Conclusie
Lijst van gehanteerde afkortingen
Aviva c.s.: de op het voorblad onder 6.1 t/m 6.5 en 6.10 genoemde partijen
OK: de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam
Beschikking I: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 11 juli 2013
Beschikking II: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 26 februari 2016
Beschikking III: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 16 augustus 2016
Beschikking IV: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 3 november 2017
Beschikking V: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 14 december 2017
Beschikking VI: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 16 april 2019
Beschikking VII: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 11 juni 2019
Beschikking VIII: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 25 november 2019
Beschikking IX: de beschikking van de OK in de onderhavige procedure van 11 februari 2021
Brigade Fund c.s.: de op het voorblad onder 7.1 t/m 7.4 genoemde partijen
CVC: CVC Capital Partners
definitieve deskundigenbericht: het op 27 april 2018 door de door de OK benoemde deskundigen uitgebrachte (definitieve) deskundigenbericht
definitieve nadere deskundigenbericht: het op 19 november 2019 door de door de OK benoemde deskundigen uitgebrachte (definitieve) nadere deskundigenbericht
Minister: de minister van Financiën
DNB: De Nederlandsche Bank
Ow: de Onteigeningswet
Participatie Certificaten: de SNS Participatie Certificaten 3
p-v: het proces-verbaal van het verhandelde ter mondelinge behandeling bij de OK van 24 september 2020
Propertize: Propertize B.V.
Reaal: Reaal N.V.
SMAN: SMAN Register Valuators, Bureau voor ondernemingswaardering
SNS Bank: SNS Bank N.V.
SNS Property Finance: SNS Property Finance B.V.
SNS Reaal: SNS Reaal N.V.
SREP: het Supervisory Review Evaluation Process
Stichting Beheer: Stichting Beheer SNS Reaal
Wft: de Wet op het financieel toezicht
Waar deze zaak om draait
Leeswijzer
onder 1hierna en het procesverloop (op hoofdlijnen)
onder 2hierna, behandel ik het principale cassatieberoep van de Minister
onder 3hierna. Dit wordt gevolgd door de behandeling van de incidentele cassatieberoepen van Aviva c.s. en Brigade Fund c.s.
onder 4hierna. Ik maak de eindbalans op
onder 5hierna. Deze wordt gevolgd door de conclusie
onder 6hierna. Die strekt, zoals gezegd, tot verwerping van genoemde cassatieberoepen.
Een bijzonderheid van de onderhavige zaak - naast de daarin voorliggende casus en materie - is de omvang ervan. In deze zaak, die is aangevangen begin 2013 en waarin een aanzienlijk aantal partijen is verschenen, loopt het aantal beschikkingen dat sindsdien daarin is gegeven door de OK en de Hoge Raad tezamen inmiddels in de ‘double digits’. Het procesdossier kent verder vele gedingstukken zijdens partijen en twee uitvoerige deskundigenberichten van de door de OK benoemde deskundigen, waarop zij zich heeft gebaseerd en die ook in deze tweede cassatiefase aan bod komen.
Omwille van de toegankelijkheid en het leesgemak heb ik ervoor gekozen in deze conclusie bij de behandeling van de verschillende cassatieberoepen niet al te terughoudend te zijn met het citeren uit genoemde beschikkingen, gedingstukken en deskundigenberichten waar relevant. Dit verklaart, naast de complexiteit/gelaagdheid van deze zaak en het aantal te beoordelen klachten, de omvang van deze conclusie. Bij deze behandeling geldt wel steeds dat duidelijk staat aangegeven wat waar aan bod komt. Via deze ‘bewegwijzering’ kan bijvoorbeeld de lezer die bij een bepaald onderdeel direct wil doorsteken naar specifieke klachten en de behandeling daarvan eenvoudig de weg vinden naar die bestemming.
1.De feiten
acquisition banswaaraan de Europese Commissie twee van de drie banken in verband met de eerder aan die banken verstrekte staatssteun had onderworpen.
In de analyse van Ernst & Young wordt gekeken naar het dekkingstekort; het verschil tussen de boekwaarde van de lening en de waarde van het onderliggend vastgoed. (...) Er is daarmee feitelijk geen waardering van de Property Finance leningenportefeuille gemaakt die nodig is om de zogenoemde transferwaarde te bepalen. (...) In tegenstelling tot de analyses die door SNS Reaal zijn uitgevoerd, heeft Cushman & Wakefield wel de waarde van de Property Finance leningenportefeuille bepaald en niet alleen het dekkingstekort. (...)
(...)
Volgens SNS Reaal is de [door Cushman & Wakefield, A-G] gehanteerde discontovoet hoger dan de discontovoet die andere Nederlandse banken hanteren en is een risico-opslag op de discontovoet gehanteerd. (...) Het ministerie van Financiën reageerde op 28 januari [2013, A-G] op het commentaar van SNS Reaal (...): [volgt een citaat uit de onder 1.2.1 hiervoor bedoelde bijlage, A-G]”.
2.Het procesverloop (op hoofdlijnen)
Beschikking I [19] heeft de OK geoordeeld - kort samengevat - dat de Minister zijn verzoek om de schadeloosstelling vast te stellen op nihil onvoldoende heeft toegelicht en dat er een hogere schadeloosstelling vastgesteld dient te worden. Om de hoogte van die schadeloosstelling te kunnen bepalen, zal er een deskundigenonderzoek worden bevolen. Voorts heeft de OK bepaald dat van Beschikking I tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden.
Beschikking II [21] heeft de OK onder meer een onderzoek door deskundigen bevolen, deskundigen benoemd en iedere verdere beslissing aangehouden.
Beschikking III [22] heeft de OK door partijen aangevoerde bezwaren tegen de benoeming van bepaalde deskundigen verworpen, bepaald dat deze door haar benoemde deskundigen een voorschot op de kosten van het onderzoek toekomt ter grootte van € 1,9 miljoen en bepaald dat de deskundigen een schriftelijk, ondertekend bericht zullen inleveren ter griffie van de OK (zo mogelijk) vóór 1 oktober 2017. Zij heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
Beschikking IV [23] heeft de OK het voorschot op de kosten van het onderzoek verhoogd met een bedrag van € 1.175.000,-- inclusief BTW en out-of-pocket expenses en bepaald dat de deskundigen een voorschot op de kosten van het onderzoek toekomt ter grootte van € 3.075.000,-- inclusief BTW en out-of-pocket expenses. Zij heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
Beschikking V [24] heeft de OK afgewezen het verzoek van de Minister om alle in de procedure verschenen partijen op de voet van art. 28 lid 1 sub b Rv Pro te verbieden aan derden afschrift te verstrekken van en/of mededeling te doen uit (i) de stukken die zich in de digitale dataroom van de deskundigen bevinden en (ii) het concept van het deskundigenbericht, inclusief eventuele bijlagen daarbij.
Beschikking VI [25] heeft de OK onder meer een nader onderzoek door de deskundigen bevolen en iedere verdere beslissing aangehouden.
Beschikking VII [26] heeft de OK bepaald dat de deskundigen een voorschot op de kosten van het nadere deskundigenbericht toekomt ter grootte van € 335.775,-- inclusief BTW, dat de Minister dit voorschot dient te voldoen en dat de deskundigen een schriftelijk, ondertekend bericht zullen inleveren ter griffie van de OK (zo mogelijk) vóór 17 september 2019. Zij heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
Beschikking VIII [27] heeft de OK het bedrag van het bij Beschikking VII bepaalde, aan de deskundigen toekomende voorschot op de kosten van het nadere deskundigenbericht verhoogd met € 118.166,84 inclusief BTW en bepaald dat de Minister dit aanvullend voorschot dient te voldoen. Zij heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
3.De bespreking van het principale cassatiemiddel
De cassatieklachten
ex postinformatie”. [31] Het onderdeel vervolgt met te poneren dat de OK bovendien bij hetgeen zij wel heeft overwogen, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht wordt uitgewerkt en toegelicht in de subonderdelen I.a-I.c met betrekking tot de achter (a)-(c) hiervoor vermelde onderwerpen. Tot deze subonderdelen wend ik mij nu.
Aan het slot (zie onder 3.26.1-3.26.2 hierna) kom ik nog terug op wat kennelijk twee te onderscheiden, additionele klachten in het onderdeel zijn, beide opgenomen in een ingesprongen tekstblok. De eerste komt erop neer dat de samenvatting die de OK in rov. 2.12 heeft gegeven van het betoog van de Minister in het licht van genoemde bezwaren onvolledig en in zoverre onbegrijpelijk is (zie het einde van nr. 8.7 van de procesinleiding). De tweede behelst een voortbouwklacht (zie het einde van nr. 8.9 van de procesinleiding).
eerste klacht in het subonderdeel.
tweede klacht in het subonderdeel. [33]
derde klacht in het subonderdeel.
Betoog van de Minister, gang van zaken rond het definitieve deskundigenbericht
“Redenen voor een keuze door de curator voor een run-off en onderliggende parameters”[gedoeld wordt op p. 201 e.v. van het definitieve deskundigenbericht, A-G] uitsluitend kijken naar de absolute omvang van verwachte inkomsten voor de boedel in de toekomst, wederom zonder in te gaan op de tijdswaarde van geld.”
Beschikking VI
Bank Recovery and Resolution Directive(BRRD) en de Verordening met betrekking tot het
Single Resolution Mechanism(SRM). Uitgangspunt is daarbij steeds dat de verliezen eerst en voornamelijk zouden moeten worden afgewenteld op aandeelhouders en risicodragende kapitaalverschaffers van de betreffende instelling en vervolgens in mindere mate op de concurrente schuldeisers en de belastingbetalers.
In een liquidatiescenario wordt aan dit uitgangspunt meer recht gedaan dan in eenrun-offscenario, waarbij de concurrente schuldeisers langer op hun geld zullen moeten wachten, ten behoeve van een hogere uitbetaling aan de achtergestelde schuldeisers, aldus de Minister.Hoewel de Minister onderkent dat de curator in het faillissement van SNS Bank geen rekening zal houden met de doelstellingen van de Interventiewet, meent de Minister dat de Ondernemingskamer dat bij de vaststelling van de schadeloosstelling wel zou moeten doen.”
run-offvoor de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van SNS Bank een significant hogere opbrengst zou zijn gerealiseerd dan bij een directe liquidatie van de hypotheekportefeuille van SNS Bank”. Daarbij betrekt de OK dat de curator tot taak heeft een zo hoog mogelijke opbrengst voor alle activa te realiseren (rov. 2.14) en dat een langjarige run-off voor de gezamenlijke schuldeisers “uiteindelijk” een hogere opbrengst zou hebben gerealiseerd dan een directe liquidatie, dit in samenhang met de omstandigheid dat verkoop van de omvangrijke hypotheekportefeuilles in 2013 alleen met een zeer aanzienlijk verlies gerealiseerd had kunnen worden (rov. 2.15). Zij onderschrijft daarbij - in rov. 2.15 - uitdrukkelijk de analyse van de deskundigen. En neemt daarbij “met name” in aanmerking dat met een langjarige run-off:
fire salevan de hypotheekportefeuille(s) van SNS-Bank en haar dochtervennootschappen in 2013, gelet op de omvang van die portefeuille(s) in de gegeven economische omstandigheden slechts met een zeer aanzienlijk verlies gerealiseerd had kunnen worden. (…)”
Terug naar de klachten
eerste klacht in het subonderdeel.
Zoals uiteengezet onder 3.8-3.8.8 hiervoor, heeft de Minister het onder 3.5 hiervoor bedoelde betoog in essentie reeds naar voren gebracht in zijn reactie op het concept van het deskundigenbericht en hebben de deskundigen daarop in het definitieve deskundigenbericht reeds gereageerd. Naar het (goed navolgbare) oordeel van de deskundigen aldaar genereert het run-off scenario voor de gezamenlijke schuldeisers de hoogste boedelopbrengst, in aanmerking genomen onder meer dat tussentijdse uitdelingen zullen plaatsvinden, dat de concurrente schuldeisers in dit scenario een aanzienlijk deel van de na faillissementsdatum vervallen rente zullen ontvangen en dat de opbrengsten voor de gezamenlijke schuldeisers beduidend lager zouden liggen ingeval van directe liquidatie (zodat een curator in het faillissement van SNS Bank voor het langjarige run-off scenario gekozen zou hebben). Dit oordeel van de deskundigen houdt zonder meer een gemotiveerde, inhoudelijke reactie in op dit reeds naar aanleiding van het concept van het deskundigenbericht gevoerde betoog van de Minister, nu daaruit blijkt dat de deskundigen wel degelijk rekening hebben gehouden met het moment waarop de schuldeisers een uitkering zouden ontvangen en in verband daarmee de tijdswaarde van geld, en aldus ook met - wat de Minister noemt - de netto contante opbrengst voor de gezamenlijke schuldeisers. De gedachtegang van de deskundigen komt erop neer dat zij onaannemelijk achten dat het (door de Minister gepropageerde) scenario van directe liquidatie in plaats van zo’n run-off de hoogste opbrengst oplevert voor de gezamenlijke schuldeisers, óók als gekeken wordt naar die netto contante waarde. Dit reeds nu een fire sale alleen met hoge kortingen te realiseren zou zijn, waarbij nog komt dat een run-off “onontkoombaar” was vanwege de voor de afwikkeling benodigde tijd.
Zoals uiteengezet onder 3.9 hiervoor, heeft de OK in Beschikking VI de analyse van de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht op dit punt onderkend, overtuigend geacht en onderschreven. Zij schaart zich daar dus ook achter genoemde reactie van de deskundigen op dit betoog van de Minister, zoals reeds gevoerd naar aanleiding van het concept van het deskundigenbericht. [40] De OK is daarbij niet nog weer nader ingegaan op het onder 3.5 hiervoor bedoelde betoog van de Minister. Redengevend daarvoor is gezien de vooropstelling in rov. 2.2 klaarblijkelijk dat dit aldus slechts herhaalde betoog, dat door de deskundigen al met kracht van argument is geadresseerd en verworpen in het definitieve deskundigenbericht, naar haar oordeel geen voldoende gemotiveerde betwisting inhoudt van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen ter zake in dit deskundigenbericht. Dit oordeel van de OK strookt met de beperkte motiveringsplicht die de rechter heeft indien hij een door hem benoemde deskundige volgt, waarbij de rechter naar vaste rechtspraak slechts moet ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. [41] Dit oordeel is voorts niet ontoereikend gemotiveerd, omdat een herhaalde stelling van een partij (nadat de deskundige daarop gemotiveerd, inhoudelijk heeft gereageerd) in het algemeen niet heeft te gelden als een voldoende gemotiveerde betwisting. [42] Niet valt in te zien waarom dat hier anders zou liggen, en het subonderdeel geeft dit ook niet aan. Kortom, bij deze stand van zaken was de OK niet gehouden in Beschikking VI nog weer nader in te gaan op het onder 3.5 hiervoor bedoelde betoog van de Minister.
tweede klacht in het subonderdeelziet eraan voorbij dat door de deskundigen in het concept van het deskundigenbericht en het definitieve deskundigenbericht alsmede, in hun voetspoor, door de OK in Beschikking VI wel degelijk is onderkend dat het moment waarop de opbrengst van de activa wordt gerealiseerd en uitkeringen aan de schuldeisers (kunnen) worden gedaan van belang is. De deskundigen en de OK hebben immers, mede in reactie op het desbetreffende betoog van de Minister, het fire sale scenario (waarin de activa zo mogelijk onmiddellijk worden verkocht) afgezet tegen het run-off scenario (waarin die activa gedurende een langjarige termijn van de hand worden gedaan) en daarbij vastgesteld dat dit laatste scenario uiteindelijk de hoogste opbrengst voor de gezamenlijke schuldeisers genereert, in aanmerking genomen dat (ook) de concurrente schuldeisers hun vordering volledig voldaan zullen zien met waarschijnlijk bovendien de na het faillissement verschenen rente op die vorderingen. Zie ook onder 3.10.1 hiervoor. In het licht hiervan kan niet worden gezegd dat de OK geen rekening heeft gehouden met de tijdswaarde van geld, noch dat de OK heeft miskend dat de curator tot taak heeft om de netto contante waarde voor de gezamenlijke schuldeisers te maximaliseren, dit een en ander als bedoeld in de klacht. De klacht gaat uit van een andere en daarmee onjuiste lezing van Beschikking VI en ontbeert mitsdien feitelijke grondslag.
derde klacht in het subonderdeelstrandt in het voetspoor van de eerste en tweede klacht in het subonderdeel. Zie onder 3.10.1-3.10.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Betoog van de Minister, gang van zaken rond het definitieve deskundigenbericht
Deskundigen verwijzen in dit verband naar de eerder in Nederland failliet verklaarde DSB Bank (oktober 2009), in welk faillissement curatoren in hun meest recente openbare verslag van 31 oktober 2017 hebben aangekondigd nog ten minste tot in 2020 de aanwezige hypotheekportefeuille in het kader van het lopende run-off scenario te zullen beheren en af te wikkelen en in welk faillissement alle crediteuren, derhalve ook de achtergestelde crediteuren, hun volledige hoofdvordering zullen terugontvangen.
Commentaar deskundigen: deskundigen erkennen dat er grote verschillen zijn tussen DSB Bank en SNS Bank c.a. Deskundigen hebben slechts beoogd het faillissement van DSB als voorbeeld te gebruiken teneinde te illustreren hoe een run-off scenario in een faillissement van een bank in de praktijk werkt.
Commentaar deskundigen: Deskundigen erkennen dat de zorgplicht problematiek in het faillissement van SNS Bank of SNSR nauwelijks zou hebben gespeeld. Dit neemt echter niet weg dat, om een directe liquidatie van de zeer omvangrijke portefeuille te kunnen realiseren, kortingen van naar schatting meer dan € 5 mrd hadden moeten worden ingecalculeerd. Dit zou naar schuldeisers toe niet te rechtvaardigen zijn geweest.”
Beschikking VI
run-offvoor de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van SNS Bank een significant hogere opbrengst zou zijn gerealiseerd dan bij een directe liquidatie van de hypotheekportefeuille van SNS Bank, welke - mede gezien haar omvang en de in 2013 bestaande slechte economische omstandigheden - met grote verliezen gepaard zou zijn gegaan. De deskundigen verwijzen in dat kader ook naar de in oktober 2009 failliet verklaarde DSB Bank, waarbij curatoren eveneens gekozen hebben voor een
run-offscenario en in welk faillissement alle crediteuren, derhalve ook de achtergestelde crediteuren, hun volledige hoofdvordering zullen terugontvangen. (…)”
Terug naar de klachten
Bij dit een en ander betrek ik ook het volgende. In het subonderdeel wordt de relevantie van die door de Minister genoemde verschillen niet verder toegelicht dan door erop te wijzen (i) dat de vergelijking met DSB Bank op zijn best “zeer gebrekkig” is, gezien de grotere complexiteit van het faillissement van SNS Reaal (kennelijk met inbegrip van haar dochtervennootschappen, in het bijzonder ook SNS Bank) dan dat van DSB Bank, en (ii) dat het faillissement van SNS Reaal anders dan dat van DSB Bank tot een systeemcrisis zou hebben geleid, met ‘besmettingsrisico’s’ en gevolgen die in combinatie met de economische crisis waarin Nederland verkeerde zou hebben geleid tot een afwikkeling van het faillissement die met dat van DSB Bank niet vergelijkbaar is. [58]
Het vervolgbetoog van de Minister waarop het subonderdeel nog doelt, erop neerkomend dat de deskundigen “veel te lichtvaardig heen stappen over het feit dat de afwikkeling (en de keuzes over de wijze van afwikkeling) van de op vier na grootste systeembank van Nederland zou plaatsvinden op een moment in de tijd waarop Nederland al in een scherpe en diepe economische crisis verkeerde”, [60] biedt evenmin soelaas. Niet alleen onderkennen en betrekken de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht dus wel degelijk “de vigerende slechte economische omstandigheden”, naast de mogelijkheid van een verbetering van markten op termijn en het uitzitten van de economische cyclus, richting normalisering. Zie onder 3.8.3-3.8.7 en 3.15.2-3.15.5 hiervoor. Ook wijst de door de Minister bedoelde, daarmee verband houdende aanzienlijke bemoeilijking en vertraging van de afwikkeling van het faillissement - voor zover daar al door hem geconcretiseerd en gesubstantieerd - naar de aard veeleer in de richting van zo’n langjarige run-off, niet van zo’n directe liquidatie.
Het argument onder (ii) brengt derhalve evenmin verandering in het voorgaande.
op het peiltijdstipin aanmerking dienen te worden genomen en dus geen feiten en omstandigheden die zich pas na het peiltijdstip daadwerkelijk hebben voorgedaan. Weliswaar dienen alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking te worden genomen, ook die welke niet algemeen bekend waren, maar het gaat daarbij nog steeds om relevante feiten en omstandigheden (die al bestonden) op het peiltijdstip. Bij de beoordeling van de vraag of voorzienbaar (te voorzien) zou zijn geweest dat met een langjarige run-off voor de gezamenlijke schuldeisers een significant hogere opbrengst zou zijn gerealiseerd dan bij een directe liquidatie (zodat de curator in het faillissement naar alle waarschijnlijkheid voor een langjarige run-off zou hebben gekozen), diende de OK dus uitsluitend op het peiltijdstip reeds bestaande feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en geen feiten en omstandigheden die zich pas na het peiltijdstip hebben voorgedaan. Zij heeft dat miskend, onder meer door ten onrechte in aanmerking te nemen dat in het faillissement van DSB Bank “alle crediteuren, derhalve ook de achtergestelde crediteuren, hun volledige hoofdvordering zullen terugontvangen.” Dit is de
eerste klacht in het subonderdeel. [62]
zullenterugontvangen". Integendeel, in het faillissementsverslag van vlak voor het peiltijdstip onderstreepten de curatoren nota bene dat zij voorzagen dat geen uitdeling op de achtergestelde vorderingen mogelijk zou zijn. Dit is de
tweede klacht in het subonderdeel.
derde klacht in het subonderdeel.
Betoog van de Minister, gang van zaken rond het definitieve deskundigenbericht
op dat momentvindt in de casus DSB Bank en die hij volgens deskundigen “illustratief” zou achten, dat in een run-off de achtergestelde schuldeisers geen uitdeling zullen ontvangen, dan is de keuze van de curator voor een snelle liquidatie ten behoeve van de concurrente schuldeisers nog waarschijnlijker. [67]
Commentaar deskundigen: deskundigen erkennen dat er grote verschillen zijn tussen DSB Bank en SNS Bank c.a. Deskundigen hebben slechts beoogd het faillissement van DSB als voorbeeld te gebruiken teneinde te illustreren hoe een run-off scenario in een faillissement van een bank in de praktijk werkt.”
