Conclusie
Conservatrix Groep) de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de
OK) op grond van art. 3:159ab Wft (oud) verzocht om een aanvullende schadeloosstelling vast te stellen. Dit nadat de rechtbank Amsterdam bij beschikking van 15 mei 2017 de gedwongen overdracht heeft uitgesproken van de aandelen die Conservatrix Groep hield in Nederlandsche Algemeene Maatschappij van Levensverzekering ‘Conservatrix’ N.V. (hierna:
Conservatrix N.V.) aan Trier Holding B.V. (hierna:
Trier) voor de prijs van € 1,--. [1] Het van die beschikking ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen bij beschikking van 17 mei 2019. [2]
Tussenbeschikking). [3] Daarin heeft de OK, kort gezegd, overwogen dat zij het door Conservatrix Groep voorgestelde going concern toekomstperspectief niet volgt. En dat een redelijk handelend koper in het door de OK bedoelde liquidatiescenario € 1,-- voor de aandelen in Conservatrix N.V. zou hebben betaald. Ook heeft zij aangekondigd deskundigen te zullen benoemen om haar voor te lichten inzake het door haar bedoelde overnamescenario. Waarbij zij reeds uitgangspunten heeft geformuleerd waarmee de deskundigen rekening moeten houden. De OK heeft bepaald dat tussentijds cassatieberoep kan worden ingesteld van de Tussenbeschikking.
principalecassatieberoep - dat ik behandel onder 3 hierna - komt Conservatrix Groep naar de kern genomen voornamelijk op tegen de overwegingen die de OK hebben geleid tot het oordeel dat het door Conservatrix Groep voorgestelde going concern toekomstperspectief niet gevolgd wordt. Alsmede tegen overwegingen van de OK die volgens Conservatrix Groep voortbouwen op dat oordeel inzake dit toekomstperspectief. In het
incidentelecassatieberoep - dat ik behandel onder 4 hierna - komt de Staat der Nederlanden (hierna: de
Staat) in essentie, en onvoorwaardelijk, op tegen overwegingen inzake de zelfstandige taak die de OK voor haarzelf vooropstelt in de Tussenbeschikking. Tegen de wijze waarop de OK genoemd liquidatiescenario en overnamescenario naast elkaar behandelt. En tegen de overeenkomstige toepassing door de OK van de proceskostenregeling die geldt in het kader van Deel 6 Wft (art. 6:11 lid 4 Wft Pro) in de onderhavige schadeloosstellingsprocedure op de voet van art. 3:159ab Wft (oud).
M.i. zijn de cassatieberoepen van Conservatrix Groep en van de Staat vergeefs voorgesteld. De Tussenbeschikking kan dus in stand blijven.
1.De feiten
STAK). De door STAK uitgegeven certificaten worden gehouden door [de familie] . Tot de Conservatrix groep behoren of behoorden ook andere verzekeraars, te weten N.V. Nederlandse uitvaartverzekering Maatschappij (hierna:
Nuvema), Hooghenraed Levensverzekeringen N.V. (hierna:
Hooghenraed) en Heco Reassurantie N.V. S.A. (hierna:
Heco).
NGP). Het NGP bood de polishouders een gegarandeerd eindkapitaal aangevuld met een rentewinstdelingsregeling. Conservatrix N.V. belegde de door de polishouders betaalde premies door aan particulieren hypothecaire leningen te verstrekken.
DNB). In 2012 heeft DNB het toezicht geïntensiveerd vanwege zorgen over de bedrijfsvoering, de risicobeheersing en de solvabiliteit van Conservatrix N.V. Op 1 april 2014 heeft DNB (a) aan Conservatrix N.V. een aanwijzing gegeven op de voet van art. 1:75 Wft Pro, inhoudende dat Conservatrix N.V. aan DNB voor 1 juni 2014 meer inzicht biedt in haar financiële (solvabiliteits)positie per ultimo 2013, en (b) een curator benoemd in de zin van art. 1:76 Wft Pro met als opdracht ervoor te zorgen dat Conservatrix N.V. de aanwijzing tijdig en volledig opvolgt.
TSC) van ten minste 100%.
;
The Solvency II required capital (SCR) is based on the information in the PwC report (...). The estimated SCR in this report is adjusted for the following components:
• the interest exposure is assumed to be completely hedged, but as mentioned in the PwC report (...), despite the hedging an interest exposure (SCR) of € 5 million (interest up) is still in place;
• the property risk is based on the actual property investment on the balance sheet. Based on these assumptions the SCR is calculated as: (...) [€ 18 miljoen] [dit laatste is een toevoeging van de OK, A-G].”
RGA), dat gedurende het onderhandelingstraject geen voorbereidingen worden getroffen voor toepassing van de en bloc-clausule, en dat de onderhandelingen binnen acht weken resulteren in een onvoorwaardelijke bieding. Conservatrix Groep heeft deze voorwaarden niet geaccepteerd. De onderhandelingen tussen DNB en RGA hebben niet tot overeenstemming geleid en zijn op 24 februari 2017 geëindigd.
WTW) op 21 maart 2017 aan DNB gerapporteerd over de waarde van de activa en passiva van Conservatrix N.V. per einde 2015 en de ontwikkeling daarvan in de loop van het jaar 2016 en het begin van het jaar 2017. Op instructie van DNB heeft WTW, voor het geval het overdrachtsplan niet zou worden goedgekeurd, als toekomstperspectief van Conservatrix N.V. een liquidatiescenario gehanteerd, inhoudende dat Conservatrix N.V. in staat van faillissement zal worden verklaard of de noodregeling zal worden uitgesproken en dat de curator respectievelijk de bewindvoerder binnen een termijn van anderhalf tot drie jaar Conservatrix N.V. zal liquideren. WTW is voorts uitgegaan van een op verzoek van DNB door Ernst & Young Accountants opgestelde waardering van de hypothecaire leningen. De managementsamenvatting van het rapport van WTW houdt onder meer in:
2.Het procesverloop
In feitelijke instantie bij de OK
p-v).
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
tussenbeschikking. Daarvan kan via art. 426 lid 4 en Pro 401a Rv toch meteen cassatieberoep worden ingesteld, en niet eerst nadat eindbeschikking is gegeven, nu de OK in de Tussenbeschikking dus de mogelijkheid van tussentijds cassatieberoep heeft opengesteld. Zie onder 2.6 hiervoor.
ookvan de daaraan voorafgaande voorbereidende handelingen (van DNB).
NHG) niet is aan te merken als een garantie in de zin van art. 215 sub f Gedelegeerde Pro Verordening. [19] Aldus neemt de OK evident tot uitgangspunt het optreden van DNB in de voorbereiding van de gedwongen overdracht, te weten de inhoud van het verzoek van DNB tot vaststelling van het overdrachtsplan door de rechtbank Amsterdam.
Inleiding
- DNB heeft Conservatrix in 2012 onder geïntensiveerd toezicht geplaatst, op 1 april 2014 een stille curator aangesteld, op 23 september 2014 niet ingestemd met het door Conservatrix ingediende herstelplan (zie [onder 1.3 en 1.5 hiervoor, A-G]).
- DNB heeft vanaf 13 januari 2015 aangestuurd op een overname van Conservatrix N.V. (zie [onder 1.10 hiervoor, A-G]).
- DNB heeft zich herhaaldelijk op het standpunt gesteld dat niet wordt ingestemd met toepassing van de
- Conservatrix N.V. heeft op 1 september 2016 aan DNB laten weten geen korte termijn herstelplan te zullen indienen (zie [onder 1.23 hiervoor, A-G]).
- DNB heeft op 26 oktober 2016 aan Conservatrix N.V. medegedeeld dat zij voornemens is de vergunning voor het uitoefenen van het levensverzekeringsbedrijf in te trekken (zie [onder 1.25 hiervoor, A-G]).
Het betoog van Conservatrix Groep dat DNB Solvabiliteit II onnodig streng toepast - onder meer door geen rekening te houden met de inkomstenstromen uit hypotheekportefeuilles - en dat, bij gebruikmaking van een evenzeer toegelaten, meer op de situatie van Conservatrix toegesneden grondslag, geen sprake zou zijn van een solvabiliteitstekort, brengt daarin geen verandering. DNB heeft als toezichthouder immers een zekere vrijheid waar het aankomt op de berekening van de solvabiliteit, de daarbij te betrekken posten en de weging daarvan. Anders dan Conservatrix Groep betoogt, dwingen de bepalingen van Solvabiliteit II DNB niet tot afwijking van de standaardformules, maar biedt de Richtlijn slechts de mogelijkheid daartoe. DNB is, anders dan Conservatrix Groep lijkt te betogen, gezien haar beleidsvrijheid niet gehouden de bij Conservatrix gehanteerde waarderingsgrondslagen aan te passen en/of nader te motiveren waarom zij vasthoudt aan de standaardformule.”
2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid kan worden ingediend gedurende zes weken na de dag waarop de beschikking tot het uitspreken van de overdrachtsregeling in kracht van gewijsde is gegaan, dan wel, indien de overnameprijs op dat moment nog niet vaststaat, gedurende zes weken na de dag waarop de overnameprijs op de in het overdrachtsplan bepaalde wijze is komen vast te staan. De ondernemingskamer behandelt het verzoek op de voet van de rechtspleging in burgerlijke zaken.
a) dat tot de feiten en omstandigheden die geacht worden op het peiltijdstip bekend te zijn ook behoort het optreden van DNB in het kader van haar toezichthoudende taak, zoals zich dat heeft voorgedaan tot aan het peiltijdstip. En (
b) dat tot deze feiten en omstandigheden niet ook behoort het concrete voornemen tot en de voorbereidingen voor de onteigening zelf. Derhalve kunnen daarbij geen rol spelen het overleg en de correspondentie tussen de minister van Financiën en DNB en de rapporten van hun adviseurs, voor zover zij verband houden met het concrete voornemen van de minister om tot onteigening over te gaan en de voorbereidingen daartoe. Dit zou immers strijdig zijn met het voorgeschreven ‘wegdenken’ van de onteigening, dat geen betekenis heeft indien men de onteigening zoals deze op het punt stond plaats te vinden, weer via het toekomstperspectief ‘binnen haalt’. Aldus nog steeds de OK aldaar. [25] Deze benadering sluit in dat hier niet geabstraheerd dient te worden van elke feitelijke betrokkenheid van DNB, maar slechts
voor zover deze verband hieldmet
het concrete voornemenvan de minister om tot onteigening over te gaan en
de voorbereidingen daartoe(dus die onteigening). Dit komt mij [26] juist voor, nu daarmee wordt onderkend dat niet elke feitelijke betrokkenheid van DNB zo’n verband met die onteigening oplevert en zodoende niet in verdergaande mate wordt geabstraheerd van die betrokkenheid van DNB dan rechtvaardiging vindt in dat voorgeschreven ‘wegdenken’ van de onteigening. [27] Deze benadering laat zich logisch doortrekken naar het kader van art. 3:159ab Wft (oud). Aldus dat tot de feiten en omstandigheden die geacht worden op het peiltijdstip bekend te zijn niet ook behoort het concrete voornemen van DNB om een gedwongen overdracht te verzoeken en haar voorbereidingen daartoe, maar wel daarbuiten vallende feitelijke betrokkenheid van DNB. En dat is m.i. ook precies wat de OK doet in de Tussenbeschikking.
subonderdeel 1.1.
Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat de OK in rov. 3.9 van de Tussenbeschikking bij de bepaling van de schadeloosstelling (ook) rekening houdt met het concrete voornemen van DNB om een gedwongen overdracht te verzoeken en haar voorbereidingen daartoe, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Ik kan rov. 3.9 niet anders verstaan dan dat de OK met het daar bedoelde “optreden van DNB zoals zich dat op het peilmoment daadwerkelijk had voorgedaan”, met inbegrip van hetgeen de OK daar vervolgens en precies formulerend overweegt vanaf “Van belang is dus onder meer het volgende”, etc., slechts het oog heeft op feitelijke betrokkenheid van DNB voorafgaand aan dat peilmoment vallend buiten haar concrete voornemen om een gedwongen overdracht te verzoeken en haar voorbereidingen daartoe. Dus op feitelijke betrokkenheid van DNB voorafgaand aan dat peilmoment die niet slechts verband houdt met dat concrete voornemen en die voorbereidingen daartoe. [28] Deze feitelijke betrokkenheid van DNB behoort tot, wat de OK in rov. 3.8 noemt, “alle relevante feiten en omstandigheden op het peiltijdstip”. Uit de vijf punten die de OK in rov. 3.9 benoemt - geciteerd onder 3.6 hiervoor - blijkt het tegendeel niet. De OK heeft het daar niet over het concrete voornemen van DNB om een gedwongen overdracht te verzoeken en haar voorbereidingen daartoe, expliciet noch impliciet. Kortom, de onjuiste rechtsopvatting die het subonderdeel de OK hier tracht aan te wrijven, huldigt de OK in werkelijkheid niet.
