Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
The Parties have conferred and resolved that they will agree to the deadline for the parties' closing submissions being extended to Friday 21 April 2017 on the basis that on this date the Parties' will provide theirfinalsubmissions in these arbitral proceedings. In other words, the parties have agreed to waive their respective rights to file rebuttal submissions and will therefore proceed on the basis that there will be only one round of closing submissions, based on the common understanding that post-hearing briefs serve the purpose of commenting on the outcome of the evidentiary hearing(s) and the evidence which is on the record, but may not introduce new facts."
The parties’ extension request (to file final closing submissions by 21 April 2017) is granted."
J3 INTEREST
V. TRIBUNAL'S DECISION AND REASONING
11. The 5% interest rate specified in the Statement of Claim was the official refinancing rate of the National Bank of the Republic of Kazakhstan at the date of the Statement of Claim. However, in paragraph 506(1) of the Claimant’s Closing Submissions, the Claimant elected for the interest rate to be that applicable as at the date of judgment (rather than the date of the claim). On the date of the Award, the official refinancing rate of the National Bank of the Republic of Kazakhstan was 10,5% per annum (http://www.nationalbank.kz/?docid=951&switch=english).
33. Qualifying Claimant's desire for a better interest rate as computational or clerical error in the meaning of Article 52(1) of the NAI Rules speaks for itself and highlights Claimant's - or its counsel's - general approach in this matter.
33. Claimant 's request that the interest rate of 5% payable under the Award (para. 1026(j) of the Award) should be amended to 10,5% as "computational or clerical error" in the meaning of Article 52(1) of the NAI Rules is evidently unfounded.
52. With respect to the "other evident errors," the Claimant applies for a correction to refer to the correct rate of interest claimed (..). The Tribunal notes two issues at the outset: (1) the Respondent has not made any contrary submissions as to the applicable rate of interest or the award of interest in general during the arbitration, (..) (2) the basis for the Tribunal's award is the Claimant's submission that it is entitled to interest. (..)
a. Amend paragraph 1001 to “The Claimant submitted that a 10.5% per annum interest rate is applicable to payments under the SPA, as the applicable interest rate at the date of judgment. The Respondent has not made any contrary submissions. The Tribunal accepts that a 10.5% per annum interest rate is the applicable rate to outstanding payments due under the SPA." (...).”
3.Procesverloop
4.Juridisch kader
Stb. 2014/200) is laatstgenoemde wet niet van toepassing op arbitrale procedures die vóór de inwerkingtreding ervan (op 1 januari 2015) aanhangig zijn gemaakt. In deze zaak is de arbitrage op 11 juni 2013 aanhangig gemaakt. In deze conclusie zal telkens worden verwezen naar het oude recht, tenzij uitdrukkelijk anders wordt aangegeven. Waar het de vernietigingsgronden van art. 1065 Rv Pro (oud) betreft, verschilt dit recht inhoudelijk overigens nauwelijks van het nieuwe arbitragerecht. Het gaat bij art. 1065 (nieuw) Rv om redactionele wijzingen, codificatie van de bestaande praktijk, een enkele toevoeging en aanpassing van een termijn. [9]
Een vernietigingsprocedure mag niet worden gebruikt als een verkapt hoger beroep. Het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging brengt immers mee dat de rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen’, zo luidt de meest recente formulering van de Hoge Raad in de
Yukos-arresten. [13] Zonder het woord ‘immers’ werd hetzelfde overwogen in het bekende
[…]-arrest, waarnaar de Hoge Raad ook verwijst in de
Yukos-arresten. [14]
om op deze vernietigingsgrond een arbitraal vonnis naar zijn inhoud te toetsen’. [23] Ook kan worden gewezen op de onder 4.13 te bespreken rechtspraak van de Hoge Raad over art. 1065 lid Pro 1, onder c, Rv, waaruit blijkt dat de rechter niet mag toetsen of het scheidsgerecht de toepasselijke beslissingsmaatstaf op juiste wijze heeft toegepast, [24] en evenmin, in het geval dat in het arbitrale vonnis een onjuiste beslissingsmaatstaf wordt vermeld, mag treden in een inhoudelijke beoordeling van het vonnis met het oog op de vraag of het scheidsgerecht in feite toch de juiste beslissingsmaatstaf heeft gehanteerd.