Commentaar deskundigen: deskundigen zijn van oordeel dat potentiële kopers van de AGL's bij de aanvang van het faillissement, mede op grond van de boedelbeschrijving en het plan van aanpak, als gebruikelijk vervat in het eerste openbare faillissementsverslag, wel degelijk hadden kunnen inschatten dat de AGL's na verloop van tijd volledig zouden kunnen worden ingelost, met name gezien de zeer substantiële te verwachten kasstromen gedurende de looptijd van de run-off.”
tweedeplaats heeft de Minister ter onderbouwing van zijn betoog aangevoerd dat de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht ten onrechte zijn uitgegaan van ‘kennis achteraf’ in verband met de afwikkeling van DSB Bank. Daarbij heeft de Minister allereerst gewezen [73] op de volgende passage in het definitieve deskundigenbericht over de waardering van de derivatenposities van SNS Bank: [74]
in het bijzonder hoe de derivaten en securitisations zich ontwikkelden in het faillissement en hebben daarover gesproken met de curator Rutger Schimmelpenninck en Jaap Wagenaar, Treasury en Risk Manager Finqus (DSB Bank).”
Commentaar deskundigen: deskundigen hebben de waardering van derivaten toegelicht in Hoofdstuk 4 op p. 66 e.v. van het rapport. Voor de waardering van de derivatenposities in faillissement is gebruik gemaakt van onder meer ervaring o.a. opgedaan in het DSB-faillissement opgetekend in gesprekken met verschillende experts ter zake: Rutger Schimmelpenninck (curator DSB), Jaap Wagenaar (Treasury en Risk manager Finqus/DSB Bank), Bart Toering (hoofd treasury SNS en tegenwoordig bij Volksbank) en swap deskundigen van Rabobank en NIBC. Het feit dat de derivaten contracten volgens standaard ISDA-CSA-modellen waren geregeld is gebaseerd op een verklaring van Bart Toering. De berekening en aannames bij de berekeningen staan op bovengenoemde pagina's van het rapport. De ervaringen bij het DSB-faillissement werden voor een belangrijk deel opgedaan vóór 2013. In januari 2013 werd door de DSB-curator overeenstemming bereikt met een bank met een grote swappositie. Boedelkrediet bij DSB werd door de DGS-banken ver vóór januari 2013 verstrekt.”
“De ervaringen bij het DSB-faillissement werden voor een belangrijk deel opgedaan vóór 2013"(veel te) gemakkelijk [is], onjuist [is] en de fundamentele kritiek van de minister op dit punt niet [weerlegt]”. [83]
Beschikking VI
Terug naar de klachten
eerste klacht in het subonderdeel.
De klacht gaat uit van een onjuiste lezing van Beschikking VI en ontbeert daarmee feitelijke grondslag. Wat betreft DSB Bank overweegt de OK daar slechts, in de tweede zin van rov. 2.14:
run-offscenario en in welk faillissement alle crediteuren, derhalve ook de achtergestelde crediteuren, hun volledige hoofdvordering zullen terugontvangen. (…)”
run-offvoor de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van SNS Bank een significant hogere opbrengst zou zijn gerealiseerd dan bij een directe liquidatie van de hypotheekportefeuille van SNS Bank, welke - mede gezien haar omvang en de in 2013 bestaande slechte economische omstandigheden - met grote verliezen gepaard zou zijn gegaan. (…)”
Dit strookt tevens met het definitieve deskundigenbericht. Voor zover de deskundigen daarin verwijzen naar (de opgedane ervaringen met) de eerder in Nederland failliet verklaarde DSB Bank in verband met hun algemene observatie dat het bij de afwikkeling van faillissementen van banken voor curatoren in de meeste gevallen veel aantrekkelijker is om een bank in faillissement niet direct te liquideren, maar via een run-off scenario maximaal af te wikkelen en te gelde te maken, [86] geldt dat dit geen betrekking heeft op het specifieke oordeel van de deskundigen inzake de wijze van afwikkeling waarvoor een curator in het faillissement van SNS Bank naar alle waarschijnlijkheid zou hebben gekozen, zoals bedoeld in rov. 2.13. Voor zover de deskundigen daarin verwijzen naar DSB Bank met betrekking tot dat specifieke oordeel, geldt dat zij daarbij juist benadrukken te redeneren vanuit de situatie per de peildatum (1 februari 2013), en dus “zonder daarbij terug te vallen op feiten in de run-off van DSB Bank, die pas na peildatum bekend zijn geworden”. [87] Zie reeds bij de behandeling van subonderdeel I.b onder 3.15.2-3.15.5 en 3.17.1 hiervoor.
Hetgeen bij de behandeling van dit subonderdeel I.c is weergegeven onder 3.22.4-3.22.5 en 3.22.8 hiervoor maakt het voorgaande niet anders. Daaruit blijkt evenmin dat de deskundigen met betrekking tot dat specifieke oordeel niet hebben geredeneerd vanuit de situatie per de peildatum (1 februari 2013), maar op basis van ex post-informatie. Integendeel. Daarbij betrek ik het volgende wat betreft het onder 3.22.5 hiervoor weergegeven citaat.
en de prijs die, gegeven dat toekomstperspectief, op het tijdstip van onteigening zou zijn tot stand gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper. Het is niet zo dat bij het bepalen van de prijs enkel die feiten en omstandigheden in aanmerking moeten worden genomen waarmee de redelijk handelende koper en verkoper bij de veronderstelde vrije koop op de peildatum redelijkerwijze bekend konden zijn of rekening konden houden. Zo’n betoog miskent dat het objectief vast te stellen, werkelijke toekomstperspectief van de financiële onderneming ingevolge de maatstaf van art. 6:9 lid 1 Wft Pro uitgangspunt is voor de prijsbepaling. Zie nader onder 3.31.1-3.33.2 hierna, bij de behandeling van onderdeel II.
Het voorgaande onderstreept dat de tweede zin van rov. 2.14 evenmin tot een andere uitkomst leidt. Ook daaruit valt (dus) niet af te leiden dat de OK daar toch wel miskent dat het op dit punt in haar analyse in Beschikking VI draait om het vaststellen van het op 1 februari 2013 (onmiddellijk voorafgaand aan de onteigening) daadwerkelijk te verwachten toekomstperspectief van SNS Bank in de zin van art. 6:9 lid 1 Wft Pro. Ik wijs hier ook op hetgeen de OK vast- en vooropstelt in rov. 2.4, gevolgd door een lang citaat uit het definitieve deskundigenbericht (specifiek hoofdstuk 2 daarvan, de ‘managementsamenvatting’):
tweede klacht in het subonderdeelveronderstelt ten onrechte dat de OK in rov. 2.14-2.15 van Beschikking VI uitgaat van een op de peildatum (1 februari 2013) gegeven “feit” dat, in de woorden van de klacht, in het faillissement van DSB Bank “alle crediteuren, derhalve ook de achtergestelde crediteuren, hun volledige hoofdvordering
zullenterugontvangen”. Dat staat daar niet en dat bedoelt zij daar evenmin. Zie ook onder 3.24.1 hiervoor. Wel betrekt de OK in rov. 2.14 dat de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht ten aanzien van het in rov. 2.13 bedoelde verband - dus uitgaande van die peildatum - overtuigend hebben gedemonstreerd dat voorzienbaar zou zijn geweest dat met een langjarige run-off voor de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van SNS Bank een significant hogere opbrengst zou zijn gerealiseerd dan bij een directe liquidatie van de hypotheekportefeuille van SNS Bank (welke, mede gezien haar omvang en de in 2013 bestaande slechte economische omstandigheden, met grote verliezen gepaard zou zijn gegaan), in welk kader zij ook hebben verwezen naar de in oktober 2009 failliet verklaarde DSB Bank. Bestudering van dit deskundigenbericht leert dat de deskundigen daarin evenmin zijn uitgegaan van een op de peildatum (1 februari 2013) gegeven “feit” dat in het faillissement van DSB Bank “alle crediteuren, derhalve ook de achtergestelde crediteuren, hun volledige hoofdvordering
zullenterugontvangen”. Zie hetgeen ik uiteenzette onder 3.15.2-3.15.5, 3.17.1 en 3.24.1 hiervoor. Ik lees dat evenmin in het onder 3.22.5 hiervoor weergegeven citaat, waarover ook onder 3.24.1 hiervoor. Uit dat citaat volgt ten hoogste, en kort gezegd, dat en waarom volgens de deskundigen potentiële kopers van de achtergestelde leningen op de peildatum (1 februari 2013) “wel degelijk hadden kunnen inschatten” dat deze leningen, dus inzake
SNS Bank, “na verloop van tijd volledig zouden kunnen worden ingelost”. Dit is iets anders. Iets anders is (dus) ook dat de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht opmerken dat in het faillissement van DSB Bank “alle crediteuren, derhalve ook de achtergestelde crediteuren, hun volledige hoofdvordering zullen terugontvangen” in verband met hun algemene observatie [91] dat het bij de afwikkeling van faillissementen van banken voor curatoren in de meeste gevallen veel aantrekkelijker is om een bank in faillissement niet direct te liquideren, maar via een run-off scenario maximaal af te wikkelen en te gelde te maken. Zie eveneens onder 3.24.1 hiervoor. De OK ziet aan dit een en ander geenszins voorbij in rov. 2.14-2.15. Overigens geldt dat, gezien ook de vooropstelling van de OK in rov. 2.2 (geciteerd onder 3.9 hiervoor) en hetgeen ik uiteenzette onder 3.22.1-3.22.9 en 3.24.1 hiervoor, het in de klacht bedoelde betoog van de Minister de OK geen aanleiding gaf haar oordeel in rov. 2.14-2.15 nog weer nader te motiveren. Hier speelt dus hetzelfde als bij subonderdelen I.a en I.b, waarover onder 3.10-3.11 en 3.17-3.18 hiervoor: ‘van hetzelfde laken een pak’. Dit spreekt voor zich.
derde klacht in het subonderdeelstrandt in het voetspoor van de eerste en tweede klacht in het subonderdeel. Zie onder 3.24.1-3.24.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Tussenconclusie: het te verwachten toekomstperspectief
run-offalle crediteuren volledig zouden zijn voldaan en dat nog een zeer aanzienlijk boedeloverschot zou hebben geresteerd - het voor de vaststelling van de schadeloosstelling te hanteren te verwachten toekomstperspectief van SNS Reaal respectievelijk SNS Bank op 1 februari 2013, onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening, in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden was:
- dat SNS Bank en SNS Reaal op korte termijn zouden zijn gefailleerd;
- dat in het faillissement van SNS Bank en haar dochtervennootschappen een 10-jarige
run-offzou hebben plaatsgevonden,
- dat na de
run-off(vooralsnog, in afwachting van het te gelasten nadere deskundigenbericht, bij wijze van veronderstelling aan te nemen) de vorderingen van de houders van onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank in hoofdsom volledig zouden zijn voldaan;
- dat in het faillissement van SNS Reaal de activa op korte termijn te gelde zouden zijn gemaakt en Reaal N.V. op een termijn van twee jaar zou zijn verkocht voor (vooralsnog, in afwachting van het te gelasten nadere deskundigenbericht, bij wijze van veronderstelling aan te nemen) een bedrag van € 1,1 miljard waardoor het totale boedelactief van SNS Reaal € 1,32 miljard zou hebben bedragen,
run-off, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de nominale geleende bedragen terugbetaald zouden hebben gekregen. Het forse overschot aan middelen in het faillissement van SNS Bank na terugbetaling van de nominale geleende bedragen geeft volgens deskundigen aan dat deze terugbetaling boven iedere twijfel is verheven. Voor de schuldeisers in het faillissement van SNS Reaal geldt op basis van het te verwachten toekomstperspectief dat na 10-jaar, tegenover een bedrag van € 996 miljoen aan concurrente en achtergestelde schulden, een resterende opbrengst van € 1,19 miljard staat, zodat ook de schuldeisers van SNS Reaal volgens de deskundigen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hun nominale geleende bedragen terugbetaald zouden hebben gekregen. De houders van Core Tier 1 Securities (de Staat en Stichting Beheer) daarentegen krijgen vanwege de op hun leningen van toepassing zijnde voorwaarden niets terug. Ook de houders van gewone aandelen en aandelen B zouden volgens de deskundigen op basis van het te verwachten toekomst perspectief niets ontvangen. De achtergestelde schuldeisers in het faillissement SNS Bank zouden uit het faillissement van SNS Reaal nog een rentebetaling ontvangen van circa € 3,6 miljoen.
run-offperiode dan 10 jaar wordt gereflecteerd, waarvan sprake zou kunnen zijn, vanwege bijvoorbeeld minder aflossingen per jaar dan wel de afweging voor een curator tussen verkoop van het restant van de portefeuille na 10 jaar tegen een bepaalde discount versus wellicht nog één of meerdere jaren extra wachten, afhankelijk van de omstandigheden op de financiële markten op dat moment. De risicovrije rentevoet is gebaseerd op een genormaliseerde
yieldop 10-jarige Duitse
government strips, omdat deze staatsobligaties de beste benadering zijn van risicovrije rente in Euro. De factor 55% is afgeleid van een disconteringsvoet voor de meer risicovolle rentebetalingen van ongeveer 6% per jaar, zijnde ongeveer het middelpunt van 2,0% risicovrij versus 10% voor de kasstromen van Reaal N.V.
run-offvolledig zouden zijn voldaan en alsdan nog een zeer aanzienlijk boedeloverschot zou hebben geresteerd, hebben de deskundigen bij de veronderstelde vrije verkoop van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen terecht tot uitgangspunt genomen dat de nominale bedragen op de achtergestelde schulden in het faillissement van SNS Bank met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geheel zouden zijn terugbetaald. Onder die omstandigheden hebben de deskundigen met juistheid aangenomen dat de door de Minister onder (i) genoemde onzekerheid omtrent de omvang van de betaling en daarmee het risico van non-betaling geen rol meer speelt bij de vaststelling van de te hanteren disconteringsvoet. Ten aanzien van het door de Minister onder (ii) bedoelde risico van late(re) uitbetaling geldt dat de deskundigen dat risico bij de vaststelling van de te hanteren contante waarde factor van 75% al hebben meegewogen. Deskundigen hebben daarbij immers het gemiddelde genomen van een risicovrije rentevoet voor een 10-jaars periode van 2,0% per peildatum en een zelfde type rentevoet voor een 15-jaars periode van 2,5%, waarin het risico van een eventueel langere
run-offperiode dan 10 jaar wordt gereflecteerd.
‘no creditor worse off’aangeduide beginsel, brengt mee dat de te ontvangen schadeloosstelling niet lager mag zijn dan hetgeen de onteigenden in het geval van een faillissement van SNS Reaal en SNS Bank zouden hebben gekregen. Ingeval van een faillissement van SNS Reaal en SNS Bank zouden de onteigenden, in plaats van een verkoop, ervoor hebben kunnen kiezen om uitbetaling in de faillissementen af te wachten en zou de omvang van de door hen uiteindelijk te ontvangen uitbetaling, anders dan bij een verkoop, niet zijn beïnvloed door een eventueel waardedrukkend effect van de beperkte verhandelbaarheid van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen. Dit betekent dat het
‘no creditor worse off’beginsel er aan in de weg staat dat de gestelde illiquiditeit wordt meegewogen bij de vaststelling van de bij een veronderstelde verkoop te hanteren disconteringsvoet.
run-offvolledig zouden zijn voldaan en nog een zeer aanzienlijk boedeloverschot zou hebben geresteerd niet juist is, geldt dat de deskundigen ook over de alsdan te hanteren disconteringsvoet nader dienen te berichten.”
Algemeen
run-offop basis van een enkelvoudige afwikkeling van de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en haar dochtervennootschappen zijn uitgegaan van andere uitgangspunten dan zij in het deskundigenbericht hanteerden en (iii) dat de deskundigen zonder voldoende toelichting zijn afgeweken van de door de Ondernemingskamer in de beschikking van 16 april 2019 gegeven instructie voor het opstellen van een nader deskundigenbericht.
run-offzou hebben plaatsgevonden;
run-offeen bedrag van € 5.074 miljard zou hebben geresteerd en dat daaruit de geverifieerde achtergestelde vorderingen van de houders van onteigende effecten en vermogensbestanddelen van SNS Bank van € 703 miljoen in hoofdsom volledig zouden zijn voldaan; - dat in een faillissement van SNS Reaal de activa op korte termijn te gelde zouden zijn gemaakt en Reaal N.V. op een termijn van twee jaar zou zijn verkocht voor een bedrag van € 1,2 miljard en het totale boedelactief van SNS Reaal na 10 jaar € 1,496 miljard zou hebben bedragen;
run-offvolledig zouden zijn voldaan en nog een zeer aanzienlijk boedeloverschot zou hebben geresteerd niet juist is, de deskundigen ook over de alsdan te hanteren disconteringsvoet nader zouden dienen te berichten. Zoals hiervoor is overwogen leidt het nader deskundigenbericht tot de slotsom dat op 1 februari 2013 de verwachting bestond dat in een faillissement van SNS Bank, aan het einde van een 10 jarige
run-offvoor de voldoening van de achtergestelde vorderingen van € 703 miljoen, een bedrag van € 5,074 miljard zou hebben geresteerd. Onder die omstandigheden neemt de Ondernemingskamer met de deskundigen tot uitgangspunt dat het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief was dat de achtergestelde vorderingen aan het einde van een 10-jarig faillissement van SNS Bank, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid volledig zouden worden voldaan. De Ondernemingskamer ziet daarom geen aanleiding terug te komen van haar in de beschikking van 16 april 2019 gegeven oordeel. De Ondernemingskamer zal bij de vaststelling van de schadeloosstelling voor de bepaling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Bank met de deskundigen uitgaan van een contante waarde factor van 75%.
eerste klacht in het onderdeel.
tweede klacht in het onderdeel.
derde klacht in het onderdeel.
vierde klacht in het onderdeel.
vijfde klacht in het onderdeel.
Hoge Raad-beschikking uit 2015 in de onderhavige procedure
Ingevolge art. 6:9 Wft Pro wordt bij het bepalen van de werkelijke waarde van een onteigend vermogensbestanddeel of effect, uitgegaan van het te verwachten toekomstperspectief van de betrokken financiële onderneming in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden, en de prijs die, gegeven dat toekomstperspectief, op het tijdstip van onteigening zou zijn tot stand gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (lid 1).Indien de betrokken onderneming voorafgaand aan het besluit tot onteigening van overheidswege financiële steun heeft ontvangen, wordt de waarde die deze steun vertegenwoordigt in bedoelde prijs verdisconteerd (lid 2).
De werkelijke waarde is vervolgens de prijs die, gegeven dat toekomstperspectief, bij een normale verkoop tussen twee <
De concrete uitwerking van deze ficties is overgelaten aan de rechter, die - uitgaande van het beginsel van volledige schadeloosstelling - dient vast te stellen welke prijs, gegeven het toekomstperspectief van de onderneming, tussen redelijk handelende partijen zou zijn overeengekomen.Met betrekking tot het toekomstperspectief is van belang dat het gaat om het daadwerkelijke toekomstperspectief van de financiële onderneming (in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden), en niet om destijds in de markt of bij andere betrokkenen aanwezige (gebrek aan) kennis of verwachtingen omtrent het toekomstperspectief van de onderneming. Aan de woorden ‘te verwachten’ in art. 6:9 lid 1 Wft Pro dient in dit verband dan ook geen bijzondere betekenis te worden toegekend (zie ook de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 5.14). In het kader van een geobjectiveerde waardebepaling dient, zoveel mogelijk, de werkelijke financiële positie van de onderneming (op het peiltijdstip) te worden vastgesteld. Daartoe zullen alle relevante feiten en omstandigheden op het peiltijdstip in aanmerking moeten worden genomen, ook die welke niet algemeen bekend waren.
Dit betoog miskent dat het objectief vast te stellen, werkelijke toekomstperspectief van de financiële onderneming ingevolge de maatstaf van art. 6:9 lid 1 Wft Pro uitgangspunt is voor de prijsbepaling.(…)
gegeven het toekomstperspectief,zou betalen bij een veronderstelde vrije koop. Die onderdelen slagen. Ingevolge art. 6:9 lid 1 Wft Pro geldt als maatstaf de prijs die tussen redelijk handelende partijen zou zijn tot stand gekomen.
eerstestap objectief vastgestelde, daadwerkelijk te verwachten toekomstperspectief van de financiële onderneming op de peildatum direct voorafgaand aan de onteigening (in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden) tot vertrekpunt moet worden genomen bij de in de
tweedestap vast te stellen prijs die op het tijdstip van onteigening zou zijn tot stand gekomen bij een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper. [100] Anders gezegd: deze tweede stap in de waardebepaling wordt gezet in vervolg op, en vanuit het dan gebaande pad van, deze voltooide eerste stap. De denkbeeldige redelijk handelende koper in de zin van art. 6:9 lid 1 Wft Pro bij deze tweede stap handelt dus binnen het kader van dat in deze eerste stap vastgestelde, en bij het zetten van deze tweede stap maatgevende, te verwachten toekomstperspectief. De werkelijke waarde van het onteigende in de zin van art. 6:9 lid 1 Wft Pro is immers de prijs die,
gegeven dat eerst vastgestelde toekomstperspectief, tussen redelijk handelende partijen zou zijn overeengekomen. [101] Hieruit volgt dat een in deze eerste stap verworpen, niet in het vastgestelde te verwachten toekomstperspectief verdisconteerd prospectief scenario vervolgens niet alsnog van betekenis kan zijn bij het zetten van deze tweede stap, met voorbijgaan aan dat in deze eerste stap wel vastgestelde te verwachten toekomstperspectief. Iets anders is dat, naar ook volgt uit het voorgaande, aan het in deze eerste stap vastgestelde te verwachten toekomstperspectief inherente onzekerheden van betekenis kunnen zijn in deze tweede stap. [102]
Beschikking VI en IX
In rov. 2.12-2.15 van Beschikking VI [103] beziet de OK of, zoals de Minister heeft gesteld, ervan moet worden uitgegaan dat een directe liquidatie van de boedel van SNS Bank zou hebben plaatsgevonden, of, zoals de deskundigen tot uitgangspunt hebben genomen, de curator in een faillissement zou hebben gekozen voor een run-off scenario, waarbij de hypotheekportefeuille(s) van SNS Bank en haar dochtervennootschappen geleidelijk in de loop van meerdere jaren zou(den) zijn uitgewonnen. Het gaat hier dus om de wijze waarop het faillissement van SNS Bank zou zijn afgewikkeld. De OK komt daarbij gemotiveerd tot dit laatste, zo’n langjarig run-off scenario. Daarbij betrekt zij onder meer dat moet worden vastgesteld wat het te verwachten toekomstperspectief was van SNS Bank op 1 februari 2013, onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening, in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden. Waarbij het gaat om het, gegeven het faillissementsscenario, op de peildatum daadwerkelijk te verwachten toekomstperspectief: dat wil zeggen om de wijze van afwikkeling waarvoor een curator in het faillissement van SNS Bank naar alle waarschijnlijkheid zou hebben gekozen. [104] Ik citeerde die rov. 2.12-2.15 onder 3.3 hiervoor.
