, eerste lid, Wvggz (d.w.z. bij een verzoek aan de rechtbank ter verkrijging van een beslissing over de klacht) tevens kan worden verzocht om schadevergoeding
ten laste van de zorgaanbieder. De rechtbank kan afzonderlijk of tegelijk met het verzoek als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro over het verzoek om schadevergoeding beslissen. [22] De rechtbank kan ook ongevraagd (‘ambtshalve’) besluiten dat de zorgaanbieder een schadevergoeding verschuldigd is, na de zorgaanbieder te hebben gehoord. Deze schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld.
 In art. 10:12 worden Pro verschillende vormen van schadevergoeding wegens het niet in acht nemen van de wet geregeld. In dit artikel gaat het om een zelfstandige (verzoekschrift-)procedure. [23] In het derde lid van art. 10:12 Wvggz Pro is bepaald dat indien de wet niet in acht is genomen door de officier van justitie of door de rechter, de betrokkene aan de rechtbank kan verzoeken om toekenning van een schadevergoeding
ten laste van de Staat. Ook deze schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld.
2.22
Middelonderdeel 1 ziet slechts op het in de brief van 18 oktober 2021 gedane verzoek om schadevergoeding. Dit verzoek werd gebaseerd op art. 5 lid 4 EVRM Pro en op de stelling dat de rechtbank na cassatie en verwijzing de klachtprocedure onvoldoende voortvarend heeft behandeld, waardoor betrokkene (te) lang in onzekerheid heeft verkeerd over zijn rechtspositie. Betrokkene heeft geen geldvordering ingesteld, maar de route gekozen van een schriftelijk verzoek aan de rechtbank, gedaan bij gelegenheid van de behandeling (na cassatie en terugwijzing) van zijn klacht over de overplaatsing naar Drenthe. Op dat verzoek is mijns inziens art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro van toepassing en, in aanvulling daarop, de bepalingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over de verzoekschriftprocedure. Dit betekent dat het hier gaat om een schadevergoeding
ten laste van de Staaten niet om een schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder.
2.23
Hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank op een op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro ingediend verzoek om schadevergoeding wordt in de wet niet uitgesloten. In de zaak van HR 20 november 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1806) [24] ging het om een cassatieberoep tegen de beslissing van de rechtbank op een op de voet van art. 7:6 Wvggz Pro ingesteld beroep tegen een door de burgemeester opgelegde crisismaatregel. In die zaak werd tevens verzocht om een schadevergoeding ten laste van de gemeente. De Hoge Raad overwoog in rov. 3.2.2 als volgt:
“Noch in art. 10:12 Wvggz Pro, noch elders in de Wvggz, wordt hoger beroep tegen een beslissing op de voet van deze bepaling uitgesloten.
Nu de regels inzake de verzoekschriftprocedure uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering op een procedure ingevolge de Wvggz aanvullend van toepassing zijn, stond op grond van art. 358 lid 1 Rv Pro hoger beroep open tegen de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot schadevergoeding. Ingevolge art. 78 lid 6 RO Pro is de gemeente dan ook niet-ontvankelijk in haar principale cassatieberoep (…).
Op grond van art. 358 lid 2 Rv Pro in verbinding met art. 340 Rv Pro kan de gemeente alsnog hoger beroep instellen tegen de bestreden beschikking voor zover daarin op het verzoek tot schadevergoeding is beslist.” [25]
2.24
Die beslissing riep de vraag op, hoe te beslissen in geval van samenloop van een hoger beroep (inzake de beslissing op het verzoek om schadevergoeding) en een cassatieberoep (inzake de beslissing in de hoofdzaak). Voor die situatie overwoog de Hoge Raad in rov. 3.3 dat het gerechtshof de beslissing in hoger beroep zo nodig kan aanhouden totdat in cassatie over de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming is beslist. Wanneer deze maatstaf zou worden toegepast in de onderhavige zaak, zou het gerechtshof Den Haag zijn beslissing in hoger beroep over het verzoek om schadevergoeding kunnen aanhouden totdat (in cassatie) definitief is beslist over de klacht in de hoofdzaak.