Overigens acht ik, mede gezien de door de OK opgenomen verwijzingen in die vijf punten naar eerdere overwegingen in de Tussenbeschikking en de precieze wijze waarop zij formuleert bij die vijf punten (wat verder voor zich spreekt), het ook niet onbegrijpelijk dát de OK bij die vijf punten redeneert vanuit feitelijke betrokkenheid van DNB voorafgaand aan dat peilmoment vallend buiten haar concrete voornemen om een gedwongen overdracht te verzoeken en haar voorbereidingen daartoe.
Ook de slotzin van het subonderdeel (“De OK miskent”, etc.) baat Conservatrix Groep niet. Anders dan het subonderdeel daar veronderstelt, gaat de OK in rov. 3.9 immers niet ervan uit dat bij de bepaling van het toekomstperspectief, althans bij de berekening van de schadeloosstelling, (ook) rekening gehouden dient te worden met “alle maatregelen van DNB” waarbij - al dan niet via een ongeclausuleerd beroep op de medewerkingsplicht ex art. 3:159e Wft - “invloed is uitgeoefend op het beleid van Conservatrix N.V. ter bevordering van de gedwongen overdracht”. Op dergelijke maatregelen heeft de OK daar dus niet (ook) het oog.
subonderdeel 1.2. Dit strandt in lijn met subonderdeel 1.1. Zie onder 3.8.1 hiervoor. De OK miskent (ook) in rov. 3.4 niet dat niet alleen moet worden geabstraheerd van de gedwongen overdracht, maar ook van “de daaraan voorafgaande voorbereidende handelingen (van DNB)”. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 1.3.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdelen 1.1-1.2, die falen, deelt dit subonderdeel in het lot daarvan. Zie onder 3.8.1-3.8.2 hiervoor.
Voor zover het subonderdeel los van subonderdelen 1.1-1.2 aanvoert dat de OK in rov. 3.10, 3.14, 3.16 en 3.34-3.35 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door op die plaatsen “het handelen van DNB ten aanzien van het concrete voornemen tot en de voorbereidende handelingen voor de gedwongen overdracht” tot uitgangspunt te nemen, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Ook op die plaatsen in de Tussenbeschikking doet de OK dat niet.
Daarbij betrek ik dat rov. 3.10 (waarin de OK opent met: “Gegeven de opstelling van DNB”, etc.) direct aansluit op rov. 3.9, waarover onder 3.8.1 hiervoor. En verder dat de OK rov. 3.16 niet louter baseert op haar overweging in rov. 3.14 dat “DNB zich indertijd, ook in haar verzoek tot goedkeuring van het overdrachtsplan, op het standpunt [heeft] gesteld dat de NHG niet is aan te merken als een garantie in de zin van artikel 215 sub f van Pro de Gedelegeerde Verordening”, maar mede op rov. 3.9.
Waarbij geldt dat de OK met die overweging in rov. 3.14 het oog heeft op dat standpunt van DNB als zodanig en als buiten het verzoekschrift reeds ingenomen, zonder daarmee het optreden van DNB in de voorbereiding van de gedwongen overdracht - te weten de inhoud van het verzoek van DNB tot vaststelling van het overdrachtsplan door de rechtbank Amsterdam - tot uitgangspunt te nemen.
Daarbij betrek ik voorts dat waar de OK in rov. 3.34 verwijst naar “de door DNB feitelijk gestelde solvabiliteitseis en de wijze waarop DNB toepassing geeft aan Solvency II”, zij doelt op de daadwerkelijke handelwijze van DNB ter zake zoals die plaatsvond voorafgaand aan de peildatum en reeds los van DNB’s concrete voornemen om een gedwongen overdracht te verzoeken en haar voorbereidingen daartoe. Daarop wijst ook dat de OK dit overweegt in het kader van “het overnamescenario” als bedoeld in rov. 3.10 sub B, in welk scenario er geen gedwongen overdracht zou hebben plaatsgevonden.
Wat betreft rov. 3.35 verdient tot slot het volgende opmerking. In de laatste zin aldaar zegt de OK bij wege van wenk niet meer dan dat het voor de hand (“in de rede”) ligt dat de deskundigen, van wie wordt verwacht dat zij zich een eigen oordeel vormen over de door de koper te maken kosten, te plegen investeringen en/of te treffen maatregelen om de solvabiliteit op het door DNB verlangde niveau te brengen en te handhaven, als een daarvoor relevante informatiebron aanmerken bij partijen op te vragen informatie over de tussen DNB en Trier gemaakte afspraken over de solvabiliteit in het kader van de gedwongen overdracht. Welke afspraken blijk geven van dat door DNB verlangde solvabiliteitsniveau ook los van de specifieke context van de gedwongen overname, waarover ook hiervoor in het kader van rov. 3.34. Daarmee neemt de OK dus niet (impliciet) opnieuw het handelen van DNB in voorbereiding op en ter uitvoering van de gedwongen overdracht tot uitgangspunt bij de berekening van de schadeloosstelling.
Aan dit een en ander ziet het subonderdeel voorbij.
subonderdeel 1.4. Dat, naar ik begrijp, voortbouwt op de in subonderdelen 1.1-1.3 aan de orde gestelde overwegingen van de OK in rov. 3.9, 3.10, 3.14-3.16 en 3.30-3.35. Anders dan het subonderdeel aanvoert, kon de OK zonder nadere motivering oordelen zoals zij doet dat de daar door haar bedoelde feitelijke betrokkenheid van DNB voorafgaand aan het peilmoment viel buiten DNB’s concrete voornemen om een gedwongen overdracht te verzoeken en haar voorbereidingen daartoe. Zoals volgt uit de behandeling van subonderdelen 1.1-1.3, onder 3.8.1-3.8.3 hiervoor, maakt de OK daar voldoende inzichtelijk dat deze feitelijke betrokkenheid van DNB niet slechts verband hield met dat concrete voornemen en die voorbereidingen daartoe. Dat dit onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zou zijn, valt niet in te zien. Het subonderdeel bevat ook geen stellingname van de Staat en/of Conservatrix Groep (laat staan met vindplaatsverwijzing) waarop de OK nog had moeten responderen. Bij deze stand van zaken was de OK niet gehouden nog weer nader te duiden, in de woorden van het subonderdeel:
subonderdeel 1.5. Voor zover dit al uitgaat van een juiste lezing van de Tussenbeschikking, en daarmee feitelijke grondslag heeft, loopt het subonderdeel vast in lijn met subonderdeel 1.4. Zie onder 3.8.4 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
waaromde rechtbank in haar ogen destijds (op 15 mei 2017) tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen. De OK was gehouden om haar oordeel op dit punt in ieder geval van een nadere motivering te voorzien, in het licht van het feit dat in cassatie tot uitgangspunt dient dat Conservatrix N.V. op 19 augustus 2016 over voldoende liquide middelen beschikte om de komende 30 jaar aan haar verplichtingen te voldoen, daar de OK de juistheid van die stelling in rov. 3.13 expliciet in het midden heeft gelaten. In het licht van dat feit had de OK moeten onderzoeken wat de consequenties daarvan waren voor de solvabiliteit en/of de continuïteit van Conservatrix N.V. Dat die consequenties er waren, heeft Conservatrix N.V. in de gedingstukken toegelicht door te stellen dat er op basis van de cijfers uit het Milliman-rapport geen risico bestond dat Conservatrix N.V. op korte termijn failliet zou gaan of in een toestand zou geraken waarin zij op zou houden haar schuldeisers te voldoen. [30] Het oordeel van de OK is althans ontoereikend gemotiveerd door onvoldoende in te gaan op deze in dit verband als essentieel aan te merken stellingen.
Continuïteit op basis van de bestaande solvabiliteit?
going concern’ (zij het met inachtneming van de productiestop per 1 januari 2015) kunnen worden verkocht aan een derde. De Ondernemingskamer acht dat scenario irreëel om de volgende redenen.
en blocclausule onvermijdelijk is om de MCR ratio te verhogen tot boven de 100% (zie [onder 1.26 hiervoor, A-G]). Op grond van artikel 1:104 lid 2 Wft Pro was DNB gehouden de aan Conservatrix N.V. verleende vergunning in te trekken indien Conservatrix N.V. niet voldeed aan het minimumkapitaalvereiste en DNB het financieel korte termijn plan duidelijk ontoereikend achtte. Een voorgenomen besluit tot intrekking van de vergunning heeft DNB op 26 oktober 2016 genomen (zie [onder 1.25 hiervoor, A-G]).
Het betoog van Conservatrix Groep dat DNB Solvabiliteit II onnodig streng toepast - onder meer door geen rekening te houden met de inkomstenstromen uit hypotheekportefeuilles - en dat, bij gebruikmaking van een evenzeer toegelaten, meer op de situatie van Conservatrix toegesneden grondslag, geen sprake zou zijn van een solvabiliteitstekort, brengt daarin geen verandering. DNB heeft als toezichthouder immers een zekere vrijheid waar het aankomt op de berekening van de solvabiliteit, de daarbij te betrekken posten en de weging daarvan. Anders dan Conservatrix Groep betoogt, dwingen de bepalingen van Solvabiliteit II DNB niet tot afwijking van de standaardformules, maar biedt de Richtlijn slechts de mogelijkheid daartoe. DNB is, anders dan Conservatrix Groep lijkt te betogen, gezien haar beleidsvrijheid niet gehouden de bij Conservatrix gehanteerde waarderingsgrondslagen aan te passen en/of nader te motiveren waarom zij vasthoudt aan de standaardformule.”
en blocclausule. De Ondernemingskamer volgt Conservatrix Groep daarin niet. De Ondernemingskamer stelt voorop dat indertijd voor het uitspreken van het faillissement of toepassing van de noodregeling slechts nodig is dat summierlijk blijkt dat (a) er tekenen zijn van een gevaarlijke ontwikkeling met betrekking tot het eigen vermogen, de solvabiliteit of de technische voorzieningen en (b) redelijkerwijs is te voorzien dat die ontwikkeling niet voldoende of niet tijdig ten goede zal keren. Hier komt het aan op het onder (b) genoemde deel van het criterium. In de beschikking van 15 mei 2017 heeft de rechtbank in dit kader met betrekking tot de
en blocclausule kort gezegd overwogen dat DNB zich op het standpunt heeft gesteld dat dit geen reële oplossing is omdat het recht van polishouders tot een onaanvaardbaar niveau zou uithollen ten gunste van een aandeelhouder die zelf niet bereid is bij te storten en dat de raad van bestuur van Conservatrix N.V. het louter inzetten van de
en blocclausule niet als een realistisch alternatief ziet. Het argument van Conservatrix Groep dat zij in eerdere jaren wel bereid is geweest het kapitaal van Conservatrix N.V. te versterken doet daaraan niet af. De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 4 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1980 geoordeeld dat de omstandigheid dat het bestuur (en de commissaris) van Conservatrix N.V. zich op het standpunt stellen dat toepassing van de
en blocclausule als enige maatregel niet toereikend is ter oplossing van de problemen waarin Conservatrix N.V. verkeert, geen grond is voor twijfel aan een juist beleid en dat het verwijt dat het bestuur van Conservatrix N.V. heeft toegelaten dat DNB zich feitelijk als bestuurder van Conservatrix N.V. gedraagt ongegrond is.
en blocclausule enerzijds toereikend zou zijn om de solvabiliteit voldoende te verbeteren en anderzijds de rechten van de polishouders niet onaanvaardbaar zou beperken. Conservatrix Groep heeft wel verwezen naar de
en blocmaatregel die genoemd wordt in het PAEP document (zie [onder 1.11 hiervoor, A-G]). Die maatregel zou vergaand ingrijpen in de rechten van de polishouders door vanaf 31 december 2014 het jaarlijkse rendement terug te brengen van gemiddeld 4% naar slechts 2,5%, met als gevolg een aanzienlijke verlaging van het gegarandeerde eindkapitaal, terwijl dat het belangrijkste kenmerk is van het Natuurlijk Garantieplan. Bovendien heeft Conservatrix Groep onvoldoende toegelicht dat die maatregel op de peildatum toereikend zou zijn om de solvabiliteit van Conservatrix N.V. voldoende te verbeteren.
going concernop basis van de op de peildatum bestaande solvabiliteit) laat de Ondernemingskamer dus verder buiten beschouwing.”
subonderdeel 2.1.
Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat de OK in rov. 3.13 van de Tussenbeschikking niet zelfstandig beoordeelt of de bevoegde rechter (de rechtbank Amsterdam), in het scenario dat Conservatrix N.V. geen in de ogen van DNB toereikende maatregelen zou hebben getroffen ter verbetering van de solvabiliteit, op een verzoek van DNB tot het uitspreken van de noodregeling of het faillissement tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen als de rechtbank Amsterdam in haar beschikking van 15 mei 2017, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Dat doet de OK daar immers wel, zoals uiteengezet onder 3.13.1 hiervoor.