Hierop bouwt de OK voort in rov. 2.47 van Beschikking VI, bij wege van tussenconclusie inzake het te verwachten toekomstperspectief. Daar overweegt zij onder meer dat [105] het voor de vaststelling van de schadeloosstelling te hanteren te verwachten toekomstperspectief van SNS Bank op 1 februari 2013, onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening (in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden), was:
Het voorgaande is onderdeel van de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.2 hiervoor. Dus: van het door de OK objectief vastgestelde, daadwerkelijk te verwachten toekomstperspectief van SNS Bank op 1 februari 2013 onmiddellijk voorafgaande aan de onteigening (in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden). In rov. 2.48-2.67 van Beschikking VI gaat de OK voort met stap
twee, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.2 hiervoor. Dus: de door de OK vast te stellen prijs die,
gegeven dit te verwachten toekomstperspectief(uitmondend in haar tussenconclusie in rov. 2.47 van Beschikking VI; zie ook rov. 2.44 van Beschikking IX), tussen redelijk handelende personen op 1 februari 2013 tot stand zou zijn gekomen bij een veronderstelde vrije verkoop van de onderscheiden effecten en vermogensbestanddelen in het economische verkeer tussen redelijk handelende partijen. In rov. 2.45-2.46 van Beschikking IX - te bezien tegen de achtergrond ook van rov. 2.7-2.8 - overweegt de OK onder meer dat zij, gezien het definitieve nadere deskundigenbericht, geen aanleiding ziet terug te komen van haar in rov. 2.49-2.57 van Beschikking VI gegeven - en in dit rov. 2.45 verkort herhaalde - oordeel inzake de gehanteerde disconteringsvoet bij de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Bank (uitmondend in een contante waarde factor van 75%). Haar slotsom inzake de disconteringsvoet staat in rov. 2.53 van Beschikking IX. Ik citeerde (delen van) rov. 2.48-2.67 van Beschikking VI en rov. 2.7-2.8, 2.45-2.46 en 2.53 van Beschikking IX onder 3.29.2-3.29.3 hiervoor.
Overigens memoreer ik nog de vooropstelling van de OK in rov. 2.2 van Beschikking VI, geciteerd onder 3.9 hiervoor. Zij herhaalt dit in rov. 2.5 van Beschikking IX.
Betoog van de Minister
tweedestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor. Kort gezegd: de door de Minister aangevoerde onzekere factor, bestaande uit de minst genomen onzekerheid op de peildatum of een curator in het faillissement van in het bijzonder SNS Bank zou gaan kiezen voor een langjarige run-off dan wel voor een directe liquidatie (in welk geval er uiteindelijk geen, althans een substantieel lager bedrag uitgekeerd zou worden aan de achtergestelde schuldeisers), dient volgens de Minister verdisconteerd te worden in deze tweede stap, omdat dit een risico is dat de redelijk handelende koper als bedoeld in art. 6:9 lid 1 Wft Pro zou meewegen. Daaraan zouden de deskundigen hebben voorbijgezien in het definitieve deskundigenbericht en het definitieve nadere deskundigenbericht.
(5) dat de curator om hem moverende redenen toch zou besluiten om geen (volledige) run-off toe te passen, waardoor er uiteindelijk geen - althans een substantieel lager - bedrag uitgekeerd zou worden aan achtergestelde schuldeisers;
volledighebben uitgesloten. Dit standpunt kan volgens de minister geen stand houden. De minister is primair van mening dat deskundigen een (forse) risico-opslag voor deze risico's en onzekerheden zouden moeten toepassen.
Productie 9bij deze Akte overlegde overzichten.”
Terug naar de klachten
eerste klacht in het onderdeel.
Voor zover de klacht zich richt tegen het oordeel van de OK in Beschikking VI en IX wat betreft de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor, ziet de klacht eraan voorbij dat de OK daar het betoog van de Minister waarop het onderdeel zich beroept verstaat noch hoefde te verstaan als betrekking hebbend op de discussie omtrent deze eerste stap (zie onder 3.33.4 hiervoor). Tot een nadere motivering was de OK in het kader van die discussie dan ook niet gehouden in Beschikking VI en IX.
Voor zover de klacht zich richt tegen het oordeel van de OK in Beschikking VI en IX wat betreft de
tweedestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor, strandt deze eveneens. Dan ziet de klacht eraan voorbij dat waar de OK daar het betoog van de Minister waarop het onderdeel zich beroept niet onbegrijpelijk uitlegt als betrekking hebbend op de discussie omtrent deze tweede stap (zie onder 3.33.4 hiervoor), zij daarop niet nog weer nader hoefde in te gaan dan zij doet. Zoals verder uiteengezet bij de behandeling van de derde en vierde klacht in het onderdeel, onder 3.34.3-3.34.4 hierna, gaat de OK in Beschikking VI en IX voor het onderhavige geval bij deze eerste stap kenbaar niet uit van een onzekere factor als bedoeld door de Minister in diens betoog en in de klacht: de curator in het faillissement van SNS Bank “zou niet anders kunnen” dan kiezen voor een langjarige run-off, dus niet voor een directe liquidatie. Zij trekt deze lijn kenbaar door in Beschikking VI (rov. 2.49-2.53 en 2.55) en Beschikking IX (rov. 2.7-2.8, 2.45-2.46 en 2.53) in het kader van deze tweede stap, waarvoor het in deze eerste stap objectief vastgestelde, daadwerkelijk te verwachten toekomstperspectief immers als uitgangspunt geldt. Wat insluit dat een redelijk handelende koper in de zin van genoemde bepaling geacht moet worden uit te gaan van zo’n langjarige run-off, dus niet van zo’n directe liquidatie - naar de OK daar ook aanhoudt. Dit is conform het mechanisme, de werking, van art. 6:9 lid 1 Wft Pro (zie onder 3.33.1-3.33.2 hiervoor). Kortom, in deze overwegingen in Beschikking VI en IX (samengevat weergegeven onder 3.33.3 hiervoor) redeneert de OK duidelijk op juiste wijze vanuit dit mechanisme, in lijn ook met de Hoge Raad-beschikking uit 2015 in de onderhavige procedure (zie onder 3.33.1-3.33.2 hiervoor), alsmede met het definitieve deskundigenbericht en het definitieve nadere deskundigenbericht die zij daar betrekt. En ligt evenzeer duidelijk een afdoende gemotiveerde verwerping van dit betoog van de Minister besloten.
tweede klacht in het onderdeelstrandt in het voetspoor van de eerste klacht in het onderdeel. Zie onder 3.34.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
derde klacht in het onderdeel.
De klacht veronderstelt ten onrechte dat de OK in Beschikking VI en/of IX bij het bepalen van de waarde per 1 februari 2013 van - kort gezegd - de achtergestelde vorderingen op SNS Bank níet ervan is uitgegaan dat (volledige) zekerheid bestond dat de curator in het faillissement zou kiezen voor een langjarige run-off in plaats van een directe liquidatie en/of wél rekening heeft gehouden met de onzekerheid van die keuze, dus met het risico dat de curator toch voor een directe liquidatie zou kiezen (met alle gevolgen van dien). Immers, in het kader van de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor, gaat de OK in Beschikking VI ervan uit - met de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht - dat de curator in het faillissement van SNS Bank “niet anders [zou] kunnen dan te opteren voor een
run-offin plaats van een onmiddellijke liquidatie (
fire sale) van alle activa”, en dat “er van moet worden uitgegaan dat een curator in het faillissement van SNS Bank zou hebben gekozen voor een langjarige
run-offen niet voor een directe liquidatie” (rov. 2.14-2.15, 2.47). Hetgeen zij handhaaft in Beschikking IX (rov. 2.44). Dit sluit kenbaar in dat de OK daar niet rekent met een “onzekerheid van die keuze”, dus met een “risico dat de curator toch voor een directe liquidatie zou kiezen (met alle gevolgen van dien)”. Zoals volgt uit de behandeling van de eerste klacht in het onderdeel, onder 3.34.1 hiervoor, trekt zij deze lijn door in Beschikking VI en IX in het kader van de
tweedestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor. De OK redeneert daar vanuit zo’n langjarige run-off als onderdeel van het gegeven toekomstperspectief, gezien de eerste stap. Aldus gaat de klacht uit van een onjuiste lezing van Beschikking VI en IX en mist deze daarmee feitelijke grondslag.
Voor zover de klacht los daarvan een reprise vormt van het onder 3.33.4 hiervoor bedoelde betoog van de Minister (zie met name de voorlaatste en laatste zin), strandt deze in het voetspoor van de eerste en tweede klacht in het onderdeel. Zie onder 3.34.1-3.34.2 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
vierde klacht in het onderdeel.
De klacht veronderstelt ten onrechte dat de OK in Beschikking VI en/of IX de rechtsopvatting huldigt dat de in de klacht bedoelde “onzekerheid” [113] niet in aanmerking dient te worden genomen “bij het vaststellen van het te verwachten toekomstperspectief”. De OK hoefde daaromtrent ook geen standpunt in te nemen bij gebreke aan deze onzekerheid, nu zij in het kader van de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor, in Beschikking VI dus ervan uitgaat - met de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht - dat de curator in het faillissement van SNS Bank “niet anders [zou] kunnen dan te opteren voor een
run-offin plaats van een onmiddellijke liquidatie (
fire sale) van alle activa”, en dat “er van moet worden uitgegaan dat een curator in het faillissement van SNS Bank zou hebben gekozen voor een langjarige
run-offen niet voor een directe liquidatie” (rov. 2.14-2.15, 2.47). Hetgeen zij dus handhaaft in Beschikking IX (rov. 2.44). Zie reeds de behandeling van met name de derde klacht in het onderdeel, onder 3.34.3 hiervoor.
Ook overigens mist de klacht doel. Uit de behandeling van de eerste klacht in het onderdeel, onder 3.34.1 hiervoor, volgt reeds dat de OK geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door in het kader van de
tweedestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor, genoemde “onzekerheid” geen rol te laten spelen “bij de bepaling van de prijs die tussen redelijk handelende partijen tot stand zou zijn gekomen”. Welke onzekerheid zich volgens de OK in het onderhavige geval dus niet voordoet. Dit behoeft geen verdere toelichting.
vijfde klacht in het onderdeel.
Voor zover de klacht al voldoet aan de in het algemeen aan een cassatieklacht te stellen minimumeisen, geldt dat deze faalt in lijn met de voorgaande klachten in het onderdeel. Zie onder 3.34.1-3.34.4 hiervoor, dat voor zover relevant van overeenkomstige toepassing is op de klacht.
Daarbij betrek ik dat het betoog van de Minister niet (ook) is toegespitst op het faillissement van Property Finance (zie onder 3.33.4 hiervoor). Dat de bestreden “oordelen van de OK (…) over de 10-jarige run-off die bij Property Finance zou hebben plaatsgevonden” in rov. 2.24-2.25 van Beschikking IX, gezien rov. 2.9-2.33 (inzake SNS Bank) en rov. 2.44 (inzake de tussenconclusie: het te verwachten toekomstperspectief) van deze beschikking, betrekking hebben op het kader van de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor. En dat de OK in rov. 2.24 van Beschikking IX onder meer vooropstelt:
langererun-off niet tot een minder resultaat zal leiden, geen weerlegging kan vormen van het bezwaar van de Minister dat bij de vaststelling van het te verwachten toekomstperspectief (ook) rekening moet worden gehouden met een
kortererun-off dan tien jaar. Dit is de
eerste klacht in het onderdeel. [116]
tweede klacht in het onderdeel. [117]
tijdswaardevan de achtergestelde vorderingen op SNS Bank weerspiegelt, en de daaruit af te leiden contante waarde factor, geen rekening hebben gehouden met het risico van een langere run-off dan 15 jaar (bijvoorbeeld 20 of 25 jaar). Dit bezwaar houdt een voldoende gemotiveerde betwisting in van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen op dit punt, zodat de OK niet mocht volstaan met een verwijzing naar de zienswijze van de deskundigen, maar haar oordelen nader had moeten motiveren. Dit is de
derde klacht in het onderdeel.
vierde klacht in het onderdeel.
vijfde klacht in het onderdeel. [119]
zesde klacht in het onderdeel.
Betoog van de Minister, gang van zaken rond het definitieve deskundigenbericht
Het effect van een kortere looptijd van de run-off is relatief eenvoudig: de verwachte totale stroom rente-inkomsten zal uiteraard dalen, terwijl tegelijkertijd het risico van een grotere discount bij verkoop van het restant van de portefeuille op het einde van de run-off groter wordt en de kans dat de relevante markten voor leningen meer genormaliseerd zullen zijn navenant kleiner wordt. Kortom: een curator realiseert zich terdege dat een te korte run-off periode niet in het belang is van de schuldeisers. In het kader van zijn taak tot boedelmaximalisatie zal de curator hier dan ook niet voor opteren, hetgeen de voortschrijdende tijd hem ook zal leren. Een langere verwachte run-off daarentegen heeft vooral voordelen: (i) de verwachte rente-inkomsten stijgen, (ii) de kans op een discount bij verkoop van het restant wordt kleiner en (iii) de economie zal met een grotere waarschijnlijkheid meer normaliseren. Eenvoudig gesteld: dit zijn precies de redenen voor de keuze van een bad bank constructie bij banken in de problemen. Het enige nadeel van een langere run-off periode is de toename van de opgelopen rente na faillissementsdatum. Bij een door deskundigen verwachte daling van de hypotheekrente (op basis van de ontwikkeling van de rentetermijncurve in de jaren tot aan de peildatum) over de tijd, zal dit nadeel bovendien wat toenemen naarmate de tijd vordert.
Toelichting bij Ontwikkeling balans 2013-2022
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor - zou de curator in het faillissement van SNS Bank in het kader van zijn taak tot boedelmaximalisatie hebben gekozen voor een run-off die minimaal tien jaar duurt. Dit in het bijzonder nu de schuldeisers in dat scenario met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zouden zijn terugbetaald, in elk geval wat betreft hun nominaal geleende bedragen.
tweedestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor - rekening gehouden met de mogelijkheid van zo’n “iets” langere duur van de run-off dan tien jaar (dus in ieder geval niet voorbij een totaalduur van 15 jaar).
Beschikking VI en IX
In aanvulling op 3.9 hiervoor wijs ik allereerst op rov. 2.21-2.22 van Beschikking VI, geciteerd onder 3.37.4 hiervoor. De OK overweegt daar - in het kader van de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor - onder meer dat de deskundigen, in hun beschrijving van de (geconsolideerde) resultaten van een langjarige run-off van de hypotheekportefeuilles van SNS Bank en haar dochtervennootschappen, in het definitieve deskundigenbericht noodzakelijkerwijs een aantal parameters hebben moeten vaststellen. Waaronder, kort gezegd, het uitgangspunt van “een 10-jarige
run-offvan de per 30 januari 2013 openstaande hypothecaire vorderingen, zoals die blijken uit de (geconsolideerde) balans van SNS Bank per 30 januari 2013”. En dat naar haar oordeel de deskundigen met deze parameters voldoende prudente uitgangspunten hebben genomen voor de berekening van het resultaat van een run-off in de faillissementen van SNS Bank en haar dochtervennootschappen, en hebben toegelicht waarom zij zijn uitgegaan van zo’n “
run-offvan 10 jaar” en waarom “een langere
run-off” niet tot een minder resultaat zal leiden. De OK heeft dus kenbaar oog voor de door de deskundigen onderkende onzekerheid omtrent de duur van de run-off en de door hen met inachtneming daarvan gemaakte keuze voor genoemd uitgangspunt van die tienjarige run-off. Ik wijs verder op rov. 2.47 van Beschikking VI, geciteerd onder 3.29.2 hiervoor. Daar neemt de OK, op basis van dat daaraan voorafgaande, onder meer als tussenconclusie inzake het te verwachten toekomstperspectief op “dat in het faillissement van SNS Bank en haar dochtervennootschappen een 10-jarige
run-offzou hebben plaatsgevonden”. Een tussenconclusie die zij herhaalt in rov. 2.44 van Beschikking IX, geciteerd onder 3.29.3 hiervoor. Dit een en ander moet mede worden bezien tegen de achtergrond van het uiteengezette onder 3.41.3-3.41.7 hiervoor over het definitieve deskundigenbericht, wat de OK daar dus ook onderkent en betrekt.
De OK zet - voor zover hier relevant, inzake SNS Bank - de volgende stap in rov. 2.48-2.55 van Beschikking VI, geciteerd onder 3.29.2 hiervoor: het vaststellen “wat de prijs is die gegeven dit te verwachten toekomstperspectief, tussen redelijk handelende personen op 1 februari 2013 tot stand zou zijn gekomen bij een veronderstelde vrije verkoop van de onderscheiden effecten en vermogensbestanddelen in het economische verkeertussen redelijk handelende partijen” (dus de
tweedestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor). In dit verband vat zij - in rov. 2.49 - het definitieve deskundigenbericht als volgt samen:
run-off, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de nominale geleende bedragen terugbetaald zouden hebben gekregen. Het forse overschot aan middelen in het faillissement van SNS Bank na terugbetaling van de nominale geleende bedragen geeft volgens deskundigen aan dat deze terugbetaling boven iedere twijfel is verheven. Voor de schuldeisers in het faillissement van SNS Reaal geldt op basis van het te verwachten toekomstperspectief dat na 10 jaar, tegenover een bedrag van € 996 miljoen aan concurrente en achtergestelde schulden, een resterende opbrengst van € 1,19 miljard staat, zodat ook de schuldeisers van SNS Reaal volgens de deskundigen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hun nominale geleende bedragen terugbetaald zouden hebben gekregen. De houders van Core Tier 1 Securities (de Staat en Stichting Beheer) daarentegen krijgen vanwege de op hun leningen van toepassing zijnde voorwaarden niets terug. Ook de houders van gewone aandelen en aandelen B zouden volgens de deskundigen op basis van het te verwachten toekomst perspectief niets ontvangen. De achtergestelde schuldeisers in het faillissement SNS Bank zouden uit het faillissement van SNS Reaal nog een rentebetaling ontvangen van circa € 3,6 miljoen.”
Haar slotsom in rov. 2.55 luidt als volgt:
run-offvolledig zouden zijn voldaan en nog een zeer aanzienlijk boedeloverschot zou hebben geresteerd niet juist is, geldt dat de deskundigen ook over de alsdan te hanteren disconteringsvoet nader dienen te berichten.”
Terug naar de klachten
eerste klacht in het onderdeel.
In het definitieve deskundigenbericht hebben de deskundigen met kracht van argument onder meer uiteengezet - inzake het te verwachten toekomstperspectief op de peildatum (1 februari 2013), dus de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor - dat de curator in het faillissement van SNS Bank in het kader van zijn taak tot boedelmaximalisatie zou hebben gekozen voor een run-off die minimaal tien jaar duurt en mogelijk “iets” langer, in ieder geval niet voorbij een totaalduur van 15 jaar. Niet voor een run-off die minder dan tien jaar duurt, bijvoorbeeld acht of vijf jaar; dit scenario sluiten de deskundigen daar aldus uit. Zie onder 3.41.3-3.41.7 hiervoor. Naar daaruit eveneens blijkt:
minimaaltien jaar duurt en mogelijk “iets” langer,
ten hoogstein totaal 15 jaar) zij dus niet onzeker achten;
tweedestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor;
run-offvan de per 30 januari 2013 openstaande hypothecaire vorderingen, zoals die blijken uit de (geconsolideerde) balans van SNS Bank per 30 januari 2013” als een van de mee te rekenen parameters bij de beschrijving van het (geconsolideerde) resultaat van een langjarige run-off van de hypotheekportefeuilles van SNS Bank en haar dochtervennootschappen. Welke lijn zij dus doortrekt in rov. 2.21-2.22 en 2.47 van Beschikking VI, alsmede in rov. 2.44 van Beschikking IX. Zie ook onder 3.42 hiervoor.
Anders dan de klacht veronderstelt, valt bij deze stand van zaken niet in te zien dat het in nrs. 10.3-10.5 van de procesinleiding samengevatte betoog van de Minister “het specifieke bezwaar” bevat dat de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht “ten onrechte bij de vaststelling van het te verwachten toekomstperspectief geen rekening ermee hebben gehouden (het risico in aanmerking hebben genomen) dat een kortere run-off dan tien jaar zou hebben plaatsgevonden”, welk bezwaar de OK aanleiding gaf haar in nr. 10.1 van de procesinleiding bedoelde oordelen in Beschikking VI en IX nader te motiveren dan zij doet. Immers: naar de OK daar klaarblijkelijk en geenszins onbegrijpelijk onderkent, laat dit betoog van de Minister onverlet wat de deskundigen op dit punt reeds hebben uiteengezet in het definitieve deskundigenbericht mede naar aanleiding van de reactie van de Minister op het concept van het deskundigenbericht, waarover hiervoor. [127] Bij welke uiteenzetting zij zich dus aansluit in rov. 2.21-2.22 en 2.47 van Beschikking VI, alsmede in rov. 2.44 van Beschikking IX. Zie onder 3.42 hiervoor. Daarbij verdient nog opmerking dat bestudering van de vindplaatsen waarnaar de klacht verwijst en die betrekking hebben op een kortere run-off dan tien jaar, leert dat deze in ieder geval deels stellingen bevatten die uitgesproken gericht zijn niet zozeer op het te verwachten toekomstperspectief op genoemde peildatum (dus de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor), als wel op de kwestie van de disconteringsvoet (dus de
tweedestap in deze waardebepaling). [128] Nu dit betoog van de Minister dus geen voldoende gemotiveerde betwisting inhoudt van de juistheid van de zienswijze van de deskundigen ter zake in het definitieve deskundigenbericht, gaf dit betoog, gezien ook de vooropstelling in rov. 2.2 van Beschikking VI (herhaald in rov. 2.5 van Beschikking IX), de OK geen aanleiding haar in nr. 10.1 van de procesinleiding bedoelde oordelen nog weer nader te motiveren als bedoeld in de klacht. Dit is in wezen weer ‘van hetzelfde laken een pak’ als bij subonderdelen I.a t/m I.c. Zie onder 3.10-3.11, 3.17-3.18 en 3.24-3.25 hiervoor.