IMS/Modsaf I, waarin het ging om overeengekomen procedureregels (ICC-arbitragereglement), volgt dat de rechter daarbij (‘
derhalve’) de toepasselijke procedureregels dient uit te leggen – tenzij de uitleg van die regels aan zijn oordeel is onttrokken –, en aan de hand van die uitleg dient te onderzoeken of het scheidsgerecht de regels al dan niet juist heeft toegepast: [29]
onder meer hiermee samen dat een procedure op de voet van art. 1065 Rv Pro (oud) niet mag worden gebruikt als een verkapt hoger beroep, en dat het algemeen belang bij een effectief functionerende arbitrale rechtspleging meebrengt dat de burgerlijke rechter slechts in sprekende gevallen dient in te grijpen in arbitrale beslissingen’ (vgl. onder 4.4). [30] In dit verband kunnen ook de arresten
[…] /Anovaen
IMS/Modsaf IIworden genoemd, zij het dat beide arresten (op dit punt) gaan over art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv (strijd met de openbare orde). De Hoge Raad overwoog in deze arresten dat niet iedere schending van een procedureregel tot vernietiging van het arbitrale vonnis behoeft te leiden (citaat afkomstig uit
[…] /Anova, rov. 3.5): [31]
een inhoudelijke beoordeling van het arbitrale vonnis met het oog op de vraag of het scheidsgerecht in afwijking van de uitdrukkelijk vermelde, onjuiste beoordelingsmaatstaf in feite de juiste beoordelingsmaatstaf heeft aangelegd, niet strookt met de aard van de vernietigingsprocedure’. [34]
substantiële betekenis’ is. Het gaat erom of de uitspraak anders had kunnen uitvallen als het scheidsgerecht zich aan zijn opdracht had gehouden. Een schending van ‘
ondergeschikte betekenis’ vormt geen grond voor vernietiging van een arbitraal vonnis. [37] Bij de beantwoording van de vraag of de ernst van de schending van de opdracht vernietiging van het arbitrale vonnis rechtvaardigt, komt de rechter beoordelingsvrijheid toe. [38]
zoveel mogelijk te voorkomen dat een arbitraal vonnis moet worden vernietigd op de grond dat het scheidsgerecht met schending van zijn opdracht uitspraak heeft gedaan’, aldus de Hoge Raad in het arrest
Areb/Ameg. [41] Deze strekking [42] brengt volgens de Hoge Raad mee dat – áls de wederpartij zich op het bepaalde art. 1065 lid Pro 4, tweede volzin, Rv heeft beroepen [43] – de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het in die bepaling genoemde geval rusten op de partij die vernietiging vordert van een arbitraal vonnis wegens schending van de opdracht. Dit betekent, zo verduidelijk de Hoge Raad, dat deze partij: [44]
Areb/Amegeveneens overwogen dat art.1065 lid 4 Rv Pro (oud) geen toepassing kan vinden in het geval dat de partij die vernietiging vordert op de grond dat het scheidsgerecht zich niet aan de opdracht heeft gehouden, hiermee eerst bekend is geworden door kennisneming van het arbitraal vonnis. Volgens de Hoge Raad kan het nalaten van het opnemen van een beroep op schending van de opdracht in een verzoek aan het scheidsgerecht om een kennelijke reken- of schrijffout te herstellen in het arbitrale vonnis op de voet van art. 1060 lid 1 Rv Pro (oud), niet worden aangemerkt als deelnemen aan een arbitraal geding zonder een beroep te doen op de schending van de opdracht zoals bedoeld in art. 1065 lid Pro 4. De reden daarvoor is dat art. 1060 lid 1 Rv Pro (oud) geen herstel mogelijk maakt van een beslissing waarmee het scheidsgerecht buiten de grenzen van zijn opdracht is getreden. [45]
de voortgang en finaliteit van het arbitraal proces (…) voor het geval onredelijk laat getracht wordt door de belanghebbende partij nog een spaak in het wiel te steken’. [52] Ook elders in de literatuur wordt wel vermeld dat art. 1048a Rv in de sleutel staat van een voortvarend verloop van de van de arbitrageprocedure. [53] Schaink stelt dat de bepaling is ingevoerd in het kader van het terugbrengen van vernietigingen van arbitrale vonnissen. [54]
processuele openbare ordeis in het geding indien de wijze waarop een arbitraal vonnis tot stand is gekomen in strijd is met fundamentele beginselen van procesrecht, [57] zoals het beginsel van hoor en wederhoor [58] of het beginsel van onpartijdigheid en onafhankelijkheid. [59] Zoals hiervoor onder 4.6 opgemerkt hoeft de rechter geen terughoudendheid te betrachten bij de beoordeling of het arbitrale vonnis in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor tot stand is gekomen.
