Conclusie
1.Aanduiding procespartijen en korte inhoud cassatieberoep
2.Feiten en procesverloop
2. Onder vergunning, concessie of toestemming in enige andere vorm zijn in dit geval niet begrepen de voor het aanleggen en/of hebben van werken te geven toestemmingen of anderszins die nodig zijn op grond van een ander motief dan dat van de doelmatige drinkwatervoorziening.”
2. De deelnemers zullen voorts indien nodig hun medewerking geven aan het verlenen van vergunningen, ontheffingen of anderszins aan het lichaam voor het hebben van bedoelde voorwerpen.”
31 oktober 2014. De overige partijen bij het aandeelhoudersconvenant zullen door ons bij afzonderlijke brief op de hoogte worden gesteld van deze opzegging. (...)"
In hoger beroep heeft Vitens, kort gezegd, onder meer aangevoerd dat het Convenant aan de heffing van precariobelasting met betrekking tot het belastingjaar 2015 in de weg stond. Het hof heeft bij uitspraak van 30 juni 2020 [8] de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daartoe heeft het hof, samengevat, het volgende overwogen:
(…)
5.3.3. Bij de beoordeling van de vraag of artikel 2, onderdeel a, van het Convenant een gedoogplicht bevat die aan de heffing van precariobelasting in de weg staat, komt het naar het oordeel van het Hof niet alleen aan op de interpretatie van de bewoordingen van deze bepaling, maar dienen deze bewoordingen mede te worden uitgelegd in de context van het Convenant als geheel, waartoe ook behoort de onder 2.4 vermelde considerans. (…)
5.3.4. Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat uit de bewoordingen “toestemming in enigerlei vorm” in artikel 2, onderdeel a, niet volgt dat de gemeente in haar hoedanigheid van eigenaar van de grond rechtens niet meer bevoegd is op te treden tegen het hebben van voorwerpen onder, op of boven gemeentegrond. (…) Ook met hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat uit het Convenant – nog afgezien van de vraag of het jegens belanghebbende rechtsgeldig is opgezegd – voor de gemeente een gedoogplicht in haar hoedanigheid van grondeigenaar voortvloeit.
5.3.5. De bepaling van artikel 5, onderdeel a, staat evenmin in de weg aan de opgelegde aanslag. Ook indien ervan wordt uitgegaan dat de term ‘retributies’ in de context van deze bepaling mede de heffing van precariobelasting omvat, bevat deze bepaling hooguit de verplichting voor de gemeente om van belanghebbende geheven precariobelasting aan haar terug te betalen; een dergelijke verplichting staat niet aan het heffen van precariobelasting – en dus evenmin aan het opleggen van de onderhavige aanslag – in de weg. (…)
5.3.6. Overigens heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet de belastingrechter, maar de civiele rechter bevoegd is te oordelen over de vraag of artikel 5, onderdeel a, een terugbetalingsverplichting van geheven precariobelasting bevat en of belanghebbende daar voor het onderhavige jaar een beroep op kan doen. De belastingrechter is immers uitsluitend bevoegd te oordelen over de rechtsgeldigheid en de inhoud van het Convenant voor zover dat van belang is voor de beoordeling van de vraag of de aanslag rechtsgeldig is opgelegd (vgl. HR 11 oktober 2013, nr. 11/05660, ECLI:NL:HR:2013:BZ7849 en HR (civiele kamer) 16 juni 2017, nr. 16/01405, ECLI:NL:HR:2017:1103). Aangezien het Hof van oordeel is, zoals hiervoor overwogen, dat het artikel 5, onderdeel a, van het Convenant niet aan de weg staat aan het opleggen van de onderhavige aanslag, is voor het overige uitsluitend de civiele rechter bevoegd te oordelen over de vraag of belanghebbende anderszins aanspraken kan ontlenen aan het Convenant.
1. de opzegging van het Convenant per 31 oktober 2014 door de gemeente geen rechtsgevolgen heeft;
2a. de gemeente met een precarioheffing toerekenbaar tekortschiet in de nakoming van het Convenant;
2b. de gemeente door de opzegging onrechtmatig jegens Vitens handelt; [10] 2c. de gemeente gehouden is de schade te vergoeden die Vitens lijdt als gevolg van de hiervoor onder 2a genoemde toerekenbare tekortkoming en/of onder 2b genoemde onrechtmatig handelen, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Abacus/De Staat [20] en
Rederij Volendam/Marken Express B.V./Gemeente Waterland [21] . Vitens heeft in haar schriftelijke toelichting [22] gewezen op het arrest
Etam/Gemeente Zoetermeer [23] .