De klacht strandt tevens voor zover deze nog aanvoert dat genoemde oordelen van de OK ook onbegrijpelijk zijn, omdat de toelichting van de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht waarom zij zijn uitgegaan van een run-off van tien jaar en waarom een
langererun-off niet tot een minder resultaat zal leiden, geen weerlegging kan vormen van het bezwaar van de Minister dat bij de vaststelling van het te verwachten toekomstperspectief (ook) rekening moet worden gehouden met een
kortererun-off dan tien jaar. In zoverre ziet de klacht eraan voorbij dat genoemde toelichting van de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht, waarop de OK daar doelt, dus omvat dat en waarom de curator in het faillissement van SNS Bank in het kader van zijn taak tot boedelmaximalisatie zou hebben gekozen voor een run-off die minimaal tien jaar duurt en mogelijk “iets” langer, in ieder geval niet voorbij een totaalduur van 15 jaar. Niet voor een run-off die minder dan tien jaar duurt. Zie onder 3.41.3-3.41.7, 3.42 en dit 3.43.1 hiervoor.
tweede klacht in het onderdeelboekt evenmin succes.
Voor zover de klacht voortbouwt op de eerste klacht in het onderdeel, die faalt, deelt deze tweede klacht in het lot daarvan. Zie onder 3.43.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Voor het overige strandt de klacht in lijn met onderdeel II. Zie onder 3.34-3.35 hiervoor. Waar de OK in de in nr. 10.2 van de procesinleiding bedoelde oordelen in Beschikking VI en IX het in de klacht aangevoerde betoog van de Minister niet onbegrijpelijk - en gelijk de klacht - uitlegt als betrekking hebbend op de discussie omtrent de
tweedestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor, hoefde zij daar niet nog weer nader in te gaan op dit betoog dan zij doet. Zoals reeds uiteengezet bij de behandeling van de eerste klacht in het onderdeel, onder 3.43.1 hiervoor, gaat de OK in Beschikking VI en IX bij de
eerstestap van deze waardebepaling kenbaar mede ervan uit dat de curator in het faillissement van SNS Bank in het kader van zijn taak tot boedelmaximalisatie níet zou hebben gekozen voor een run-off die minder dan tien jaar duurt. Daarover bestaat dus geen onzekerheid. Zij trekt deze lijn kenbaar door in Beschikking VI (rov. 2.49-2.53 en 2.55) en Beschikking IX (rov. 2.7-2.8, 2.45-2.46 en 2.53) in het kader van deze tweede stap, waarvoor het in deze eerste stap objectief vastgestelde, daadwerkelijk te verwachten toekomstperspectief immers als uitgangspunt geldt. Wat insluit dat een redelijk handelende koper in de zin van genoemde bepaling geacht moet worden evenmin uit te gaan van een run-off die minder dan tien jaar duurt, bijvoorbeeld acht of vijf jaar - naar de OK daar ook aanhoudt. Dit is conform het mechanisme, de werking, van art. 6:9 lid 1 Wft Pro. Zie onder 3.33.1-3.33.2 hiervoor. Kortom, in deze overwegingen in Beschikking VI en IX redeneert de OK duidelijk op juiste wijze vanuit dit mechanisme, in lijn ook met de Hoge Raad-beschikking uit 2015 in de onderhavige procedure (zie onder 3.33.1-3.33.2 hiervoor), alsmede met het definitieve deskundigenbericht en het definitieve nadere deskundigenbericht die zij daar betrekt. En ligt evenzeer duidelijk een afdoende gemotiveerde verwerping van dit betoog van de Minister besloten.
derde klacht in het onderdeel.
De klacht strandt in lijn met de eerste en tweede klacht in het onderdeel. Zie onder 3.43.1-3.43.2 hiervoor. Ik breng daarbij in herinnering dat de deskundigen in het definitieve deskundigenbericht met kracht van argument onder meer hebben uiteengezet - inzake het te verwachten toekomstperspectief op de peildatum (1 februari 2013), dus de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor - dat de curator in het faillissement van SNS Bank in het kader van zijn taak tot boedelmaximalisatie zou hebben gekozen voor een run-off die minimaal tien jaar duurt en mogelijk “iets” langer, in ieder geval niet voorbij een totaalduur van 15 jaar. Niet voor een run-off die minder dan tien jaar duurt. Daarbij hebben zij als in aanmerking te nemen parameter bij de beschrijving van wat de (geconsolideerde) resultaten zouden zijn geweest van een langjarige run-off van de hypotheekportefeuilles van SNS Bank en haar dochtervennootschappen uiteindelijk dus gerekend met de variant van een tienjarige run-off van de per 30 januari 2013 openstaande hypothecaire vorderingen, zoals die blijken uit de (geconsolideerde) balans van SNS Bank per 30 januari 2013. Over deze buitengrens van
ten hoogste15 jaar bestaat dus geen onzekerheid. Een nog weer voorbij deze buitengrens liggende duur van de run-off, bijvoorbeeld 20 of 25 jaar, is dan evenmin aan de orde als te betrekken risico in de
tweedestap van die waardebepaling. Daarmee valt reeds de bodem weg onder de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
vierde klacht in het onderdeel.
Voor zover deze al uitgaat van een juiste lezing van Beschikking VI en IX en daarmee feitelijke grondslag heeft (de OK ziet daar niet voorbij aan het door de klacht bedoelde betoog van de Minister), strandt de klacht in het voetspoor van de derde klacht in het onderdeel. Zie onder 3.43.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
vijfde klacht in het onderdeelin beeld brengt.
De klacht strandt in lijn met het uiteengezette bij dit onderdeel onder a-b en de voorgaande klachten in het onderdeel. Zie onder 3.41-3.43.4 hiervoor. Naar daaruit volgt, redeneert de OK in de door de klacht bestreden oordelen in Beschikking VI en IX kenbaar niet vanuit de in de klacht als onjuist aangemerkte rechtsopvatting, neerkomend op het negeren van “op het peiltijdstip bestaande, objectief vast te stellen onzekerheid” over de duur van een run-off. Noch in de
eerstestap in de waardebepaling op de voet van art. 6:9 lid 1 Wft Pro in het onderhavige geval, zoals bedoeld onder 3.33.1-3.33.3 hiervoor, noch in de
tweedestap van die waardebepaling. De klacht gaat derhalve uit van een onjuiste lezing van Beschikking VI en IX en mist daarmee feitelijke grondslag.
zesde klacht in het onderdeel.
Voor zover de klacht voortbouwt op de vijfde klacht van onderdeel II, die faalt, deelt deze zesde klacht in het lot daarvan. Zie onder 3.34.5 hiervoor.
Ook overigens strandt de klacht. In aanvulling op die behandeling van de vijfde klacht van onderdeel II, welke hier van overeenkomstige toepassing is, wijs ik op het volgende. De OK gaat in rov. 2.25 van Beschikking IX uit van paragraaf 7.11 van het definitieve deskundigenbericht [129] en van het definitieve nadere deskundigenbericht. [130] Bestudering daarvan leert dat de daarin door de deskundigen gevolgde - en door de OK in rov. 2.24-2.25 van Beschikking IX dus onderkende en betrokken - lijn wat betreft de duur van de langjarige run-off van de leningenportefeuille van Property Finance, ook die waarmee zij uiteindelijk als variant gerekend hebben bij de berekening van de verwachte opbrengst van zo’n langjarige run-off (te weten een periode van tien jaar), vergelijkbaar is met hun lijn wat betreft de door de OK in rov. 2.21-2.22 van Beschikking VI bedoelde langjarige run-off van de hypotheekportefeuilles van SNS Bank en haar dochtervennootschappen die aan de orde kwam bij de behandeling van de voorgaande klachten in het onderdeel. Zie onder 3.43.1-3.43.5 hiervoor. Illustratief is de volgende passage uit het definitieve nadere deskundigenbericht, onder verwijzing naar paragraaf 7.11 (en 4.2.2) van het definitieve deskundigenbericht: [131]
De disconteringsvoet
[i]Daarbij is allereerst van belang dat uit het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief volgt dat in een faillissement van SNS Bank na 10 jaar voor de voldoening van de achtergestelde vorderingen een buffer resteert van ruim zeven keer de nominale bedragen van die vorderingen, terwijl die buffer in een faillissement van SNS Reaal na 10 jaar aanzienlijk kleiner is, te weten ruim twee keer de nominale waarde van de achtergestelde vorderingen.
[ii]Verder is van belang dat het verwachte resultaat van een faillissement van SNS Reaal van € 1,496 miljard met name afhankelijk is van de opbrengst en de timing van een verkoop van Reaal N.V. De deskundigen zijn daarbij uitgegaan van een puntschatting van de op 1 februari 2013 verwachte opbrengst van de verkoop van Reaal N.V. op een termijn van twee jaren. De Ondernemingskamer acht die schatting weliswaar juist, maar dat laat onverlet dat op 1 februari 2013 de mogelijkheid bestond dat ook een (aanzienlijk) lagere opbrengst gerealiseerd zou kunnen worden, met als gevolg dat, mede gelet op de verhoudingsgewijs kleinere buffer, in een faillissement van SNS Reaal op de achtergestelde vorderingen een lagere uitbetaling zou kunnen plaatsvinden.
[iii]Daarbij komt dat tegenover het risico van een lagere uitbetaling in een faillissement van SNS Reaal, niet een kans bestond op een hogere uitbetaling bij een eventuele hogere opbrengst van de verkoop van Reaal N.V. De Ondernemingskamer is van oordeel dat onder deze omstandigheden bij een tussen redelijk handelende personen tot stand gekomen verkoop van de achtergestelde vorderingen op SNS Reaal op basis van het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief, rekening zou zijn gehouden met de mogelijkheid dat in een faillissement van SNS Reaal de nominale bedragen van de achtergestelde vorderingen na 10 jaar niet geheel zouden worden voldaan, waarbij voor het risico op gedeeltelijke non-betaling door de koper een korting zou zijn bedongen die resulteert in een hogere disconteringsvoet.
yieldop 10-jarige Duitse
government strips. De contante waarde factor van 75% hebben zij vervolgens afgeleid van (i) een risicovrije rentevoet voor een 10-jaars periode van 2,0% per peildatum en (ii) een zelfde type rentevoet voor een 15-jaars periode van 2,5%, waardoor ook een eventueel langere
run-offperiode dan 10 jaar wordt gereflecteerd. Zoals hiervoor overwogen is het resultaat na een 10-jarig faillissement van SNS Reaal - en daarmee het risico op een gedeeltelijke non-betaling van de achtergestelde vorderingen - met name afhankelijk van de opbrengst en timing van een verkoop van Reaal N.V. Tegen die achtergrond ziet de Ondernemingskamer aanleiding om - anders dan bij SNS Bank - voor de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de achtergestelde vorderingen in een faillissement van SNS Reaal niet uit te gaan van de rente op Duitse staatobligaties, maar in plaats daarvan van een rentevoet die is gebaseerd op AAA tot A
ratedbedrijfsobligaties, waarvoor - zoals de Minister onbetwist heeft aangevoerd - per 1 februari 2013 een rentevergoeding gold tot 129 basispunten boven de rente op Duitse staatsobligaties. Uitgaande van (i) een rentevoet voor een 10-jaars periode van 3,29% per peildatum en (ii) een zelfde type rentevoet voor een 15-jaars periode van 3,79%, resulteert dat voor de bepaling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Reaal in een contante waarde factor van 65%.”
AAA tot A rated bedrijfsobligaties. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is onduidelijk waarop de OK baseert dat een dergelijke rentevoet het risico op gedeeltelijke non-betaling reflecteert dat de OK in rov. 2.48 en 2.49 van Beschikking IX (in navolging van de Minister) heeft aangenomen. Het gaat, zoals de Minister heeft gesteld, [132] bij een rentevoet die is gebaseerd op AAA tot A rated bedrijfsobligaties om een
risicovrijerentevoet, namelijk een rente op bedrijfsobligaties die "
met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" worden terugbetaald. Onbegrijpelijk is dat een dergelijke rentevoet het risico op gedeeltelijke non-betaling zou reflecteren dat de OK in die rov. 2.48 en 2.49, op basis van de in het onder 3.46 hiervoor opgenomen citaat onder [i] t/m [iii] genoemde omstandigheden, heeft aangenomen. In ieder geval motiveert de OK niet, althans onvoldoende, waarom een rentevoet die is gebaseerd op AAA tot A rated bedrijfsobligaties wél een adequate weerspiegeling zou zijn van het risico op gedeeltelijke non-betaling en is de keuze van de OK voor die rentevoet arbitrair. Dat geldt te meer nu de keuze voor een rentevoet die is gebaseerd op AAA tot A rated bedrijfsobligaties voor het verdisconteren van het bedoelde risico noch op de zienswijze van de deskundigen noch op de stellingen van de Minister is gebaseerd.
risicovrije rentevoetmoet worden gehanteerd, omdat de nominale bedragen op de achtergestelde schulden in het faillissement van SNS Bank "
met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" geheel zouden zijn terugbetaald. De OK is kennelijk tevens met de deskundigen van oordeel dat deze risicovrije rentevoet moet worden gebaseerd op (de
yieldop) Duitse staatsobligaties, omdat deze staatsobligaties de beste benadering zouden zijn van risicovrije rente in Euro.”
subonderdeel V.a(nrs. 12.7-12.9 van de procesinleiding). Het subonderdeel klaagt dat het in nr. 12.6 van de procesinleiding bedoelde oordeel van de OK (zie onder 3.52.2 hiervoor), te weten “dat (kort gezegd) de bij de waardebepaling van de achtergestelde vorderingen op SNS Bank te hanteren risicovrije rentevoet - in navolging van de deskundigen - moet worden gebaseerd op Duitse
staatsobligaties”, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van het in nr. 11.8 van de procesinleiding geciteerde betoog van de Minister in diens akte na het nadere deskundigenbericht (onderdeel IV, zie ook noot 135 hiervoor). [137] De OK is ten onrechte [138] niet ingegaan op dit specifieke bezwaar van de Minister tegen de zienswijze van de deskundigen op dit punt, terwijl dit bezwaar een voldoende gemotiveerde betwisting inhoudt van de juistheid van deze zienswijze. Zij maakt ook niet duidelijk waarom Duitse staatsobligaties voor een geval als het onderhavige, waarin het gaat om Nederlandse bedrijfsobligaties, de beste benadering zouden zijn van risicovrije rente in Euro. Zonder nadere motivering is dat ook onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien dat Duitse
staatsobligaties de beste benadering zouden zijn van risicovrije rente in Euro als het gaat om de waardebepaling van Nederlandse
bedrijfsobligaties zoals de achtergestelde vorderingen op SNS Bank. Zoals blijkt uit het definitieve nadere deskundigenbericht [139] gingen de deskundigen met hun opmerking dat Duitse staatsobligaties de beste benadering zouden zijn van risicovrije rente in Euro, ook niet in op het punt van de Minister dat een risicovrije rentevoet moest worden afgeleid van de "prijzen" van Nederlandse
bedrijfsobligaties, maar op het (meer subsidiaire) punt van de Minister dat een risicovrije rentevoet moest worden afgeleid van de prijzen van
Nederlandsestaatsobligaties en niet die van Duitse staatsobligaties (“zie hierna onderdeel V.b”). Het subonderdeel besluit met aan te voeren dat de Minister dan ook betoogde dat deze toelichting van de deskundigen voorbijging aan het punt dat de Minister wilde maken. [140]
‘aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid’worden terugbetaald. Ook bij de achtergestelde leningen van SNS Bank en SNS Reaal gaat het immers (in overwegende mate) om bedrijfsobligaties.
‘issue size’) onvergelijkbaar zijn. Zo bedroeg het uitstaande bedrag aan langlopende Duitse staatsobligaties ultimo 2012 EUR 667 mrd en de issue size tussen de EUR 16 mrd en EUR 26 mrd.
aantrekkelijkeris dan een belegging in Nederlandse staatsobligaties. Naar de mening van de minister is dit een onjuist en onhoudbaar standpunt. Bovendien impliceren deskundigen met deze aanpak dat op de peildatum een belegging in de hoofdsom van de achtergestelde leningen van SNS Bank en SNS Reaal in faillissement
minder risicovolis dan een belegging in Nederlandse staatsobligaties.”
In rov. 2.50-2.51 van Beschikking VI vat de OK samen wat de deskundigen hebben uiteengezet in het definitieve deskundigenbericht over de vast te stellen disconteringsvoet bij SNS Bank. Daarbij overweegt zij dat de deskundigen de contante waarde factor hebben afgeleid van een risicovrije rentevoet en dat “[d]e risicovrije rentevoet is gebaseerd op een genormaliseerde
yieldop 10-jarige Duitse
government strips, omdat deze staatsobligaties de beste benadering zijn van risicovrije rente in Euro.” De OK geeft vervolgens - in rov. 2.52 - het betoog van de Minister weer, dat mede erop neerkomt dat de door de Minister genoemde risico’s en onzekerheden “niet of onvoldoende zijn meegewogen in de door de deskundigen voor de aflossing van de nominale bedragen van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen gehanteerde disconteringsvoet op basis van een risicoloze rente, afgeleid van goed verhandelbare strips van 10 jarige Duitse staatsobligaties”.
Dit betoog verwerpt de OK in rov. 2.53-2.54. Daarbij stelt zij voorop dat de vaststelling van de prijs die tussen redelijk handelende personen op 1 februari 2013 tot stand zou zijn gekomen, moet geschieden met inachtneming van het in rov. 2.47 vastgestelde te verwachten toekomstperspectief. En dat uitgaande van de veronderstelling dat alle schuldeisers in het faillissement van SNS Bank na afloop van de tienjarige run-off volledig zouden zijn voldaan en alsdan nog een zeer aanzienlijk boedeloverschot zou hebben geresteerd, de deskundigen bij de veronderstelde vrije verkoop van de onteigende effecten en vermogensbestanddelen terecht tot uitgangspunt hebben genomen dat de nominale bedragen op de achtergestelde schulden in het faillissement van SNS Bank met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geheel zouden zijn terugbetaald. De OK overweegt dan, in het vervolg van rov. 2.53:
run-offperiode dan 10 jaar wordt gereflecteerd.”
In rov. 2.45 van Beschikking IX brengt de OK in herinnering dat zij in rov. 2.49-2.57 van Beschikking VI heeft overwogen dat de door de deskundigen gegeven motivering voor de gehanteerde disconteringsvoet bij de vaststelling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Bank overtuigend is. En dat zij zich daarbij aansluit. Daarop vervolgt de OK in rov. 2.46:
run-offvolledig zouden zijn voldaan en nog een zeer aanzienlijk boedeloverschot zou hebben geresteerd niet juist is, de deskundigen ook over de alsdan te hanteren disconteringsvoet nader zouden dienen te berichten. Zoals hiervoor is overwogen leidt het nader deskundigenbericht tot de slotsom dat op 1 februari 2013 de verwachting bestond dat in een faillissement van SNS Bank, aan het einde van een 10 jarige
run-offvoor de voldoening van de achtergestelde vorderingen van € 703 miljoen, een bedrag van € 5,074 miljard zou hebben geresteerd. Onder die omstandigheden neemt de Ondernemingskamer met de deskundigen tot uitgangspunt dat het op 1 februari 2013 te verwachten toekomstperspectief was dat de achtergestelde vorderingen aan het einde van een 10-jarig faillissement van SNS Bank, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid volledig zouden worden voldaan. De Ondernemingskamer ziet daarom geen aanleiding terug te komen van haar in de beschikking van 16 april 2019 [Beschikking VI, A-G] gegeven oordeel. De Ondernemingskamer zal bij de vaststelling van de schadeloosstelling voor de bepaling van de waarde per 1 februari 2013 van de nominale bedragen van de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde schulden in een faillissement van SNS Bank met de deskundigen uitgaan van een contante waarde factor van 75%.”
Overigens memoreer ik nog de vooropstelling van de OK in rov. 2.2 van Beschikking VI, geciteerd onder 3.9 hiervoor. Zij herhaalt dit in rov. 2.5 van Beschikking IX.
bovende rente op Duitse staatsobligaties op 1 februari 2013. En in zoverre een ander risicoprofiel hebben dan genoemde Duitse staatsobligaties als gehanteerd door de deskundigen, die (dus) beter aansluiten bij de onder 3.57.2 hiervoor bedoelde zekerheid (het ontbreken van een hier te betrekken risico op non-betaling). Waar de Minister dit betoog in essentie herhaalt in diens reactie op het definitieve nadere deskundigenbericht, gaat dit dan ook voorbij aan de kern van de analyse van de deskundigen in het definitieve nadere deskundigenbericht, waaraan dit herhaalde betoog dan niet afdoet. En valt dit aldus herhaalde betoog van de Minister dan ook niet aan te merken als een specifiek bezwaar van hem tegen genoemde zienswijze van de deskundigen in het definitieve nadere deskundigenbericht, dat een voldoende gemotiveerde betwisting inhoudt van de juistheid van deze zienswijze.
subonderdeel V.b(nrs. 12.10-12.11 van de procesinleiding). Het subonderdeel klaagt dat het in nr. 12.6 van de procesinleiding bedoelde oordeel van de OK (zie onder 3.52.2 hiervoor), te weten “dat (kort gezegd) de bij de waardebepaling van de achtergestelde vorderingen op SNS Bank te hanteren risicovrije rentevoet - in navolging van de deskundigen - moet worden gebaseerd op
Duitsestaatsobligaties”, ook onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is in het licht van het - meer subsidiaire - betoog van de Minister dat, indien de OK onverhoopt de deskundigen zou volgen in hun keuze om vast te houden aan een rentevoet die is afgeleid van staatsobligaties, aangeknoopt zou moeten worden bij de rente op
Nederlandsestaatsobligaties. [154] De OK is ten onrechte ook op dit specifieke bezwaar van de Minister tegen de zienswijze van de deskundigen niet ingegaan, terwijl ook dit bezwaar een voldoende gemotiveerde betwisting inhoudt van de juistheid van deze zienswijze. De OK maakt in het geheel niet duidelijk waarom Duitse staatsobligaties voor een geval als het onderhavige, waarin het gaat om Nederlandse bedrijfsobligaties, de beste benadering zouden zijn van risicovrije rente in Euro. Zonder nadere motivering door de OK is dat ook onbegrijpelijk, omdat niet valt in te zien dat
Duitsestaatsobligaties de beste benadering zouden zijn van risicovrije rente in Euro als het gaat om de waardebepaling van
Nederlandsebedrijfsobligaties zoals de achtergestelde vorderingen op SNS Bank.
Terms and Conditions, dat de vorderingen uit hoofde van de Core Tier 1 Securities ook in een faillissement van SNS Reaal een gelijke rangorde zouden hebben als de door SNS Reaal uitgegeven gewone aandelen en aandelen B. De Minister heeft niet aangevoerd dat dit laatste ook onderdeel uitmaakt van de achterstellingsbepalingen in de contractsdocumentatie van de achtergestelde obligaties en geldleningen, die hier aan de orde zijn.