2.25
Overeenkomstige toepassing van hetgeen de Hoge Raad heeft beslist in HR 20 november 2020, reeds aangehaald, voert tot de slotsom dat het onderhavige cassatieberoep niet-ontvankelijk is wat betreft middelonderdeel 1: betrokkene had de mogelijkheid van hoger beroep en hij heeft die mogelijkheid ook benut. In mijn zienswijze komt de Hoge Raad niet toe aan een inhoudelijk oordeel over de vraag of de rechtbank in de fase na cassatie en verwijzing enige (wettelijke of uit de jurisprudentie volgende) beslistermijn heeft overschreden.
2.26
Over dit laatste maak ik enkele opmerkingen ten overvloede, voor het geval dat de Hoge Raad anders oordeelt over de ontvankelijkheid. [26]
2.27
In HR 28 juni 2019, waarnaar de rechtbank verwijst, ging het om een machtiging tot voortzetting van het verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis onder de Wet Bopz. Na cassatie en terugwijzing werd alsnog een contra-expertise uitgevoerd. Vaststond dat vanaf de verwijzingsbeschikking van de Hoge Raad (9 februari 2018) tot aan de eindbeschikking van de rechtbank (12 september 2018) 214 dagen waren verstreken. In de tweede cassatieprocedure werd geklaagd (i) dat de rechtbank op grond van art. 17 lid Pro 2 (oud) Wet Bopz uiterlijk op 9 maart 2018, vier weken na de verwijzingsbeschikking van de Hoge Raad, had moeten beslissen, (ii) dat het nader deskundigenbericht uiterlijk 9 mei 2018 (twee maanden na 9 maart 2018) ter griffie had moeten zijn ingekomen, en (iii) dat de rechtbank uiterlijk 6 juni 2018 (vier weken na 9 mei 2018) een beslissing had moeten geven op het verzoek om een machtiging tot voortgezet verblijf te verlenen. Het middel bevatte de klacht dat de rechtbank niet tijdig (‘
speedily’) had beslist als bedoeld in art. 5 lid 4 EVRM Pro en evenmin op de voet van art. 20 Rv Pro had gewaakt tegen onredelijke vertraging van de procedure. De Hoge Raad overwoog toen onder meer:
“3.2.2 De Wet Bopz bevat geen bepalingen over het geding na cassatie en verwijzing. Meer in het bijzonder bepaalt de Wet Bopz niet binnen welke termijn de rechtbank na cassatie en verwijzing moet beslissen op het verzoek van de officier van justitie. De door art. 5 lid 4 EVRM Pro gestelde eis dat de rechter spoedig (“
speedily”) beslist over de rechtmatigheid van iedere vrijheidsbeneming geldt echter voor elke fase van een procedure op de voet van de Wet Bopz, en dus ook voor het geding na cassatie en verwijzing. Bovendien is het voorschrift van art. 20 Rv Pro dat de rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure ook van toepassing op het geding na cassatie en verwijzing in een procedure op de voet van de Wet Bopz.
Anders dan het middel betoogt, leent het voorschrift van art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz, dat de rechter binnen vier weken na het indienen van het verzoekschrift beslist over de verzochte machtiging tot voortgezet verblijf, zich niet voor overeenkomstige toepassing in het geding na cassatie en verwijzing. Op grond van art. 16 lid 4 Wet Pro Bopz wordt tegelijk met het in art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz bedoelde verzoekschrift een geneeskundige verklaring overgelegd, welke verklaring dus al is opgesteld vóór het indienen van het verzoekschrift en daarmee vóór aanvang van de termijn van vier weken van art. 17 lid 2 Wet Pro Bopz. Bij aanvang van het geding na cassatie en verwijzing ontbreekt doorgaans een geneeskundige verklaring van een psychiater die – zoals volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is vereist – de betrokkene kort te voren heeft onderzocht, zodat in voorkomend geval eerst gelegenheid moet worden geboden een dergelijke verklaring op te stellen en in te dienen. Denkbaar is ook dat de uitspraak van de Hoge Raad vergt dat nog andere handelingen moeten worden verricht voordat de rechtbank kan beslissen op het verzoek van de officier van justitie.
