Conclusie
(hierna: de rechthebbende)
advocaat: mr. R.L.M.M. Tan
(hierna: de bewindvoerder)
advocaat: mr. N.C. van Steijn
(hierna: de zoon)
niet verschenen.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop voor zover in cassatie van belang
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Ahad het hof dit op grond van de devolutieve werking van het appel moeten doen maar heeft het hof dit
ofniet gedaan
ofis het hof tot een onjuist en ontoereikend gemotiveerd oordeel gekomen dat de beslissing van de kantonrechter betreffende de benoeming van de bewindvoerder gehandhaafd moest blijven. Met de klacht in
onderdeel Bwordt betoogd dat in het geval het hof de benoeming van de bewindvoerder niet heeft getoetst omdat daartegen in hoger beroep niet is opgekomen, dit oordeel onbegrijpelijk is omdat uit de stellingen van de rechthebbende in appel in onderlinge samenhang beschouwd en tegen de achtergrond van zijn stellingen in eerste aanleg volgt dat hij daartegen wel is opgekomen. Het petitum moest, ondanks dat het enkel gericht is op ontslag van de bewindvoerder, in het licht van die stellingen en het processuele debat aldus uitgelegd worden dat door de rechthebbende ook vernietiging is verzocht van de beslissing tot benoeming van de bewindvoerder.
nietheeft getoetst. De lezing dat het hof dat wel zou hebben gedaan maar onjuist en/of ontoereikend heeft gemotiveerd, mist daarom feitelijke grondslag. In de bestreden beschikking geeft het hof immers enkel een verklaring voor het feit dat de echtgenote van de rechthebbende tot bewindvoerder is benoemd (r.o. 5.10 van de bestreden beschikking), zonder vervolgens in te gaan op de gegrondheid van die benoeming. Anders dan in het middel wordt voorgehouden, hoefde het hof dat ook niet te doen, nu daar in appel niet over is geklaagd. Zoals ook in middelonderdeel B wordt onderkend, rept het petitum van het appelrekest in het onderhavige geschil voor zover in cassatie van belang enkel over het ontslag van de bewindvoerder. [18] Dat naar het (impliciete) oordeel van het hof hetzelfde opgaat voor wat betreft de grieven, raakt de uitleg van de grieven (gronden) in het appelrekest en kan in cassatie alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. [19] De omvang en grondslag van het verzoek betreffen immers feitelijke oordelen die voorbehouden zijn aan de feitenrechter. Het hof heeft de grieven aldus opgevat dat in hoger beroep alleen is opgekomen tegen de afwijzing van het ontslagverzoek en niet ook tegen de benoeming van de bewindvoerder en dat is niet onbegrijpelijk. Niet alleen het petitum maar ook de door de rechthebbende gegeven toelichting bij de desbetreffende grief (grief II), [20] is enkel op het ontslag van de bewindvoerder gericht. Daar komt bij dat de bewindvoerder als verweerster in hoger beroep blijkens het verweerschrift de grief op een gelijke wijze heeft opgevat. [21] De devolutieve werking van het appel, waarover in cassatie wordt geklaagd, maakt dit niet anders. Immers op grond van de devolutieve werking moeten de in eerste instantie door partijen aangevoerde en niet prijs gegeven stellingen in hoger beroep alsnog worden behandeld binnen de grenzen die door appellant zijn getrokken in het appelrekest. [22] De behandeling in eerste aanleg van het verzoek tot instelling van het bewind en de benoeming van de bewindvoerder vond plaats zonder dat de man is verschenen. In appel heeft hij alleen geklaagd over de noodzaak van het bewind en verzocht om ontslag van de bewindvoerder. Hij heeft dus in geen van beide instanties grieven gericht tegen en stellingen ingenomen over de benoeming van de bewindvoerder.
Deze klachten falen.