Ten eerste(
rov. 2.42 EB[Beschikking IX, A-G]) oordeelt de OK dat niet kan worden aangenomen dat de curator in de veronderstelde faillissementen in de achterstellingsbepalingen aanleiding zou hebben gezien de achtergestelde vorderingen niet te verifiëren. Redengevend daarvoor is, volgens de OK, dat de Minister niet heeft aangevoerd dat "dit laatste" - dat wil zeggen: een afspraak op grond waarvan de betrokken vorderingen een gelijke rangorde hebben als aandelen, zoals bij de Core Tier 1 Securities - deel uitmaakt van de achterstellingsbepalingen in de contractsdocumentatie van de achtergestelde obligaties en geldleningen die hier aan de orde zijn.
had kunnen verzettentegen verificatie van de vorderingen uit hoofde van de Core Tier 1 Securities, aangezien is overeengekomen en vastgelegd dat die vorderingen ook in een faillissement van SNS Reaal een gelijke rangorde (
pari passu) zouden hebben als de door SNS Reaal uitgegeven gewone aandelen en aandelen B.
Ten tweede(
rov. 2.43 EB[Beschikking IX, A-G]
, eerste deel) schetst de OK een aantal, op zichzelf juiste, algemene uitgangspunten ter zake van de verificatie van vorderingen en de afwikkeling van faillissementen, zoals neergelegd in de door de OK aangehaalde wettelijke bepalingen (art. 128 Fw Pro, art. 179 Fw Pro) en uitspraken van uw Raad dienaangaande.
ten derde(
rov. 2.43 EB[Beschikking IX, A-G]
, tweede deel) dat het in de veronderstelde (eerste) faillissementen - gezien de achter (b) bedoelde uitgangspunten - wél tot uitdeling zou (kunnen) komen aan de schuldeisers van de betrokken achtergestelde vorderingen, maar niet tot uitdeling aan schuldeisers van de concurrente rentevorderingen.”
subonderdeel VI.a(nrs. 15.6-15.7 van de procesinleiding) en
subonderdeel VI.b(nrs. 15.8-15.11 van de procesinleiding), alsmede een uitwerking daarvan en toelichting daarop (nrs. 15.12-15.21 van de procesinleiding).
omdatde Minister niet heeft aangevoerd dat in de achterstellingsbepalingen is overeengekomen en vastgelegd dat de achtergestelde vorderingen een gelijke rang hebben als aandelen - blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Zij miskent dat het enkele gegeven dat (bij de uitgifte van een obligatie respectievelijk het afsluiten van een geldlening) niet is overeengekomen en vastgelegd dat de vordering van de schuldeiser (uit hoofde van de obligatie respectievelijk geldlening)
een gelijke rang heeft als aandelen, niet uitsluit dat een achterstellingsbepaling zo kan en/of moet worden uitgelegd dat de werking en mate van de achterstelling inhouden dat die vordering (mede) is achtergesteld bij tijdens faillissement opgekomen concurrente rentevorderingen, zodat de curator in het faillissement van de schuldenaar in die bepaling aanleiding kan en/of moet zien die vordering niet te verifiëren. Een dergelijke afspraak (waarmee de vordering van de schuldeiser weliswaar niet is achtergesteld tot het niveau van aandelen in de schuldenaar, maar wel bij tijdens faillissement opgekomen concurrente rentevorderingen) is - mede gelet op de contractsvrijheid - rechtens wel degelijk mogelijk. Het stelsel van de Faillissementswet noch enige andere rechtsregel verzet zich daartegen. Een dergelijke afspraak impliceert (immers) dat (partijen bij de betrokken verbintenis zijn overeengekomen dat de rechtspositie van de schuldeiser zodanig is ingekleed dat) de vordering van de schuldeiser (i) in een eerste faillissement van de schuldenaar niet kan worden geverifieerd en (ii) in een tweede faillissement (waarvan sprake kan zijn bij een boedeloverschot in het eerste faillissement) lager is gerangschikt dan de tijdens het eerste faillissement opgekomen rentevorderingen van concurrente schuldeisers. [158]
Betoog van de Minister, gang van zaken rond de mondelinge behandeling bij de OK van 24 september 2020
Dat is een mogelijkheid om dat resultaat te bewerkstelligen en dat is eigenlijk ook het oordeel wat u heeft gegeven ten aanzien van de Stichting Securities, dat die niet verifieerbaar zouden zijn. Je kunt dus de achterstellingsbepaling zo uitleggen, gelet op wat daar staat, dat dat meebrengt dat die dus niet verifieerbaar is in het eerste faillissement, maar er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. Een andere optie, misschien niet de meest waarschijnlijke, is dat de rentevorderingen wel degelijk zouden worden geverifieerd. Er staat in de wet dat dat niet kan, maar we weten allemaal dat dat een bepaling is die enorm onder vuur ligt in de juridische literatuur. En er zijn ook nog andere opties, want de curator zou ook op grond van art. 130 van Pro de Faillissementswet de achtergestelde vorderingen als voorwaardelijke vorderingen kunnen verifiëren. Dan moet hij een schatting maken van wat hij denkt dat ze waard zijn, dat komt dus neer op een inschatting van de vraag of de rentevorderingen dan in het faillissement zouden worden betaald. Als zijn inschatting is dat die niet helemaal worden betaald, is de geschatte waarde van de achtergestelde vorderingen in dat eerste faillissement dus nul. Dus er zijn meerdere manieren om, de contractuele achterstellingsafspraak die is gemaakt en die in de ogen van de minister absoluut voorgaat op de regeling die in de Faillissementswet staat en het systeem van verificatie wat niks anders is dan een manier om uitvoering te geven aan de achterstellingsafspraken die zijn gemaakt tussen [hier lijkt te worden gezegd: “crediteuren”, A-G]. Er zijn dus verschillende manieren om dat resultaat te bewerkstelligen.”
allevorderingen van concurrente crediteuren. De bepaling maakt, ten aanzien van de vorderingen waarbij wordt achtergesteld,
geenonderscheid tussen hoofdsom en rente. Ook maakt de bepaling
geenonderscheid tussen rente die opkomt op de concurrente hoofdsommen voorafgaand aan het faillissement en rente die opkomt tijdens het faillissement van de schuldenaar”. (nrs. 3.9-3.10)
wij menen dat de curator zou zeggen ik verifieer ze niet om dezelfde reden als u dat al heeft geoordeeld bij de Stichting Securities, dan zou die ze ook op een andere wijze wel kunnen verifiëren zoals ik zojuist zei, als voorwaardelijke vorderingen met een geschatte waarde, of hij zou zelfs de rentevorderingen wel kunnen verifiëren om dat resultaat te bereiken. Maar waar het om gaat is dat de regeling omtrent verificatie van vorderingen, niet beperkingen stelt aan wat je in een contractuele rangregeling overeen kunt komen.”
volledig” zijn voldaan. Dus pas nadat ook hun post-faillissementsrentevorderingen zijn betaald. “Dit betekent dat, overeenkomstig de behandeling van de Stichting Securities [de vorderingen van Stichting Beheer uit hoofde van de Core Tier 1 Securities, A-G], ervan moet worden uitgegaan dat een curator in het faillissement van SNS Bank zich met een beroep op de toepasselijke achterstellingsbepalingen met succes zou hebben kunnen verzetten, en hebben verzet, tegen de verificatie van de achtergestelde vorderingen”, althans dat de curator geen betalingen aan de achtergestelde obligatiehouders zou doen totdat “
alle” vorderingen van concurrente schuldeisers zijn voldaan. (nrs. 3.17-3.18)
Terug naar de klachten
een gelijke rang heeft als aandelen, uitsluit dat een achterstellingsbepaling zo kan en/of moet worden uitgelegd dat de werking en mate van de achterstelling inhouden dat die vordering (mede) is achtergesteld bij tijdens faillissement opgekomen concurrente rentevordering, zodat de curator in het faillissement van de schuldenaar in die bepaling aanleiding kan en/of moet zien die vordering niet te verifiëren.”
een gelijke rang hebben als aandelen, afleidt dat de onderhavige achterstellingsbepalingen niet zo kunnen worden uitgelegd dat de werking en mate van de achterstelling inhouden dat die vorderingen (mede) zijn achtergesteld bij tijdens faillissement opgekomen concurrente rentevorderingen. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is dan - mede in het licht van de in het subonderdeel vermelde stellingen van de Minister - ook onbegrijpelijk het oordeel van de OK dat de curator in de veronderstelde faillissementen van SNS Bank en SNS Reaal in de achterstellingsbepalingen geen aanleiding zou hebben gezien die vorderingen niet te verifiëren. [171] Deze stellingen van de Minister houden onmiskenbaar het standpunt in dat de vorderingen uit hoofde van de achtergestelde obligaties en geldleningen weliswaar niet zijn achtergesteld tot het niveau van aandelen in SNS Bank en SNS Reaal, maar wél zo diep (ver) zijn achtergesteld dat de tijdens de faillissementen van deze vennootschappen opgekomen concurrente rentevorderingen moeten voorgaan, hetgeen impliceert dat verificatie van de desbetreffende vorderingen in die (eerste) faillissementen moet worden geweigerd (waarna in een eventueel tweede faillissement eerst voldoening dient plaats te vinden van de genoemde rentevorderingen en pas daarna van de onderhavige achtergestelde vorderingen). Dit is de
eerste klacht in het subonderdeel.
tweede klacht in het subonderdeel.
eerste klacht in het subonderdeel. Deze strandt in het voetspoor van subonderdeel VI.a, dat faalt. Zie onder 3.70-3.71 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
tweede klacht in het subonderdeelstrandt op hetgeen ik uiteenzette onder 3.69.2 hiervoor. Ook dit behoeft geen verdere toelichting.
Achterstellingen en 403-verklaring
“De aard van de onderhavige procedure brengt met zich dat de ondernemingskamer zich een zelfstandig oordeel dient te vormen over de feitelijke uitgangspunten die van belang zijn voor de waardering van het onteigende. De ondernemingskamer heeft in dat verband terecht rekening gehouden met de belangen van de niet verschenen belanghebbenden en in aanmerking genomen dat afhankelijk van de van belang zijnde uitgangspunten, de vaststelling van een hogere schadeloosstelling voor de één, een lagere schadeloosstelling voor de ander kan meebrengen.”
agenoemde obligaties bevatten het volgende achterstellingsbeding (productie 23 van de Minister pagina 11 en 12):
“The Tier 1 Notes constitute direct, unsecured, subordinated obligations of the Issuer and rank pari passu without any preference among themselves. The rights and claims of the Holders under the Tier 1 Notes are subordinated to the claims of Senior Creditors of the Issuer, present and future.
(...)
The Tier 1 Notes will rank on a Winding-Up of the Issuer in priority to distributions on all classes of share capital of the Issuer and will rank pari passu with each other and among themselves, but will be subordinated in right of payment to the claims of Senior Creditors of the Issuer, present and future.”
b, c, d en hgenoemde obligaties bevatten onderling vrijwel gelijkluidende bepalingen die, voor zover hier van belang, luiden:
sub egenoemde Participatie Certificaten bevatten geen toereikend aanknopingspunt voor de stelling dat daarmee niet slechts een verlaging van de rang is overeengekomen, maar tevens een beperking van de opeisbaarheid in de door de Minister en Brigade Fund c.s. bedoelde zin.
sub fbedoelde overeenkomst van geldlening bevat onder meer de volgende bepalingen:
“Artikel 4
De vorderingen van de geldgeefster op de geldneemster[SNS Bank, toev. Ondernemingskamer]
uit hoofde van deze overeenkomst, voor zover het de terugbetaling van de hoofdsom betreft, zijn achtergesteld op alle overige vorderingen ten laste van de geldneemster en wel zodanig dat bij faillissement, toepassing van de noodregeling (...) of ontbinding van de geldneemster de vorderingen van degeldgeefster
uit hoofde van deze overeenkomst, voor zover het de terugbetaling van de hoofdsom betreft, niet voor compensatie vatbaar zijn en slechts betaalbaar en verrekenbaar zijn nadat de alsdan bestaande preferente en concurrente crediteuren van de geldneemster volledig zijn betaald, dan wel met bedoelde crediteuren een regeling of akkoord is getroffen, waarbij zij volledige kwijting hebben verleend tegen ontvangst van een vordering of een gedeelte daarvan. (...)
Artikel 6
Het bedrag van de lening is, met de rente en kosten, onmiddellijk opeisbaar:
a. bij niet-nakoming door geldneemster van een of meer van de in deze akte omschreven verbintenissen
b. bij door haar gedaan verzoek tot verkrijging van surseance van betaling;
c. bij faillissement van geldneemster; (...)”
sub gbedoelde overeenkomst van geldlening bevat onder meer de volgende bepalingen:
“Artikel 6
achter aan alle andere tegenwoordige en toekomstige vorderingen op de Geldneemster, met dien verstande dat de vorderingen van de Geldgeefster, niet voor verrekening vatbaar zijn en dat deze slechts betaalbaar en verrekenbaar zijn nadat de alsdan bestaande preferente en concurrente crediteuren van de Geldneemster volledig zijn betaald, dan wel met hen een regeling of akkoord is getroffen, waarbij zij volledige kwijting hebben verleend tegen ontvangst van een gedeelte van hun vordering.
- i) onmiddellijk opeisbaar:
- a. indien op de Geldneemster de noodregeling (...) van toepassing is verklaard;
- b. in geval van niet, niet-tijdige of niet behoorlijke nakoming door geldneemster van haar verplichting tot aflossing van de lening, van haar verplichting tot betaling van rente, boeten, vergoedingen of kosten;
- c. (...)
- d. ingeval van faillissement, eigen aangifte, verzoek of vordering tot faillietverklaring, aanbieding van akkoord buiten faillissement of aanvraag tot het verkrijgen van surseance van betaling van geldneemster;
- e (...)”
- Het samenstel van deze bepalingen houdt (naast achterstelling in de zin van artikel 3:277 lid 2 BW Pro) niet in dat de onderhavige vordering pas opeisbaar is nadat de concurrente crediteuren van SNS Bank zijn betaald.
ten eerste(i) ten grondslag dat het standpunt van de Minister onverenigbaar is met, en daarom strandt op, eerdere oordelen van de OK (in OK2013 [Beschikking I, A-G]) en van uw Raad (in HR2015) over de achterstellingen (rov. 3.57 TB1 [Beschikking II, A-G]). De OK noemt daarbij de volgende oordelen:
OK2013[Beschikking I, A-G]:
HR2015:
subonderdeel VII.a(nrs. 16.5-16.6 van de procesinleiding).
ofwelhet verschil (in werking) tussen een eigenlijke achterstelling en een oneigenlijke achterstelling (als door de Minister bepleit) miskent,
ofwelde grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing en/of haar taak als verwijzingsrechter miskent,
ofweleen onbegrijpelijke uitleg geeft aan die in rov. 3.57 bedoelde oordelen en/of het betrokken standpunt van de Minister. Daaraan legt het subonderdeel ten grondslag dat namelijk niet valt in te zien waarom die oordelen - die uitsluitend in het teken staan van het effect van een
eigenlijkeachterstelling van de vorderingen op SNS Bank op het niveau van SNS Reaal - niet verenigbaar zouden zijn met dat standpunt. [174] Dit is de
eerste klacht in het subonderdeel.
SNS Bankgeheel zijn voldaan. Dat betekent dat de achtergestelde schuldeisers van SNS Bank op het niveau van SNS Reaal (dus bij de aanspraken uit hoofde van hun 403-vordering) uitsluitend de concurrente schuldeisers van
SNS Bank(die ook een 403-vordering hebben op SNS Reaal) moeten laten voorgaan, maar niet dat zij ook ándere schuldeisers van
SNS Reaalmoeten laten voorgaan. Dit is de
tweede klacht in het subonderdeel.
eerste klacht in het subonderdeel.
In rov. 3.55, eerste gedachtestreepje van Beschikking II geeft de OK samenvattend het door de Minister na cassatie en verwijzing ingenomen standpunt weer. Naar het subonderdeel onderkent, doet zij dat daar op correcte wijze. Daarmee laat de OK zien dit standpunt van de Minister juist te verstaan. In rov. 3.57 brengt de OK tot uitdrukking dat dit standpunt van de Minister - alsook het door Brigade Fund c.s. na cassatie en verwijzing ingenomen standpunt, samengevat weergegeven in rov. 3.55, tweede gedachtestreepje - onverenigbaar is met, en daarom strandt op, de daar genoemde oordelen van de OK in Beschikking I en van de Hoge Raad in zijn beschikking uit 2015 in de onderhavige procedure. Daarbij legt zij in rov. 3.57 genoemde oordelen van haarzelf (in Beschikking I) en van de Hoge Raad (in die beschikking uit 2015) uit, en wel op goed navolgbare wijze.
De strekking van deze uitleg is klaarblijkelijk [175] dat in die in cassatie niet of tevergeefs bestreden oordelen van de OK in Beschikking I besloten ligt dat het bij de onderhavige achterstellingen slechts gaat om eigenlijke achterstellingen (in de zin van art. 3:277 lid 2 BW Pro), dus niet (ook) om een oneigenlijke achterstelling (zoals bedoeld door de Minister). [176] Dat die bedingen steeds erop neerkomen dat de desbetreffende vorderingen aldus zijn achtergesteld bij de vorderingen van concurrente schuldeisers van SNS Bank, de “issuer”. En dat de desbetreffende overeenkomsten niets zeggen over de vraag of, als de achtergestelde schuldeisers van SNS Bank uit hoofde van de 403-verklaring aankloppen bij SNS Reaal, deze achterstelling ook geldt ten opzichte van de concurrente schuldeisers van SNS Reaal. Dit sluit dus uit het bestaan van een oneigenlijke achterstelling, zoals bedoeld door de Minister in diens - door de OK onderkende - standpunt.
Waarop dan aansluiten, aldus nog steeds deze uitleg door de OK, het oordeel van de Hoge Raad in genoemde beschikking uit 2015 dat de OK in Beschikking I heeft vastgesteld dat de achtergestelde schuldeisers een achterstelling tegenover SNS Bank hebben aanvaard, maar dat deze overeenkomsten niets zeggen over de vraag of deze achterstelling ook geldt ten opzichte van vorderingen op een mogelijke andere schuldenaar, zoals SNS Reaal. En dat een door een schuldeiser met SNS Bank overeengekomen achterstellingsbeding geen invloed heeft op het verhaal van die schuldeiser op het vermogen van een derde, zoals SNS Reaal, die uit hoofde van een 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk is voor de desbetreffende verbintenis en die geen partij was bij het achterstellingsbeding.
Anders dan de klacht veronderstelt, valt tegen deze achtergrond heel wel in te zien waarom volgens de OK in rov. 3.57 die - daar aldus, op niet onbegrijpelijke wijze door haar uitgelegde - oordelen van haarzelf in Beschikking I en van de Hoge Raad in genoemde beschikking uit 2015 niet verenigbaar zijn met dat standpunt van de Minister. Deze oordelen sluiten dan immers uit het bestaan van een oneigenlijke achterstelling, zoals bedoeld door de Minister in diens - door de OK onderkende - standpunt. Daarmee valt de bodem weg onder de klacht, voor zover deze al uitgaat van een juiste lezing van Beschikking II en daarmee feitelijke grondslag heeft. Bij deze stand van zaken valt niet in te zien waarom het oordeel van de OK in rov. 3.57 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk is, zoals bedoeld in de klacht. De klacht licht dat verder ook niet toe.
tweede klacht in het subonderdeelstrandt eveneens. In lijn met rov. 3.57 e.v. van Beschikking II brengt de OK in rov. 3.64 bij wege van slotsom niet meer tot uitdrukking dan dat bij vaststelling van de schadeloosstelling tot uitgangspunt moet worden genomen dat de achtergestelde schuldeisers van SNS Bank uit hoofde van de in rov. 3.59 genoemde obligaties - de onteigening weggedacht - een gewone, concurrente vordering hebben op SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring, derhalve zonder enige vorm van achterstelling (waarop SNS Reaal een beroep zou kunnen doen). Wat dus mede uitsluit het bestaan van een oneigenlijke achterstelling als bedoeld door de Minister in diens - door de OK onderkende - standpunt, samengevat weergegeven in rov. 3.55, eerste gedachtestreepje en tevens aangehaald in rov. 3.64. Hieraan ziet de klacht voorbij.
subonderdeel VII.b(nrs. 16.7-16.13 van de procesinleiding). Het subonderdeel klaagt dat het oordeel van de OK in rov. 3.58-3.59 van Beschikking II dat de onderhavige achterstellingsbepalingen niet (mede) ertoe strekken de opeisbaarheid c.q. betaalbaarheid van de achtergestelde vorderingen te beperken eveneens getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en/of, mede in het licht van de tekst van die bepalingen en hetgeen de Minister heeft aangevoerd, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is. Dit werkt het subonderdeel als volgt uit.
eerste klacht in het subonderdeel. [177]
tweede klacht in het subonderdeel.
derde klacht in het subonderdeel. [183]
vierde klacht in het subonderdeel.
betaalbaarzijn. [185] Dit is de
vijfde klacht in het subonderdeel.
eerste klacht in het subonderdeel.
Anders dan de klacht veronderstelt, valt de OK niet als onjuiste rechtsopvatting aan te wrijven een in rov. 3.58-3.59 van Beschikking II vervat oordeel dat bij de uitleg van een beding naar objectieve maatstaven geen andere (voor derden kenbare) gezichtspunten van belang kunnen zijn en door de rechter in zijn motivering moeten worden betrokken dan de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen, aldus resulterend in een zuiver taalkundige uitleg van de betrokken bepalingen. Zoals de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden alsmede de ratio van de betrokken overeenkomst. Kort en goed: van zo’n harde ‘op voorhand’-regel gaat de OK hier niet uit. Ik licht dit toe.
Door aldaar te overwegen zoals de OK doet, respondeert zij kenbaar op het in rov. 3.55, eerste en tweede gedachtestreepje bedoelde standpunt van de Minister respectievelijk van Brigade Fund c.s. Die in de onderhavige procedure niet onbestreden zijn gebleven, gezien rov. 3.55, derde t/m zesde gedachtestreepje. Daargelaten welke uitlegmaatstaf de OK hier nu precies hanteert: [186] mede gelet op rov. 3.58-3.59 gaf het genoemde standpunt van de Minister en van Brigade Fund c.s., zoals door haar verstaan, de OK naar haar oordeel geen aanleiding tot een nog weer nadere motivering. Klaarblijkelijk vanuit de gedachte dat de OK hier niet gehouden was tot het betrekken bij haar uitleg van de overeenkomsten van andere gezichtspunten ter zake dan door partijen, hier specifiek de Minister en Brigade Fund c.s., afdoende duidelijk naar voren gebracht. [187] Zoals de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden alsmede de ratio van de betrokken overeenkomst. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking.