materiële openbare ordeis op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad slechts sprake indien “
de inhoud of uitvoering van het vonnis strijd oplevert met dwingend recht van een zo fundamenteel karakter dat de naleving ervan niet door beperkingen van procesrechtelijke aard mag worden verhinderd”. [60] Alleen wanneer het gaat om schending – het ten onrechte niet of onjuist toepassen [61] – van zulk ‘uiterst fundamenteel recht’, komt een arbitraal vonnis op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv voor vernietiging in aanmerking. Bij dat ‘uiterst fundamentele recht’ kan het zowel gaan om materiële rechtsregels als om formele rechtsregels. [62] Ook kan het gaan om fundamentele rechtsbeginselen. [63]
ultra petitais gegaan. Het artikellid luidt als volgt:
geldige deel van het vonnis [wordt] gesauveerd als de arbiters meer of anders toewijzen dan werd gevorderd (materiële opdracht), als tenminste dat geldige deel kan worden gescheiden van het overige deel van het vonnis” en dat “[d]
oor de rechtspraak (…) onder het bestaande recht zo een gedeeltelijke vernietiging[wordt]
aanvaard”. [64]
ASB Grünland en ASB Greenworld/Sagrouit 2006 achtte de Hoge Raad partiële vernietiging mogelijk in een geval waarin het arbitrale vonnis was gewezen tegen twee verweerders van wie slechts één gebonden was aan de arbitrageovereenkomst. Volgens de Hoge Raad viel niet in te zien waarom een scheidsrechterlijke uitspraak niet voor een deel kan worden vernietigd op de grond dat voor dat deel een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt als bedoeld in art. 1065 lid 1 sub a Rv Pro (oud). [70] De Hoge Raad verwees in dit verband naar een arrest uit 1931 ten aanzien van art. 649 Rv Pro (oud). In dit arrest had de Hoge Raad overwogen dat “(…)
niet is in te zien, waarom artikel 649 Rv Pro. niet zou toelaten om, indien daartoe aanleiding bestaat, een arbitrale beslissing voor een deel nietig te verklaren”. [71]
IMS/Modsaf II, had het hof het arbitrale vonnis partieel vernietigd op de voet van art. 1065 lid 1 sub c Rv Pro (oud), alleen voor zover het de daarin opgenomen rente- en kostenbeslissing betrof. Deze partiële vernietiging resulteerde erin dat het totaal van het door het scheidsgerecht toegewezen bedrag werd verminderd met het bedrag dat gemoeid was met de vernietigde rente- en kostenbeslissing. Het hof overwoog dat een dergelijke partiële vernietiging mogelijk was omdat het ging “
om duidelijk afgebakende punten (posten) waarvan de vernietiging geen invloed zal hebben op de overige beslissingen in het eindvonnis”. [72] De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten die de mogelijkheid van partiële vernietiging in het onderhavige geval ter discussie stelden. Overwogen werd dat ook in het onderhavige geval waarin het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden, de scheidsrechterlijke uitspraak op de voet van art. 1065 lid 5 Rv Pro (oud) gedeeltelijk kan worden vernietigd op de grond dat voor dat deel aan het scheidsgerecht enige opdracht in de zin van art. 1065 lid 1 onder Pro c Rv (oud) ontbreekt. [73]
In de praktijk is gebleken dat een partiële vernietiging van een arbitraal vonnis niet behoeft te zijn beperkt tot het geval van een vonnis datextra
ofultra petita
is. Zo kan bijvoorbeeld een vonnis een groot aantal verschillende vorderingen bestrijken doch het vereiste van hoor en wederhoor slechts ten opzichte van één vordering zijn geschonden. Het komt dan nutteloos voor het gehele vonnis te vernietigen vanwege de misstap ten aanzien van slechts één onderdeel daarvan. Dat zou ook indruisen tegen het uitgangspunt dat vernietiging van een arbitraal vonnis zoveel mogelijk dient te worden voorkomen.” [77]
to correct in the award any errors in computation, any clerical or typographical errors or any errors of similar nature”. [78]
herstellen. Ingevolge het tweede lid kan tevens worden verzocht om
verbeteringvan onjuist vermelde of ontbrekende gegevens als bedoeld in art. 1057 lid 4 sub Pro a t/m d Rv (oud) (o.a. de namen en woonplaatsen van de partijen en arbiters). Het scheidsgerecht kan ook binnen dezelfde termijn als genoemd in het eerste en tweede lid ambtshalve overgaan tot herstel of verbetering (lid 4). Op grond van art. 1060 lid 5 Rv Pro (oud) vindt herstel van het arbitrale vonnis plaats door de rectificatie op het origineel en op de afschriften van het vonnis aan te brengen en te ondertekenen, dan wel door vermelding van de rectificatie in een apart door het scheidsgerecht te ondertekenen stuk, welk stuk geacht wordt deel uit te maken van het vonnis.
