Conclusie
1.Feiten en procesverloop
anders dan was afgesproken tijdens de mondelinge behandeling op 9 september 2020, niet serieus naar alternatieven is gekeken. De Hoge Raad oordeelde in zijn beschikking van 16 juli 2021 die motiveringsklacht gegrond:
2.Bespreking van het cassatiemiddel
ex tuncgetoetst. De rechtbank heeft met name geen acht geslagen (i) op de negatieve effecten van de overplaatsing naar GGZ Drenthe in Beilen [11] en (ii) op de positieve gebeurtenissen na de terugplaatsing van betrokkene naar Antes in juli 2021. Subsidiair wordt geklaagd over ontoereikende redengeving.
ex tuncredeneert en de problemen die betrokkene in Beilen heeft gehad noch de positieve effecten van zijn terugkeer naar de regio Rotterdam in haar beoordeling heeft betrokken (toelichting onder 2.6).
ex tuncvan de beslissing van 30 juli 2020, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft in rov. 3.2.2 (in cassatie onbestreden) immers met zoveel woorden overwogen dat zij in de procedure na cassatie en verwijzing het inleidend verzoek van betrokkene opnieuw zal beoordelen, met inachtneming van de feiten en omstandigheden ten tijde van de (vernietigde) beschikking van 22 oktober 2020.
in het licht van de ter zitting tussen partijen gemaakte afspraak. Die afspraak hield in dat zou worden onderzocht of betrokkene passende zorg zou kunnen ontvangen in een accommodatie die dichter in de buurt van Rotterdam ligt dan de accommodatie in Drenthe. De Hoge Raad verwierp de klacht onder 3.3 over de mogelijkheid van ambulante behandeling.
peedily’) daarmee uit op 59 dagen in totaal.
in een procedure na cassatie en verwijzingde rechtsstrijd kan worden uitgebreid met een nog niet eerder ingediend verzoek om toekenning van een billijke vergoeding. Zie voor de criteria: alinea 2.6 hiervoor. Hoe dan ook is, naar mijn mening, het ingestelde cassatieberoep niet-ontvankelijk voor zover dit betrekking heeft op (de grondslag van) de beslissing over het verzoek tot schadevergoeding. Ik licht dit standpunt hieronder toe.
ten laste van de zorgaanbieder. De rechtbank kan afzonderlijk of tegelijk met het verzoek als bedoeld in art. 10:7 lid 1 Wvggz Pro over het verzoek om schadevergoeding beslissen. [22] De rechtbank kan ook ongevraagd (‘ambtshalve’) besluiten dat de zorgaanbieder een schadevergoeding verschuldigd is, na de zorgaanbieder te hebben gehoord. Deze schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld.
ten laste van de Staat. Ook deze schadevergoeding wordt naar billijkheid vastgesteld.
ten laste van de Staaten niet om een schadevergoeding ten laste van de zorgaanbieder.
speedily’) had beslist als bedoeld in art. 5 lid 4 EVRM Pro en evenmin op de voet van art. 20 Rv Pro had gewaakt tegen onredelijke vertraging van de procedure. De Hoge Raad overwoog toen onder meer:
speedily”) beslist over de rechtmatigheid van iedere vrijheidsbeneming geldt echter voor elke fase van een procedure op de voet van de Wet Bopz, en dus ook voor het geding na cassatie en verwijzing. Bovendien is het voorschrift van art. 20 Rv Pro dat de rechter waakt tegen onredelijke vertraging van de procedure ook van toepassing op het geding na cassatie en verwijzing in een procedure op de voet van de Wet Bopz.