Naar de OK samenvattend weergeeft in rov. 3.55, tweede gedachtestreepje, is het in haar optiek volgens Brigade Fund c.s. zo dat:
Dit citaat volgt bovendien meteen op de vaststelling van de OK in rov. 3.55, tweede gedachtestreepje dat “ook” Brigade Fund c.s. menen, wat betreft hun over dit onderwerp na cassatie en verwijzing ingenomen standpunt:
Naar hieruit volgt, richt de OK zich in rov. 3.58-3.59 in het bijzonder op hetgeen bepalingen van de obligaties genoemd in rov. 3.59 onder a t/m h vermelden vanwege het partijdebat - meer precies: die door de Minister en Brigade Fund c.s. ingenomen standpunten, zoals door haar verstaan en waarop zij daar aldus respondeert - en genoemde gedachte. Wat daarvan verder zij, daarover klaagt het subonderdeel hier niet. Dit is immers iets anders dan de rechtsopvatting die de OK volgens de klacht ten onrechte aanhoudt, maar zij daar in werkelijkheid dus niet huldigt: zo’n harde ‘op voorhand’-regel, waarover hiervoor.
Kortom, de klacht gaat uit van een onjuiste lezing van Beschikking II en mist daarmee feitelijke grondslag.
tweede klacht in het subonderdeelloopt eveneens spaak, in lijn met de eerste klacht in het subonderdeel.
De klacht beroept zich op een stelling van de Minister als betrokken bij de OK over de aard, en betekenis in dit verband, van de met de onderhavige achtergestelde obligaties en geldleningen aan te trekken financiering. Te weten “(aanvullend) tier 1- of tier 2-kapitaal”, waarbij uitgangspunt is dat alvorens deze schuldeisers aan bod kunnen komen eerst de overige schuldeisers volledig moeten zijn voldaan.
Bestudering van de in de klacht genoemde vindplaatsen in de akte na cassatie en verwijzing zijdens de Minister leert dat hij, specifiek wat betreft deze aan te trekken financiering (genoemde stelling van de Minister waarop de klacht zich beroept), daadwerkelijk heeft opgemerkt dat hier sprake is van “schuldinstrumenten waarmee uitdrukkelijk beoogd is om zogeheten “Tier 1” danwel “Tier 2” kapitaal aan te trekken”. Welk kapitaal “ertoe [dient] om verliezen van de desbetreffende financiële onderneming op te vangen.” [188] Het uitgangspunt van zulke schuldinstrumenten, die ook geconsolideerd als zulk kapitaal hebben te gelden, is “dat de overige schuldeisers geen last hebben van de “Tier 1” en “Tier 2” schuldeisers zolang zij zelf niet zijn voldaan.” [189] In de documentatie is “zelfs expliciet aangegeven dat de instrumenten dienen te kwalificeren als Tier 1 danwel Tier 2 instrumenten”, aldus nog steeds de Minister. [190] Zulk kapitaal komt nog voorbij in enkele andere in de klacht genoemde vindplaatsen in genoemde akte, maar daar staat iets anders centraal dan specifiek deze aan te trekken financiering. Namelijk “het Besluit Prudentiële Regels Wft” [191] en een in sommige schuldinstrumenten opgenomen “aanvullende voorwaarde” voor betaling onder de relevante financieringsdocumentatie, te weten: dat uitkeringen aan de achtergestelde schuldeisers in faillissement c.q. insolvente liquidatie slechts kunnen geschieden indien DNB daaraan voorafgaande goedkeuring heeft verleend. [192] En daarvan rept de klacht niet, in termen van stellingname van de Minister bij de OK waarop de klacht zich beroept.
Het voorgaande inzake dat daadwerkelijk door de Minister opgemerkte [193] waarop de klacht wijst, is onderdeel van diens bredere betoog (zie de in de klacht genoemde vindplaatsen in genoemde akte) dat een objectieve uitleg van de relevante achterstellingsbepalingen meebrengt dat de achterstellingsbepalingen naast een eigenlijke achterstelling ook een oneigenlijke achterstelling bevatten. [194] Ik zie in dit betoog niet staan, anders dan de klacht nog suggereert, dat “[h]et strookt met dit uitgangspunt [195] om de achterstellingsbepalingen zo uit te leggen dat de vordering van de betrokken schuldeisers eerst opeisbaar c.q. betaalbaar is nadat alle concurrente crediteuren van SNS Bank zijn voldaan, aangezien aldus wordt bewerkstelligd dat deze concurrente schuldeisers ook op het niveau van SNS Reaal eerder worden voldaan dan de schuldeisers uit hoofde van de achtergestelde obligaties en geldleningen”. Dat de OK blijkens Beschikking II zo’n stellingname van de Minister niet leest in dat betoog acht ik dan ook niet onbegrijpelijk.
De OK negeert in rov. 3.58-3.59 van Beschikking II dat daadwerkelijk door de Minister opgemerkte niet waar zij, in aanvulling op rov. 3.57, respondeert op dat betoog van de Minister. Ik kan meer in het bijzonder haar analyse van de obligaties genoemd in rov. 3.59 onder a t/m h niet anders begrijpen dan dat zij daarbij niet enkel acht slaat op de daaruit geciteerde bepalingen (dit laatste doet zij daar kenbaar niet), maar daarbij met inachtneming van het partijdebat mede betrekt wat in deze obligaties is opgenomen over genoemde aan te trekken financiering - inclusief dat daadwerkelijk door de Minister opgemerkte en de desbetreffende obligaties. Dit vindt bijvoorbeeld bevestiging in de verwijzing door de OK naar de relevante producties in rov. 3.59, alsmede in het citaat in rov. 3.59 betreffende de onder a bedoelde achtergestelde obligaties SNS Bank (over de “Tier 1 Notes” in kwestie) en de daarop volgende verwijzing naar art. 3 van Pro de relevante voorwaarden (waarin de “Tier 1 Notes” ook aan bod komen). [196] Een ander voorbeeld betreft de verwijzing in rov. 3.59 naar het citaat in rov. 6.65 van Beschikking I betreffende de onder e bedoelde Participatie Certificaten. Daarin wordt gerept van “alle toekomstige schuldeisers terzake van aan SNS verstrekt Tier 1 Kapitaal”. In deze Participatie Certificaten valt verder mede te lezen, achter “Kwalificatie” op p. 10, dat de met de emissie hiervan aangetrokken gelden “zullen kwalificeren als Tier 1 Kapitaal danwel Upper tier 2 kapitaal (…), zoals bedoeld in het beleid van DNB opgenomen onder nummer 4003 van het Handboek Wet toezicht kredietwezen van DNB”. [197] Aldus betrekt de OK dan kenbaar ook dat daadwerkelijk door de Minister opgemerkte, wat immers volgens hemzelf die schriftelijke verankering in de documentatie kent. [198] Maar acht zij dit laatste voor de desbetreffende obligaties onvoldoende om tot een andere uitkomst te geraken, nu uit de onderhavige obligaties al met al wel blijkt van een eigenlijke achterstelling (in de zin van art. 3:277 lid 2 BW Pro) en niet (ook) van een beperking van de opeisbaarheid van de achtergestelde vorderingen (aldus dat de desbetreffende vorderingen pas opeisbaar zijn nadat de concurrente schuldeisers van SNS Bank, door wie dan ook (bijvoorbeeld door SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring), zijn voldaan), zoals door haar navolgbaar tot uitdrukking gebracht in rov. 3.59 waarnaar ik kortheidshalve verwijs. Ik citeerde rov. 3.59 onder 3.78.1 hiervoor. Gezien hetgeen de OK daarbij naar voren brengt, specifiek ook de daarin geciteerde althans genoemde bepalingen, is dit m.i. (dus) niet onbegrijpelijk. Zoals uiteengezet bij de behandeling van de derde klacht in het subonderdeel, onder 3.83.3 hierna, acht ik evenmin onbegrijpelijk dat de OK dit beroep van de Minister op een oneigenlijke achterstelling uitlegt als betrekking hebbend op een beperking van
de opeisbaarheidvan de achtergestelde vorderingen.
Kortom, de OK respondeert in rov. 3.58-3.59 wel degelijk, niet onbegrijpelijk en afdoende op dat daadwerkelijk door de Minister opgemerkte. Het is door haar gezien, het is niet onopgemerkt gebleven. [199] Daarmee valt het doek voor de klacht.
derde klacht in het subonderdeel.
De klacht ziet vooreerst eraan voorbij dat de OK in rov. 3.58-3.59 van Beschikking II ervan uitgaat dat de Minister, in diens in rov. 3.55, eerste gedachtestreepje bedoelde betoog, met een oneigenlijke achterstelling doelt op een beperking van de “opeisbaarheid” van de onderhavige achtergestelde vorderingen (aldus dat de desbetreffende vorderingen pas opeisbaar zijn nadat de concurrente schuldeisers van SNS Bank, door wie dan ook (bijvoorbeeld door SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring), zijn voldaan). Niet (ook) op een daarvan te onderscheiden beperking van de “betaalbaarheid” van deze vorderingen. Dit betoog laat zo’n uitleg toe, mede gelet op de conclusie daarvan waarin enkel wordt gerept van “betaalbaarheid”, waarmee wordt gedoeld op “gerechtigd zijn tot betaling”: [200]
De klacht ziet verder ten minste eraan voorbij [205] dat de daar bedoelde “taalkundige uitleg” van de “achterstellingsbedingen” in de obligaties genoemd in rov. 3.59 onder a t/m d en f t/m h [206] wel degelijk een andere conclusie toelaat dan dat daarmee (ook) die opeisbaarheid van de achtergestelde vorderingen is beperkt. Welke beperking de OK daar dus niet aanneemt. Wordt gekeken naar hetgeen deze bepalingen vermelden met inbegrip van de in de klacht bedoelde woorden “right of payment”, “payment” en “betaalbaar”, wat de OK niet nalaat in rov. 3.58-3.59, dan is reeds duidelijk dat deze bepalingen ruimte laten om aan te nemen dat die woorden in de sleutel staan van
eigenlijke achterstellingsbepalingen (in de zin van art. 3:277 lid 2 BW Pro). Dus zonder dat daarbij (ook) sprake is van een oneigenlijke achterstelling waarmee die opeisbaarheid van de onderhavige achtergestelde vorderingen is beperkt. Ik verwijs kortheidshalve weer naar rov. 3.59, die voor zich spreekt en geciteerd is onder 3.78.1 hiervoor. Dit behoefde geen nadere motivering door de OK om niet onbegrijpelijk te zijn. Zie ook de behandeling van de tweede klacht in het subonderdeel, onder 3.83.2 hiervoor. Bij deze stand van zaken kan ik daarlaten in hoeverre het beroep dat in de klacht wordt gedaan op stellingen en vindplaatsen in de akte na cassatie en verwijzing zijdens de Minister [207] aansluit op hetgeen daar daadwerkelijk te lezen valt.
Kortom, dat wat de klacht aanvoert, brengt niet mee dat rov. 3.58-3.59 ontoereikend is gemotiveerd door de OK.
vierde klacht in het subonderdeel. Deze loopt vast op het volgende, in lijn met de derde klacht in het subonderdeel.
Zoals daar uiteengezet, onder 3.83.3 hiervoor, is het niet onbegrijpelijk dat de OK in rov. 3.58-3.59 van Beschikking II ervan uitgaat dat de Minister in diens in rov. 3.55, eerste gedachtestreepje bedoelde betoog met een oneigenlijke achterstelling doelt op een beperking van de “opeisbaarheid” van de onderhavige achtergestelde vorderingen (aldus dat de desbetreffende vorderingen pas opeisbaar zijn nadat de concurrente schuldeisers van SNS Bank, door wie dan ook (bijvoorbeeld door SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring), zijn voldaan). Niet (ook) op een daarvan te onderscheiden beperking van de “betaalbaarheid” van deze vorderingen. En is het evenmin onbegrijpelijk dat zij de voorliggende obligaties niet uitlegt als mede inhoudend zo’n oneigenlijke achterstelling bestaande uit die beperking van de opeisbaarheid van deze vorderingen, ondanks het gebruik daarin van de woorden “right of payment”, “payment” en “betaalbaar”.
Dit een en ander laat zich naar de aard doortrekken naar een beperking van de “verrekenbaarheid” van de onderhavige achtergestelde vorderingen, te onderscheiden van een beperking van die opeisbaarheid van deze vorderingen. [208] Dus: de OK hoefde dit betoog van de Minister daar niet te verstaan, wat zij dus ook niet doet, als omvattend een oneigenlijke achterstelling bestaande uit een dergelijke beperking van de verrekenbaarheid van deze vorderingen. En het is evenmin onbegrijpelijk dat zij de voorliggende obligaties niet uitlegt als mede inhoudend zo’n oneigenlijke achterstelling bestaande uit die beperking van de verrekenbaarheid van deze vorderingen, ondanks het gebruik daarin van zulke woorden. Daarbij zij opgemerkt dat de klacht niet wijst op een stellingname ter zake van de Minister, laat staan met vindplaatsverwijzing. Overigens zie ik in dit betoog van de Minister [209] ook nergens staan dat, naar de klacht thans in essentie aanvoert: zo’n beperking van de verrekenbaarheid “rechtens alleen kan worden gekwalificeerd als een oneigenlijke achterstelling”; ook de opname van zo’n beperking van de verrekenbaarheid “er dus op [duidt]” dat de desbetreffende bedingen [210] “(mede) oneigenlijke achterstellingen behelzen”; en de in de klacht bedoelde “passages” in de overeenkomsten (over “betaalbaarheid”, “right of payment”, “payment”, etc.) in dit licht moeten worden bezien.
Kortom, dat wat de klacht aanvoert, brengt evenmin mee dat rov. 3.58-3.59 ontoereikend is gemotiveerd door de OK.
vijfde klacht in het subonderdeel. Ook deze strandt in lijn met de derde klacht in het subonderdeel.
Zoals daar uiteengezet, onder 3.83.3 hiervoor, is het niet onbegrijpelijk dat de OK in rov. 3.58-3.59 van Beschikking II ervan uitgaat dat de Minister in diens in rov. 3.55, eerste gedachtestreepje bedoelde betoog met een oneigenlijke achterstelling doelt op een beperking van de “opeisbaarheid” van de onderhavige achtergestelde vorderingen (aldus dat de desbetreffende vorderingen pas opeisbaar zijn nadat de concurrente schuldeisers van SNS Bank, door wie dan ook (bijvoorbeeld door SNS Reaal uit hoofde van de 403-verklaring), zijn voldaan). Niet (ook) op een daarvan te onderscheiden beperking van de “betaalbaarheid” van deze vorderingen.
Daarmee valt reeds de bodem weg onder de klacht. Deze veronderstelt immers - getuige “opeisbaar c.q.
betaalbaar” - dat de OK dit betoog van de Minister diende te verstaan als omvattend een oneigenlijke achterstelling bestaande uit een beperking van de
betaalbaarheidvan de onderhavige achtergestelde vorderingen, te onderscheiden van een beperking van de opeisbaarheid van deze vorderingen. Dit dus evenwel ten onrechte. Bij deze stand van zaken kan ik daarlaten in hoeverre het beroep dat in de klacht wordt gedaan op een vindplaats in de akte na cassatie en verwijzing zijdens de Minister [211] aansluit op hetgeen daar daadwerkelijk te lezen valt.
Kortom, ook dat wat de klacht aanvoert, brengt niet mee dat rov. 3.58-3.59 ontoereikend is gemotiveerd door de OK.
Ten eersterov. 6.67-6.68. In de laatste passage van rov. 6.68 (dat “de vorderingen van houders van deze [onteigende, A-G] effecten en vermogensbestanddelen derhalve - ook op het niveau van SNS Reaal - pas worden voldaan nadat alle concurrente schuldeisers van SNS Bank zijn voldaan) heeft de OK onmiskenbaar het onder a hiervoor bedoelde betoog van de Minister omarmd, aangaande de doorwerking van de achterstellingen op het niveau van SNS Reaal. [214] Ten tweederov. 6.69. Daar heeft de OK de vraag beoordeeld “of - indien de achtergestelde crediteuren van SNS Bank uit hoofde van de 403-verklaring aankloppen bij SNS Reaal - hun achterstelling ook geldt ten opzichte van de concurrente crediteuren van SNS Reaal.” Deze vraag, waarbij zij doelt niet zozeer op de concurrente schuldeisers van SNS Bank die uit hoofde van de 403-verklaring een concurrente vordering op SNS Reaal hebben (dat zij voorgaan, ook op het niveau van SNS Reaal, volgt immers reeds uit rov. 6.68), maar op alle
andereconcurrente schuldeisers van SNS Reaal, beantwoordt de OK daar bevestigend. Dit in aanvulling op genoemd oordeel aan het slot van rov. 6.68.
De ondernemingskamer heeft hiermee de juiste uitleg-maatstaf gehanteerd.
Uit dat uitgangspunt volgt echter niet anders dan dat SNS Reaal hoofdelijke aansprakelijkheid heeft aanvaard voor de schulden van SNS Bank, hetgeen betekent dat de schuldeisers van SNS Bank hun vorderingen (ook) op het vermogen van SNS Reaal kunnen verhalen. Dat brengt nog niet mee dat SNS Reaal gerechtigd is om tussen die schuldeisers enig onderscheid te maken indien zij zelf niet in staat is om (volledig) te voldoen aan haar verplichtingen, waaronder de verplichtingen die zij met de 403-verklaring op zich heeft genomen. Bij verhaal op het vermogen van een schuldenaar is immers, behoudens door de wet erkende redenen van voorrang, sprake van gelijkheid van crediteuren (art. 3:277 lid 1 BW Pro), en een overeenkomst van achterstelling in de zin van art. 3:277 lid 2 BW Pro tussen SNS Reaal en de achtergestelde schuldeisers van SNS Bank ontbreekt. Indien SNS Reaal de mogelijkheden van laatstbedoelde schuldeisers tot verhaal op haar eigen vermogen had willen beperken - daargelaten of daarmee aan de eisen van art. 2:403 BW Pro zou zijn voldaan - zou daarvan uit de 403-verklaring, uitgelegd naar objectieve maatstaven, moeten blijken.
De incidentele middelen klagen terecht over deze overwegingen. De omstandigheid dat de betrokken crediteuren met SNS Bank een achterstelling zijn overeengekomen, zegt immers alleen iets over hun positie bij verhaal op het vermogen van SNS Bank. Indien de overeenkomsten ‘niets zeggen’ over de verhaalspositie van de betrokken crediteuren ten opzichte van een derde, zoals de ondernemingskamer heeft vastgesteld, valt niet in te zien waarom - (ook) in de objectieve uitleg waarvan de ondernemingskamer is uitgegaan - het risico dat de crediteuren in hun verhouding tot SNS Bank hebben aanvaard ook zou gelden ten opzichte van een zodanige derde. De aard van een achterstellingsbeding als bedoeld in art. 3:277 lid 2 BW Pro brengt mee dat het alleen betrekking heeft op de rangorde bij verhaal op het vermogen van de desbetreffende schuldenaar.
De achterstelling is niet een eigenschap van de verbintenis zelf (zoals bijvoorbeeld het geval is bij de opeisbaarheid van een verbintenis ingevolge een daartoe strekkend beding, in welk geval die eigenschap door iedere schuldenaar van de verbintenis kan worden ingeroepen), maar een van de wettelijke hoofdregel afwijkende volgorde voor verhaal ter zake van die verbintenis op het vermogen van de schuldenaar die het beding is aangegaan. Een door een schuldeiser met SNS Bank overeengekomen achterstellingsbeding heeft dan ook geen invloed op het verhaal van die schuldeiser op het vermogen van een derde, zoals SNS Reaal, die uit hoofde van een 403-verklaring hoofdelijk aansprakelijk is voor de desbetreffende verbintenis en die geen partij was bij het achterstellingsbeding.
4.35.1 Hetgeen hiervoor in 4.34.3 en 4.34.4 is overwogen, brengt mee dat de hiervoor in 4.33 bedoelde klachten in zoverre gegrond zijn. De klachten van de incidentele middelen tegen de rov. 6.59-6.72 kunnen voor het overige buiten behandeling blijven.”
SNS Bankdie uit hoofde van de 403-verklaring SNS Reaal aanspreken - klaarblijkelijk voort op rov. 6.68 OK2013 [Beschikking I, A-G]. In rov. 3.53 TB1 [Beschikking II, A-G] overweegt de OK dat uw Raad "dit oordeel" heeft gecasseerd (waarmee de OK kennelijk heeft willen zeggen dat uw Raad de daartegen gerichte klachten gegrond heeft bevonden). Voor zover de OK met "dit oordeel" mede doelt op het oordeel van de OK in rov. 6.68 OK2013 [Beschikking I, A-G] (en het daarop voortbouwende gedeelte van rov. 6.72), is zulks in het licht van het voorgaande onbegrijpelijk. Uw Raad heeft de klachten tegen rov. 6.68 OK2013 [Beschikking I, A-G], en daarmee ook tegen rov. 6.72 voor zover dat voortbouwt op rov. 6.68 OK2013 [Beschikking I, A-G], immers onbehandeld gelaten.”
eerste klacht in het subonderdeel.
tweede klacht in het subonderdeel.
eerste klacht in het subonderdeel.
In rov. 3.57 van Beschikking II (“De hierboven samengevatte standpunten van de Minister en Brigade Fund c.s.”, etc.) respondeert de OK op het in rov. 3.55, eerste en tweede gedachtestreepje bedoelde standpunt van de Minister respectievelijk Brigade Fund c.s. als ingenomen na cassatie en verwijzing. Daarmee heeft de OK dus niet het oog op het onder 3.85.1 sub a hiervoor weergegeven, door het subonderdeel bedoelde standpunt van de Minister als ingenomen voorafgaand aan Beschikking I. Wat betreft laatstgenoemd standpunt van de Minister volgt uit rov. 3.54 van Beschikking II al dat dit in Beschikking II, na cassatie en verwijzing, niet meer ter beoordeling voorligt. Daar brengt de OK, voor zover relevant, immers reeds tot uitdrukking dat zij in rov. 6.64 van Beschikking I heeft overwogen dat de in deze zaak aan de orde zijnde achterstellingen berusten op overeenkomsten als bedoeld in art. 3:277 lid 2 BW Pro die bepalen dat de desbetreffende vordering jegens alle of bepaalde schuldeisers een lagere rang inneemt dan de wet haar toekent. Anders gezegd: hier is alleen sprake van eigenlijke achterstellingen (in de zin van art. 3:277 lid 2 BW Pro), niet (ook) van oneigenlijke achterstellingen. Wat laatstgenoemd standpunt van de Minister naar de aard uitsluit. Welk standpunt de OK dus evenmin heeft omarmd in rov. 6.68 van Beschikking I. Zij redeneert (ook) daar vanuit zulke eigenlijke achterstellingen, wat logisch is gezien dat duidelijke vertrekpunt als verwoord in die rov. 6.64 (zie bijvoorbeeld ook rov. 6.67, waarvoor hetzelfde geldt). En dit oordeel in die rov. 6.64 is in cassatie niet bestreden, aldus de OK in die rov. 3.54 (het “althans tevergeefs” aldaar ziet m.i. op rov. 6.69 van Beschikking I, niet op die rov. 6.64). Waarmee zij kenbaar maakt dat dit oordeel in die rov. 6.64 na cassatie en verwijzing, dus ook in Beschikking II, gegeven is: de OK is daaraan gebonden. [216] Zie tevens de behandeling van subonderdeel VII.a, onder 3.80.1 hiervoor.
