17. Het
tweedemiddel bevat de klacht dat het afkomstig zijn uit eigen misdrijf (verduistering) niet of onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend is gemotiveerd en/of de bewijsconstructie innerlijk tegenstrijdig is.
18. Uit de voor het bewijs gebezigde verklaringen van [benadeelde] volgt dat zij op een dag in 2010 bij haar moeder was en haar vroeg of zij de juwelen mocht zien. Zij hoorde haar moeder toen zeggen dat zij juwelen aan verdachte had meegegeven voor taxatie (bewijsmiddel 1). Daaruit heeft het hof kunnen afleiden dat de verdachte de sieraden anders dan door misdrijf onder zich heeft gekregen. Daaraan doet, anders dan de steller van het middel meent, niet af dat [benadeelde] in de verklaring die zij bij de politie heeft afgelegd spreekt over ‘de diefstal’ van de sieraden. Tot de redengevende feiten en omstandigheden die het hof aan haar verklaringen heeft ontleend behoort niet de kwalificatie die [benadeelde] aan het handelen van de verdachte heeft gegeven.
19. Het hof overweegt dat de verdachte begin 2012 van [benadeelde] te kennen heeft gekregen, en dit door de verdachte ook zo is begrepen, dat de sieraden terug moesten. Dat heeft het hof eveneens uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. [benadeelde] verklaart dat zij verdachte heeft gebeld en gevraagd waar de sieraden waren en dat zij wilde dat de sieraden heel snel terug zouden komen en dat er een taxatierapport zou worden gegeven (bewijsmiddel 2). De verdachte heeft verklaard dat hij de sieraden in januari 2012 bij [C] had achtergelaten, dat hij een maand later is gebeld door [betrokkene 6] die zei dat [slachtoffer] vroeg naar de sieraden en dat hij dezelfde avond [benadeelde] heeft gebeld (bewijsmiddel 3).
20. Het hof overweegt vervolgens dat de 38 sieraden die door [C] zijn teruggeven aan de verdachte niet zijn teruggegeven aan [slachtoffer] en/of [benadeelde] . Ook dat heeft het hof uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden. [benadeelde] verklaart dat de verdacht een juwelendoos heeft teruggebracht met ‘rommel’ en een collier met een peervormige diamant die bij onderzoek nep bleek te zijn (bewijsmiddel 2). En het hof stelt vast dat de verdachte in december 2015 twee oorstekers die bij [C] niet waren verkocht bij Venduhuis [D] heeft ingebracht. Die vaststelling vindt steun in de voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte. Het hof wijst tenslotte op de overeenkomst in modus operandi met andere bewezenverklaarde feiten: het in sieraden vervangen van diamanten door zirkonia’s. Het hof heeft uit een en ander kunnen afleiden dat de verdachte zich de sieraden wederrechtelijk heeft toegeëigend die hij anders dan door misdrijf onder zich had
21. De steller van het middel brengt ook enkele meer specifieke klachten naar voren. Zo voert zij aan dat het hof het moment waarop de verdachte de sieraden zou hebben verduisterd ‘later in de tijd (zou hebben) geplaatst dan waarop de tenlastelegging vermoedelijk het oog heeft gehad’. Dat zie ik anders. De tenlastelegging ziet op witwassen in de periode van 19 november 2007 tot en met 15 maart 2016 en laat open op welk moment in deze periode het zich wederrechtelijk toe-eigenen van de sieraden heeft plaatsgevonden.
22. Anders dan de steller van het middel meen ik voorts dat in de verklaring van [benadeelde] wel degelijk aanknopingspunten zijn te ontwaren voor verduistering door de verdachte. Ik wijs in het bijzonder op het telefoongesprek dat zij met de verdachte heeft gevoerd en de doos met ‘rommel’ die hij nadien terugbrengt (bewijsmiddel 2). Dat [slachtoffer] als rechthebbende van (het merendeel van) de sieraden moet worden aangemerkt, doet evenmin aan de toereikendheid van de bewijsvoering af. Het hof heeft kennelijk uit de bewijsmiddelen afgeleid en daaruit kunnen afleiden dat [benadeelde] ook namens haar moeder duidelijk heeft gemaakt dat de sieraden terug moesten, en dat de verdachte dit ook zo heeft begrepen. Daar komt bij dat de verdachte zelf heeft verklaard dat hij begin 2012 door iemand is gebeld die namens [slachtoffer] vroeg naar de sieraden (bewijsmiddel 3). Anders dan de steller van het middel meent, doet de omstandigheid dat de verdachte zou hebben gesteld ‘dat zijn handelingen ten aanzien van de sieraden allemaal in overleg met de oorspronkelijk rechthebbende van die sieraden hebben plaatsgevonden’ er ook niet aan af dat het hof (delen van) de verklaring van de verdachte als bewijsmiddel heeft kunnen gebruiken. Ik merk op dat in cassatie niet wordt gesteld (en beargumenteerd) dat de verklaring van de verdachte zou zijn gedenatureerd.