5.Het incidentele cassatieberoep
Areb/Ameg, vindt deze bepaling geen toepassing indien de partij die vernietiging vordert op grond van opdrachtschending eerst door kennisneming van het arbitraal vonnis ermee bekend is geworden dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht hield. Dat HCCEEH niet eerder dan na kennisneming van herstelvonnis bekend was met de opdrachtschending is m.i. evident. Uit art. 1065 lid 4 Rv Pro (oud) volgt niet dat een partij ook haar recht kan verwerken om in de vernietigingsprocedure een beroep te doen op een opdrachtschending, wanneer zij het scheidsgerecht niet heeft gewezen op mogelijke
dreigendeopdrachtschendingen. Hierop stuit het onderdeel reeds af.
Areb/Ameg(zie hiervoor onder 4.18)
,moet m.i. worden aangenomen dat het nalaten van een beroep op schending van de opdracht in
een reactie opeen verzoek aan het scheidsgerecht om een kennelijke reken- of schrijffout te herstellen in het arbitrale vonnis evenmin kan worden aangemerkt als deelnemen aan een arbitraal geding zonder een beroep te doen op de schending van de opdracht in de zin van art. 1065 lid 4 Rv Pro (oud).
onderdeel 2(onder nrs. 29-31 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep) wordt geklaagd dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.4.2 heeft miskend dat het op de weg van HCCEEH lag om (zowel vóórdat het scheidsgerecht op 15 augustus 2017 vonnis wees als daarna naar aanleiding van het herstelverzoek van Alpha) op de voet van art. 34 lid 2 NAI Pro-reglement bezwaar te maken tegen de in de closing submission opgenomen eiswijziging en ingevolge art. 1065 lid 4 Rv Pro (oud) de verplichting had om bezwaar te maken tegen de (dreigende) opdrachtschending en schending van het recht van HCCEEH op hoor en wederhoor door het scheidsgerecht, faalt dit onderdeel eveneens om de hiervoor vermelde redenen.
Subonderdeel 1aheeft betrekking op de hiervoor onder 1 genoemde zelfstandige dragende grond (rov. 3.4.1) en
subonderdeel 1bziet op de onder 3 genoemde grond (rov. 3.4.3). Beide subonderdelen klagen onder meer, kort samengevat, dat het hof ten onrechte niet de in een vernietigingsprocedure te betrachten terughoudendheid in acht heeft genomen bij de beoordeling of sprake is van de vernietigingsgrond als bedoeld in art. 1065 lid 1 sub c Rv Pro (oud). Betoogd wordt dat het hof ten onrechte (vol) heeft getoetst of het (impliciete) oordeel van het scheidsgerecht over art. 34 lid 1 en Pro 52 lid 1 NAI-reglement juist is, alsof sprake was van een (arbitraal) hoger beroep. Daarnaast heeft het hof ten onrechte niet vastgesteld dat sprake is van een sprekend geval van opdrachtschending dan wel een ernstige opdrachtschending die vernietiging rechtvaardigt, en heeft het hof niet gerespondeerd op het betoog van Alpha dat – voor zover sprake is van een opdrachtschending – deze schending niet ernstig genoeg is om vernietiging te rechtvaardigen, aldus onderdeel 1. Voorts klaagt subonderdeel 1b dat het hof in rov. 3.4.3 ten onrechte niet heeft geoordeeld of schending van art. 1060 Rv Pro (oud) dan wel art. 52 lid 1 NAI Pro-reglement meebrengt dat sprake is van een vernietigingsgrond in de zin van art. 1065 lid 1 Rv Pro (oud), althans dat zijn oordeel op dit punt onvoldoende gemotiveerd is.
hetgeen op grond van artikel 1065 lid 1 sub c Rv Pro grond vormt voor vernietiging van het arbitraal vonnis”. Hetzelfde geldt voor rov. 3.4.3, waarin het hof heeft beoordeeld of sprake is van schending van art. 1060 Rv Pro (oud) dan wel artikel 52 lid 1 NAI Pro-reglement. Ook daaruit blijkt niet dat het hof – voor zover het van oordeel was dat sprake is van een opdrachtschending als bedoeld in art. 1065 lid 1 sub c Rv Pro (oud) – heeft beoordeeld dat sprake is van een ernstige schending van de opdracht zodat vernietiging op de voet van art. 1065 lid 1 sub e Rv Pro (oud) gerechtvaardigd is. Het hof lijkt daarmee (een) belangrijke stap(pen) in de vernietigingstoetsing te hebben overgeslagen.