Voor zover het subonderdeel aanvoert dat de OK (in rov. 3.13) onvoldoende inzicht geeft in haar gedachtegang
waaromde rechtbank Amsterdam in de ogen van de OK in het verwachte toekomstperspectief tot dezelfde conclusie zou zijn gekomen, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat gelet op het samenstel van rov. 3.12, 3.13 en 3.14-3.20 de OK dat wel degelijk doet. Daarin is genoegzaam te lezen niet alleen dat dit volgens de OK zo is, maar ook waarom dit volgens haar zo is. Zie wederom onder 3.13.1 hiervoor.
Wat de OK overweegt in rov. 3.13, eerste zin gaf haar geen aanleiding haar oordeel ter zake nog weer nader te motiveren. De daar bedoelde prognose staat immers niet in de weg aan het in rov. 3.12 en 3.14-3.20 overwogene, op basis waarvan aan te nemen valt dat volgens die bevoegde rechter op 15 mei 2017 zou zijn voldaan aan het in rov. 3.13, tweede zin bedoelde criterium onder (a) en (b). Waarmee gegeven is dat dat deze prognose hoe dan ook het door Conservatrix Groep naar voren gebrachte derde scenario als bedoeld in rov. 3.11 niet aannemelijk maakt. Zie wederom onder 3.13.1 hiervoor.
De stellingname van Conservatrix Groep waarop het subonderdeel aan het slot een beroep doet (met vindplaatsverwijzing), gaf de OK evenmin aanleiding haar oordeel ter zake nog weer nader te motiveren. Deze stellingname doet immers niet af aan hetgeen de OK overweegt in rov. 3.11 en het samenstel van rov. 3.12, 3.13 en 3.14-3.20, waaronder het in rov. 3.13, tweede zin bedoelde criterium onder (a) en (b). [33] Waarbij de OK dus ook nadrukkelijk de in rov. 3.13, eerste zin bedoelde prognose van Milliman betrekt.
subonderdeel 2.2.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 2.1, dat faalt, deelt dit subonderdeel in het lot daarvan. Zie onder 3.14.1 hiervoor.
Voor zover het subonderdeel los van subonderdeel 2.1 aanvoert dat de OK in rov. 3.20 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikende motivering door op die plaats “opnieuw zonder meer het (marginale) beoordelingskader tot uitgangspunt te nemen dat de rechtbank in haar beschikking van 15 mei 2017 hanteerde, zonder aan te geven waarom daarvan in deze procedure opnieuw moet worden uitgegaan”, geldt vooreerst dat het subonderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. Dat doet de OK immers wel, want reeds in rov. 3.13 zet zij het toepasselijke criterium uiteen, in welk licht rov. 3.20 moet worden bezien. Zie onder 3.13.2 hiervoor. Dit oordeel van de OK in rov. 3.13 in verbinding met rov. 3.20 is niet rechtens onjuist en behoefde geen nadere motivering, want is alleszins navolgbaar.
Voor zover het subonderdeel aanvoert dat de OK in rov. 3.20 onvoldoende aangeeft “waarom in deze procedure dezelfde conclusie moet worden bereikt”, strandt het subonderdeel eveneens. In rov. 3.20 beoordeelt de OK zelfstandig, en naar aanleiding van het in rov. 3.20, eerste zin bedoelde betoog van Conservatrix Groep, of er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat Conservatrix N.V. de bevoegde rechter inzake faillissement of noodregeling (dus de rechtbank Amsterdam) ervan zou hebben kunnen overtuigen dat niet werd voldaan aan het in rov. 3.20, derde en vierde zin onder (b) genoemde deel van het toepasselijke criterium. Waarmee de OK dus teruggrijpt op het in rov. 3.13, tweede zin overwogene. Zoals tevens volgt uit 3.13.2 hiervoor, zet de OK in rov. 3.20 wel degelijk en met kracht van argument tevens uiteen waarom zij deze vraag ontkennend beantwoordt.
WEW) ten behoeve van geldgevers met (ii) een overeenkomst van 22 december 2014 tot zekerheidstelling voor de nakoming van betalingsverplichtingen van WEW tussen de Staat en WEW, genaamd: de Achtervangovereenkomst Rijk 2015. Dit betekent dat in het kader van de NHG telkens een overeenkomst van borgtocht wordt aangegaan tussen WEW als borg en een geldgever. De Achtervangovereenkomst Rijk 2015 brengt mee dat nakoming van de betalingsverplichtingen van WEW onder de overeenkomst van borgtocht jegens de geldgevers is gewaarborgd. [37] De NHG betreft dus in de kern een stelsel van geborgde vorderingen en geen garanties. Dat vormt eens te meer grond om de NHG te verdisconteren in de solvabiliteitsratio van Conservatrix N.V. op grond van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening, nu de NHG een ‘waarborg’ vormt in de zin van art. 105 lid Pro 6, slotzin Solvency II, naar Conservatrix Groep ook heeft aangevoerd. [38]
Relevante overwegingen van de OK
Bpr). [43] Daarmee start ik (onder 3.20.2-3.20.4 hierna). Daarna vervolg ik met Solvency II (onder 3.20.5-3.20.11 hierna), de Gedelegeerde Verordening (onder 3.20.12-3.20.16 hierna), de TSC-regeling (onder 3.20.17-3.20.21 hierna) en het leerstuk van de prejudiciële vraag (onder 3.20.22 hierna).
EIOPA) in het kader van wijzigingen aan de Gedelegeerde Verordening aandacht besteed aan de NHG, die zij daar aanduidt als een ‘partial guarantee’. Daarbij opmerkend, kort gezegd, dat op dat moment dergelijke garanties niet worden erkend voor blootstellingen van type 2 (waarover ook onder 3.20.14 hiervoor). [50] EIOPA heeft ter zake, uiteindelijk en naar de kern genomen, geadviseerd om art. 192 lid 4 Gedelegeerde Pro Verordening zo te wijzigen dat bij een ‘loss-given-default’ bij hypotheekleningen die gelden als blootstellingen van type 2 ook rekening gehouden kan worden met garanties onder bepaalde voorwaarden. [51] Bij gedelegeerde verordening van de Europese Commissie van 8 maart 2019 is onder meer art. 192 lid 4 Gedelegeerde Pro Verordening aangepast, waardoor dit thans ook rekening houdt met garanties bij hypothecaire geldleningen die gelden als blootstellingen van type 2 onder bepaalde voorwaarden die zijn vermeld in (o.a.) art. 215 Gedelegeerde Pro Verordening. [52] Ook na deze wijziging heeft de minister aangegeven dat de NHG nog niet aan de gestelde voorwaarden binnen de Gedelegeerde Verordening voldoet. [53] Daaruit volgt m.i. te meer dat de richtlijn en de verordening dus op zichzelf op de peildatum geen basis bieden voor het langs de weg van art. 105 lid 6 Solvency Pro II en genoemde afdeling (Titel I, hoofdstuk V, afdeling 6 Gedelegeerde Verordening) rekening houden met een borgtocht in het onderhavige geval.
HvJEU) te stellen. Op die regel bestaan volgens standaardjurisprudentie van het HvJEU evenwel uitzonderingen. In het bijzonder bestaat deze verplichting niet indien (i) de opgeworpen vraag niet relevant is, (ii) de betrokken bepaling reeds door het HvJEU is uitgelegd (‘acte éclairé’), of (iii) de juiste toepassing van het Unierecht zo voor de hand ligt dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan (‘acte clair’). Voor de beoordeling van de derde uitzonderingsmogelijkheid zijn volgens het HvJEU meerdere aspecten van belang. [61] M.i. doet, gezien het voorgaande in dit 3.20, laatstgenoemde uitzonderingsmogelijkheid hier opgeld. Het voor de relevante periode (bezien op en tot de peildatum: 15 mei 2017) op basis van de vigerende regelgeving (in met name Solvency II en de Gedelegeerde Verordening) aansluiting zoeken bij art. 215 Gedelegeerde Pro Verordening ter beantwoording van de vraag naar het al dan niet betrekken van de NHG bij het kernsolvabiliteitskapitaalvereiste van Conservatrix N.V. in het kader van de standaardformule, alsmede het ontkennend beantwoorden van deze vraag, zoals de OK ‘onder de streep’ aanhoudt in rov. 3.14-3.17, [62] ligt in dit licht zozeer voor de hand dat daarover redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan. Daarbij betrek ik ook de andere tekstversies van de relevante bepalingen in Solvency II en de Gedelegeerde Verordening dan de Nederlandse, die ik heb bestudeerd. En dat mij, na onderzoek daarnaar, geen binnen- of buitenlandse uitspraken dan wel literatuur bekend zijn geworden die deze uitkomst weerspreken. Bij het voorgaande teken ik nog aan dat voor zover rov. 3.17 - waar de OK mede ingaat op de NHG en art. 215, aanhef en sub f Gedelegeerde Verordening - in cassatie wordt bestreden op basis van de toepassing door de OK van de in deze bepaling vervatte eisen, deze klachten reeds falen bij gebrek aan belang. Zie onder 3.22-3.23.1 hierna.
subonderdeel 3.1.1.
Het subonderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking, en mist daarmee feitelijke grondslag, voor zover het veronderstelt dat gezien hetgeen de OK overweegt in rov. 3.15-3.16 in cassatie tot uitgangspunt dient dat DNB destijds niet de door de NHG gedekte hypotheekportefeuille van Conservatrix N.V. heeft meegenomen bij de berekening van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op grond van de standaardformule in de zin van art. 103 e.v. Solvency II en hoofdstuk V Gedelegeerde Verordening. En de OK daar dat handelen van DNB tot uitgangspunt neemt voor deze procedure. Dit veronderstelde oordeel van de OK, dat het subonderdeel bestrijdt, bevat de Tussenbeschikking in werkelijkheid dus niet. Ik licht dat toe.
Rov. 3.14-3.17 moeten niet geïsoleerd worden bezien, maar in het bredere verband van rov. 3.11-3.21. In rov. 3.11 wijst de OK erop dat Conservatrix Groep nog een derde scenario naar voren heeft gebracht, kort gezegd: going concern op basis van de op de peildatum bestaande solvabiliteit. In rov. 3.21 concludeert de OK dat zij dit door Conservatrix Groep geschetste derde scenario verder buiten beschouwing laat. Onderdeel van de analyse die de OK tot deze conclusie leidt, is rov. 3.14-3.17. Daarin respondeert zij op het in rov. 3.14, eerste zin weergegeven betoog van Conservatrix Groep. Welk betoog erop neerkomt dat de omstandigheid dat de NHG van toepassing is op vrijwel de gehele hypotheekportefeuille, van wezenlijke invloed is op de solvabiliteit van Conservatrix N.V.; wat DNB heeft miskend.
De OK gaat niet mee in dit betoog van Conservatrix Groep. Wat overweegt de OK in dit verband? Na in rov. 3.14, tweede zin te hebben gewezen op het ter zake door DNB ingenomen standpunt en in rov. 3.14, laatste zin te hebben uiteengezet wat art. 215, aanhef en sub f Gedelegeerde Verordening inhoudt, citeert de OK in rov. 3.15 uit rov. 4.13.3 van de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 15 mei 2017. [63] De OK vervolgt met te overwegen in rov. 3.16 dat en waarom Conservatrix Groep niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat DNB, althans de rechtbank anders zou hebben geoordeeld over de vraag of blijkt van tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling ten aanzien van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. Zij rondt af met uit te leggen in rov. 3.17 dat daarnaast geldt dat niet aannemelijk is dat de NHG voldoet aan de vereisten van art. 215, aanhef en sub f Gedelegeerde Verordening. En waarom zij komt tot verwerping van het in dit verband door Conservatrix Groep nog gedane beroep op de TSC-regeling.
Rov. 3.15-3.16 moeten dus worden verstaan als onderdelen van de motivering door de OK waarom zij niet meegaat in genoemd betoog van Conservatrix Groep. Welk betoog dus ziet op de vraag naar de relevantie van
het van toepassing zijn van de NHG op vrijwelde gehele hypotheekportefeuille voor de solvabiliteit van Conservatrix N.V. [64] In rov. 3.15-3.16 valt dan ook niet te lezen - evenmin via het citaat in rov. 3.15 - dat volgens de OK DNB destijds niet
de door de NHG gedekte hypotheekportefeuillevan Conservatrix N.V. heeft meegenomen bij de berekening van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op grond van de standaardformule in de zin van art. 103 e.v. Solvency II en hoofdstuk V Gedelegeerde Verordening. Wat iets anders is. Noch dat de OK daar zulk handelen van DNB tot uitgangspunt neemt voor deze procedure.