Het subonderdeel richt geen klacht tegen deze overwegingen van de OK in rov. 3.54 van Beschikking II. Deze uitleg aldaar door de OK van rov. 6.64 van Beschikking I en de Hoge Raad-beschikking uit 2015 in de onderhavige procedure is ook niet onbegrijpelijk. In die rov. 6.64 laat de OK geen onduidelijkheid erover bestaan, na een samenvatting te hebben gegeven van art. 3:277 lid Pro 1-2 BW, dat naar haar oordeel “[d]e in deze zaak aan de orde zijnde achterstellingen berusten op dergelijke overeenkomsten”: dus eigenlijke achterstellingen in de zin van art. 3:277 lid 2 BW Pro. Zoals bestudering van (het partijdebat inzake) de cassatieberoepen die voorlagen in die cassatieprocedure leert en de conclusie van A-G Timmerman voor deze Hoge Raad-beschikking bevestigt, [217] wat doorwerkt in deze beschikking (waaronder rov. 4.31-4.35.2), werd die rov. 6.64 als zodanig daarin niet bestreden. Noch rov. 6.68 van Beschikking I voor zover de OK daarin voortbouwt op dat oordeel in die rov. 6.64. De A-G heeft in deze conclusie niet voor niets onomwonden vastgesteld dat ”[e]en achterstelling in ‘eigenlijke’ zin zoals die hier aan de orde is” bestaat uit “de achterstelling waardoor een vordering een lagere rang inneemt dan de wet aan die vordering toekent”, welke “kan berusten op een overeenkomst tussen de schuldeiser en de schuldenaar (zie art. 3:277 lid 2 BW Pro).” [218] Waarvan dus ook de Hoge Raad kenbaar is uitgegaan in deze beschikking, zoals rov. 4.34.3-4.34.4 daarvan - geciteerd onder 3.85.1 sub c hiervoor - onderstrepen: die draaien om zulke
eigenlijkeachterstellingen, oftewel “een overeenkomst van achterstelling in de zin van art. 3:277 lid 2 BW Pro”, “een achterstellingsbeding als bedoeld in art. 3:277 lid 2 BW Pro”. [219] Er lagen ter zake dan ook geen klachten voor in die cassatieprocedure, laat staan klachten die de Hoge Raad kon honoreren of onbehandeld kon laten in deze beschikking. De klacht betoogt ook niet gericht in andere zin (evenmin via de onder 3.85.1 hiervoor weergegeven stellingname van de Minister).
Hieruit volgt dat de OK in rov. 3.57 van Beschikking II kon voortbouwen op rov. 3.54 van deze beschikking inzake rov. 6.64 van Beschikking I zoals zij daar doet, bij het responderen op dat in rov. 3.55, eerste en tweede gedachtestreepje bedoelde standpunt van de Minister respectievelijk Brigade Fund c.s. als ingenomen na cassatie en verwijzing. En dat zij in die rov. 3.57 dus geen blijk geeft van miskenning van haar taak als verwijzingsrechter en/of van de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en terugwijzing, noch van een onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd oordeel, zoals bedoeld in de klacht met een beroep op de onder 3.85.1 hiervoor sub a t/m c weergegeven stellingname van de Minister. Tot slot: het in de klacht opgenomen ingesprongen tekstblok biedt evenmin soelaas. Anders dan de klacht daarin veronderstelt, heeft de OK in rov. 3.52-3.53 van Beschikking II duidelijk slechts het oog op haar overwegingen in rov. 6.69 van Beschikking I als samengevat in rov. 6.72 van deze beschikking (“In haar eerste beschikking (r.o. 6.69 en 6.72)”, etc.), waarover volgens de Hoge Raad in rov. 4.34.4 van die beschikking uit 2015 de incidentele cassatiemiddelen terecht klagen. Daarmee valt ook in zoverre de bodem weg onder de klacht.
tweede klacht in het subonderdeel. Deze strandt in lijn met de eerste klacht in het subonderdeel, zie onder 3.86.1 hiervoor. Naar daaruit volgt, is er geen sprake van een ander oordeel van de OK in rov. 3.58-3.59 van Beschikking II ten opzichte van haar oordeel in rov. 6.68 van Beschikking I, waar zij immers al kenbaar zo redeneert vanuit alleen
eigenlijkeachterstellingen (in de zin van art. 3:277 lid 2 BW Pro).
4.De bespreking van de incidentele cassatiemiddelen
De cassatieklachten
tout court- zonder individuele toetsing en ongeacht de werkelijk gemaakte kosten - te bepalen” dat voor een partij, die opgave heeft gedaan van de gemaakte kosten, die kosten in redelijkheid ten hoogste een bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW kunnen bedragen, ook als de opgegeven kosten (zoals die van Aviva c.s.) dit bedrag te boven gaan en de daarvan verstrekte specificaties voldoende zijn.
integraalworden vergoed, terwijl met terughouding dient te worden omgegaan met het matigen van de werkelijk gemaakte kosten.
De ondernemingskamer heeft voor recht verklaard dat de Staat deze kosten moet vergoeden.
Beschikking II, VI en IX
De proceskosten2.64 Op grond van artikel 6:11 lid 4 Wft Pro geeft de Ondernemingskamer omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak als zij meent dat behoort. In zijn beschikking van 20 maart 2015 heeft de Hoge Raad overwogen dat kosten van deskundigen op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft Pro voor vergoeding in aanmerking komen als kosten van het geding. Daarbij heeft de Hoge Raad opgemerkt dat de Ondernemingskamer bij de vaststelling van een proceskostenveroordeling in zaken als de onderhavige een grote mate van vrijheid heeft en dat zij in belangrijke mate is ontheven van haar motiveringsplicht. Bij de beoordeling van de kosten van door partijen ingeschakelde deskundigen ligt het in de rede dat de Ondernemingskamer onderzoekt of de kosten waarvan vergoeding wordt verlangd, in redelijkheid zijn gemaakt en binnen een redelijke omvang zijn gebleven, aldus de Hoge Raad.”
2.67 De Ondernemingskamer stelt vast dat de opgaven van door partijen gemaakte kosten onderling sterk verschillen, dat niet alle partijen een opgave hebben verstrekt en dat niet alle partijen zich hebben voorzien van rechtsbijstand. De Minister heeft ten aanzien van een deel van door partijen overgelegde kostenopgaven concreet verweer gevoerd en zich overigens in meer algemene zin uitgelaten over de verzochte proceskostenvergoedingen (waaronder de wettelijke rente en de btw). De Ondernemingskamer zal een en ander hierna bespreken.”
algemeen2.68 De Minister heeft allereerst aangevoerd dat partijen die geen schadeloosstelling zullen ontvangen omdat de waarde van hun onteigende effecten en vermogensbestanddelen op nihil is vastgesteld, als in het ongelijk gestelde partijen geen recht hebben op een proceskostenvergoeding. De Ondernemingskamer volgt dit standpunt niet. Om tot een vaststelling van de omvang van de schadeloosstelling te kunnen komen zijn uiteindelijk twee zeer omvangrijke deskundigenberichten nodig geweest en daarover heeft telkens een zeer uitgebreid partijdebat plaatsgevonden dat zich over vele jaren heeft uitgestrekt. Onder die omstandigheden en de hierboven in 2.65 genoemde omstandigheden moet er van worden uitgegaan dat alle onteigende partijen in redelijkheid hebben kunnen besluiten om zich tegen het aanvankelijk aanbod van de Minister te verzetten en kan hen niet achteraf worden tegengeworpen dat zij uiteindelijk geen recht op schadeloosstelling blijken te hebben. Ook de door de partijen die geen schadeloosstelling zullen ontvangen in deze procedure gemaakte kosten zijn daarom in redelijkheid gemaakt en komen voor vergoeding in aanmerking, voor zover zij binnen een redelijke omvang zijn gebleven.
2.69 De Minister heeft verder aangevoerd dat onder de kosten van rechtsbijstand niet de kosten kunnen worden begrepen die door de onteigende partijen zelf zijn gemaakt ten behoeve van het voeren van de onderhavige procedure. Blijkens de beschikking van de Hoge Raad van 20 maart 2015 ligt het in de rede om ter zake de proceskostenvergoeding aan te sluiten bij de rechtspraak over de maatstaf van artikel 50 lid 4 Onteigeningswet Pro. Dienaangaande heeft de Hoge Raad eerder overwogen dat artikel 50 lid 4 Onteigeningswet Pro weliswaar in die zin ruim moet worden opgevat dat onder de kosten van het proces mede moeten worden begrepen de redelijke kosten van door derden verleende bijstand, maar dat voor een uitleg die daaronder mede verstaat de kosten wegens de door de onteigende zelf aan de procedure bestede tijd, in de parlementaire geschiedenis geen steun is te vinden (HR 3 januari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AA9973). Dit betekent dat de kosten ter zake van de door de onteigende partijen zelf aan de procedure bestede tijd niet voor vergoeding in aanmerking komen.
2.70 Ten aanzien van de verschuldigde btw over de kosten van rechtsbijstand en de kosten van ingeschakelde deskundigen in een onteigeningsprocedure heeft de Hoge Raad in het kader van de toepassing van artikel 50 lid 4 Onteigeningswet Pro geoordeeld dat een ondernemer deze btw niet in aftrek kan nemen of terugvragen (HR 1 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:531). De proceskostenvergoeding zal daarom, indien verzocht, inclusief de verschuldigde btw worden toegewezen.
Brigade Fund c.s.2.80 Brigade Fund c.s. heeft opgegeven dat zij aan kosten van rechtsbijstand en aan kosten van deskundigen een bedrag van USD 7.325.998,96 heeft voldaan. De Ondernemingskamer acht de daarvan verstrekte specificaties voldoende en acht de omvang van de gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.000.000 redelijk. De Ondernemingskamer zal ten behoeve van Brigade Fund c.s. een proceskostenveroordeling uitspreken van € 1.000.000.”
Terug naar de klachten
Rov. 2.64-2.71 omvatten het ook voor Aviva c.s. en Brigade Fund c.s. geldende oordeel van de OK - in rov. 2.65-2.66 - dat het redelijk is dat belanghebbenden eigen deskundigen hebben ingeschakeld en dat de door de onteigende partijen gemaakte kosten van rechtsbijstand en door hen ingeschakelde deskundigen in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen, voor zover die kosten ook in een redelijke omvang zijn gemaakt (onder 4.7.2 hierna ga ik in op de vraag welke werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen zij daarbij op het oog heeft; zoals daaruit blijkt, gaat het om deze kosten voor zover die betrekking hebben op de onderhavige schadeloosstellingsprocedure). Hierin ligt besloten dat volgens de OK ten aanzien van deze werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen is voldaan aan de eerste stap van de dubbele redelijkheidstoets, dus dat het redelijk was deze kosten te maken. De in rov. 3.3 door haar ten aanzien van Aviva c.s. en Brigade Fund c.s. bereikte slotsom is mede daarop gebaseerd.
In rov. 2.79-2.80 overweegt de OK de door Aviva c.s. en Brigade Fund c.s. verstrekte specificaties van de door hen opgegeven werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen “voldoende” te achten, in de zin dat deze specificaties voldoende inzicht geven in de door deze partijen opgegeven werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen. Iets meer of anders bedoelt zij daar niet. Meer in het bijzonder is met deze overweging niet gezegd, gezien het voorgaande en naar ook volgt uit rov. 2.79-2.80, dat volgens de OK voor doeleinden van art. 6:11 lid 4 Wft Pro deze door partijen opgegeven werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen in redelijkheid zijn gemaakt (de eerste stap van de dubbele redelijkheidstoets) en binnen een redelijke omvang zijn gebleven (de tweede stap van de dubbele redelijkheidstoets). Wat zij oordeelt inzake de eerste stap van de dubbele redelijkheidstoets, ook ten aanzien van Aviva c.s. en Brigade Fund c.s., zette ik hiervoor uiteen. Op wat de OK oordeelt inzake de tweede stap van de dubbele redelijkheidstoets ten aanzien van Aviva c.s. en Brigade Fund c.s. - in rov. 2.72, 2.79-2.80 en 3.3 - kom ik terug onder 4.7.3 hierna. Laatstgenoemde oordelen van de OK moeten worden onderscheiden van, en kunnen prima staan naast, haar genoemde overweging inzake die door Aviva c.s. en Brigade Fund c.s. verstrekte specificaties.
De OK oordeelt in Beschikking IX kenbaar, uitgaande van een zelfstandige taak ter zake, dat de door de onteigende partijen werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en door hen ingeschakelde deskundigen in - kort gezegd - de bestuurlijke fase voorafgaand aan de onderhavige schadeloosstellingsprocedure naar de aard niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen in laatstgenoemde procedure op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft Pro, omdat deze kosten niet zijn gemaakt in het kader van laatstgenoemde procedure. Zij verdisconteert deze kosten dus niet in de proceskostenveroordelingen. Dat geldt dus ook voor hetgeen de OK ter zake overweegt ten aanzien van Aviva c.s. en Brigade Fund c.s., mede in rov. 2.79-2.80 en 3.3.
Dit oordeel blijkt bijvoorbeeld uit rov. 2.65, waarop rov. 2.66 aansluit. In rov. 2.65 brengt de OK in herinnering te hebben overwogen in Beschikking II dat het redelijk is dat belanghebbenden eigen deskundigen hebben ingeschakeld gegeven de daar bedoelde omstandigheden, waarbij zij onder meer verwijst naar “de onderhavige procedure”, “het verloop van de procedure” en “het grote belang voor de onteigenden bij een juiste vaststelling van de schadeloosstelling”. In rov. 2.66 gaat zij vervolgens in, onder verwijzing naar Beschikking VI, op de door de onteigende partijen gemaakte kosten van rechtsbijstand en door hen ingeschakelde deskundigen die in beginsel voor vergoeding in aanmerking komen, voor zover “die kosten” ook in redelijke omvang zijn gemaakt. Wat evenmin zulke pre-schadeloosstellingsprocedurekosten omvat. Zie onder 4.5.2 hiervoor.
Ik wijs verder bijvoorbeeld op rov. 2.68. Daar overweegt de OK dat om de daar genoemde redenen ook door de partijen die geen schadeloosstelling zullen ontvangen “in deze procedure gemaakte kosten” in redelijkheid gemaakt zijn en voor vergoeding in aanmerking komen, voor zover deze kosten - dus die “in deze procedure gemaakte kosten” - binnen een redelijke omvang zijn gebleven. En op rov. 2.69. Daar honoreert zij het verweer van de Minister dat onder de kosten van rechtsbijstand niet de kosten kunnen worden begrepen die door de onteigende partijen zelf zijn gemaakt “ten behoeve van het voeren van de onderhavige procedure”. En op rov. 2.72. Daar overweegt de OK ten aanzien van de partijen die een opgave hebben gedaan van de werkelijk gemaakte kosten mede dat de door een partij in redelijkheid “ten behoeve van deze procedure” te maken kosten van rechtsbijstand en door hen ingeschakelde deskundigen gezamenlijk ten hoogste een bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW kunnen bedragen. Zie weer onder 4.5.2 hiervoor.
In lijn hiermee overweegt de OK in rov. 2.79-2.80 dat zij de door Aviva c.s. en Brigade Fund c.s. opgegeven werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen “tot een bedrag van € 1.000.000 redelijk [acht]”. Waarmee zij dus ook gemotiveerd tot uitdrukking brengt - zie hiervoor - dat er geen aanleiding bestaat om van die door Aviva c.s. respectievelijk Brigade Fund c.s. opgegeven kosten minder dan € 1 miljoen voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Dit laatste is dan nog niet gegeven met haar oordeel in rov. 2.72. Hetzelfde doet de OK bij de in rov. 2.74 genoemde belanghebbenden. Naar volgt uit rov. 2.74-2.103 komt de OK ten aanzien van de overige in rov. 2.72 bedoelde partijen die een opgave hebben gedaan van de werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen niet toe aan hantering van genoemd maximum. Wel beoordeelt zij ook daar - net zoals in rov. 2.74 en 2.79-2.80 voor het deel onder/tot dat maximum - separaat per betrokken partij(en) in hoeverre de omvang van die opgegeven kosten (waarvan de verstrekte specificatie voldoende is), mede gezien de daarvoor verrichte werkzaamheden, redelijk te achten valt. Het is niet zo dat deze partijen hier wel ‘vrij spel hebben’, omdat zij onder dat maximum vallen. Zie onder 4.5.2 hiervoor.
De OK snijdt in Beschikking IX wat betreft Aviva c.s. en Brigade Fund c.s. - specifiek in rov. 2.79-2.80 en 3.3 - met de onder 4.7.3 hiervoor bedoelde maximering deels de pas af niet zozeer naar vergoeding via art. 6:11 lid 4 Wft Pro van de opgegeven werkelijk gemaakte kosten van deskundigen, als wel naar vergoeding via art. 6:11 lid 4 Wft Pro van de opgegeven werkelijk gemaakte kosten van
rechtsbijstand(voor zover deze kosten zijn gemaakt in het kader van de onderhavige schadeloosstellingsprocedure, want daartoe beperkt de OK zich ter zake dus; zie onder 4.7.2 hiervoor). Dit oordeel strookt met het door de Minister gevoerde verweer met betrekking tot Brigade Fund c.s. waarop de OK mede doelt in rov. 2.67 (met dien verstande dat zij in Beschikking IX met een bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW de proceskostenveroordeling ten gunste van Brigade Fund c.s. op een wat lager bedrag stelt dan waarop de Minister koerst in dat verweer, [237] die daarbij evenwel de onder 4.7.2, tweede alinea hiervoor bedoelde kosten [238] niet als zodanig uitsluit, [239] wat de OK dus wel doet). Dit tegen de kostenopgave van Brigade Fund c.s. gerichte verweer van de Minister spitst zich - naast de kwesties van wettelijke rente en BTW - onderbouwd toe op de door Brigade Fund c.s. werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand. Deze kosten merkt hij daar aan als “in omvang onredelijk (en zelfs exorbitant)”, oftewel buitenproportioneel. [240] Genoemd oordeel behoefde m.i. geen nadere motivering door de OK aldaar, gelet op hetgeen door de Minister ter zake is aangevoerd, waarover hiervoor. Alsmede op hetgeen zij overigens kenbaar betrekt, althans buiten beschouwing laat, in Beschikking IX. Zie onder 4.7.1-4.7.3 hiervoor. Op de grote mate van vrijheid die de OK toekomt bij toepassing van de dubbele redelijkheidstoets in het kader van art. 6:11 lid 4 Wft Pro, plus het gegeven dat zij daarbij in belangrijke mate is ontheven van haar motiveringsplicht. [241] Zie onder 4.7.5 hierna. En op hetgeen ik uiteenzet onder 4.7.10 hierna.
Daarbij verdient het volgende nog opmerking. De OK verwijst in rov. 1.29 onder meer naar door haar op 3 september 2020 van Brigade Fund c.s. ontvangen producties. Niet ook naar de inhoud van de begeleidende brief zijdens Brigade Fund c.s. van gelijke datum met betrekking tot de kosten, los van de enkele verwijzing daarin naar die producties met korte toelichting daarop (zie voor die inhoud p. 1, vanaf de derde alinea (“Brigade c.s. verwachten nog”, etc.) t/m het slot op p. 6 van die brief). [242] Dat de OK de inhoud van die brief in zoverre bij haar beoordeling buiten beschouwing laat in Beschikking IX valt goed te verklaren door rov. 1.27-1.28, waar zij overweegt:
in zoverresprake is van een volledige kostenvergoeding.
welmet de hier centraal staande bepaling (art. 6:11 lid 4 Wft Pro) en de blijkens de rechtspraak aan art. 50 lid 4 Ow Pro ten grondslag liggende uitgangspunten, waaraan bij eerstgenoemde bepaling relevantie toekomt. Daarom mist dus ook het daaraan voorafgaande in dat nr. III.10 doel. Zie onder 4.7.5-4.7.8 hiervoor. Daarvoor geldt bovendien dat het blijkens het partijdebat - door Aviva c.s. deels aangehaald in onderdeel 2, waarnaar dat nr. III.10 ook verwijst -
nietzo is dat tussen de Minister en Aviva c.s. “geen verschil van inzicht” bestond over de vraag of de kostenopgave van Aviva c.s. “de dubbele redelijkheidstoets” doorstond. Waar Aviva c.s. die vraag in beider opzicht - de eerste stap én de tweede stap van genoemde redelijkheidstoets - bevestigend beantwoordden, [254] deed de Minister dat duidelijk alleen ten aanzien van die eerste stap. [255] Immers, ten aanzien van die tweede stap betwistte de Minister - kort gezegd - de opgevoerde rente en BTW en beperkte hij zich overigens uitdrukkelijk tot het zich refereren aan het oordeel ter zake van de OK. [256] Ook met dit laatste omarmde de Minister dus geen stellingname van Aviva c.s., impliciet noch expliciet, maar maakte hij kenbaar zich te zullen voegen naar dat eigen oordeel van de OK, om welk eigen oordeel de Minister de OK daarmee dus in wezen verzocht. Ik wijs in dit verband verder nog op het volgende.
zelfstandigdient te bepalen - met inachtneming van de dubbele redelijkheidstoets - of en in hoeverre op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft Pro werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen waarvan vergoeding wordt verzocht voor vergoeding in aanmerking komen. Waaraan een ontbreken van rechtsstrijd ter zake tussen twee of meer verschenen partijen, voor zover daarvan sprake is, dan logischerwijs niet in de weg staat. Dit strookt tevens met de onderkenning door de Hoge Raad dat de OK blijkens die bewoordingen van art. 6:11 lid 4 Wft Pro een grote mate van vrijheid heeft bij de vaststelling van zo’n proceskostenveroordeling. [258] En met de redelijkheidssleutel waarin de daarbij aan te houden ‘dubbele toets’ staat. Die naar de aard is gerelateerd aan het bereiken van een evenwichtige uitkomst, bezien ook in het licht van de procedure als geheel en de daarbij betrokken partijen (tevens in onderlinge verhouding). Zie onder 4.5.1 hiervoor. Zaken, bovendien, waarin ook sprake kan zijn - en, naar de OK vaststelt in rov. 2.67 van Beschikking IX, in de onderhavige zaak sprake is - van partijen die zich niet hebben voorzien van rechtsbijstand. Zie onder 4.5.2 hiervoor.
nietbinnen een redelijke omvang is gebleven en dus niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dit is de
eerste klacht in het onderdeel.
integraalmoeten worden vergoed. De OK heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom dat in dit geval niet zou opgaan voor Aviva c.s. Dit is de
tweede klacht in het onderdeel.
derde klacht in het onderdeel.
vierde klacht in het onderdeel.
vijfde klacht in het onderdeel.
eerste klacht in het onderdeel.
eerstecluster betreft “de kosten van juridische en andere bestuurlijke bijstand in de bestuurlijke voorprocedure en de procedure bij het EHRM” (onder (i) t/m (v)). Het
tweedecluster betreft “de kosten van ingeschakelde deskundigen” (onder (vi) t/m (xii)). Het
derdecluster betreft “de juridische kosten” (onder (xiii) t/m (xxv)). Ik kom hierop terug voor zover nodig bij de behandeling van het onderdeel. Dit is de
tweede klacht in het onderdeel.
onderdeel van Brigade Fund c.s.
eerste klacht in het onderdeel. Deze boekt geen succes.
