Conclusie
1.Feiten en procesverloop
(ii) ECTC heeft op 29 januari 2016 een offerte uitgebracht aan SBN met betrekking tot de verkoop en levering van twintig auto's van het merk Land Rover, type Range Rover, voor een totale koopsom van € 1.802.375. Deze offerte is niet ondertekend. De offerte vermeldt verder, voor zover relevant:
(iv) SBN en ECTC hebben op 4 mei 2016 een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot de koop door SBN van twintig auto's van het merk Mercedes Benz, type GLS450, voor een totale koopsom van CAD 2.022.000.
(v) De GmbH heeft bij brief van 28 juli 2016 van mr. Abeln, advocaat van zowel ECTC als de GmbH, aan SBN geschreven:
(vii) Bij e-mail van 25 juli 2018 heeft [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ), statutair directeur van ECTC en de GmbH, met gebruikmaking van het [e-mailadres] , aan SBN laten weten dat er nog € 101.818,18 aan aanbetaling in de boekhouding openstaat.
(viii) Bij brief van mr. Van der Kolk van 8 augustus 2018 heeft SBN aan ECTC geschreven dat zij de met haar gesloten koopovereenkomst ontbindt en ECTC verzocht om binnen vijf dagen het openstaande bedrag terug te betalen.
SBN legt hieraan ten grondslag dat ECTC tekort is geschoten in haar verplichtingen uit de koopovereenkomst door de gekochte Range Rovers niet te leveren, dat zij de overeenkomst op grond daarvan rechtsgeldig buitengerechtelijk heeft ontbonden en aanspraak heeft op terugbetaling van de aanbetaling en vergoeding van haar schade.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Quotation proposal” niet een verplichting in om onder alle omstandigheden de Range Rovers aan SBN te leveren. Zo is daarin vermeld:
Quotation proposal” voorziene aflevering van twintig Range Rovers in gebreke was gesteld. Dat die ingebrekestelling heeft plaatsgevonden is gesteld noch gebleken.
Onderdeel 1betreft het oordeel dat gesteld noch gebleken is dat ECTC in gebreke is gesteld.
Onderdeel 2betreft het oordeel dat SBN niet een verplichting is aangegaan om onder alle omstandigheden te leveren.
Onderdeel 3bevat een voortbouwklacht.
Subonderdeel 1.4bevat een motiveringsklacht over de uitleg van de processtukken voor het geval het hof zou hebben geoordeeld dat de stelling over het ontbreken van een ingebrekestelling in het incidentele appel van ECTC aan de orde was, zodat SBN gelegenheid heeft gehad daarop te reageren in haar memorie van antwoord in incidenteel appel.
subonderdeel 1.4. Dit berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en slaagt daarom niet. Het bestreden arrest bevat geen aanknopingspunten dat het hof het beroep van ECTC op het ontbreken van een ingebrekestelling heeft opgevat als een incidentele grief. Volgens het hof in rov. 3.1 houden de incidentele grieven van ECTC in dat de overeenkomst niet met haar is gesloten en dat zij niet degene is die de aanbetaling zou dienen terug te betalen. Het oordeel in rov. 3.3 dat de verschuldigdheid van schadevergoeding strandt op het ingebrekestellingsvereiste is voorafgegaan door de openingszin “
Met betrekking tot de grieven van SBN oordeelt het hof als volgt.” Het hof heeft de memorie van antwoord tevens van grieven in incidenteel appel van ECTC kennelijk aldus gelezen dat de bespreking van de grieven in incidenteel appel wordt afgesloten in nr. 17 van die memorie en dat vanaf nr. 18 e.v. van die memorie (waarin een beroep wordt gedaan op het ontbreken van een ingebrekestelling) wordt ingegaan op het principaal appel.
ECTC voert tegen het subonderdeel aan dat het hof gehouden was ambtshalve te onderzoeken of SBN voldoende heeft gesteld voor de toewijsbaarheid van haar schadevordering en dat SBN uiterlijk in haar memorie van grieven ter zake nog stellingen had moeten aanvoeren ter aanvulling van de feitelijke grondslag van haar vorderingen. [5] SBN stelt hier bij repliek tegenover, kort gezegd, dat zij geen aanleiding had om het punt van de ingebrekestelling aan de orde te stellen totdat ECTC op dat punt verweer voerde. [6] Omdat een dergelijke kwestie vaker kan spelen en raakt aan een debat in de literatuur over de stand van de rechtspraak van de Hoge Raad, bespreek ik de problematiek wat uitgebreider.