Daarmee valt reeds het doek voor de eerste alinea van het subonderdeel. Het subonderdeel loopt ook vast voor het overige, dus wat betreft de tweede alinea (“Althans miskent de OK in rov. 3.12-3.17”, etc.). Naar volgt uit 3.20-3.20.22 hiervoor gaat het subonderdeel daar uit van een opvatting die geen steun vindt in het recht (en de OK dus terecht niet huldigt in de Tussenbeschikking, specifiek rov. 3.14-3.17). Het subonderdeel bepleit daar immers een wijze van rekening houden met de NHG bij het bepalen van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. die, bezien op en tot de peildatum (15 mei 2017), niet is toegelaten onder Solvency II en de Gedelegeerde Verordening (en, in het verlengde, de implementatie daarvan in Nederlandse wet- en regelgeving). Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de in het subonderdeel bedoelde ‘miskenning’ door de OK.
Ik laat dan nog daar dat, anders dan het subonderdeel in de laatste zin suggereert, de stellingname van Conservatrix Groep als bedoeld in deze tweede alinea niet zo te lezen valt in de vindplaats waarop het subonderdeel zich beroept. [65]
subonderdeel 3.1.2.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 3.1.1, eerste alinea, dat faalt, deelt eerstgenoemd subonderdeel in het lot daarvan. Zie onder 3.21.1 hiervoor.
Voor zover het subonderdeel wel feitelijke grondslag heeft, volgt uit 3.20-3.20.22 hiervoor dat het subonderdeel uitgaat van een opvatting die geen steun vindt in het recht (en de OK dus terecht niet huldigt in de Tussenbeschikking, specifiek rov. 3.14-3.17). Het subonderdeel bepleit immers een wijze van rekening houden met de NHG bij het bepalen van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. die, bezien op en tot de peildatum (15 mei 2017), niet is toegelaten onder Solvency II en de Gedelegeerde Verordening (en, in het verlengde, de implementatie daarvan in Nederlandse wet- en regelgeving). Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de in het subonderdeel bedoelde ‘miskenning’ door de OK.
Ik laat dan nog daar dat het subonderdeel wel stelt dat Conservatrix Groep het daarin gestelde “heeft aangevoerd”, maar nergens een vindplaats noemt. [66] En dat ik een relevante passage in de gedingstukken zijdens Conservatrix Groep bij de OK ook niet ben tegengekomen.
subonderdeel 3.1.3.
Met de klacht dat het oordeel van de OK in rov. 3.12-3.17 rust op een onjuist/onbegrijpelijk begrip van de NHG, voor zover zij deze regeling in rov. 3.17 “enkel als een ‘garantie’ als genoemd in artikel 215 sub f Gedelegeerde Pro Verordening kwalificeert en beoordeelt”, boekt Conservatrix Groep evenmin succes.
Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat de OK oog heeft voor de stellingname van Conservatrix Groep waarop het subonderdeel zich beroept, [67] maar daaraan terecht niet de in het subonderdeel voorgestane consequentie verbindt dat dit (eens te meer) grond vormt om de NHG te verdisconteren in de solvabiliteitsratio van Conservatrix N.V. op grond van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening, nu de NHG een ‘waarborg’ vormt in de zin van art. 105 lid Pro 6, slotzin Solvency II. Een nadere motivering door de OK dan reeds gegeven in rov. 3.14-3.17 behoefde dit niet. Naar volgt uit 3.20-3.20.22 hiervoor gaat het subonderdeel uit van een opvatting die geen steun vindt in het recht (en de OK dus terecht niet huldigt in de Tussenbeschikking, specifiek rov. 3.14-3.17). Het subonderdeel bepleit immers een wijze van rekening houden met de NHG bij het bepalen van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. die, bezien op en tot de peildatum (15 mei 2017), niet is toegelaten onder Solvency II en de Gedelegeerde Verordening (en, in het verlengde, de implementatie daarvan in Nederlandse wet- en regelgeving).
Ik laat dan nog daar dat deze stellingname van Conservatrix Groep [68] ten minste deels draait om passages die deel uitmaken van het partijdebat over de door de Staat - met DNB - ontkennend beantwoorde vraag of de NHG voldoet aan de eisen van art. 215 (aanhef en sub f) Gedelegeerde Verordening. Conservatrix Groep bestrijdt daar immers [69] het betoog van de Staat dat de NHG “niet [voldoet] aan de eisen van artikel 215 sub f van Pro de Solvency II-verordening”. [70] Erop neerkomend dat uit art. 215, aanhef en sub f Gedelegeerde Verordening volgt “dat bij de berekening van het solvabiliteitsvereiste volgens de toepasselijke standaardformule garanties uitsluitend erkend worden indien deze expliciet genoemd worden in de desbetreffende bepaling. Bij het solvabiliteitsvereiste voor hypotheekleningen (artikel 191 Solvency Pro II-verordening) ontbreekt een dergelijke expliciete vermelding. Hypotheekgaranties in welke vorm dan ook komen dus niet voor erkenning in aanmerking.” [71] En dat de NHG “niet volledig alle types van regelmatige betalingen als bedoeld in dat artikel [dekt]. Zo bedraagt de uitkering onder de NHG in geval van wanbetaling hoogstens het verschil tussen de nominale waarde van de lening en de waarde van het onderpand.” [72] Dat DNB deze vraag ontkennend beantwoordt, benoemt de OK ook in rov. 3.14, tweede zin.
De klacht in de voorlaatste zin van het subonderdeel (“Althans is het oordeel van de OK”, etc.) loopt eveneens vast. Met rov. 3.14-3.17 respondeert de OK, vanwege het in rov. 3.14, eerste zin bedoelde betoog van Conservatrix Groep (weer te bezien tegen de achtergrond van het door laatstgenoemde naar voren gebrachte derde scenario als bedoeld in rov. 3.11), tevens op genoemd partijdebat inzake de NHG en art. 215 (aanhef en sub f) Gedelegeerde Verordening, dat weer aansluit op het eerder door DNB ingenomen standpunt ter zake. De OK oordeelt daar niet dat de NHG voldoet aan de eisen van deze bepaling, integendeel. Voor zover de klacht hier uitgaat van een andere lezing van de Tussenbeschikking is deze lezing onjuist en mist de klacht daarmee feitelijke grondslag. Voor het overige zet de klacht niet uiteen waarom de OK, gegeven ook dat partijdebat en die (impliciete) verwerping door haar van het door Conservatrix Groep gedane beroep op art. 105 lid 6 Solvency Pro II, zonder nadere motivering niet kon responderen zoals zij daar doet. Dat de OK dit zo niet kon doen, valt zonder meer ook niet in te zien. Waarbij zij bedacht wat ik uiteenzette onder 3.20.12-3.20.16 hiervoor, mede inzake art. 215 Gedelegeerde Pro Verordening en de NHG. En dat de NHG hoe dan ook niet voldoet aan de eisen van art. 215 (aanhef en sub f) Gedelegeerde Verordening, nu de NHG - zo deze een ‘garantie’ is - niet alle verplichtingen van de debiteur dekt en niet uitdrukkelijk wordt genoemd in (art. 191 van Pro) de Gedelegeerde Verordening, aldus de OK in rov. 3.17, eerste zin.
Ook de klacht in de laatste zin van het subonderdeel (“Althans is de OK”, etc.) strandt. Naar volgt uit het voorgaande is geen sprake van een essentieel betoog van Conservatrix Groep waarop de OK in de Tussenbeschikking - specifiek rov. 3.14-3.17 - ten onrechte niet is ingegaan, zoals bedoeld in de klacht onder verwijzing naar het voorgaande in het subonderdeel. Dat betoog, zoals gepresenteerd door het subonderdeel, is immers gestoeld op een opvatting die geen steun vindt in het recht (en de OK daar dus terecht niet huldigt). Waarover hiervoor. Er was voor de OK dan ook geen aanleiding daar nog weer in te gaan op dat betoog.
subonderdeel 3.1.4.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 3.1.1, eerste alinea, dat faalt, deelt eerstgenoemd subonderdeel in het lot daarvan. Zie onder 3.21.1 hiervoor.
Voor het overige geldt dat, naar volgt uit de behandeling van subonderdelen 3.1.1-3.1.3 onder 3.21.1-3.21.3 hiervoor, de stellingname van Conservatrix Groep waarop het subonderdeel zich beroept hoe dan ook niet kwalificeert als “essentiële stellingen” als bedoeld in het subonderdeel, die de OK aanleiding gaven haar oordeel in de Tussenbeschikking - specifiek rov. (3.14-)3.17 - nog weer nader te motiveren. Kort en goed: zij kon haar onderzoek toespitsen op de vraag of de NHG voldoet aan de eisen van art. 215 Gedelegeerde Pro Verordening, zoals zij daar doet. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Ik laat dan nog daar dat, anders dan het subonderdeel suggereert, deze stellingname van Conservatrix Groep niet zo te lezen valt in de vindplaatsen waarop het subonderdeel zich beroept. [73]
subonderdeel 3.1.5.
Voor zover het subonderdeel beroep doet op art. 105 lid Pro 6, slotzin Solvency II en het daarover door Conservatrix Groep gestelde, [74] ziet het subonderdeel eraan voorbij dat de OK oog heeft voor deze stellingname van Conservatrix Groep, maar daaraan terecht niet de in het subonderdeel voorgestane consequentie verbindt dat in het verband van genoemde bepaling ook betekenis toekomst aan “de hypotheekportefeuille met NHG”. Een nadere motivering door de OK dan reeds gegeven in rov. 3.14-3.17 behoefde dit niet.
Naar volgt uit 3.20-3.20.22 hiervoor gaat het subonderdeel uit van een opvatting die geen steun vindt in het recht (en de OK dus terecht niet huldigt in de Tussenbeschikking, specifiek rov. 3.14-3.17). Het subonderdeel bepleit daar immers een wijze van rekening houden met de NHG bij het bepalen van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. die, bezien op en tot de peildatum (15 mei 2017), niet is toegelaten onder Solvency II en de Gedelegeerde Verordening (en, in het verlengde, de implementatie daarvan in Nederlandse wet- en regelgeving).
Ik laat dan nog daar dat, anders dan het subonderdeel suggereert, deze stellingname van Conservatrix Groep niet zo te lezen valt in de vindplaats waarop het subonderdeel zich beroept. Welke passage bovendien deel uitmaakt van het onder 3.21.3 hiervoor bedoelde partijdebat inzake de NHG en art. 215 (aanhef en sub f) Gedelegeerde Verordening.
Voor zover het subonderdeel “[i]n dit verband” beroep doet op de TSC-regeling en het daarover door Conservatrix Groep gestelde, [75] ziet het subonderdeel eraan voorbij dat de OK oog heeft voor deze stellingname van Conservatrix Groep, maar daaraan terecht niet de in het subonderdeel voorgestane consequentie verbindt dat “[w]aar de NHG vooruitlopend op Solvency II uitdrukkelijk als factor is benoemd bij de weging van tegenpartijkredietrisico’s, [niet] valt in te zien waarom dat onder Solvency II, de Gedelegeerde Verordening, althans bij de invulling van de eventueel aan DNB toekomende beleidsvrijheid, ineens anders zou zijn”. Een nadere motivering door de OK dan reeds gegeven in rov. 3.14-3.17 behoefde dit niet.
Naar volgt uit 3.20-3.20.22 hiervoor gaat het subonderdeel uit van een opvatting die geen steun vindt in het recht (en de OK dus terecht niet huldigt in de Tussenbeschikking, specifiek rov. 3.14-3.17). Het subonderdeel bepleit daar immers een wijze van rekening houden met de NHG bij het bepalen van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. die, bezien op en tot de peildatum (15 mei 2017), niet is toegelaten onder Solvency II en de Gedelegeerde Verordening (en, in het verlengde, de implementatie daarvan in Nederlandse wet- en regelgeving). Daaraan doet als gezegd de TSC-regeling, die reeds ruim daarvoor was ingetrokken, niet af. Wat de OK dus ook onderkent in rov. 3.17, laatste zin.
Ik laat dan nog daar dat, anders dan het subonderdeel suggereert, deze stellingname van Conservatrix Groep niet zo te lezen valt in de vindplaats waarop het subonderdeel zich beroept.
Kortom, van een onjuist of onbegrijpelijk gemotiveerd oordeel van de OK in rov. 3.12-3.17 als bedoeld in het subonderdeel is in werkelijkheid geen sprake.
subonderdelen 3.2.1-3.2.3gezamenlijk.
De subonderdelen lopen reeds vast op een gebrek aan belang. Ik licht dat toe.