Het vorenstaande is grond om als regel te aanvaarden dat in beginsel binnen vier weken na de uitspraak van de Hoge Raad een mondelinge behandeling plaatsvindt, en dat de rechtbank in beginsel binnen vier weken na die mondelinge behandeling beslist op het verzoek van de officier van justitie, dan wel de zaak aanhoudt met het oog op een nader deskundigenonderzoek (zie voor dat laatste hierna in 3.2.3).
3.2.3 (…)
3.2.4 De omstandigheden van het geval kunnen meebrengen dat de hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 genoemde termijnen in redelijkheid niet haalbaar zijn. In dat geval dient de rechtbank in haar tussen- of eindbeschikking te motiveren welke omstandigheden de vertraging rechtvaardigen.
3.3 Indien de hiervoor in 3.2.2-3.2.4 vermelde uitgangspunten op deze zaak worden toegepast, leidt dat tot het volgende. De rechtbank had in beginsel binnen vier weken na de beschikking van de Hoge Raad van 9 februari 2018 een mondelinge behandeling moeten laten plaatsvinden, dat wil zeggen uiterlijk op 9 maart 2018. In beginsel binnen vier weken nadien – dat wil zeggen uiterlijk op 6 april 2018 – had de rechtbank moeten beslissen tot aanhouding van de zaak met het oog op het doen verrichten van het door betrokkene gewenste nader deskundigenonderzoek. Deze aanhouding had in beginsel niet langer dan twee maanden mogen duren, dat wil zeggen tot uiterlijk 6 juni 2018. De rechtbank had binnen vier weken na laatstgenoemd tijdstip moeten beslissen op het verzoek van de officier van justitie, dat wil zeggen uiterlijk op 4 juli 2018.
3.4.1 De eerste mondelinge behandeling in het geding na cassatie en verwijzing heeft plaatsgevonden op 1 mei 2018, bijna drie maanden na de beschikking van de Hoge Raad. De rechtbank heeft noch in haar tussenbeschikking, noch in haar eindbeschikking gemotiveerd welke omstandigheden deze vertraging rechtvaardigen. Weliswaar is pas op 6 april 2018 een nieuwe geneeskundige verklaring afgegeven (…), maar niet blijkt dat deze verklaring niet eerder beschikbaar had kunnen zijn. Ook overigens is in de beschikkingen van de rechtbank en de stukken van het geding geen verklaring te vinden voor het tijdsverloop tussen de beschikking van de Hoge Raad en de eerste mondelinge behandeling. In de brief van de rechtbank van 28 februari 2018 (…), die dateert van bijna drie weken na de beschikking van de Hoge Raad, wordt geen nadere handeling aangekondigd of van de advocaat van betrokkene verlangd. De op het vorenstaande gerichte klacht van het middel is gegrond.
3.4.2 Voor zover het middel klaagt over overschrijdingen van de hier toepasselijke termijnen in de periode na 1 mei 2018, treft het geen doel. Zoals blijkt uit de beschikking van 14 juni 2018, worden deze overschrijdingen gerechtvaardigd doordat na de mondelinge behandeling een briefwisseling met de advocaat van betrokkene heeft plaatsgevonden over de persoon van de deskundige en de aan hem te stellen vragen, alsmede door de wijze waarop de rechtbank, met het oog op de belangen van betrokkene, het nader deskundigenonderzoek heeft vormgegeven en heeft doen uitvoeren.