Fraanje/Alukonheeft de Hoge Raad zijn rechtspraak over verzuim en ingebrekestelling samengevat en daarbij onder meer het volgende overwogen. [7] (i) Is voor de nakoming geen termijn bepaald, dan treedt volgens art. 6:82 lid 1 BW Pro het verzuim in, wanneer de schuldenaar in gebreke wordt gesteld bij een schriftelijke aanmaning waarbij hem een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld, en nakoming binnen deze termijn uitblijft. De functie van een ingebrekestelling is om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is, bij gebreke van welke nakoming de schuldenaar vanaf dat tijdstip in verzuim is. [8] Hiermee strookt, zo overwoog de Hoge Raad later, [9] dat pas sprake is van een tekortkoming wegens niet tijdig presteren (ervan uitgaande dat nakoming nog mogelijk is), indien de schuldenaar in verzuim is.
(ii) Verzuim kan ook zonder ingebrekestelling intreden. Art. 6:83 BW Pro noemt drie gevallen waarin het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar dit is geen limitatieve opsomming. Mede in verband met de hanteerbaarheid in de praktijk van het wettelijk stelsel, kan onder omstandigheden een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn of kan worden aangenomen dat op grond van de redelijkheid en billijkheid een ingebrekestelling achterwege kan blijven en de schuldenaar zonder ingebrekestelling in verzuim is geraakt.
(iii) Wat betreft de in art. 6:82 en Pro 6:83 BW vervatte hoofdregels en uitzonderingen omtrent ingebrekestelling en verzuim gaat het niet zozeer om strakke regels die de schuldeiser, na raadpleging van de wet, in de praktijk naar de letter zal kunnen toepassen. Deze bepalingen beogen veeleer de rechter de mogelijkheid te geven om in de gevallen dat partijen – zoals meestal – zonder gedetailleerde kennis van de wet hebben gehandeld, tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hen mocht worden verwacht.
Van Schaick concludeerde in 2009 dat de partij die schadevergoeding vordert zijn vordering zodanig moet motiveren dat begrijpelijk is dat de gedaagde in verzuim is en dat als daaraan is voldaan het op de weg van de schuldenaar ligt om te stellen dat er geen verzuim is. [12] Ik kom op zijn standpunt nog terug in 2.13.
Büchner/Wiesuit 1996. [13] Deze zaak betrof de vraag of verhuurder Wies schadeplichtig was op de grond dat hij huurder Büchner bij het einde van de huur had verhinderd om gebruik te maken van zijn wegneemrecht. In het door Wies ingestelde hoger beroep had de rechtbank de schadevordering van Büchner niet toewijsbaar geoordeeld omdat daarvoor vereist was dat Wies door Büchner in gebreke was gesteld en Büchner, gelet op de betwisting van zijn stellingen door Wies, op dit punt niet aan zijn stelplicht had voldaan. De Hoge Raad verwierp de hiertegen gerichte (motiverings)klacht van Büchner als volgt:
Büchner/Wiesis achterhaald door latere rechtspraak.
Hieruit volgt naar mijn mening niet dat de rechter niet ambtshalve zou moeten beoordelen of de eiser ter zake van het verzuim voldoende heeft gesteld met het oog op de toewijsbaarheid van zijn vordering, maar alleen dat de rechter daarbij slechts acht kan slaan op stellingen die de eiser (eventueel impliciet) aan zijn vordering ten grondslag heeft gelegd (artikel 24 Rv Pro). De vraag of er verzuim is, is geen kwestie van openbare orde die de rechter ook buiten de feitelijke grondslag om ambtshalve moet toetsen. Dit geldt ongeacht of het verzuim uitdrukkelijk onderwerp van het partijdebat is geweest.