Naar de OK onderkent in rov. 3.14 van de Tussenbeschikking, houdt art. 215, aanhef en sub f Gedelegeerde Verordening in:
(a)indien er expliciet sprake van is in dat hoofdstuk van die verordening en
(b)indien de garantie volledig alle types van regelmatige betalingen die de debiteur uit hoofde van de vordering geacht wordt te verrichten dekt”.
De subonderdelen trekken enkel ten strijde tegen hetgeen de OK overweegt in rov. 3.17, eerste zin onder (a). Daarmee onbestreden latend - gelijk de overige klachten in de procesinleiding - hetgeen de OK daar overweegt onder (b), wat zelfstandig dragend is voor het oordeel van de OK aldaar dat daarnaast geldt dat niet aannemelijk is geworden dat de NHG voldoet aan de vereisten van art. 215, aanhef en sub f Gedelegeerde Verordening.
Dit bezegelt al het lot van de subonderdelen, die geen verdere behandeling behoeven.
Relevante overwegingen van de OK
Waarde van de hypotheekportefeuille
3.42 Bij de waardering van de hypotheekportefeuille dienen de deskundigen alle kenmerken van de portefeuille die voor het bepalen van de waarde daarvan in het overnamescenario relevant zijn, in de waardering te betrekken, waaronder de overeengekomen rente, de rentevaste periode, de NHG en de mate van diversificatie.”
subonderdeel 3.3.
In rov. 3.17, laatste zin van de Tussenbeschikking overweegt de OK dat in de TSC-regeling - waarop Conservatrix Groep in het daar bedoelde verband nog een beroep heeft gedaan - de NHG wel wordt genoemd, maar dat deze regeling, zoals blijkt uit de toelichting, niet is toegesneden op Solvency II en de Gedelegeerde Verordening en daaraan ook geen afbreuk kan doen. Kortom, Solvency II en de Gedelegeerde Verordening zoals deze golden op en tot de peildatum (15 mei 2017) zijn hier bepalend, de oudere en toen reeds ingetrokken TSC-regeling maakt dat niet anders. Daarom verwerpt de OK daar dat beroep van Conservatrix Groep.
Naar volgt uit 3.20-3.20.22 hiervoor gaat het subonderdeel uit van een opvatting die geen steun vindt in het recht (en de OK dus terecht niet huldigt in de Tussenbeschikking, specifiek rov. 3.17), voor zover het aanvoert dat de OK in rov. 3.17, laatste zin blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting vanwege aspecten van de TSC-regeling als bedoeld in de tweede t/m vierde zin van het subonderdeel. Een nadere motivering door de OK dan reeds gegeven in rov. 3.17, laatste zin, die het subonderdeel in het vervolg overigens niet ten volle onderkent, behoefde haar verwerping van dat door Conservatrix Groep gedane beroep op de TSC-regeling dan ook niet.
Het moge duidelijk zijn dat er ten tijde van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening - wat in het onderhavige geval de relevante periode betrof, tot en op de peildatum, waarop de OK doelt in rov. 3.14-3.17 - dus geen gehoudenheid was voor DNB om “bij de solvabiliteitsberekeningen via Solvency II, de Gedelegeerde Verordening dan wel via haar (eventuele) beleidsvrijheid” uitdrukkelijk als factor mee te wegen dat de NHG vooruitlopend op Solvency II uitdrukkelijk als factor is benoemd bij de weging van tegenpartijkredietrisico’s. Integendeel. DNB had toen ook geen beleidsvrijheid om ten aanzien van Conservatrix N.V. af te wijken van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening, binnen het toepasselijke kader van de standaardformule. Zie onder 3.20.11 en 3.20.13 hiervoor.
Ik laat dan nog daar dat, anders dan het subonderdeel suggereert, het daar aangevoerde inzake de relevantie van de TSC-regeling niet zo te lezen valt in de vindplaatsen waarop het subonderdeel zich beroept. [82] Zie verder de behandeling van subonderdeel 3.1.5 onder 3.21.5 hiervoor.
subonderdeel 3.4.
Het subonderdeel strandt op een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, oordeelt de OK in rov. 3.15-3.16 immers niet - ook niet impliciet - dat DNB beleidsvrijheid heeft met betrekking tot de berekening van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op basis van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening. Waarbij het hier dus gaat om toepassing van de standaardformule in deze richtlijn en verordening, en genoemde berekening door DNB dus binnen dat kader moet worden bezien. Zie onder 3.20.11 en 3.20.13 hiervoor.
Het citaat in rov. 3.15 maakt dit niet anders. Dat betrekt de OK - gezien ook rov. 3.16 - slechts voor zover nodig voor haar oordeel dat, gezien de samenval van de peildatum en de datum van de beschikking van de rechtbank Amsterdam (15 mei 2017), Conservatrix Groep niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat de rechtbank anders zou hebben geoordeeld dan zij deed (voor Conservatrix Groep en Conservatrix N.V. dus negatief) over de vraag of blijkt van tekenen van een gevaarlijke ontwikkeling ten aanzien van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. Daarmee brengt de OK niet (ook) tot uitdrukking dat volgens haar DNB beleidsvrijheid heeft met betrekking tot die berekening van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op basis van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening. Dus binnen het toepasselijke kader van die standaardformule. [83] Overigens geeft dat oordeel van de OK geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het niet aan DNB toekomen van beleidsvrijheid met betrekking tot de berekening van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op basis van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening binnen het toepasselijke kader van die standaardformule. Zie onder 3.20.11 en 3.20.13 hiervoor, waarover ook bij de behandeling van subonderdeel 3.3 onder 3.27.1 hiervoor.
subonderdeel 3.5.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 3.4, dat faalt, deelt eerstgenoemd subonderdeel in het lot daarvan. Zie onder 3.27.2 hiervoor.
Voor het overige strandt het subonderdeel op een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en daarmee een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, oordeelt de OK - gezien ook rov. 3.14 en 3.17 - immers niet, ook niet in rov. 3.15-3.16, dat ten aanzien van de berekening van de solvabiliteit door DNB “zonder meer van het standpunt dan wel het optreden van DNB met betrekking daartoe moet worden uitgegaan”.
Zie overigens de behandeling van subonderdeel 3.4, onder 3.27.2 hiervoor, over de kwestie van beleidsvrijheid van DNB.
subonderdeel 3.6.
Het subonderdeel strandt reeds op de onjuiste veronderstelling “Voor zover moet worden aangenomen dat DNB wel enige beleidsvrijheid toekomt”, etc. Die beleidsvrijheid komt DNB niet toe met betrekking tot de berekening van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op basis van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening in het kader van de toepasselijke standaardformule. En iets anders oordeelt de OK dus ook niet in de Tussenbeschikking (specifiek rov. 3.14-3.17). Evenmin in de door het subonderdeel bedoelde zin. Zie onder 3.20.11 en 3.20.13 hiervoor, alsmede bij de behandeling van subonderdelen 3.3-3.4 onder 3.27.1-3.27.2 hiervoor.
subonderdeel 3.7.
Het subonderdeel veronderstelt dat de OK in rov. 3.12-3.17 haar oordeel onvoldoende motiveert, omdat zij daar ten onrechte niet is ingegaan op een “essentiële stelling” van Conservatrix Groep. Erop neerkomend dat in het scenario dat geen ruimte zou bestaan om de NHG mee te wegen in de standaardformule op grond van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening, de OK in ieder geval wel de hypotheekportefeuille van Conservatrix N.V. en de in dat verband verkregen hypotheekrechten onder deze standaardformule had dienen mee te wegen voor de bepaling van het toekomstperspectief van Conservatrix N.V.
Ten onrechte. In de vindplaats die het subonderdeel noemt, [84] valt zo’n stelling immers niet te lezen. Die passages draaien om de relevantie van de NHG. Het is dan ook niet onbegrijpelijk dat de OK in rov. 3.12-3.17 - die dus verband houden met rov. 3.11 - wat betreft de NHG, de hypotheekportefeuille van Conservatrix N.V. en haar solvabiliteit niet ook zo’n stelling van Conservatrix Groep behandelt en beoordeelt. Overigens gaat de OK in de Tussenbeschikking nergens ervan uit dat die hypotheekportefeuille niet dient mee te wegen voor de bepaling van het toekomstperspectief van Conservatrix N.V. Noch dat die hypotheekportefeuille niet dient mee te wegen in de standaardformule op grond van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening. Of dat DNB dit laatste niet zou hebben gedaan bij de berekening van de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op basis van Solvency II en de Gedelegeerde Verordening.
subonderdeel 3.8.
De innerlijke tegenstrijdigheid tussen het oordeel van de OK in enerzijds rov. 3.12-3.17 en anderzijds rov. 3.41-3.42 die het subonderdeel veronderstelt, doet zich in werkelijkheid niet voor. Daarmee ontvalt de bodem aan het subonderdeel. Ik licht dat toe.
In rov. 3.14-3.17 respondeert de OK op het betoog van Conservatrix Groep dat de omstandigheid dat de NHG van toepassing is op vrijwel de gehele hypotheekportefeuille, van wezenlijke invloed is op de solvabiliteit van Conservatrix N.V.; wat DNB heeft miskend. Dit moet worden bezien in het licht van het door Conservatrix Groep aangevoerde derde scenario (going concern), door de OK weergegeven in rov. 3.11. Welk scenario ervan uitgaat dat het standpunt van DNB dat Conservatrix Groep niet voldeed aan het solvabiliteitsvereiste onder Solvency II onjuist is en de rechter een verzoek van DNB tot toepassing van de noodregeling of faillissement om die reden zou hebben afgewezen. Uit rov. 3.14-3.17 blijkt dat en waarom de OK niet meegaat in genoemd betoog van Conservatrix Groep.
Wat de OK overweegt in rov. 3.14-3.17 kan prima staan naast hetgeen zij overweegt in rov. 3.41-3.42. Daar gaat het immers niet om dat derde scenario, maar om iets anders, want het te onderscheiden overnamescenario als bedoeld in rov. 3.10 sub B. Daarbij speelt niet de vraag of het standpunt van DNB dat Conservatrix Groep niet voldeed aan het solvabiliteitsvereiste onder Solvency II onjuist is en de rechter een verzoek van DNB tot toepassing van de noodregeling of faillissement om die reden zou hebben afgewezen. Noch het in rov. 3.14, eerste zin bedoelde betoog van Conservatrix Groep. Wel onder meer wat in zo’n overnamescenario de waarde zou zijn geweest van de hypotheekportefeuille van Conservatrix Groep, om de redenen die de OK noemt in rov. 3.41-3.42. Waarbij logischerwijs ook relevantie toekomt aan hetgeen zij daarbij betrekt, waaronder de overeengekomen rente, de rentevaste periode, de NHG en de mate van diversificatie.
Kortom, het subonderdeel poogt appels met peren te vergelijken. Dat het dit zonder vrucht doet, behoeft geen verdere toelichting.
subonderdelen 3.9-3.11gezamenlijk.
De subonderdelen stranden, omdat het gaat om voortbouwklachten [85] die delen in het lot van subonderdelen 3.1-3.8, welke subonderdelen falen. Zie onder 3.16-3.27.6 hiervoor. Ik lees in de subonderdelen verder geen te onderscheiden klacht die voldoet aan de minimumeisen van art. 426a lid 2 Rv. [86]
Het oordeel van de OK in rov. 3.19, dat Conservatrix Groep geen beroep kon doen op het overgangsrecht van Solvency II en dat op DNB niet de verplichting rustte om Conservatrix N. V. te adviseren over dat overgangsrecht, is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (rov. 3.19)”
Bij conclusie van repliek heeft Conservatrix Groep haar gewijzigde verzoek (zie hiervoor onder 1.4) als volgt toegelicht.
(…)
• Conservatrix N.V. had een beroep kunnen doen op het overgangsrecht van Solvency II. Op grond van artikel 308 ter Pro, lid 14 Solvency II en omdat Conservatrix N.V. op 1 januari 2016 voldeed aan het tot dat moment geldende solvabiliteitsvereiste onder Solvency I, had Conservatrix N.V. tot 31 december 2017 de tijd om te voldoen aan Solvency II. Daarnaast bood het overgangsrecht van artikel 308 ter Pro, leden 1, 2, en 3 Solvency II de mogelijkheid van uitstel, maar DNB heeft daarop ten onrechte niet gewezen. Het gebruik maken van het overgangsrecht is een relevant toekomstperspectief bij de vaststelling van de schadeloosstelling, maar primair stelt Conservatrix Groep dat Conservatrix N.V. op 15 mei 2017 aan de solvabiliteitseisen onder Solvency II voldeed.
(…)
(…)
Voor zover Conservatrix Groep heeft aangevoerd dat het op de weg van DNB lag om Conservatrix N.V. ‘indringend’ te attenderen op de mogelijkheden van het overgangsrecht of zelfs om Conservatrix N.V. ‘gereed te maken’ voor toepassing van het overgangsrecht, snijdt dat geen hout omdat Conservatrix N.V. niet voldeed aan de voorwaarden voor toepassing van het overgangsrecht. Bovendien rustte op DNB niet de verplichting om Conservatrix N.V. te adviseren over het overgangsrecht.