eerste vraagis of het scheidsgerecht (de toepasselijkheid van) de procedureregel heeft onderkend. De
tweede vraagis of het scheidsgerecht de procedureregel (conceptueel) op juiste wijze heeft uitgelegd. De
derde vraagis hoe en met welk resultaat het scheidsgerecht de procedureregel in het concrete geval heeft toegepast. Een terughoudende toetsing door de vernietigingsrechter zal zich niet kunnen voordoen bij de eerste twee vragen; die zullen juist vól getoetst moeten worden. Een procedureregel is wel of niet onder ogen gezien, en die regel is wel of niet op juiste wijze uitgelegd door het scheidsgerecht. Een terughoudende toetsing door de vernietigingsrechter past daar niet bij. Terughoudendheid is wél aan de orde bij de derde vraag, dus bij de beoordeling hoe en met welk resultaat het scheidsgerecht de procedureregel heeft toegepast. Op dit punt zal de vernietigingsrechter het scheidsgerecht beoordelingsruimte moeten geven, en alleen in sprekende gevallen de beslissing daarover moeten vernietigen. Bijvoorbeeld: of al dan niet sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in art. 34 lid 1 NAI Pro-reglement, is bij uitstek een beoordeling waar het scheidsgerecht beoordelingsruimte heeft. Die ruimte moet de overheidsrechter respecteren door het arbitrale oordeel daarover terughoudend te toetsen. Aan te tekenen is overigens dat de tweede en derde vraag in de praktijk door elkaar kunnen lopen, omdat de wijze waarop het scheidsgerecht de proceduregel (conceptueel) heeft uitgelegd, vaak pas blijkt uit het antwoord op vraag 3, dus op welke wijze en met welk resultaat het scheidsgerecht de procedureregel heeft toegepast.
in de arbitrageprocedureheeft gesteld dat sprake was van een bijzonder geval in de zin van art. 34 lid 1 NAI Pro-reglement dat een (te) late indiening van de eisvermeerdering rechtvaardigde.
onderdeel 2de klacht dat het hof met zijn oordeel in rov. 3.4.2 heeft miskend dat voor de beoordeling van de vraag of het scheidsgerecht het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden irrelevant is de hypothetische situatie waarin het scheidsgerecht al in het aanvankelijke arbitrale vonnis van 15 augustus 2017 een rentevoet van 11% of 10,5% zou hebben toegekend. Het onderdeel voert aan dat het hof heeft miskend dat het gaat om de vraag of het scheidsgerecht het recht van HCCEEH op hoor en wederhoor heeft geschonden op basis van het procesverloop zoals dat
daadwerkelijkheeft plaatsgevonden, en met name of dat recht is geschonden in het kader van de procedure tot herstel van een kennelijke fout op grond van art. 52 lid 1 NAI Pro-reglement (zie nr. 32 van het verweerschrift tevens houdende incidenteel cassatieberoep). Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat, voor zover het recht op hoor en wederhoor zou zijn geschonden in de hypothetische situatie dat in het eerste vonnis reeds een verhoogde rentepercentage van 11% of 10,5% zou zijn toegekend, deze schending is hersteld doordat HCCEEH heeft kunnen reageren op het herstelverzoek van Alpha.
6.Het principale cassatieberoep
de verbeteringvan de oorspronkelijke uitspraak. Op grond van art. 31 lid 4 Rv Pro staat tegen de herstelbeslissing geen hogere voorziening open, maar op basis van de doorbrekingsgronden (zoals ten onrechte toepassen of juist ten onrechte buiten toepassing laten van de bepaling, verzuim van essentiële vormen bij het nemen van de herstelbeslissing) staat daarvan in bepaalde gevallen toch een rechtsmiddel open. Het voorwerp van het rechtsmiddel is dus
de beslissing tot verbetering. Dat verklaart waarom de Hoge Raad bij gegrondbevinding van het cassatieberoep tegen de verbetering slechts het herstelarrest vernietigt en niet (ook) het verbeterde arrest. Waarbij is aan te tekenen dat ingevolge art. 31 lid 2 Rv Pro de verbetering op de minuut van het oorspronkelijk arrest wordt gesteld, zodat het arrest na verbetering rechtens alleen nog in de verbeterde vorm bestaat en het herstelarrest formeel gezien niet als zelfstandig arrest kan worden aangemerkt. [89]