Ten Cate/United Fabrics c.s.) wijst mijns inziens niet op een afwijking van de koers van
Büchner/Wies. In deze zaak had het hof een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie afgewezen omdat de schuldenaar (Ten Cate) niet in gebreke was gesteld. De cassatieklacht dat het hof deze afwijzingsgrond ambtshalve had bijgebracht en daarmee buiten de grenzen van de rechtsstrijd was getreden is door de Hoge Raad (in rov. 5.2) verworpen met de overweging dat het hof klaarblijkelijk in het verweer van Ten Cate mede een beroep op het ontbreken van een ingebrekestelling had gelezen. Uit het gegeven dat de Hoge Raad de klacht niet met een verwijzing naar het arrest
Büchner/Wiesheeft verworpen, is in de literatuur met enige voorzichtigheid afgeleid dat de Hoge Raad niet (langer) van oordeel is dat de rechter bevoegd is tot ambtshalve toetsing van verzuim. [18] Ik vind dit een te smalle basis voor een dergelijke conclusie. Ten eerste ligt het voor de hand dat de Hoge Raad een klacht dat de appelrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, beantwoordt met een overweging die aangeeft of dit al dan niet het geval was. Ten tweede had de Hoge Raad, indien hij beoogde afstand te nemen van de in de literatuur in het arrest
Büchner/Wiesgelezen bevoegdheid tot ambtshalve toetsing van het verzuim, daaraan een overweging kunnen wijden. Ten derde meen ik dat de Hoge Raad niet de mogelijkheid had om in het midden te laten of de appelrechter de grenzen van de rechtsstrijd had miskend en de klacht te verwerpen met een verwijzing naar
Büchner/Wies. Een dergelijk oordeel zou immers de mogelijkheid impliceren dat de rechter ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd ambtshalve zou mogen toetsen of door eiser voldoende is gesteld ter zake van het verzuim. Dat is niet het geval.
Het feit dat een (schuld)eiser niet expliciet stelt dat de schuldenaar in verzuim is geraakt, staat er niet aan in de weg dat de rechter een dergelijke stelling onder omstandigheden impliciet in diens stellingen kan lezen. [19] De rechter kan bijvoorbeeld een dergelijke stelling besloten achten in de stelling van eiser dat de schuldenaar is tekortgeschoten en daarom schadeplichtig is (van een tekortkoming wegens niet tijdig presteren − ervan uitgaande dat nakoming nog mogelijk is − is volgens de rechtspraak van de Hoge Raad immers pas sprake indien de schuldenaar in verzuim is; zie hiervoor in 2.7 onder (i)). [20] Als de rechter dit doet, behoort de stelling dat de schuldenaar in verzuim is tot de feitelijke grondslag op basis waarvan de rechter de vordering moet beoordelen. Indien de schuldenaar op het punt van het verzuim vervolgens geen verweer voert, kan de rechter oordelen dat het door de schuldenaar impliciet gestelde verzuim vaststaat bij gebreke van een betwisting daarvan door de schuldenaar.
Een dergelijke gang van zaken impliceert mijns inziens niet dat de
schuldenaarde stelplicht heeft ten aanzien van de afwezigheid van verzuim. [21] Lock spreekt in dit verband van een ‘sluimerende’ stelplicht van de schuldeiser: als de eisende partij er niets over zegt en zolang de wederpartij er geen punt van maakt, zal de rechter het verzuim in de stellingen inlezen, maar als de wederpartij aanvoert niet in verzuim te verkeren, wordt de stelplicht ‘gewekt’ en zal de eisende partij alsnog de feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat de wederpartij in verzuim is of dat geen verzuim vereist is. [22]
Büchner/Wies, die aansluit bij de inhoud van het materiële recht (de artikelen 6:74 lid 2 en 6:265 lid 2 BW) en de hoofdregel van artikel 150 Rv Pro. Hiermee strookt dat volgens de rechtspraak van de Hoge Raad over wettelijke (handels)rente de rechter ambtshalve dient na te gaan of de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten het gevorderde kunnen dragen, ook zonder een daartoe strekkend verweer.
Daarom kon de rechter geen ingangsdatum van de (van aanwezigheid van verzuim afhankelijke verschuldigdheid van) wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW Pro vaststellen die is gelegen voor de datum van het onrechtmatige handelen dat leidde tot de verplichting tot schadevergoeding, ook al zou de door de eiser gestelde eerdere ingangsdatum voor de wettelijke rente door gedaagde te laat zijn bestreden. [23] Het hof had daarom ten onrechte geoordeeld dat het op grond van de tweeconclusieregel gehouden was het voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep gevoerde verweer tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente buiten beschouwing te laten.
Evenmin kon de rechter een vordering tot vergoeding van wettelijke handelsrente in de zin van artikel 6:119a BW toewijzen over een bedrag dat was verschuldigd uit hoofde van onverschuldigde betaling, omdat de wettelijke handelsrente geen betrekking heeft op onverschuldigd betaalde bedragen. [24] Het hof kon daarom niet de vordering met betrekking tot de wettelijke handelsrente toewijzen op de grond dat daartegen geen verweer was gevoerd.
ECTC betoogt dat SBN hierover uiterlijk in haar memorie van grieven nog stellingen had moeten aanvoeren ter aanvulling van de feitelijke grondslag van diens vorderingen. Dit betoog berust op de tweeconclusieregel.