3.20 (…) De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 4 april 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:1980 geoordeeld (…) dat het verwijt dat het bestuur van Conservatrix N.V. heeft toegelaten dat DNB zich feitelijk als bestuurder van Conservatrix N.V. gedraagt ongegrond is.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
subonderdeel 4.1.
Het onderdeel bestrijdt dus alleen de voorlaatste en laatste zin van rov. 3.19 van de Tussenbeschikking, in het citaat onder 3.33 hiervoor gecursiveerd weergegeven. Het subonderdeel richt zich in essentie tegen deze laatste zin van rov. 3.19. Deze laatste zin van rov. 3.19 wordt verder in het onderdeel niet bestreden.
Bestudering van de gedingstukken leert dat de OK met deze laatste zin van rov. 3.19 in het bijzonder respondeert op het volgende betoog van Conservatrix Groep: [93]
Daarbij moet worden bedacht, gezien ook de laatste zin van rov. 3.20, eerste alinea (geciteerd onder 3.33 hiervoor), dat de OK daar niet meegaat in de stelling van Conservatrix Groep dat
DNB(al dan niet via de aangestelde curator) bij Conservatrix N.V. het beleid en de gang van zaken bepaalde. Wat dan resteert aan ‘onderbouwing’ ter zake is de stelling van Conservatrix Groep dat DNB als toezichthouder aan Conservatrix N.V. met ingang van 1 januari 2015 een productiestop had opgelegd en van haar de presentatie van “een Plan van de beheerste afbouw” had verlangd. Het oordeel van de OK dat bij deze stand van zaken zo’n op DNB rustende verplichting om Conservatrix N.V. te adviseren over het overgangsrecht niet aan te nemen valt, geeft m.i. geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat de OK eraan voorbijziet dat bij Conservatrix N.V. door DNB een stille curator was benoemd, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Dat onderkent de OK daar wel degelijk. Niet alleen in bijvoorbeeld de weergave van de feiten (zie o.a. rov. 2.6, 2.8, 2.27), maar ook bij de beoordeling waaronder dus in deze laatste zin van rov. 3.19 (zie ook rov. 3.9 en 3.32).
Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat door Conservatrix Groep is aangevoerd dat op deze stille curator zo’n verplichting rustte om Conservatrix N.V. te adviseren over het overgangsrecht, is dat ten onrechte. Blijkens de geciteerde stellingname van Conservatrix Groep, en naar de niet onbegrijpelijke uitleg daarvan door de OK, ging het Conservatrix Groep daar immers erom dat op DNB zo’n verplichting rustte. In zoverre mist het subonderdeel dus ook feitelijke grondslag.
Voor zover het subonderdeel ervan uitgaat dat wat door Conservatrix Groep is aangevoerd voor het aannemen van zo’n op DNB rustende verplichting om Conservatrix N.V. te adviseren over het overgangsrecht erop neerkomt dat DNB deze curator heeft benoemd, en dat deze curator op inhoudelijk niveau zeggenschap had over het beleid van Conservatrix N.V. en dat beleid beïnvloedde, ziet het subonderdeel eraan voorbij dat dit evenmin is wat Conservatrix Groep daar - naar het niet onbegrijpelijke oordeel van de OK - heeft aangevoerd. Zie wederom de geciteerde stellingname van Conservatrix Groep. Ook in zoverre mist het subonderdeel dus feitelijke grondslag.
Nu die in het subonderdeel bedoelde “omstandigheden” waarop het steunt dus niet voorlagen in het kader van dit door Conservatrix Groep gedane beroep op zo’n verplichting van DNB, valt, anders dan het subonderdeel poogt, de OK niet aan te wrijven dat zij blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting door eraan voorbij te zien dat “in die omstandigheden op DNB, althans de curator, wel de plicht rust om Conservatrix N.V. te wijzen op de mogelijkheden die het overgangsrecht onder Solvency II had te bieden”.
subonderdeel 4.2.
Het subonderdeel loopt reeds vast op een gebrek aan belang, omdat de laatste zin van rov. 3.19 (“Bovendien”, etc.) zelfstandig dragend is voor de verwerping door de OK van de in rov. 3.19, voorlaatste zin bedoelde stelling van Conservatrix Groep, en deze laatste zin van rov. 3.19 in cassatie niet met vrucht wordt bestreden. Zie de behandeling van subonderdeel 4.1, onder 3.34.1 hiervoor.
Overigens begrijpt de OK blijkens rov. 3.1 en 3.19 de daar bedoelde stellingname van Conservatrix Groep inzake het overgangsrecht kennelijk zo dat laatstgenoemde daarbij ervan uitging dat Conservatrix N.V. destijds op zich voldeed aan de voorwaarden voor toepassing daarvan. Niet dat Conservatrix Groep daarbij ervan uitging, in de woorden van het subonderdeel, “dat Conservatrix N.V. na attendering/advisering actie zou hebben ondernomen, waardoor zij wel aan de eisen van het overgangsrecht zou hebben voldaan”. Zo’n uitleg van die stellingname lees ik ook terug in de reactie daarop zijdens de Staat. [94] Wat de voorlaatste zin in rov. 3.19 vanaf “snijdt dat geen hout omdat”, etc. navolgbaar maakt, en waarmee dan al de bodem wegvalt onder die stellingname.
subonderdeel 4.3.
Het subonderdeel strandt, omdat het gaat om een voortbouwklacht die deelt in het lot van subonderdelen 4.1-4.2, die falen. Zie onder 3.34.1-3.34.2 hiervoor.
maatregel niet toereikend zou zijn om de solvabiliteit voldoende te verbeteren, is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd (rov. 3.20, rov. 3.43)”
zowelDNB
alshet bestuur van Conservatrix N.V. het louter inzetten van de en bloc-maatregel niet als realistisch alternatief zag. De OK ziet ten onrechte eraan voorbij dat het beleid van het bestuur van Conservatrix N.V. destijds (de facto) werd bepaald door een curator van DNB, [de curator] . [96] De OK miskent op dat punt in ieder geval dat het handelen van de door DNB benoemde curator moet worden toegerekend aan DNB. De opvatting van het bestuur is dus op één lijn te stellen met de opvatting van DNB. In dat licht valt voorts/in ieder geval zonder nadere, ontbrekende toelichting niet in te zien waarom de omstandigheid dat het bestuur van Conservatrix N.V. - naast DNB - geen heil zag in de maatregel, voor de bepaling van de schadeloosstelling in deze procedure van belang zou zijn. [97] Het betreft immers materieel het standpunt van DNB zelf.
De en bloc clausule
en blocclausule geen begaanbare weg is om aandeelhouderswaarde te creëren. In het algemeen geldt dat het binnen het stelsel van de Wft niet past dat de rechten van polishouders worden beperkt ten behoeve van de aandeelhouders als verschaffers van risicodragend kapitaal. Bovendien had DNB in haar brieven van 13 januari 2015 en 17 februari 2015 (zie [onder 1.10 en 1.13 hiervoor, A-G]) duidelijk gemaakt dat zij afwijzend stond tegenover toepassing van de
en blocclausule. Voorts zou onzeker zijn of toepassing van de
en blocclausule in rechte stand zou houden indien polishouders daartegen zouden opkomen. De Ondernemingskamer verwijst voorts naar hetgeen zij hierboven onder 3.20 heeft overwogen.”
subonderdeel 5.1.
Dit behelst kennelijk een verwijzing naar subonderdeel 6.5, waar ook wordt geklaagd over rov. 3.20 van de Tussenbeschikking. [105] Dit laatste is niet het geval in subonderdeel 6.4, dat gekant is tegen rov. 3.18.
Het subonderdeel deelt in het lot van subonderdeel 6.5, dat faalt. Zie onder 3.44.5 hierna. Voor zover eerstgenoemd subonderdeel een motiveringsklacht bevat, zij nog opgemerkt dat subonderdeel 6.5 geen motiveringsklacht bevat en dat eerstgenoemd subonderdeel zelf niet uiteenzet (op een wijze die voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv) waarom het oordeel van de OK in rov. 3.20, tweede alinea onbegrijpelijk is vanwege de in subonderdeel 6.5 te noemen redenen. Bij die stand van zaken valt niet in te zien dat dit oordeel vanwege die redenen onbegrijpelijk zou zijn.
subonderdeel 5.2.
Het subonderdeel klaagt in de kern dat het oordeel van de OK in rov. 3.20, eerste alinea onbegrijpelijk is. De uitwerking daarvan is - althans voor mij - niet glashelder.
Aan het slot van rov. 3.20 (de derde alinea) overweegt de OK dat er dus onvoldoende aanwijzingen zijn dat Conservatrix N.V. de rechter die zou hebben moeten oordelen over faillissement of noodregeling ervan zou hebben kunnen overtuigen dat niet werd voldaan aan het in rov. 3.20, eerste alinea onder (b) genoemde deel van het daar bedoelde criterium. Zij overweegt daar dus niet (noch elders in rov. 3.20), in de woorden van het subonderdeel en bij wege van eigen oordeel, “dat toepassing van de
en blocmaatregel op zichzelf niet toereikend zou zijn om de solvabiliteit van Conservatrix N.V. voldoende te verbeteren.”
Voor zover het subonderdeel voorbijziet aan hetgeen de OK in werkelijkheid overweegt in dat slot van rov. 3.20, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Dit laatste geldt dus ook voor zover het subonderdeel veronderstelt dat de OK elders in rov. 3.20 het oordeel velt “dat toepassing van de
en blocmaatregel op zichzelf niet toereikend zou zijn om de solvabiliteit van Conservatrix N.V. voldoende te verbeteren.” Voor zover het subonderdeel klaagt over onbegrijpelijkheid van rov. 3.20, eerste alinea uitgaande van een dergelijk oordeel van de OK (dat zij in werkelijkheid dus niet velt), loopt de klacht daarop stuk.
Met die overweging aan dat slot van rov. 3.20 sluit de OK weer aan bij de eerste twee zinnen van rov. 3.20. Daar verwijst zij naar het voorliggende betoog van Conservatrix Groep (dus: “dat Conservatrix N.V. het uitspreken van het faillissement en het toepassen van de noodregeling had kunnen afwenden (ook indien het overnamescenario zich niet zou voordoen) met een beroep op de
en blocclausule”). [106] En overweegt zij vervolgens Conservatrix Groep daarin niet te volgen. De onderbouwing van dit laatste is te vinden in de tussenliggende overwegingen in rov. 3.20. Die onderbouwing beslaat niet alleen het vervolg van rov. 3.20, eerste alinea, maar ook rov. 3.20, tweede alinea. [107] Voor zover het subonderdeel niet veronderstelt dat de OK in dat slot van rov. 3.20 of elders in rov. 3.20 als zodanig oordeelt “dat toepassing van de
en blocmaatregel op zichzelf niet toereikend zou zijn om de solvabiliteit van Conservatrix N.V. voldoende te verbeteren”, maar wel veronderstelt dat de OK aan dat slot van rov. 3.20 alleen ten grondslag legt wat zij in rov. 3.20, eerste alinea overweegt, geldt dus eveneens dat het subonderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. Voor zover het subonderdeel aan beide punten niet voorbijziet, maar klaagt dat zonder nadere, ontbrekende motivering niet valt in te zien waarom er dus onvoldoende aanwijzingen zijn als bedoeld in dat slot van rov. 3.20, verzuimt het subonderdeel te onderkennen dat de OK met genoemde onderbouwing [108] afdoende inzichtelijk maakt waarom zij die conclusie over het ontbreken van voldoende aanwijzingen trekt. Welke onderbouwing deze conclusie alleszins kan dragen. Ook in deze lezingen van het subonderdeel is er dus geen grond om aan te nemen dat het oordeel van de OK in rov. 3.20, eerste alinea onbegrijpelijk is.
Tot slot. Voor zover het subonderdeel met die verwijzing naar het oordeel van de OK “dat toepassing van de
en blocmaatregel op zichzelf niet toereikend zou zijn om de solvabiliteit van Conservatrix N.V. voldoende te verbeteren” het oog heeft op het slot van rov. 3.20, tweede alinea, [109] en klaagt dat zonder nadere, ontbrekende motivering niet valt in te zien waarom dit volgt uit rov. 3.20, eerste alinea, geldt eveneens dat het subonderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en daarmee feitelijke grondslag mist. Hetgeen de OK overweegt in rov. 3.20, tweede alinea baseert zij immers niet (ook niet deels) op rov. 3.20, eerste alinea, maar vormt een eigenstandig onderdeel van genoemde onderbouwing. Dat wat de OK overweegt in rov. 3.20, tweede alinea is gebaseerd op een in beginsel aan haar voorbehouden uitleg van de gedingstukken, die niet onbegrijpelijk is. Ik lees daarover geen klacht in het subonderdeel. Voor zover daarover elders in het onderdeel al zou worden geklaagd, geldt dat alle subonderdelen als gezegd falen. Het moge duidelijk zijn: ook in deze lezing van het subonderdeel is er dus geen grond om aan te nemen dat het oordeel van de OK in rov. 3.20, eerste alinea onbegrijpelijk is.
subonderdeel 5.3.