De klacht loopt vooreerst erop vast dat de OK de in rov. 2.65 van Beschikking IX door haar genoemde omstandigheden wel degelijk en kenbaar ook betrekt in het kader van de te hanteren tweede stap van de dubbele redelijkheidstoets, mede bestrijkend de redelijkheid van de omvang van de door Brigade Fund c.s. werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen. Zie onder 4.13 hiervoor. De klacht gaat dus uit van een onjuiste lezing van Beschikking IX en mist daarmee feitelijke grondslag, waar deze veronderstelt dat de OK daar deze omstandigheden niet althans niet kenbaar onderzoekt althans verdisconteert.
Voor zover het vervolg van de klacht voortbouwt op onderdeel 1 van Brigade Fund c.s., dat faalt, deelt deze in het lot daarvan. Zie onder 4.6-4.9 hiervoor.
Voor zover de klacht nog met feitelijke grondslag aanvoert dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat de door de OK in Beschikking IX gehanteerde benadering in het kader van de tweede stap van de dubbele redelijkheidstoets “leidt tot een als redelijk te oordelen omvang van de te vergoeden kosten”, ziet deze eraan voorbij dat de OK in Beschikking IX wel degelijk afdoende duidelijk maakt waarom zij ten aanzien van de in rov. 2.72 bedoelde partijen - hier specifiek ook wat betreft Brigade Fund c.s. - tot het oordeel komt dat de omvang van deze door de desbetreffende partijen opgegeven werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen, waarvan de verstrekte specificaties voldoende zijn, redelijk zijn te achten (voor onder anderen Aviva c.s. en Brigade Fund c.s. dus tot een bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW). Zie weer onder 4.13 hiervoor.
Dit wordt niet anders door de stelling in de klacht dat dit bedrag van € 1 miljoen “zonder nadere motivering, die ontbreekt, volstrekt willekeurig lijkt te zijn gekozen”. Naar dus blijkt uit Beschikking IX is de OK daar niet “volstrekt willekeurig” tot dit maximum gekomen. Noch door de stelling in de klacht dat hantering van dit maximum voor Brigade Fund c.s. “een zeer ingrijpende afslag [vormt] van niet minder dan 80% tot 85% op de werkelijk gemaakte kosten”. Dit moet immers worden bezien in het licht van hetgeen de OK daarbij in Beschikking IX kenbaar in aanmerking neemt en buiten beschouwing laat. Zie weer onder 4.13 hiervoor.
Daarmee ontvalt de bodem aan de klacht.
tweede klacht in het onderdeelboekt evenmin succes.
De klacht doet, zoals gezegd, een beroep op drie clusters aan essentiële stellingen, uit het procesverloop blijkende essentiële omstandigheden dan wel feiten van algemene bekendheid.
Bij elk van deze clusters zij vooropgesteld dat de overweging van de OK in rov. 2.80 van Beschikking IX de door Brigade Fund c.s. verstrekte specificaties van hun opgegeven werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen (een totaalbedrag van US$ 7.325.998,96) voldoende te achten, moet worden onderscheiden van, en prima kan staan naast, haar daaropvolgende overweging dat zij de omvang van de werkelijk gemaakte kosten ter zake tot een bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW redelijk acht. Dit is geenszins onbegrijpelijk, zoals ik eerder al uiteenzette. Zie onder 4.7.1 hiervoor. En behoeft geen verdere toelichting. Daaraan voeg ik per cluster het volgende toe.
Eerst het
eerstecluster. De OK oordeelt in Beschikking IX kenbaar, uitgaande van een zelfstandige taak ter zake, dat de in dit cluster bedoelde werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand in - kort gezegd - de bestuurlijke fase voorafgaand aan de onderhavige schadeloosstellingsprocedure naar de aard niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen in laatstgenoemde procedure op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft Pro, omdat deze kosten niet zijn gemaakt in het kader van laatstgenoemde procedure. Zij verdisconteert deze kosten dus ook bij Brigade Fund c.s. - mede in rov. 2.80 en 3.3 - niet in de proceskostenveroordeling. Zie onder 4.7.2 hiervoor. De OK gaat daarbij dus uit van de rechtsopvatting dat door de onteigende partijen werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand (en deskundigen) die niet zijn gemaakt in het kader van de schadeloosstellingsprocedure waarin een proceskostenveroordeling op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft Pro aan de orde is, want zijn gemaakt ten behoeve van een of meer daaraan voorafgaande procedures, naar de aard niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen in zo’n schadeloosstellingsprocedure op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft Pro. De OK gaat daarbij verder dus ervan uit dat de in dit cluster bedoelde, door Brigade Fund c.s. werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand zien op - kort gezegd - de bestuurlijke fase voorafgaand aan de onderhavige schadeloosstellingsprocedure, oftewel zijn gemaakt in het kader van die bestuurlijke fase, niet van de onderhavige schadeloosstellingsprocedure. En dat deze door Brigade Fund c.s. werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand gelet op dit een en ander dus niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen in laatstgenoemde procedure op de voet van art. 6:11 lid 4 Wft Pro. Ik lees in onderdelen 1 t/m 3 van Brigade Fund c.s. geen onderkenning, laat staan bestrijding, van specifiek deze door de OK in Beschikking IX gehuldigde rechtsopvatting en haar daarop aansluitende oordeel aldaar inzake de in dit cluster bedoelde, door Brigade Fund c.s. werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand. [262] Zie onder 4.3-4.3.2 en 4.11-4.11.2 hiervoor, alsmede onder 4.18-4.18.2 hierna. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de in dit cluster bedoelde stellingen/omstandigheden/feiten de conclusie rechtvaardigen dat het oordeel van de OK in Beschikking IX inzake de aan Brigade Fund c.s. toekomende proceskostenveroordeling niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.
Dan het
tweedecluster. Blijkens rov. 2.80 van Beschikking IX gaat de OK ervan uit dat Brigade Fund c.s. hebben opgegeven dat zij “aan kosten van rechtsbijstand en aan kosten van deskundigen” in totaal een bedrag van US$ 7.325.998,96 hebben voldaan. Daarmee zoekt zij kenbaar, en niet onbegrijpelijk, aansluiting bij het overzicht van kosten “juridische bijstand” en kosten “deskundige bijstand” in nr. 6.23 van de antwoordakte na het nadere deskundigenbericht zijdens Brigade Fund c.s. De daarin genoemde bedragen tellen op tot dat bedrag van US$ 7.325.998,96. Ik lees in de onderdelen 1 t/m 3 van Brigade Fund c.s. geen daartegen gerichte klacht. Door hen wordt juist onderstreept dat zij ter adstructie van de redelijkheid van de omvang van de kosten van juridische en andere deskundige bijstand concreet en gemotiveerd hebben aangevoerd dat en waarom hun werkelijke kosten US$ 7.325.998,96 hebben bedragen. [263] En dat in cassatie niet is bestreden het oordeel van de OK in rov. 2.80 dat zij de specificaties die Brigade Fund c.s. hebben verstrekt van dit opgegeven bedrag aan kosten ad US$ 7.325.998,96 voldoende acht. [264] De OK betrekt in rov. 2.72, 2.80 en 3.3 kenbaar de in dit door Brigade Fund c.s. opgegeven bedrag van US$ 7.325.998,96 vervatte werkelijk gemaakte kosten van deskundigen, voor zover deze dus zien op de onderhavige schadeloosstellingsprocedure, alsmede de stellingen van Brigade Fund c.s. die daarop betrekking hebben (behoudens de brief zijdens Brigade Fund c.s. aan de OK van 3 september 2020, zie onder 4.7.4 hiervoor). Met dien verstande dat zij, uitgaande van een zelfstandige taak ter zake, van dit door Brigade Fund c.s. opgegeven bedrag (waarvan de verstrekte specificaties voldoende zijn) de omvang ervan tot een bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW redelijk acht. En daarom ten behoeve van Brigade Fund c.s. een proceskostenveroordeling uitspreekt van € 1 miljoen inclusief BTW. Dit oordeel is, zoals gezegd, afdoende gemotiveerd. Zie onder 4.13 hiervoor. Daarbij memoreer ik - in aanvulling op het hiervoor opgemerkte inzake het eerste cluster - dat de OK met die maximering deels de pas afsnijdt niet zozeer naar vergoeding van genoemde werkelijk gemaakte kosten van deskundigen (voor zover deze zien op de onderhavige schadeloosstellingsprocedure), als wel en toereikend gemotiveerd naar vergoeding van de in dit door Brigade Fund c.s. opgegeven bedrag vervatte werkelijk gemaakte kosten van
rechtsbijstand(voor zover deze zien op de onderhavige schadeloosstellingsprocedure). Zie onder 4.7.4 hiervoor. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond om in cassatie bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag aan te nemen dat “de omvang van de door Brigade Fund c.s. gevorderde kosten van deskundige bijstand redelijk is”. De OK oordeelt immers kenbaar in deze zin in Beschikking IX, zie in het bijzonder rov. 2.80 en 3.3; waarover hiervoor. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de in dit cluster bedoelde stellingen/omstandigheden/feiten de conclusie rechtvaardigen dat het oordeel van de OK in Beschikking IX inzake de aan Brigade Fund c.s. toekomende proceskostenveroordeling niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.
Tot slot het
derdecluster. De OK betrekt in rov. 2.72, 2.80 en 3.3 wel de in dit cluster bedoelde werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand inzake de onderhavige schadeloosstellingsprocedure als opgegeven door Brigade Fund c.s. (deel uitmakend van dat bedrag van US$ 7.325.998,96, waarover hiervoor bij het tweede cluster), alsmede de stellingen van Brigade Fund c.s. ter zake (behoudens de brief zijdens Brigade Fund c.s. aan de OK van 3 september 2020, zie onder 4.7.4 hiervoor). Met dien verstande dus dat zij, uitgaande van een zelfstandige taak ter zake, van het door Brigade Fund c.s. opgegeven totaal van werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen ad US$ 7.325.998,96 (waarvan de verstrekte specificaties voldoende zijn) de omvang ervan tot een bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW redelijk acht. En daarom ten behoeve van Brigade Fund c.s. een proceskostenveroordeling uitspreekt van € 1 miljoen inclusief BTW. Dit oordeel is, zoals gezegd, afdoende gemotiveerd. Zie onder 4.13 hiervoor. Daarbij memoreer ik - in aanvulling op het hiervoor opgemerkte inzake het eerste en tweede cluster - dat waar de OK met die maximering deels de pas afsnijdt niet zozeer naar vergoeding van genoemde werkelijk gemaakte kosten van deskundigen (voor zover deze zien op de onderhavige schadeloosstellingsprocedure), als wel naar vergoeding van genoemde werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand (voor zover deze zien op de onderhavige schadeloosstellingsprocedure), dit m.i. geen nadere motivering door de OK aldaar behoefde. Zie onder 4.7.4 hiervoor. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond om in cassatie bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag aan te nemen dat “de omvang van de door Brigade Fund c.s. gevorderde kosten van juridische bijstand redelijk is”. De OK oordeelt immers kenbaar in andere zin in Beschikking IX, zie in het bijzonder rov. 2.80 en 3.3. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat de in dit cluster bedoelde stellingen/omstandigheden/feiten de conclusie rechtvaardigen dat het oordeel van de OK in Beschikking IX inzake de aan Brigade Fund c.s. toekomende proceskostenveroordeling niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd.
Daarmee is de rol van deze drie clusters uitgespeeld, ook indien deze in onderling(e) verband en samenhang worden bezien. En ontvalt tevens de bodem aan deze klacht.
onderdeel van Aviva c.s.
eerste klacht in het onderdeel.
De klacht loopt vooreerst erop vast dat de vaststelling van de OK in rov. 2.79 van Beschikking IX dat zij de door Aviva c.s. verstrekte specificaties van hun opgegeven werkelijk gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen (een totaalbedrag van € 1.223.906,82) voldoende acht, onderscheiden moet worden van, en prima kan staan naast, haar daaropvolgende vaststelling dat zij de omvang van de werkelijk gemaakte kosten ter zake tot een bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW redelijk acht. Dit is geenszins onbegrijpelijk. Zie onder 4.7.1 hiervoor. Alsook de behandeling van de tweede klacht in onderdeel 2 van Brigade Fund c.s. inzake het eerste, tweede en derde cluster, onder 4.14.3 hiervoor.
Het restant van de klacht loopt erop stuk dat de OK in Beschikking IX dus wel degelijk afdoende duidelijk maakt waarom naar haar oordeel, in het kader van de te hanteren tweede stap van de dubbele redelijkheidstoets, het meerdere van deze kosten - uitstijgend boven dat bedrag van € 1 miljoen inclusief BTW, hier € 223.906,82 - niet binnen de vereiste redelijke omvang is gebleven en dus niet voor vergoeding via art. 6:11 lid 4 Wft Pro in aanmerking komt. Zie onder 4.13 hiervoor.
tweede klacht in het onderdeelstrandt in het voetspoor van de eerste klacht. Zie onder 4.15.1 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
derde klacht in het onderdeelonder (ii) bedoelde stelling van Aviva c.s. geldt dat de klacht, gezien de daarin genoemde procedures, sneeft overeenkomstig de tweede klacht in onderdeel 2 van Brigade Fund c.s. inzake het eerste cluster. Zie onder 14.4.3 hiervoor. De daar genoemde redenen doen hier overeenkomstig opgeld, met inachtneming van de onderdelen 1 t/m 3 van Aviva c.s. Voor zover de klacht los daarvan nog een beroep doet op het tijdverloop (de “vele jaren” die zijn verstreken) sinds de onteigening op 1 februari 2013 sneeft deze eveneens, omdat de OK dit aspect niet uit het oog verliest. Zie onder 4.7.3 hiervoor.
Wat betreft de in de klacht onder (i) bedoelde stelling van Aviva c.s. geldt dat de OK deze - gezien ook rov. 2.66-2.67 - kenbaar betrekt in Beschikking IX in het kader van de te hanteren tweede stap van de dubbele redelijkheidstoets, maar klaarblijkelijk van onvoldoende gewicht acht om een andere uitkomst te rechtvaardigen. Zoals volgt uit 4.13 hiervoor behoefde dit geen nadere motivering. Meer in het bijzonder was de OK niet gehouden nog weer expliciet in te gaan op deze stelling.
Het restant van de klacht loopt spaak op hetgeen ik heb uiteengezet onder 4.7.9-4.7.10 hiervoor. Ook dit behoeft geen verdere toelichting.
vierde klacht in het onderdeelgaat uit van een onjuiste lezing van Beschikking IX en mist daarmee feitelijke grondslag. De OK betrekt de in rov. 2.65 door haar genoemde omstandigheden immers wel degelijk en kenbaar ook in het kader van de te hanteren tweede stap van de dubbele redelijkheidstoets, mede bestrijkend de redelijkheid van de omvang van de door Aviva c.s. werkelijk gemaakte kosten ter zake. Zie onder 4.13 hiervoor. Daarom lijdt ook deze klacht schipbreuk, in lijn met de eerste klacht in onderdeel 2 van Brigade Fund c.s. Zie onder 4.14.2 hiervoor, specifiek de tweede alinea inzake rov. 2.65.
vijfde klacht in het onderdeelstrandt eveneens in het voetspoor van de eerste klacht. Zie onder 4.15.1 hiervoor. Dit behoeft evenmin verdere toelichting.
onderdeel van Aviva c.s.In rov. 1.17 van Beschikking IX stelt de OK onder meer vast dat op 20 februari 2020 ter griffie door haar is ontvangen een antwoordakte na het nadere deskundigenbericht tevens akte uitlating kosten zijdens Aviva c.s.
Dit is het stuk waarop Aviva c.s. zich in het onderdeel beroepen.
In rov. 2.66 stelt de OK vast dat op haar verzoek een deel van de onteigende partijen een (nadere) opgave en specificatie van de door hen gemaakte kosten in het geding heeft gebracht. Daartoe behoort genoemd gedingstuk zijdens Aviva c.s. [268] Met rov. 3.6, waar de OK overweegt dat het door de Minister en de belanghebbenden meer of anders verzochte zal worden afgewezen, beslist de OK ook op het in het onderdeel bedoelde verzoek van Aviva c.s. in genoemd gedingstuk aan de OK (betreffende die aanspraak op een vergoeding van de in de periode 20 februari 2020 tot 11 februari 2021 door hen gemaakte c.q. te maken kosten). Van een schending door de OK van art. 23 Rv Pro als bedoeld in het onderdeel is dus geen sprake.
Deze beslissing van de OK kan niet anders worden verstaan dan dat deze afwijzing van genoemd verzoek van Aviva c.s. erin is gelegen dat, naar mede blijkt uit rov. 2.72 en 2.79, de OK ten behoeve van Aviva c.s. op basis van de door hen gedane kostenopgave reeds een proceskostenveroordeling zal uitspreken van € 1 miljoen inclusief BTW. Welk bedrag naar haar oordeel hoe dan ook het maximum is van de door een partij (of een groep van partijen) die een kostenopgave heeft gedaan, zoals Aviva c.s., in redelijkheid ten behoeve van de onderhavige schadeloosstellingsprocedure te maken kosten van rechtsbijstand en deskundigen (de werkelijk gemaakte kosten die dit bedrag te boven gaan, zijn naar het oordeel van de OK niet binnen een redelijke omvang gebleven). Daarmee is deze beslissing geenszins onbegrijpelijk gemotiveerd, anders dan het onderdeel nog aanvoert.
Gezien het voorgaande bestond er voor de OK ook geen aanleiding Aviva c.s. in de gelegenheid te stellen voorafgaand aan Beschikking IX een nadere kostenonderbouwing in het geding te brengen, zoals bedoeld in het onderdeel.
Brigade Fund c.s.
In rov. 1.17 van Beschikking IX stelt de OK onder meer vast dat op 20 februari 2020 ter griffie door haar is ontvangen een antwoordakte na het nadere deskundigenbericht zijdens Brigade Fund c.s.
In rov. 2.66 stelt de OK vast dat op haar verzoek een deel van de onteigende partijen een (nadere) opgave en specificatie van de door hen gemaakte kosten in het geding heeft gebracht. Daartoe behoort genoemd gedingstuk zijdens Brigade Fund c.s. [269] Zoals uiteengezet onder 4.7.4 hiervoor, verwijst de OK in rov. 1.29 onder meer naar ter griffie door haar op 3 september 2020 van Brigade Fund c.s. ontvangen producties. Niet ook naar de inhoud van de begeleidende brief zijdens Brigade Fund c.s. van gelijke datum met betrekking tot de kosten, los van de enkele verwijzing daarin naar die producties met korte toelichting daarop (zie voor die inhoud p. 1, vanaf de derde alinea (“Brigade c.s. verwachten nog”, etc.) t/m het slot op p. 6 van die brief). Zoals daar ook uiteengezet, valt door rov. 1.27-1.28 goed te verklaren dat de OK de inhoud van die brief in zoverre bij haar beoordeling buiten beschouwing laat. En wordt dit in cassatie niet bestreden.
Dit is de brief waarop Brigade Fund c.s. zich in het onderdeel beroepen. Meer in het bijzonder wat betreft het in die brief vervatte verzoek aan de OK, geciteerd onder 4.18.1 hiervoor.
Uit dit een en ander volgt dat de OK niet in strijd met art. 23 Rv Pro in Beschikking IX geen beslissing geeft op genoemd verzoek van Brigade Fund c.s. Dit verzoek lag daar immers naar haar kenbare oordeel, in cassatie onbestreden, niet ter beslissing voor. Daaraan ziet het onderdeel voorbij, waar het aanvoert dat de OK in rov. 2.72 in verbinding met rov. 2.80 en 3.3 - dus inzake Brigade Fund c.s. - miskent dat zij op de voet van art. 23 Rv Pro gehouden was over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht te beslissen.
Voor zover het onderdeel in het vervolg ervan uitgaat dat de OK in rov. 3.6 beslist op genoemd verzoek van Brigade Fund c.s., gaat het onderdeel uit van een onjuiste lezing van Beschikking IX en mist het daarmee feitelijke grondslag. Zoals volgt uit het voorgaande is dat niet wat de OK daar doet. Ook overigens loopt het onderdeel vast. Uit Beschikking IX blijkt immers wel degelijk en afdoende waarom de OK zich, in de “in dit middel bestreden beslissingen ten aanzien van de vergoeding van gemaakte kosten” met betrekking tot Brigade Fund c.s., beperkt tot die op 20 februari 2020 door Brigade Fund c.s. aangereikte (nadere) opgave en specificatie van de werkelijk door hen gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen.
Daarbij zij nog bedacht dat Brigade Fund c.s. genoemd verzoek aan de OK hadden kunnen doen in die antwoordakte na het nadere deskundigenbericht van 20 februari 2020 (waarbij zij dus, op verzoek van de OK, een (nadere) opgave en specificatie van de werkelijk door hen gemaakte kosten van rechtsbijstand en deskundigen in het geding hebben gebracht), maar dat niet hebben gedaan. [270] Ook al was dat kenbaar het aangewezen moment daarvoor. Gelet daarop, en gezien ook hetgeen de OK vaststelt in rov. 1.27-1.28, volgt uit dat wat het onderdeel aanvoert niet dat zij Brigade Fund c.s. nog weer in de gelegenheid had moeten stellen na de mondelinge behandeling bij de OK van 24 september 2020 en vóór Beschikking IX een nadere opgave te doen als bedoeld in het onderdeel.