ECLI:NL:PHR:2022:869
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid cassatieberoep tegen beslag op geldbedrag en verwerpt middelen
De zaak betreft een cassatieberoep van een klaagster tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland die het klaagschrift tot opheffing van een beslag op een geldbedrag van €90.776,93 ongegrond verklaarde. Hoewel het beroep aanvankelijk niet bij de juiste griffie werd ingesteld, oordeelt de Hoge Raad dat dit niet fataal is omdat het beroep door een vertegenwoordiger van de klaagster werd ingesteld en niet door een advocaat.
De middelen van cassatie richten zich op vermeende schendingen van art. 552a lid 5 Sv (oproeping beslagene), onduidelijkheid over de grondslag van het beslag, het niet toetsen van proportionaliteit en subsidiariteit van het beslag, en onvoldoende beoordeling van het rechthebbende zijn van de klaagster. De Hoge Raad oordeelt dat uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid dat de beslagene conform art. 552a lid 5 Sv is opgeroepen en dat de klaagster geen belang heeft bij het verzuim.
Verder stelt de Hoge Raad vast dat het beslag een klassiek beslag ex art. 94 Sv Pro betreft en dat de rechtbank terecht geen ambtshalve toetsing aan proportionaliteit en subsidiariteit heeft verricht. De rechtbank heeft het belang van strafvordering als voldoende grond voor voortzetting van het beslag beoordeeld, waardoor het rechthebbende zijn van de klaagster niet aan de orde kwam. Alle middelen falen en het beroep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geldbedrag blijft gehandhaafd.