Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Ten tijde van het hoger beroep in deze zaak waren [betrokkene 2] en [betrokkene 1] samen bestuurder van Ritzenhoff BV.
revised draftin te voegen
that payments will be made without set-off or deductionen dat het adres van [verweerster] is gewijzigd, met verwijzing naar het als bijlage bijgesloten uittreksel uit het handelsregister van de KvK, waaruit Ritzenhoff c.s. hebben afgeleid dat [verweerster] naar Thailand was verhuisd en geen ingezetene meer was van Nederland.
en op dezelfde datum: het aandeelhoudersbesluit te ondertekenen; de leveringsakte te doen passeren en een bankgarantie te doen stellen;
- althans Ritzenhoff c.s. te veroordelen tot nakoming van de in de mail van 27 mei 2019 verwoorde en bevestigde afspraken;
- dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 7.500 dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag per onderdeel waarvan nakoming wordt gevorderd en per dag dat Ritzenhoff c.s. in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen;
Subsidiair- binnen twee weken na het vonnis de door een accountant gecontroleerde omzetcijfers van Ritzenhoff AG aan [verweerster] te verschaffen betreffende verkopen aan en betalingen door klanten in de Benelux over de periode vanaf 19 december 2003 tot heden, op straffe van een dwangsom van € 7.500,- per dag dat gedaagden in gebreke blijven aan het vonnis te voldoen.
De voorzieningenrechter heeft, omdat Ritzenhoff c.s. de reconventionele vorderingen niet van tevoren heeft aangekondigd, geen acht geslagen op genoemde passages wegens strijd met de eisen van een goede procesorde en artikel 7.2 van het procesreglement kort gedingen rechtbanken handel/familie, dat bepaalt dat een reconventionele vordering zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk 24 uur van tevoren moet worden meegedeeld aan de wederpartij en de voorzieningenrechter. [4]
Zij hebben daarnaast, onder aanvoering van een grief, (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld en daarin geconcludeerd tot vernietiging van het kortgedingvonnis en tot toewijzing van de eerste aanleg ingestelde vordering van [verweerder + betrokkene 3]
Het hof heeft beide verzoeken bij arrest van 4 augustus 2020 afgewezen.
Het hof heeft in het dictum in het principaal appel Ritzenhoff c.s. niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit hoger beroep is ingesteld tegen [betrokkene 3] in persoon en in het incidenteel appel [betrokkene 3] niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep.
in het principaal hoger beroep het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2019 vernietigd en opnieuw recht doende:
- de door Ritzenhoff c.s. jegens [verweerster] aangezegde dwangsommen uit het arrest in kort geding van 30 juni 2020 opgeheven, onder de voorwaarde in rechtsoverweging 4.14 overwogen; [9] - de overige vorderingen van [verweerster] [10] afgewezen;
en
in het incidenteel hoger beroep, het door [verweerster] ingestelde incidenteel hoger beroep verworpen.
Het hof heeft voorts het meer of anders gevorderde afgewezen.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Incidentele vordering ex artikel 611d Rv
Het hof acht - alhoewel deze kortgedingprocedure formeel geen mogelijkheid van een incident als dit kent - de vordering op grond van artikel 611 d Rv als een vermeerdering van eis toelaatbaar. Het hof oordeelt als volgt.
€ 833.333 achterwege heeft gelaten en dit bedrag zich nog onder haar bevindt. Bij e-mailbericht van 24 juli 2020 heeft [betrokkene 3] verzocht om de executiemaatregelen van partijen over en weer te bevriezen en bericht dat hij voorlopig geen aanspraak zal maken op betaling van de resterende hoofdsom van € 833.333.
Subonderdeel 1Aklaagt dat het hof in rov. 4.12 en 4.13 een onvoldoende begrijpelijk oordeel heeft gegeven. Volgens het subonderdeel ontbreekt een nadere toelichting bij de oordelen van het hof dat na het tussenarrest van 30 juni 2020 geen tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis althans incasso van de resterende hoofdsom zou hebben plaatsgevonden, en dat tussen partijen vaststaat dat Ritzenhoff c.s. betaling van het resterende bedrag van € 833.333,- achterwege hebben gelaten en dit bedrag zich nog onder hen bevindt. Ritzenhoff c.s. beroepen zich daarbij op de omstandigheid dat zij ná het tussenarrest van 30 juni 2020 waarin zekerheidstelling is bevolen, op 23 juli 2020 nog een bedrag van € 166.666,67 als zevende termijn hebben betaald, waarna een bedrag van € 833.333,- resteerde. Deze betaling betreft, aldus zakelijk weergegeven het subonderdeel, een maandelijkse betaling door Ritzenhoff c.s. na het incidentele arrest zonder voorafgaand ondubbelzinnig bericht van [verweerder + betrokkene 3] dat zij (vooralsnog) afzien van verdere executie en is daarmee dus een ‘incasso’ of ‘tenuitvoerlegging’.