[…] / […]. [28] In deze zaak had de rechtbank een schadevergoedingsvordering van […] afgewezen op de grond dat […] een beroep op een exoneratiebeding toekomt. Bij memorie van grieven betoogde […] dat dit beding vernietigbaar was. […] beriep zich bij memorie van antwoord op verjaring van de vordering tot vernietiging. […] reageerde door bij pleidooi te stellen dat het beding al eerder buitengerechtelijk was vernietigd. Volgens de Hoge Raad had het hof dit beroep op buitengerechtelijke vernietiging terecht buiten beschouwing gelaten. De Hoge Raad overwoog dat dit beroep viel buiten de in de memorie van grieven afgebakende grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep en moest worden beschouwd als een nieuwe grief omdat het aanvoeren van dit nieuwe feit ertoe strekte dat reeds op deze grond het vonnis van de rechtbank moest worden vernietigd.
geenstellingen heeft ingenomen over het verzuim, dan brengt de tweeconclusieregel mee dat zij dit alsnog dient te doen in haar eerste processtuk in hoger beroep. Anders dan SBN aanvoert, staat hieraan op zichzelf niet in de weg dat de rechtbank in deze zaak geen (impliciete) beslissing heeft genomen over de vraag of SBN ECTC in gebreke had moeten stellen.
Als de eiser/appellant (in eerste aanleg of in de memorie van grieven)
wel(impliciet) stellingen heeft ingenomen over het verzuim en de gedaagde/geïntimeerde voor het eerst bij memorie van antwoord een uitdrukkelijk verweer ten aanzien van het verzuim opwerpt, dan staat de tweeconclusieregel er op zichzelf niet aan in de weg dat de appellant haar eerder genomen stelling alsnog uitwerkt bij nadere akte of bij pleidooi in appel (indien zij dat in dit stadium van de procedure niet doet, mag de appelrechter echter niet uitgaan van de juistheid van de stelling van de geïntimeerde bij gebrek aan betwisting; zie nader in 2.27.2).
Toch staat de tweeconclusieregel er niet aan in de weg dat de gedaagde/geïntimeerde pas bij pleidooi een probleem maakt van het intreden van het verzuim (zie hiervoor in 2.14). De reden hiervoor is dat de rechter ambtshalve dient te beoordelen of de eiser/appellant voldoende heeft gesteld ten aanzien van het verzuim, dus ongeacht of (en, zo ja, wanneer) de gedaagde/geïntimeerde op dat punt uitdrukkelijk verweer heeft gevoerd.
In de literatuur wordt er terecht op gewezen dat indien het verzuim geen onderwerp van het partijdebat is geweest – dat wil zeggen dat eiser noch gedaagde daarover expliciet een stelling heeft aangevoerd − de rechter een zekere ruimte heeft om in de stellingen van eiser te lezen dat sprake is van verzuim. [29] Zoals eerder vermeld (in 2.13) kan de rechter een dergelijke stelling besloten achten in de stelling van eiser dat de schuldenaar is tekortgeschoten en daarom schadeplichtig is.
verplichtom partijen te bevragen over het verzuim als daarover geen uitdrukkelijke stellingen zijn ingenomen en geen partijdebat is gevoerd?
Bakels meent dat het de rechter niet vrij behoort te staan zonder een daarop gericht verweer een vordering tot ontbinding of schadevergoeding af te wijzen op de grond dat de schuldenaar niet in gebreke is gesteld. Ook Van Schaick meent dat de rechter de vordering niet onmiddellijk ambtshalve moet afwijzen, maar de eiser eerst gelegenheid moet geven om zijn stellingen aan te vullen. Van den Brink wijst erop dat de rechter in ieder geval een verrassingsbelissing moet vermijden. [33] Hiertegenover staat de gedachte dat de schuldeiser het aan zichzelf te wijten heeft dat over het betreffende punt geen partijdebat is gevoerd, omdat hij niet aan zijn stelplicht ter zake heeft voldaan. [34]
behoefdente houden, maakt immers duidelijk dat denkbaar is dat partijen moeten anticiperen op bepaalde mogelijke beslissingen van de rechter op punten waaraan zij in het partijdebat niet of nauwelijks aandacht hebben besteed. De partij die op een bepaald punt de stelplicht heeft, dient erop bedacht te zijn dat de rechter ambtshalve controleert of op dit punt aan de stelplicht is voldaan. Om deze reden meen ik dat de algemene regel dat de rechter geen verassingsbeslissing mag nemen (en ook het beginsel van hoor en wederhoor als zodanig) [43] zich in beginsel niet verzet tegen een ontkennende beantwoording van de in 2.25 gestelde vraag. Een en ander kan anders liggen indien bijvoorbeeld bijzondere elementen in het verloop van de procedure partijen aanleiding gaven erop te mogen vertrouwen dat de rechter de zaak niet zonder nader debat zou afdoen op het punt van het verzuim.