Het subonderdeel klaagt in de kern eveneens dat het oordeel van de OK in rov. 3.20, eerste alinea onbegrijpelijk is.
Aan deze klacht ligt ten grondslag de veronderstelling dat de OK daar overweegt en betrekt, bij wege van eigen oordeel en als te onderscheiden element van de in rov. 3.20 verrichte analyse, dat
zowelDNB
alshet bestuur van Conservatrix N.V. het louter inzetten van de en bloc-maatregel niet als realistisch alternatief zag. [110] Aldus gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. Ik licht dat toe.
Nog daargelaten dat in rov. 3.20 alleen ten aanzien van het bestuur van Conservatrix N.V. te lezen valt dat dit “het louter inzetten van de
en blocclausule niet als een realistisch alternatief ziet”, niet (ook) ten aanzien van DNB. Deze passage maakt deel uit van de weergave door de OK in rov. 3.20 van hetgeen, in het daar bedoelde kader, de rechtbank Amsterdam kort gezegd heeft overwogen met betrekking tot de en bloc-clausule in haar beschikking van 15 mei 2017. Dus in de procedure die zag op het verzoek van DNB tot het uitspreken van de overdrachtsregeling.
Daarmee brengt de OK niet meer tot uitdrukking dan wat de in rov. 3.20, derde alinea bedoelde rechter die zou hebben moeten oordelen over faillissement of noodregeling (dus: de rechtbank Amsterdam, als daartoe bevoegde rechter) in werkelijkheid heeft overwogen op de peildatum (15 mei 2017) met betrekking tot de en bloc-clausule, in genoemde beschikking. En wel in het kader van het in rov. 3.20, eerste alinea genoemde criterium, dat ook geldt voor toewijzing van een verzoek van DNB tot het uitspreken van de overdrachtsregeling (zoals de OK al overweegt in rov. 3.13). Wat voor de OK nu eenmaal een gegeven was.
Dit is iets anders dan wat het subonderdeel ervan maakt. En moet worden bezien in het licht van het betoog van Conservatrix Groep (dus: “dat Conservatrix N.V. het uitspreken van het faillissement en het toepassen van de noodregeling had kunnen afwenden (ook indien het overnamescenario zich niet zou voordoen) met een beroep op de
en blocclausule”) dat de OK in rov. 3.20 beoordeelt en verwerpt. Dit omdat, zoals daar uiteengezet, er onvoldoende aanwijzingen zijn dat Conservatrix N.V. de rechter die zou hebben moeten oordelen over faillissement of noodregeling ervan zou hebben kunnen overtuigen dat niet werd voldaan aan het in rov. 3.20, eerste alinea onder (b) genoemde deel van het daar bedoelde criterium.
Ik wijs er nog op dat de OK bij die beoordeling en verwerping nadrukkelijk betrekt haar (wel) eigen oordeel in haar enquêtebeschikking van 4 april 2017, erop neerkomend dat het verwijt dat het bestuur van Conservatrix N.V. heeft toegelaten dat DNB zich feitelijk als bestuurder van Conservatrix N.V. gedraagt ongegrond is. Welke enquêtebeschikking dus niet alleen al een gegeven was ten tijde van genoemde beschikking van 15 mei 2017, maar volgens haar ook een gegeven zou zijn geweest voor die rechter die zou hebben moeten oordelen over faillissement of noodregeling (eveneens de rechtbank Amsterdam). Daarmee respondeert de OK tevens op de stelling van Conservatrix Groep, die is ingegeven door de overweging in genoemde beschikking van 15 mei 2017 dat het bestuur van Conservatrix N.V. het louter inzetten van de en bloc-clausule niet als een realistisch alternatief ziet, dat gezien de betrokkenheid van de door DNB benoemde stille curator “de mening van de Raad van Bestuur van Conservatrix, de mening van DNB zelf was”; en dat daarom genoemd “argument” van de rechtbank Amsterdam gepasseerd moet worden. [111] Ook dit een en ander ziet het subonderdeel over het hoofd.
subonderdeel 5.4.
Ik vat eerst nog eens samen wat de OK doet in rov. 3.20. Daarna keer ik terug naar het subonderdeel.
Als gezegd respondeert de OK in rov. 3.20 op het in rov. 3.20, eerste zin bedoelde betoog van Conservatrix Groep “dat Conservatrix N.V. het uitspreken van het faillissement en het toepassen van de noodregeling had kunnen afwenden (ook indien het overnamescenario zich niet zou voordoen) met een beroep op de
en blocclausule”. En komt zij daar aan het slot (rov. 3.20, derde alinea) tot de conclusie, na een eigen onderzoek daarnaar met inachtneming ook van het partijdebat, dat er dus onvoldoende aanwijzingen zijn dat Conservatrix N.V. de rechter die zou hebben moeten oordelen over faillissement of noodregeling ervan zou hebben kunnen overtuigen dat niet werd voldaan aan het in rov. 3.20, eerste alinea onder (b) genoemde deel van het daar bedoelde criterium.
Daarbij betrekt de OK in rov. 3.20, eerste alinea wat de ter zake bevoegde rechter (de rechtbank Amsterdam) oordeelde op de peildatum (15 mei 2017) in de beschikking inzake de gedwongen overdracht, waarvoor eenzelfde criterium gold (zie reeds rov. 3.13). Dat daaraan niet afdoet het argument van Conservatrix Groep dat zij in eerdere jaren wel bereid is geweest het kapitaal van Conservatrix N.V. te versterken. En hetgeen de OK zelf heeft geoordeeld in haar enquêtebeschikking van 4 april 2017, specifiek met betrekking tot het standpunt van het bestuur (en de raad van commissarissen) van Conservatrix N.V. dat toepassing van de en bloc-clausule als enige maatregel niet toereikend is ter oplossing van de problemen waarin Conservatrix N.V. verkeert, alsmede met betrekking tot het verwijt dat dit bestuur heeft toegelaten dat DNB zich feitelijk als bestuurder van Conservatrix N.V. gedraagt.
Daarbij beziet de OK vervolgens in rov. 3.20, tweede alinea ook of Conservatrix Groep in de onderhavige schadeloosstellingsprocedure concreet heeft gesteld (althans daarin is gebleken) welke wijziging van de polisvoorwaarden met een beroep op de en bloc-clausule enerzijds toereikend zou zijn om de solvabiliteit voldoende te verbeteren en anderzijds de rechten van de polishouders niet onaanvaardbaar zou beperken. Het antwoord op die vraag luidt ontkennend. Daarbij tekent de OK aan dat Conservatrix Groep wel heeft verwezen naar de en bloc-maatregel die genoemd wordt in het PAEP-document (zie rov. 2.14). Maar die maatregel zou vergaand ingrijpen in de rechten van de polishouders door vanaf 31 december 2014 het jaarlijkse rendement terug te brengen van gemiddeld 4% naar slechts 2,5%, met als gevolg een aanzienlijke verlaging van het gegarandeerde eindkapitaal, terwijl dat het belangrijkste kenmerk is van het NGP. Bovendien heeft Conservatrix Groep onvoldoende toegelicht dat die maatregel op de peildatum (dus 15 mei 2017) toereikend zou zijn om de solvabiliteit van Conservatrix N.V. voldoende te verbeteren.
Ik keer nu terug naar het subonderdeel. Voor zover het subonderdeel veronderstelt dat de OK in rov. 3.20 iets anders doet dan responderen op het in rov. 3.20, eerste zin bedoelde betoog van Conservatrix Groep, gaat het subonderdeel dus uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag.
Dit laatste geldt dus ook voor zover het subonderdeel veronderstelt dat de OK daar bij de beoordeling van dit betoog relevantie toekent aan of zelfs doorslaggevend acht de in het subonderdeel bedoelde opvatting van DNB (“of de
en blocmaatregel een reële optie is om die ontwikkeling te keren”, “dat de inzet van de en bloc maatregel geen reële optie is en zou leiden tot een onaanvaardbare uitholling van de rechten van de polishouders ten bate van de aandeelhouders”) als zodanig.
Hetzelfde geldt dus voor zover het subonderdeel veronderstelt dat de OK daar niet beziet of Conservatrix Groep in de onderhavige schadeloosstellingsprocedure concreet heeft gesteld (althans daarin is gebleken) welke wijziging van de polisvoorwaarden met een beroep op de en bloc-clausule enerzijds toereikend zou zijn om de solvabiliteit voldoende te verbeteren en anderzijds de rechten van de polishouders niet onaanvaardbaar zou beperken.
Het subonderdeel loopt ook vast voor zover het niet voorbijziet aan hetgeen de OK daar doet, maar aanvoert dat de OK miskent dat zij daar nog weer verdergaand zelfstandig had moeten onderzoeken of, en zo ja: in hoeverre, de en bloc-maatregel toegepast had kunnen worden en wat de invloed daarvan was met betrekking tot de solvabiliteit van Conservatrix N.V. en de werkelijke waarde van de aandelen. Daartoe was de OK niet gehouden, gezien dit in rov. 3.20, eerste zin bedoelde betoog van Conservatrix Groep waarop de OK daar te responderen had en hetgeen de OK daar allemaal betrekt bij de beoordeling van dit betoog.
Met het voorgaande is gegeven dat het subonderdeel ook strandt voor zover het aanvoert dat in ieder geval zonder nadere, ontbrekende motivering niet valt in te zien waarom genoemde opvatting van DNB in dit geval doorslaggevend is of daaruit volgt dat aan het door het subonderdeel aangehouden criterium is voldaan, nu uit die opvatting immers nog niet volgt dat de en bloc-maatregel daadwerkelijk de gevaarlijke ontwikkeling ten aanzien van het eigen vermogen, solvabiliteit of technische voorzieningen niet voldoende tijdig ten goede zal keren.
subonderdeel 5.5.
Het subonderdeel strandt. Ook wanneer het onderkent wat de OK doet in rov. 3.20 en dus in zoverre feitelijke grondslag heeft. Wat maar de vraag is, gelet op de laatste zin van het subonderdeel. Anders dan die zin suggereert, overweegt de OK in rov. 3.20 niet, laat staan onverkort, dat de inzet van de en bloc-maatregel niet (juridisch) mogelijk was en/of dat sprake was van een onaanvaardbare uitholling van de rechten van de polishouders ten bate van de aandeelhouder.
Dan ziet het subonderdeel eraan voorbij dat wat door Conservatrix Groep is aangevoerd in de in het subonderdeel genoemde vindplaatsen de OK geen aanleiding gaf tot een nog weer nadere motivering in rov. 3.20, gezien het in rov. 3.20, eerste zin bedoelde betoog van Conservatrix Groep waarop de OK daar te responderen had en hetgeen de OK daar allemaal betrekt bij de beoordeling van dit betoog. Als gezegd, de OK maakt met haar onderbouwing in rov. 3.20, eerste en tweede alinea voldoende inzichtelijk waarom er dus onvoldoende aanwijzingen zijn dat Conservatrix N.V. de rechter die zou hebben moeten oordelen over faillissement of noodregeling ervan zou hebben kunnen overtuigen dat niet werd voldaan aan het in rov. 3.20, eerste alinea onder (b) genoemde deel van het daar bedoelde criterium. Welke onderbouwing deze conclusie alleszins kan dragen. En waaraan de in het subonderdeel bedoelde stellingname van Conservatrix Groep, voor zover in werkelijkheid ingenomen bij de OK, naar de aard en zonder meer niet afdoet (‘essentieel’ is deze stellingname dus niet te noemen). Het subonderdeel legt verder ook niet uit waarom dit anders zou kunnen zijn.
subonderdeel 5.6.
De OK stelt in rov. 3.20, eerste zin voorop dat Conservatrix Groep voorts heeft aangevoerd “dat Conservatrix het uitspreken van het faillissement en het toepassen van de noodregeling had kunnen afweren (ook indien het overnamescenario zich niet zou voordoen) met een beroep op de en bloc-clausule.” Op dit betoog van Conservatrix Groep respondeert de OK vervolgens in rov. 3.20.
