Conclusie
[de zoon]
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
Daarnaast wordt geklaagd over de afwijzing door het hof van het aanbod tot het horen van een getuige.
2.Feiten en procesverloop
- de goederen die (zullen) toebehoren aan rechthebbende onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand;
- Stichting CAV tot bewindvoerder benoemd;
- bepaald dat het bewind wordt ingeschreven in het openbaar Centraal Curatele- en bewindregister;
- vastgesteld dat de bewindvoerder gerechtigd is om maandelijks voor de werkzaamheden een vergoeding in rekening te brengen, als beloning zoals vermeld in artikel 3, lid 2, onder a van de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren;
- vastgesteld dat de bewindvoerder gerechtigd is om een eenmalige vergoeding voor aanvangswerkzaamheden in rekening te brengen conform artikel 3 lid 5 sub a van Pro de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren en heeft in dat kader vastgesteld dat de bewindvoerder voorafgaand aan het bewind geen budgetbeheer heeft gevoerd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Het eerste onderdeel is gericht tegen het oordeel dat verweerster kan worden aangemerkt als ‘andere levensgezel’ in de zin van art. 1:435 BW Pro en zij ontvankelijk is in haar appel. Volgens het onderdeel heeft het hof aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd.
Voor de goede orde merk ik hier alvast op dat het middelonderdeel – m.i. terecht – veronderstelt dat de verwijzing van het hof naar art. 1:435 BW Pro op een kennelijke verschrijving berust en dat het hof heeft bedoeld te verwijzen naar art. 1:432 BW Pro (zie ook hierna onder 3.24).
Uit de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer [18] blijkt dat de minister aanvankelijk geen gehoor wilde geven aan het verzoek om naast de echtgenoot een ruimere categorie in de wettelijke regeling op te nemen, zoals “personen met wie de betrokkene een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft”. De minister achtte het niet zeker dat de betrokkene een initiatief uit een dergelijke niet goed te omlijnen kring, op prijs zou stellen. De minister wees er in dit verband op dat “niet uit het oog mag worden verloren dat onderbewindstelling, ook al is zij dan een maatregel van een duidelijke beschermende en sociale strekking, toch ook een aanzienlijke ingreep in de handelingsbevoegdheid van de betrokkene betekent, die niet lichtvaardig mag worden uitgesproken of nagestreefd.” [19]
In de beschikking van de rechtbank Haarlem van 19 februari 2002 [28] werd geoordeeld dat een voor betrokkenen als betekenisvol aangemerkte relatie tussen betrokkene en verweerder niet is gelijk te stellen met die van een echtgenoot, nu de gemeenschappelijke huishouding niet vaststaat, de relatie nog niet van lange duur is, klaarblijkelijk in elk geval betrokkene niet uitgaat van een nauwe lotsverbondenheid en – naar de dochter onbetwist heeft gesteld – verweerder zelf evenmin.
2.7.6 Tot de hiervoor in 2.7.5 bedoelde verruiming van bevoegdheden behoort dat degenen die gerechtigd zijn een beschermingsmaatregel te verzoeken, ook bevoegd zijn het ontslag van de curator, de bewindvoerder of de mentor te verzoeken (zie voor (…) onderbewindstelling art. 1:448 lid 2 BW Pro in verbinding met art. 1:432 leden Pro 1 en 2 BW (…). De wetgever heeft ten aanzien van de bij een beschermingsmaatregel te betrekken personen dus een verband gelegd tussen de bevoegdheid te verzoeken om instelling van een maatregel en het kunnen uitoefenen van invloed op de keuze van de met de uitvoering van de maatregel te belasten persoon. De in art. 798 lid 2 Rv Pro genoemde verwanten behoren tot de personen die een beschermingsmaatregel kunnen verzoeken en daarmee naar huidig recht tot degenen die een verzoek kunnen indienen tot ontslag van de curator, bewindvoerder of mentor.
2.7.7 Gelet op hetgeen hiervoor in 2.7.3-2.7.6 is overwogen, volgt uit de aard en strekking van de sinds 2014 geldende wettelijke regeling van beschermingsmaatregelen dat een procedure over ontslag van een curator, bewindvoerder of mentor behoort tot ‘zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap’ als bedoeld in art. 798 lid 2 Rv Pro. Hetzelfde geldt voor de benoeming van een opvolgend curator, bewindvoerder of mentor. Die kwestie ligt immers in het verlengde van een ontslag, en daarover wordt doorgaans in dezelfde procedure beslist. Dit brengt mee dat de in art. 798 lid 2 Rv Pro genoemde verwanten, indien zij niet zelf als verzoeker optreden, in een procedure waarin ontslag van een curator, bewindvoerder of mentor, en in voorkomend geval de benoeming van een opvolger, aan de orde is, als belanghebbenden in de procedure moeten worden betrokken.”