Dit probleem kan niet alleen worden opgelost over de band van het beginsel van hoor en wederhoor. Het is op zichzelf denkbaar een wat andere invulling te geven aan het beginsel van hoor en wederhoor, bijvoorbeeld in de vorm van een vuistregel dat de rechter, wanneer over het verzuim geen expliciete stellingen zijn ingenomen en er geen partijdebat over is gevoerd, partijen eerst dient te horen alvorens te kunnen beslissen dat onvoldoende is gesteld ten aanzien van het verzuim en op die grond de vordering te kunnen afwijzen, dan wel de beslissing om partijen niet te horen dient te motiveren. Een dergelijke andere invulling van het beginsel van hoor en wederhoor zou in appel slechts zinvol kunnen functioneren indien partijen daadwerkelijk de ruimte hebben om nader in te gaan op het verzuim.
Als het hof oordeelt dat de oorspronkelijke eiser in ieder geval iets heeft gesteld over het verzuim, kan deze partij bijvoorbeeld bij pleidooi haar stellingen nog uitwerken en ook biedt artikel 22 Rv Pro de rechter een grondslag om een stelling te laten toelichten. Als de appelrechter oordeelt dat eiser over het verzuim niets heeft gesteld, dan belemmert de tweeconclusieregel thans dat daarover in hoger beroep een nader debat wordt gevoerd. [44]
subonderdeel 1.1niet opgaat.
er reeds naar uitzag dat de eerder overeengekomen levering van twintig Range Rovers geen doorgang zou vinden”. Volgens de klacht houdt deze vaststelling noodzakelijkerwijs in dat tussen partijen duidelijk was dat de afgesproken levering niet zou plaatsvinden en dat partijen hierover met elkaar contact hebben gehad. Het hof had daarom volgens de klacht moeten concluderen dat sprake is van een mededeling van ECTC aan SBN waaruit SBN moest afleiden dat ECTC tekort zou schieten in de nakoming.
Subonderdeel 1.5voegt hieraan toe, samengevat, dat het oordeel dat een ingebrekestelling is vereist niet deugdelijk is gemotiveerd omdat het hof niet zonder meer heeft kunnen uitsluiten dat een mededeling als bedoeld in artikel 6:80 lid 1 onder Pro b is gedaan.
subonderdeel 1.5aanvoert, behoefde het hof geen afzonderlijke overweging hieraan te wijden of de gelegenheid tot nader partijdebat te bieden.
Subonderdeel 1.6voegt hieraan toe dat in cassatie veronderstellenderwijs moet worden uitgegaan van de juistheid van de bedoelde stellingen en dat op grond daarvan vooralsnog moet worden aangenomen dat ECTC geen beroep toekomt op het ontbreken van een ingebrekestelling.
Quotation proposal” niet een verplichting inhield om onder alle omstandigheden de Range Rovers te leveren. De klacht wordt nader uitgewerkt in de subonderdelen 2.1 t/m 2.4.
subonderdeel 2.1is het hof buiten de rechtsstrijd van partijen getreden omdat ECTC niet heeft aangevoerd dat zij niet onder alle omstandigheden tot levering verplicht was. Volgens
subonderdeel 2.2is het hof voorbijgegaan aan de relevante stelling in nr. 9 van de memorie van grieven, waarmee SBN zou hebben betoogd dat zij op grond van uitlatingen van ECTC ervan uitging dat levering zonder meer zou plaatsvinden. Volgens
subonderdeel 2.3is het bestreden oordeel tegenstrijdig met de door het hof onder de feitenvaststelling aangehaalde brief van de advocaat van ECTC van 28 juli 2016 (hiervoor onder 1.1 (v) vermeld), omdat daaruit blijkt dat ook ECTC ervan uitging dat levering zou plaatsvinden en hierover dus geen onzekerheid bestond. Volgens
subonderdeel 2.4heeft het hof onvoldoende gemotiveerd dat de stelling in nr. 9 van de memorie van grieven niet relevant is en moet in cassatie veronderstellenderwijs worden uitgegaan van de juistheid van deze stelling.
Kennelijk heeft het hof aan dit oordeel slechts meer reliëf willen geven door ook te overwegen dat volgens de tekst van de “
Quotation proposal” ECTC niet onder alle omstandigheden tot levering verplicht was. Het hof heeft in rov. 3.3 immers de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een inspanningsverbintenis in het midden gelaten. [48]