In het tussenarrest van 30 juni 2020 waarin de vordering tot zekerheidstelling op de voet van art. 235 Rv Pro is toegewezen, is het volgende overwogen:
Met betrekking tot genoemde bankgarantie heeft het hof in rov. 4.11 van het eindarrest – in cassatie niet bestreden – geoordeeld dat doel en strekking van de veroordeling tot zekerheidstelling zijn gelegen in het voorkomen van onmogelijkheid van verhaal door Ritzenhoff c.s. op [verweerster] in geval van (verdere) tenuitvoerlegging van het (bestreden) vonnis, althans het verder incasseren van bedragen die op grond van de in het vonnis bevolen vaststellingsovereenkomst verschuldigd zijn. Vervolgens heeft het hof in rov. 4.13 overwogen dat een redelijke uitleg van het tussenarrest van 30 juni 2020 meebrengt dat pas als op de bankgarantie aanspraak zou zijn gemaakt (of als de resterende hoofdsom op een andere manier zou zijn geïncasseerd) dwangsommen worden verbeurd. Met deze uitleg van de met dwangsommen versterkte veroordeling in het incident, heeft het hof de stelling van Ritzenhoff c.s. verworpen dat zij wel
moestenbetalen gelet op de door hen gegeven bankgarantie op eerste afroep.
a) [betrokkene 3] heeft op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat zij daadwerkelijk zou hebben geprobeerd om de bankgarantie in een ander format gesteld te krijgen – een stelling die [betrokkene 3] niet eens heeft geprobeerd te weerleggen;
b) het is staande praktijk dat standaardmodellen meer of minder beperkt worden aangepast als dat nodig is – een stelling die [betrokkene 3] op geen enkele wijze heeft geprobeerd te weerleggen;
c) Commerzbank heeft zich – zoals [betrokkene 3] op geen enkele wijze heeft geprobeerd te weerleggen – bij de bankgarantie van 28 augustus 2019 laten leiden door de tekst van de bankgarantie waarover Ritzenhoff en [betrokkene 3] hadden gesproken;
d) er waren als zodanig geen ‘onduidelijkheden’ ten aanzien van het format van de bankgarantie.
Voor de volledigheid behandel ik het subonderdeel.
Uit het voorgaande blijkt dat het door Ritzenhoff c.s. uitgevoerde voornemen om beslag te leggen geen betrekking heeft op de gepretendeerde vordering wegens onterechte betalingen uit hoofde van de vaststellingsovereenkomst, maar op het vermeende verbeuren van dwangsommen. [21] De onder d) genoemde stelling maakt het bestreden oordeel dan ook niet onbegrijpelijk.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.8-3.10 en het dictum van het tussenarrest en rov. 4.10-4.15 van het eindarrest (hierboven onder 3.1 reeds geciteerd). In de bestreden rov. 3.8-3.10 van het tussenarrest van 30 juni 2020 heeft het hof als volgt geoordeeld:
- € 2.000.000,- aan beëindigingsvergoeding en koopprijs aandelen, te voldoen in twaalf termijnen (van € 166.666,- per maand);
- € 66.309,42 in verband met door Ritzenhoff aan [betrokkene 3] onder protest betaalde advocaatkosten;
- € 30.000,- in verband met door [betrokkene 3] geïncasseerde dwangsommen;
- € 911.658,- in verband met de loonbelasting die Ritzenhoff over de beëindigingsvergoeding dient te voldoen.
De door [betrokkene 3] te stellen zekerheid is dan beperkt tot de nog te betalen maandelijkse termijnen tot het bedrag van € 2.000.000,-. Ervan uitgaande dat op het moment van het wijzen zeven termijnen zijn voldaan, dient voor het restant, te weten € 833.333,-, zekerheid te worden gesteld. Het hof zal de veroordeling versterken met een dwangsom en deze maximeren.”
Indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, zijn de bestreden oordelen volgens de tweede klacht van het onderdeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd.
Wordt vervolgens ook een dwangsom aan de opschortende voorwaarde verbonden, dan heeft de zekerheidstelling te gelden als de ‘hoofdveroordeling’ in de zin van art. 611a Rv en is de dwangsom verschuldigd indien de executie toch plaatsvindt of wordt voortgezet zonder dat de bevolen zekerheid is gesteld met de daaraan verbonden modaliteit.
het dictumvan een uitvoerbaar bij voorraad vonnis opgenomen veroordelingen. Dit betoog stuit af op het volgende.
In de eerste plaats is vaste rechtspraak [31] dat een dictum van een rechterlijke uitspraak in samenhang met de desbetreffende overwegingen in ‘het lichaam’ van de uitspraak dient te worden gelezen en uitgelegd.
Het hof heeft genoemde maatstaf en toepassing daarvan – in cassatie niet bestreden – in rov. 3.4 van het tussenarrest van 30 juni 2020 tot uitgangspunt genomen.
Daarnaast zijn volgens het onderdeel, indien het hof het voorgaande niet heeft miskend, de bestreden oordelen van het hof onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd, gelet op hetgeen is aangevoerd onder a-d.
Toewijzing van de incidentele vordering tot zekerheidstelling houdt niet in dat [verweerster] hoe dan ook zekerheid moet stellen, ongeacht of zij overgaat tot executie of niet. Maar als [verweerster] het vonnis (verder) wil executeren, dan dient zij eerst de opschortende voorwaarde te vervullen en de bevolen zekerheid te stellen. Zij heeft dus keuzevrijheid.