3.5 Betrokkene bestrijdt niet dat de machtiging tot voortgezet verblijf voor het overige is verleend met inachtneming van de door de Wet Bopz gestelde vereisten. Daarom kan de Hoge Raad zelf de zaak afdoen door (…) de verleende machtiging in stand te laten, maar te bepalen dat de geldigheidsduur hiervan wordt verkort. (…)”
2.28
Art. 10:9 Wvggz Pro bepaalt in lid 2 dat de rechter binnen vier weken na indiening van het in art. 10:7 Wvggz Pro bedoelde verzoekschrift beslist. In het huidige cassatieberoep staat die termijn niet ter discussie. Op zich is inderdaad denkbaar – en is er wat voor te zeggen − dat in een geval waarin na cassatie en verwijzing door de verwijzingsrechter moet worden geoordeeld over een op de voet van art. 10:7 Wvggz Pro ingediend verzoekschrift, de zo-even geciteerde redenering van HR 28 juni 2019 wordt overgenomen ten aanzien van de maximumtermijn voor de behandeling en de beslissing in de fase na cassatie en verwijzing. Anders dan in de zaak van HR 28 juni 2019 gaat het in de huidige zaak niet om het verlenen van een rechterlijke machtiging als grondslag (‘titel’) voor de gedwongen opname in een psychiatrisch ziekenhuis. Een andere rechterlijke beschikking dan de thans bestreden beschikking vormde de grondslag voor de opneming van betrokkene in een ‘accommodatie’ als bedoeld in de Wvggz. In de onderhavige klachtprocedure staat niet de rechtmatigheid van het voortduren van verplichte zorg als zodanig ter discussie. Het gaat in deze klachtzaak uitsluitend om de overdracht van de zorg door de zorgaanbieder in Rotterdam aan een zorgaanbieder in Drenthe. Daarom rijst de vraag of wel juist is dat de in HR 28 juni 2019 aangeduide termijnen voor de behandeling en beslissing na cassatie en verwijzing óók van toepassing zijn in een verzoekschriftprocedure op de voet van art. 10:7 Wvggz Pro.
2.29
Bij de beantwoording van deze vraag kunnen ook andere voorbeelden worden betrokken. Stel, bijvoorbeeld, dat een zorgverantwoordelijke op grond van art. 8:9 lid 1 Wvggz Pro ter uitvoering van een zorgmachtiging besluit tot het verlenen van verplichte zorg die ‘beperken van het recht op het ontvangen van bezoek’ inhoudt (art. 3:2 lid Pro 2, onder i, Wvggz). Dit besluit heeft weliswaar tot gevolg dat rechten van de betrokken patiënt worden beperkt, maar brengt nog geen vrijheidsontneming met zich. Indien de rechter in dit denkbeeldige geval niet binnen vier weken na cassatie en verwijzing beslist, maakt dit nog niet dat de op art. 5, lid 4 en lid 5, EVRM gebaseerde jurisprudentie van toepassing is, waarin het ging om schade door onzekerheid over de rechtmatigheid van het gedwongen verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.
2.3
Ervan uitgaande dat de in de alinea’s 2.28 en 2.29 besproken kwesties in het ingestelde hoger beroep nog aan de orde kunnen komen, laat ik het bij deze signalering en onthoud ik mij op deze plaats van beschouwingen over de toewijsbaarheid van het verzoek om schadevergoeding.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep voor zover dit betrekking heeft op de beslissing van de rechtbank over de verzochte schadevergoeding. Voor het overige strekt de conclusie tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
A-G i.b.d.

Voetnoten

1.ECLI:NL:HR:2021:1162. Voor het procesverloop tot aan de beschikking van 16 juli 2021 zij verwezen naar die beschikking en de alinea’s 1.1 – 1.17 van de daaraan voorafgaande conclusie.
2.De geneesheer-directeur had al eerder, op 8 juli 2020, besloten de zorg toe te wijzen aan GGZ Drenthe. Op 27 juli 2020 heeft de klachtencommissie een door betrokkene op 14 juli 2020 ingediende klacht over ontoereikende motivering daarvan gegrond verklaard en aan de geneesheer-directeur opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
3.Het op 21 januari 2021 gedateerde cassatieberoep. Tegen de beslissing van de rechtbank op een verzoek als bedoeld in art. 10:7 Wvggz Pro staat geen hoger beroep open: zie art. 10:9 lid 3 Wvggz Pro en rov. 3.1 van de beschikking van de Hoge Raad van 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1162.
4.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 23 september 2021, blz. 1. Het proces-verbaal is overgelegd als prod. 4 bij de procesinleiding.
5.Het proces-verbaal van de mondelinge behandeling vermeldt over dit laatste dat naar alle waarschijnlijkheid sprake was van een misverstand als daar omschreven.
6.Zie rov. 2.3 van de thans in cassatie bestreden beschikking van 8 november 2021 en het proces-verbaal, blz. 2.
7.Zie rov. 2.3 van de thans in cassatie bestreden beschikking van 8 november 2021 en blz. 3 – 4 van de brief van 18 oktober 2021.