Abacus/ De Staat [28] was een door eisers tot cassatie met de belastingdienst gesloten transparantieovereenkomst onderwerp van het geschil. Een van de eisers tot cassatie had aandelen ondergebracht in een trust, met de andere eiser tot cassatie als trustee. De transparantieovereenkomst hield in dat de trust fiscaal transparant is, d.w.z. voor de belastingheffing in Nederland geacht wordt niet te bestaan, alsmede dat bij de transactie geen schenkingsrecht is verschuldigd. Op het nadien door hen kenbaar gemaakte voornemen tot het tussenplaatsen van een Antilliaanse vennootschap via welke de trustee de aandelen zou gaan houden en waardoor de belastingplichtige minder dividendbelasting verschuldigd zou zijn, heeft de belastingdienst eisers laten weten de tussenplaatsing in strijd met de overeenkomst te achten en bij uitvoering daarvan alsnog schenkingsrecht te zullen heffen. Eisers hebben bij de burgerlijke rechter primair een verklaring voor recht gevorderd dat de overeenkomst door tussenplaatsing niet wordt geschonden en subsidiair een verklaring voor recht dat de belastingdienst onrechtmatig handelt door het standpunt in te nemen dat hij, bij uitvoering van de tussenplaatsing, schenkingsrecht kan heffen over de inbreng van aandelen in de trust. Bij de Hoge Raad stond de vraag centraal of eisers ontvankelijk zijn in hun vorderingen bij de burgerlijke rechter. De Hoge Raad heeft deze vraag ontkennend beantwoord:
NJ2001, 106). Het gesloten stelsel van rechtsbescherming in het belastingrecht biedt eiser 1 en Abacus niet de mogelijkheid bij de belastingrechter een verklaring voor recht als door hen gevorderd te verkrijgen, hoe groot hun financiële belang - een argument dat door menige belastingplichtige zou kunnen worden aangevoerd - daarbij ook moge zijn. Dat stelsel laat slechts toe het standpunt van de inspecteur ter toetsing aan de rechter voor te leggen indien de inspecteur de daad bij het woord voegt, aldus dat hij op uitvoering van het voornemen tot tussenplaatsing een (navorderings)aanslag schenkingsrecht laat volgen. Deze door de wetgever gewilde beperking levert, zoals het hof terecht heeft geoordeeld, niet een rechtstekort op waarin door de burgerlijke rechter zou moeten worden voorzien.”
Ook in het arrest
Rederij Volendam-Marken Express B.V./Gemeente Waterland [29] was sprake van een fiscaal compromis.
Etam/Gemeente Zoetermeer [32] was sprake van een overeenkomst waarin zowel over het gebruik van publiekrechtelijke bevoegdheden als privaatrechtelijke bevoegdheden was gecontracteerd. [33] De overeenkomst voorzag in de verkoop van een perceel grond op een industrieterrein te Zoetermeer ten behoeve van de realisatie van een distributiecentrum, factory outlet en kantoren voor Etam en in opvolgende fases verschillende opties op andere, ten tijde van het aangaan van de overeenkomst nog niet vrij beschikbare percelen grond (privaatrechtelijke component). In de overeenkomst was verder bepaald dat de gemeente zich tot het uiterste zou inspannen om het bestemmingsplan aan te passen aan het gebruik van het verkochte voor het beoogde doel (publiekrechtelijke component).
De Hoge Raad stelde voorop dat voor zover de overeenkomst een verplichting voor de gemeente meebrengt om bepaalde publiekrechtelijke bevoegdheden (in dit geval tot het vaststellen van een bestemmingsplan en het verlenen van bouwvergunningen in het plangebied) op een bepaalde wijze uit te oefenen, de overeenkomst – in zoverre – het karakter heeft van een zogenoemde bevoegdhedenovereenkomst.