(…)
in de regelde echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel en de kinderen zijn, is een ervaringsregel die aansluit bij de wettekst van art. 1:432 lid 1 BW Pro en art. 798 lid 2 Rv Pro. De daarop volgende overweging dat de – lees: deze – opsomming niet limitatief is, is juist: zowel in art. 1:432 lid 1 als Pro in lid 2 BW alsmede in art. 798 lid 2 Rv Pro worden daarnaast nog andere personen genoemd die een verzoek tot onderbewindstelling kunnen indienen.
- rechthebbende en verweerster zijn op 19 september 2001 gescheiden (rov. 3.2);
- er is sprake van twee afzonderlijke huishoudens, gedurende een periode van inmiddels meer dan 20 jaar (rov. 5.3 en 5.4);
- de omstandigheid dat verweerster en rechthebbende deze situatie 20 jaar geleden in het leven hebben geroepen, omdat zij het niet wenselijk achtten dat de zoon een loyaliteitsprobleem zou krijgen, rechtvaardigt niet dat de conclusie dat deze situatie zich nog steeds voordoet, ook in aanmerking nemende het feit dat de zoon inmiddels 45 jaar is (rov. 3.2) en woonachtig is te Curaçao. Ten tijde van de echtscheiding van verweerster en rechthebbende was de zoon trouwens al 24 jaar (rov. 3.2);
- enige vorm van gezinsleven, zonder dat daarbij ook sprake is van samenwonen en het
wederzijdsverzorgen, is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat er sprake is van levensgezellen; [34] - uit het feit dat rechthebbende en verweerster elkaar over en weer een volmacht hebben gegeven laat zich de vereiste lotsverbondenheid niet afleiden, ook in aanmerking nemende de omstandigheid dat sedert het passeren van de akte van 25 november 2013 en het indienen van het inleidende verzoek van 2 september 2020 bijna 7 jaar zijn verstreken en bij het inleidend verzoek door rechthebbende niet is verzocht verweerster als bewindvoerder te benoemen, maar het inleidend verzoek juist is gedaan mede in verband met het feit dat verweerster misbruik zou maken van rechthebbende;
- de omstandigheid dat de zoon er alle vertrouwen in heeft dat verweerster de vermogensrechtelijke aspecten van rechthebbende goed zal behartigen, kan het zijn van levensgezel op geen enkele wijze onderbouwen.
In 7 wordt melding gemaakt van een bespreking op 21 juni 2021 waarbij de GGZ-begeleidster met rechthebbende heeft gesproken en deze toen heeft verteld dat hij door verweerster naar een advocaat was meegenomen en zich onderdrukt voelde en zich door haar heeft laten beïnvloeden, maar dat hij toch CAV als bewindvoerder wil behouden en ook advocaat Coenraad.
Verder is in punt 8 samengevat opgenomen dat de GGZ-begeleidster een week geen contact heeft kunnen krijgen en zojuist een telefoontje heeft gekregen waarbij de zoon en verweerster duidelijk op de achtergrond zich met het telefoongesprek bemoeide, waarmee verweerster en de zoon een voorbespreking met cliënt onmogelijk hebben gemaakt.
Dat betreft in de eerste plaats de bij het inleidend verzoekschrift overgelegde “Sociale rapportage” van de GGZ-begeleidster van 19 augustus 2020, waarin zij onder meer vermeldt dat rechthebbende haar heeft verteld dat hij zich onderdrukt voelt door zijn ex-vrouw en ook bang voor haar is en dat hij zich verantwoordelijk voelt om haar geld te geven.
In de tweede plaats wordt verwezen naar een verslag van een bespreking van 24 juni 2021 tussen rechthebbende, zijn advocaat, de (toenmalige) bewindvoerder Stichting CAV en de GGZ-begeleidster (prod. 10 bij de brief van de advocaat van rechthebbende van 1 juli 2021). Daarin is opgenomen dat rechthebbende afstand van verweerster probeert te houden en dat hij Stichting CAV als bewindvoerder wil houden.
Tot slot verwijst paragraaf 2.1 naar een e-mail van de GGZ-begeleidster aan de advocaat van rechthebbende van 1 juli 2021 (prod. 12 bij de brief van de advocaat van rechthebbende van 1 juli 2021), met de inhoud die al in punt 8 van de brief van de advocaat van rechthebbende van 1 juli 2021 is vermeld (zie hierboven onder 3.38).
Het is daarmee voor partijen en de cassatierechter in het geheel niet kenbaar op welke grond het hof het bewijsaanbod heeft gepasseerd.
onderdeel 3.