8.Zie prod. 7 in het procesdossier. De reactie had betrekking op de datum van de terugplaatsing. Betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij op 16 juli 2021 is overgeplaatst; de zorgaanbieder stelt dat betrokkene op 9 juli 2021 weer bij GGZ Antes is opgenomen.
9.Zie art. 10:10 lid 3 Wvggz Pro.
10.Volgens het cassatieverzoekschrift (blz. 3, 4 en 8) heeft betrokkene tevens hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Den Haag tegen de beslissing over de verzochte schadevergoeding.
11.Het onderdeel verwijst voor een opsomming van die effecten naar het ‘verzoek wijziging zorgverantwoordelijke’ van 12 juli 2021. Dit verzoek is overgelegd als een bijlage bij de reactie van 18 oktober 2021 (prod. 6 van het overgelegde procesdossier) op het verweerschrift namens GGZ Antes. De zorgverantwoordelijke schrijft in het verzoek: “Ik doe dit verzoek omdat [betrokkene] bij Duurzaam Verblijf veel last had van heimwee en dit de verdere behandeling ondermijnde. (…)”.
12.Zie onder meer: HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1972, NJ 2020/336 m.nt. E.W.J. de Groot, rov. 5.1.3.
13.Zie onder meer: HR 13 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1221, NJ 2018/340, rov. 5.2.
14.Zie bijv.: HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1514, NJ 1995/125 m.nt. J. de Boer; HR 2 maart 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0384, NJ 2001/278; HR 23 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC9346, NJ 2008/298.
15.Zie over de beslisruimte bij afdoening na verwijzing: Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/336; Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/387 – 393; W.D.H. Asser, Civiele cassatie, 2018, par. 9.3.
16.De toelichting verwijst naar HR 28 juni 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1054), NJ 2019/355 m.nt. J. Legemaate, JGZ 2019/30 m.nt. W.J.A.M. Dijkers.
17.Verwezen wordt naar de brief van [GGZ-psycholoog] van 12 juli 2021, die is overgelegd als één van de bijlagen bij de reactie van 18 oktober 2021 (prod. 6 van het procesdossier).
18.Het onderdeel verwijst in dat verband naar HR 10 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:926, NJ 2015/345 m.nt. J. Legemaate en HR 13 december 1996, ECLI:NL:HR1996:ZC2229, NJ 1997/682 m.nt. J. de Boer.
19.Uit de overgelegde stukken maak ik op dat het hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag is ingeschreven onder nr. 200.304.313.
20.Zie Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/140, met verdere vindplaatsen aldaar.
21.Zie de procesinleiding in cassatie, blz. 4 bovenaan.
22.Het ter zitting van de rechtbank op de voet van art. 10:11 lid 2 Wvggz Pro ingediende verzoek om een schadevergoeding ten laste van Antes wegens het besluit van de geneesheer-directeur tot overplaatsing naar GGZ Drenthe valt in deze categorie. Dit verzoek om schadevergoeding is in middelonderdeel I niet aan de orde.
23.Vgl. Tweede nota van wijziging, Kamerstukken II 2015/16, 32 399, nr. 25, blz. 197. Dit neemt mijns inziens niet weg dat de rechtbank een dergelijk verzoek om schadevergoeding gevoegd kan behandelen.
24.NJ 2021/73 m.nt. J. Legemaate; JGZ 2021/3 m.nt. R.B.M. Keurentjes.
25.Zie in dezelfde zin: HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1808, NJ 2021/75 m.nt. J. Legemaate, rov. 3.1.1 – 3.1.2.
26.Ik noteer dat de problematiek van de appellabiliteit van een beslissing op een verzoek om schadevergoeding ook aan de orde is in een zaak waarin A-G Drijber op 1 april 2022 conclusie nam (nr. 22/00334). In die zaak ging het, naar ik begrijp, om een patiënt die op de voet van art. 10:11 lid 1 Wvggz Pro aan de klachtencommissie toekenning van een schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder had verzocht, waarna dit verzoek op de voet van art. 10:11 lid 2 Wvggz Pro alsnog aan de rechtbank werd voorgelegd. In die constellatie is het verzoek om schadevergoeding moeilijk af te scheiden van het verzoek in de hoofdzaak.