23. Anders dan de steller van het middel meen ik voorts dat het hof gebruik heeft kunnen maken van schakelbewijs. Zowel in de onderhavige zaak als bij het in de zaak met parketnummer 09-857213-16 onder 1 bewezenverklaarde feit is sprake van een slinkse wijze van handelen die de sieraden in de feitelijke macht van de verdachte brengt (het deponeren in een kluis van [A] dan wel het afgeven ten behoeve van een taxatie) en het verhullen van de diefstal van diamanten in de sieraden door daar zirkonia’s voor in de plaats te zetten. Dat is een betrekkelijk specifieke modus operandi. In de zaak met parketnummer 09-857213-16 is onder 2 eveneens diefstal van sieraden (twee ringen en een hanger) met diamanten uit een kluis van Hotel [A] bewezenverklaard. De aangifte van [betrokkene 8] houdt onder meer in: ‘Ik doe aangifte van diefstal. Ik ben in het bezit van twee ringen en een hanger. Dit zijn waardevolle sieraden vanwege de diamanten die er in zitten. Ik ben er gisteren achter gekomen dat de diamanten niet meer in de sieraden zitten, maar dat die vervangen zijn door zirkonias’. De verdachte heeft daar tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg op 20 november 2018 over verklaard: ‘Ik heb ze in twee keer gepakt, voor de zomer van 2013. Ik heb de diamanten die hierin zaten ook weer laten vervangen door [betrokkene 9] ’ Uit de bewezenverklaring onder 3 blijkt dat verdachte zeven diamanten uit gestolen sieraden heeft laten verwijderen en vervangen door zirkonia’s. Ik merk daarbij nog op dat de bewijsvoering inzake de afkomst uit het misdrijf verduistering in de onderhavige zaak ook toereikend zou zijn als schakelbewijs zou ontbreken.
24. Het middel faalt.
25. Het
derdemiddel behelst de klacht dat het overdragen en/of omzetten van de sieraden niet of onvoldoende uit de bewijsmiddelen kan volgen, althans dat de bewezenverklaring op dit punt ontoereikend gemotiveerd is, althans dat de kwalificatiebeslissing van dit feit niet juist is. Dat de sieraden zijn omgezet zou ‘hooguit enkel’ kunnen gelden voor de peervormige diamant die volgens de voor het bewijs gebezigde verklaring van [benadeelde] is vervangen door een zirkonia en voor de oorstekers die klaarblijkelijk zijn aangeboden en geveild bij Venduhuis [D] . Voor de overige sieraden zou niet uit de bewijsmiddelen kunnen volgen dat deze door de verdachte zijn omgezet of overgedragen.
26. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte ‘een aantal sieraden ((die hij, verdachte, had verduisterd) van [slachtoffer] en/of [benadeelde] ), heeft overgedragen en/of heeft omgezet, terwijl hij wist dat die sieraden, afkomstig waren uit enig misdrijf.’ Uit de bewijsoverwegingen van het hof volgt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte 54 sieraden heeft ingebracht bij [C] om te laten veilen. Nadat [benadeelde] hem in 2012 te kennen heeft gegeven de sieraden terug te geven heeft hij geprobeerd deze uit de veiling terug te halen. Daarop zijn 16 sieraden via [C] verkocht, de rest is aan de verdachte teruggeven. Het hof spitst de bewijsoverwegingen vervolgens toe op de sieraden die aan de verdachte zijn teruggegeven en heeft ‘daargelaten wat de afspraak tussen de verdachte en [slachtoffer] was over het laten taxeren dan wel verkopen van haar sieraden’. Een en ander brengt mee dat de bewezenverklaring naar het mij voorkomt niet ziet op de sieraden die door [C] verkocht zijn.
27. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de 38 sieraden die door [C] zijn geretourneerd aan de verdachte door deze niet zijn teruggegeven aan [slachtoffer] en/of [benadeelde] . De sieraden die hij wel heeft gegeven waren sieraden die [benadeelde] niet herkende. Uit ’s hofs overwegingen valt niet af te leiden dat het hof in het teruggeven van andere sieraden dan de verdachte onder zich had gekregen omzetten in de zin van de witwasbepaling heeft gezien. En een dergelijke interpretatie zou naar het mij voorkomt wel enige uitleg behoeven.