Conclusie
3.
Ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde
NJ1924, p. 153 en mijn voormalig ambtgenoot Machielse in zijn respectieve conclusies voorafgaand aan HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0728,
NJ1997/598 en HR 6 januari 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC8317,
NJ1998/607 dit standpunt te huldigen. Zo een opvatting gaat Lindenberg echter “te ver”. Hij meent dat de Commissie van Rapporteurs destijds bedenkingen had tegen ‘hinder’ en ‘overlast’ “omdat zij [...] als
bestanddelenzouden meebrengen dat het slachtoffer een te grote invloed op de vervulling ervan zou bezitten en elke vorm van hinder en overlast, hoe gering ook, aan de bestanddelen zou beantwoorden”. Daaraan verbindt Lindenberg op zich zelf terecht de conclusie dat de Commissie van Rapporteurs nog niet zonder meer “alle vormen van hinder en overlast, dus ook grove vormen, integraal uit het wetsvoorstel wilde weren”. Daarbij kan bovendien erop worden gewezen dat enkele tegenvoorstellen die tijdens de parlementaire behandeling de revue passeerden eveneens een relatief ruime strafbaarstelling inhielden. Lindenberg stelt vast: “Al met al kan met betrekking tot de opgeworpen vraag alleen worden gezegd dat het begrip ‘feitelijkheden’ volgens de commissie klaarblijkelijk niet alle vormen van hinder en overlast diende te omvatten.” [9] Ik kan deze gedachtegang van Lindenberg wel volgen, juist omdat de begrippen ‘hinder’ en ‘overlast’ op zichzelf geen vast omlijnde strafrechtelijke betekenis hebben. Niet helemaal valt uit te sluiten dat bepaalde vormen van hinder en overlast zich wèl als een feitelijkheid in de zin van art. 284 Sr Pro zouden kunnen aandienen en laten kwalificeren. Opmerking verdient in dit verband dat in het civiele recht de begrippen hinder en overlast in het kader van de onrechtmatige daad scherper zijn afgebakend. Daar komt aansprakelijkheid pas in beeld, indien de hinder of overlast onrechtmatig is veroorzaakt. Dit is het geval als de overlast of hinder wat hevigheid betreft “boven een bepaald niveau uitkomt”. [10] Hoe hoog de lat ligt, en wat dienaangaande in een concrete zaak al wel en wat (nog) niet onrechtmatig is, hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard, de ernst en de duur van de hinder of overlast. [11]
dwanggevolg. [13] De tweede categorie betreft de (spiegelbeeldige) situatie waarin het dwanggevolg op zichzelf laakbaar is, ongeacht het
dwangmiddel. [14] De derde categorie ziet op een situatie waarbij strafrechtelijke aansprakelijkheid in beginsel is aangewezen door de aard van het dwangmiddel, het dwanggevolg en de overige omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd. [15]
NJ1987/361 met betrekking tot de overweging van het hof dat de verdachte niet de bevoegdheid had etc. geoordeeld dat het hof aan de term 'wederrechtelijk' geen met art. 284 Sr Pro strijdige betekenis heeft toegekend. [22] Volgens Lindenberg dekt deze invulling van wederrechtelijk echter niet de lading van het begrip, omdat dwingen – door hem samengevat als het tegen de wil beïnvloeden op een niet of nauwelijks afwendbare wijze – op grote schaal voorkomt in het dagelijkse leven zonder dat daarvoor een (wettelijke) bevoegdheid bestaat. Om die reden, en daartoe ook geïnspireerd door de Duitse Nötigungsparagraaf, geeft hij de voorkeur aan de ruimere betekenis van ‘in strijd met het recht’, [23] een omschrijving die in het commentaar in NLR juist wordt afgewezen. [24] De opvatting dat wederrechtelijk hier betekent ‘in strijd met het recht’ biedt volgens Lindenberg tevens een zinvolle ruimte om aan de (verwerpelijke vorm van) disproportionaliteit tussen middel en gevolg (doel) een zelfstandige plaats te geven. [25] Hoe de beoordeling van de disproportionaliteit in zowel kwalitatieve als in kwantitatieve zin [26] uiteindelijk uitpakt, hangt zijns inziens af van de verhouding in concreto tussen het dwangdoel of -gevolg en het aangewende dwangmiddel. De aard, intensiteit en duur van het middel dan wel het dwanggevolg zijn bij de te maken afweging relevante factoren. Aangenomen wordt dat ook het Dreigbriefarrest uit 1972 hier een aanknopingspunt biedt: in die zaak had de verdachte geprobeerd geld te innen door middel van een brief waarin hij dreigde met geweld als het geld hem niet zou worden afgedragen. Het oordeel dat de verdachte het ‘oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling’ (art. 317 Sr Pro) had liet de Hoge Raad in stand omdat de verdachte moest hebben “beseft dat hij […] de grenzen van het maatschappelijk betamelijke […] verre overschreed”. [27]
ernstigeaantasting van de persoonlijke vrijheid, hetgeen onder meer meebrengt dat hinder of overlast in beginsel buiten de reikwijdte van deze strafbaarstelling valt. Bij de (objectieve) beoordeling van de ernst van de inbreuk op de persoonlijke vrijheid kunnen verschillende factoren van belang zijn, zoals de aard, ernst, duur en intensiteit van de dwang. Met het toepassen van deze factoren kan voldoende rekening worden gehouden met de opvattingen die in een bepaald tijdsgewricht in de samenleving over het betreffende gedrag bestaan (de maatschappelijke betamelijkheid) en kan voorts worden gemeten in welke verhouding het middel en het dwanggevolg of -doel tot elkaar staan (de verwerpelijke vorm van (dis)proportionaliteit). Het spreekt voor zich dat, als het komt tot een strafrechtelijke vervolging op grond van art. 284 Sr Pro, in dit opzicht geen sprake mag zijn van een bewijsgebrek. Dat impliceert onder meer dat het ‘wederrechtelijk dwingen’ uit de bewijsmiddelen zal moeten blijken, al dan niet in samenhang met een bewijsoverweging.
Van door een feitelijkheidwederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden ex art. 284 Sr Pro kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld. Het hof heeft geoordeeld dat de gedragingen van verdachte en zijn mededader jegens het slachtoffer voor deze een zodanige psychische druk opleverden dat hij hieraan geen weerstand kon bieden en zich gedwongen voelde te voldoen aan hetgeen van hem werd verlangd." En als we dan kijken wat cliënt verlangde van de aangeefster, dan was het dat hij zijn dochter mocht zien. En niet dat aangeefster zich zou laten filmen en/of door het streamen van het filmpje, zoals is tenlastegelegd.
NJ2020/159 slechts sprake zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer tegen zijn of haar wil iets heeft gedaan, niet gedaan of geduld. [28]