Vervolgens overwoog de Hoge Raad met betrekking tot de vordering tot nakoming van de verplichting tot het nemen van het besluit dat de wederpartij zich, eventueel na bezwaar, tot de bestuursrechter moet wenden als de rechter die bevoegd is ten aanzien van het besluit. Dat geldt zowel in het geval dat het toegezegde besluit niet genomen wordt, als in het geval dat de wederpartij van oordeel is dat het door het bestuursorgaan genomen besluit niet beantwoordt aan de overeenkomst (rov. 3.6.3).
Ter zake van een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie is de burgerlijke rechter evenwel de bevoegde rechter (rov. 3.6.4). Dat geldt ook, aldus het vervolg van rov. 3.6.4,:
Verder heeft het hof, onbestreden, overwogen dat het toepasselijke beoordelingskader van een duurovereenkomst tussen partijen niet ter discussie staat, en dat indien, zoals in het onderhavige geval, wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding (rov. 5.2).
eerste klacht(onder 2.8 van de procesinleiding) houdt, samengevat, in dat het hof met zijn oordelen in rov. 5.5, 5.10 en door toewijzing van de door Vitens gevorderde verklaring voor recht dat de gemeente met het heffen van precariobelasting toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen uit het Convenant, alsmede dat de gemeente gehouden is de schade te vergoeden die Vitens als gevolg daarvan lijdt en heeft geleden, heeft miskend dat het uitsluitend aan de belastingrechter en niet aan de burgerlijke rechter is om te oordelen over de bevoegdheid van (de heffingsambtenaar van) de gemeente om precariobelasting te heffen, zodat het hof Vitens in haar vordering niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Het hof heeft in rov. 5.5 de argumenten verworpen die de gemeente heeft aangevoerd in het kader van de beoordeling van de door Vitens aangevoerde grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gemeente geen zwaarwegende grond voor opzegging van het Convenant nodig had (zie rov. 5.3 en het daarboven geplaatste kopje “
Is voor opzegging een zwaarwegende grond vereist?”). De gemeente heeft in dat verband aangevoerd dat aan het Convenant geen zodanige betekenis moet worden toegekend dat opzegging alleen mogelijk is als een zwaarwegende grond aanwezig is. [40] Voor haar stelling dat artikel 5 van Pro het Convenant niet van invloed is op haar bevoegdheid om precariobelasting te heffen, heeft de gemeente als argumenten aangevoerd dat (i) artikel 5 van Pro het Convenant slechts ziet op het heffen van retributie, niet op belasting, en (ii) dat artikel 5 van Pro het Convenant slechts verplicht tot terugbetaling van een eventuele retributie en dus als zodanig niet in de weg staat aan de heffing van retributie/belasting.
tweede klacht(onder 2.9) neemt terecht tot uitgangspunt dat het hof zich ten aanzien van de rechtsgeldigheid van de opgelegde aanslag precariobelasting dient te conformeren aan het oordeel van de belastingrechter. Zoals hierboven als nader feit vermeld, heeft (de belastingkamer van) het hof Amsterdam bij arrest van 30 juni 2020 geoordeeld, samengevat, dat de afspraken zoals vastgelegd in het Convenant niet aan de opgelegde aanslag precariobelasting in de weg staan.
In rov. 5.5 heeft het hof zich uitdrukkelijk verenigd met het oordeel van de rechtbank in rov. 4.3 van het vonnis waarvan beroep. Daarin heeft de rechtbank als volgt overwogen:
Daarbij breng ik de hierboven onder 2.12 geciteerde rov. 5.3.6 van de belastingkamer van het hof Amsterdam in herinnering, waarin is geoordeeld dat niet de belastingrechter, maar de civiele rechter bevoegd is te oordelen over de vraag of artikel 5, onderdeel a, een terugbetalingsverplichting van geheven precariobelasting bevat en of belanghebbende daar voor het onderhavige jaar een beroep op kan doen en dat uitsluitend de civiele rechter bevoegd is te oordelen over de vraag of belanghebbende anderszins aanspraken kan ontlenen aan het Convenant.
De tweede klacht faalt dus eveneens.
derde klacht(procesinleiding onder 2.10) bestaat uit drie motiveringsklachten. Volgens de klacht valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom (a) Vitens in haar vordering kon worden ontvangen; (b) het hof niet gebonden zou zijn aan de uitspraak van het hof Amsterdam van 30 juni 2020 en (c) geen sprake zou zijn van een met de onder (b) genoemde uitspraak tegenstrijdige beslissing.