Dit sluit aan op de gedingstukken zijdens Conservatrix Groep. [112] Waarin ik niet lees, ook niet in de enige vindplaats die het subonderdeel noemt, [113] de stelling dat Conservatrix Groep juist heeft aangevoerd “dat de
en blocmaatregel uitsluitend als onderdeel van meerdere wijzigingen zou worden doorgevoerd, die in onderlinge samenhang het beweerde solvabiliteitsprobleem zou moeten oplossen”. [114] Overigens richt de OK zich daar dus niet op “de vraag of die maatregel [de en bloc-maatregel, A-G] het beweerde solvabiliteitsprobleem bij Conservatrix N.V. had kunnen oplossen”. En beoordeelt zij daar dus evenmin “deze maatregel telkens geïsoleerd” ten aanzien van deze “vraag”.
Kortom, van de in het subonderdeel bedoelde onbegrijpelijkheid althans ontoereikende motivering van het oordeel van de OK is geen sprake.
subonderdeel 5.7.
Het subonderdeel strandt, omdat het gaat om een voortbouwklacht die deelt in het lot van subonderdelen 5.1-5.6, die falen. Zie onder 3.39.1-3.39.6 hiervoor.
op zichzelfertoe zou hebben geleid dat Conservatrix N.V. aan de door DNB gestelde solvabiliteitseisen zou hebben voldaan. De OK miskent dat ter afwending van het faillissement of toepassing van de noodregeling (en dus het voorzetten van de onderneming) niet vereist is dat een lagere risico-opslag op zichzelf reeds ertoe zou hebben geleid dat Conservatrix N.V. aan de solvabiliteitseisen zou hebben voldaan. In dat verband is immers ook relevant of een lagere risico-opslag zou hebben geleid tot een verbeterde solvabiliteit die een faillissement of toepassing van de noodregeling niet nodig zou hebben gemaakt. In ieder geval is het oordeel van de OK onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat niet valt in te zien waarom ter voldoening aan die maatstaf een lagere risico-opslag het solvabiliteitsprobleem van Conservatrix N.V. zelfstandig en integraal had moeten oplossen, zoals de OK in rov. 3.18 kennelijk meent. Dat geldt te meer, omdat toepassing van de en bloc-maatregel en/of de verdiscontering van de NHG in de solvabiliteitsberekening de solvabiliteit ook al zou(den) hebben verbeterd (zie onderdelen 3 en 5). De lagere risico-opslag vormde dus slechts een onderdeel van alle relevante omstandigheden.
bijgedragenaan een substantieel hoger eigen vermogen en dus een verbeterde solvabiliteit. Zo heeft Conservatrix Groep gesteld dat de door DNB opgelegde risico-opslag van 239 basispunten het netto rendement van de hypotheekportefeuille marginaliseert, zodat het toegestaan eigen vermogen afkomstig uit de hypotheekportefeuille in de solvabiliteitsberekening laag zou zijn. Conservatrix Groep heeft dat concreet aan de OK voorgerekend door te stellen dat de door DNB opgelegde risico-opslag van 239 basispunten neerkwam op de situatie waarin voor een bedrag van € 71,7 miljoen van het eigen vermogen van Conservatrix N.V. moet worden afgetrokken in de solvabiliteitsberekening. Dat bedrag bestreek 25% van de hypotheekportefeuille, waarop de NHG van toepassing was. Reservering van een kwart van de waarde van een nagenoeg risicovrije portefeuille illustreert de onjuistheid van het standpunt van DNB, aldus Conservatrix Groep. [118] Dat is in het kader van de bepaling van de schadeloosstelling - via de band van de vraag of het faillissement of de toepassing van de noodregeling zou zijn afgewend - een relevant aanknopingspunt dat de OK (kennelijk in rov. 3.18) had moeten aanzetten tot nader onderzoek. Althans valt zonder nadere, ontbrekende motivering niet in te zien waarom het tegendeel moet worden aangenomen.
3.24 WTW heeft in haar rapport van 21 maart 2017 (zie [onder 1.28 hiervoor, A-G]) tot uitgangspunt genomen dat Conservatrix N.V. na het uitspreken van de noodregeling of het faillissement op een termijn van anderhalf tot drie jaar zal worden geliquideerd en WTW heeft het tekort in die situatie berekend op € 58 miljoen. Deloitte heeft in haar rapport van 5 juni 2020 (zie [onder 1.32 hiervoor, A-G]), ook op basis van het liquidatiescenario, het tekort berekend op € 25,8 miljoen. Het Milliman rapport van 25 juni 2017 beperkt zich tot een waardering in het scenario dat Conservatrix N.V. wordt overgenomen en werpt dus geen licht op de waarde van de aandelen in het liquidatiescenario. Ook in het rapport van Milliman van 19 januari 2021 (zie [onder 1.35 hiervoor, A-G]) staat de waardering in het overnamescenario centraal. Daarnaast is dat rapport een reactie op het rapport van Deloitte van 5 juni 2020. In een ‘
Revised Valuation using the Deloitte methodology’ komt Milliman tot een waarde van € 21 miljoen. Die waardering is het resultaat van een aantal aanpassingen van Milliman ten opzichte van de waardering door Deloitte. Tot de aangepaste posten behoren (a) de verplichtingen uit hoofde van de indexatie van de pensioenen voor niet-actieve deelnemers ten bedrage van € 8,7 miljoen en (b) de
deferred tax assetvan € 13,7 miljoen. De Ondernemingskamer acht het rapport van Milliman ten aanzien van deze posten om de volgende redenen onjuist, uitgaande van het liquidatiescenario.
a. Voor de verplichting tot indexatie van de pensioenen geldt het volgende. Artikel 95 Pensioenwet Pro houdt onder meer in dat bij voorwaardelijke toeslagverlening door een verzekeraar er een consistent geheel dient te zijn tussen de gewekte verwachtingen, de financiering en het realiseren van voorwaardelijke toeslagen (lid 1) en dat een toeslag alleen voorwaardelijk is indien in de pensioenovereenkomst, de uitvoeringsovereenkomst, het pensioenreglement, de opgaven op grond van de artikelen 21, 38 tot en met 46a Pensioenwet alsmede in de overige, persoonlijke, informatieverstrekking over toeslagverlening door de pensioenuitvoerder een voorwaardelijkheidsverklaring is opgenomen. Conservatrix Groep heeft tegenover de gemotiveerde stelling van de Staat, niet aannemelijk gemaakt dat de pensioendocumentatie van Conservatrix N.V. met betrekking tot de indexatie van de niet actieve deelnemers voldeed aan de eisen van artikel 95 Pensioenwet Pro; in het bij gelegenheid van pleidooi door Conservatrix Groep overgelegde rapport van Milliman van 14 april 2021 wordt slechts verwezen naar een niet overgelegd advies van prof. dr. E. Lutjens. Dat de indexatie daadwerkelijk voorwaardelijk is volgt ook niet uit de door Conservatrix Groep overgelegde verklaring van de directeur van Heco. Die verklaring houdt wel in dat financiering van de indexering over de jaren 2015 en 2016 niet heeft plaatsgevonden en dat ook in eerdere jaren geen depot is gevormd, terwijl de pensioendocumentatie wel voorziet in de vorming van een depot ter financiering van de indexering. Een en ander betekent dat een redelijk handelend koper bij de prijsbepaling tot uitgangspunt zal nemen dat met de verplichtingen uit hoofde van de indexatie van de pensioenen voor niet-actieve deelnemers een bedrag zal zijn gemoeid van € 8,7 miljoen.
b. Met betrekking tot de
deferred tax assetnoemt Milliman in haar rapporten van 19 januari 2021 en 14 april 2021 twee manieren waarop de waarde van de
deferred tax assetkan worden gerealiseerd, te weten (i) overname door een derde partij die de solvabiliteit herstelt, (ii) herstel van de solvabiliteit door een kapitaalstorting door de bestaande aandeelhouder (in geval van overdracht van alle activa en passiva aan een andere verzekeraar die verplichtingen jegens de polishouders zal nakomen, acht Milliman het onwaarschijnlijk dat aan de
tax assetenige waarde toekomt). Deze twee mogelijkheden nemen beide een ander scenario tot uitgangspunt dan het liquidatiescenario. Voor de beantwoording van de vraag of de aandelen in Conservatrix N.V. enige waarde hebben in het liquidatiescenario, zijn de door Milleman genoemde mogelijkheden dus niet relevant. In het liquidatiescenario is geen sprake meer van
going concernen kunnen actieve belasting latenties dus niet verrekend worden met de over een toekomstig resultaat verschuldigde belasting. De Ondernemingskamer gaat er daarom vanuit dat de
deferred tax assetin het liquidatiescenario geen waarde vertegenwoordigt.”
subonderdeel 6.1.
In rov. 3.7 van de Tussenbeschikking stelt de OK het volgende voorop: [122]
Wat de OK daar overweegt, in het bijzonder in rov. 3.18, tweede zin, sluit in dat de gedingstukken geen aanknopingspunt(en) bevatten dat toepassing van een lagere risico-opslag door DNB op zichzelf ertoe zou hebben geleid dat Conservatrix N.V. zou hebben voldaan aan de door DNB op grond van Solvency II verlangde solvabiliteit. Dus ook niet de stellingname van Conservatrix Groep waarop het subonderdeel zich beroept, en waarop de OK het oog heeft in rov. 3.18, eerste zin. [123] Overigens is dit een in hoge mate feitelijk oordeel van de OK, dat in beginsel aan haar is voorbehouden en m.i. - gezien die stellingname afgezet tegen die door de OK bedoelde omstandigheid [124] - niet als onbegrijpelijk valt aan te merken. Ik lees - met de OK - in die stellingname niet alleen geen stelling van Conservatrix Groep dat toepassing van een lagere risico-opslag door DNB op zichzelf ertoe zou hebben geleid dat Conservatrix N.V. zou hebben voldaan aan de door DNB op grond van Solvency II verlangde solvabiliteit, maar zelfs geen begin van een indicatie voor het bestaan van die omstandigheid. Daar staat immers op de keper beschouwd niet meer dan dat eliminatie van die prudentiële marge zou leiden tot een substantieel hoger eigen vermogen. Bij deze stand van zaken bestond er voor de OK geen aanleiding om ter zake een ambtshalve onderzoek te doen als bedoeld in rov. 3.7.
Voor zover het subonderdeel voorbijziet aan wat de OK tot uitdrukking brengt in rov. 3.18, tweede zin, waarover hiervoor, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. En daar lijkt het op, want het subonderdeel veronderstelt dat volgens de OK Conservatrix Groep wel heeft gesteld dat toepassing van een lagere risico-opslag door DNB op zichzelf ertoe zou hebben geleid dat Conservatrix N.V. zou hebben voldaan aan de door DNB op grond van Solvency II verlangde solvabiliteit, maar dit niet heeft onderbouwd. Wat de OK daar dus niet overweegt. Als het subonderdeel wel onderkent wat de OK daar doet, loopt het erop vast dat dit oordeel van de OK dus rechtens onjuist noch onbegrijpelijk is. Daaraan doet niet af dat volgens de OK in rov. 3.18, laatste zin, gezien dat overwogene in rov. 3.18, tweede zin, de juistheid van de door DNB gehanteerde risico-opslag in het midden kan blijven (zodat in cassatie, bij wege van hypothetische feitelijke grondslag, uitgegaan dient te worden van de onjuistheid daarvan). Immers, dit laatste laat dat overwogene in rov. 3.18, tweede zin onverlet en mist dan relevantie.
subonderdeel 6.2.
Het subonderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist daarmee feitelijke grondslag. Naar volgt uit de behandeling van subonderdeel 6.1, onder 3.44.1 hiervoor, doet de OK in rov. 3.18, tweede zin immers iets anders dan wat eerstgenoemd subonderdeel veronderstelt, te weten dat in genoemd oordeel van de OK besloten ligt dat zij is uitgegaan van een “aanknopingspunt” en dit “ambtshalve heeft onderzocht”. Daarmee ontvalt de bodem aan het subonderdeel.
subonderdeel 6.3.
Dat het oordeel van de OK in rov. 3.18 rechtens onjuist of onbegrijpelijk gemotiveerd zou zijn, valt niet in te zien op basis van hetgeen het subonderdeel daartoe aanvoert. Dit voor zover het subonderdeel al uitgaat van een juiste lezing van de Tussenbeschikking en daarmee feitelijke grondslag heeft. En niet voortbouwt op onderdelen 3 en 5, die falen. Zie onder 3.16-3.30 en 3.36-3.40 hiervoor.
In de eerste plaats moet rov. 3.18 worden bezien tegen de achtergrond van rov. 3.11. Dit maakt duidelijk dat de OK in rov. 3.18 respondeert op de door Conservatrix Groep geuite kritiek op de door DNB toegepaste risico-opslag (“prudentiële marge”) bij de waardering van de hypotheekportefeuille in het kader van het in rov. 3.11 bedoelde derde scenario dat Conservatrix Groep nog naar voren heeft gebracht, inhoudende:
omdat het standpunt van DNB dat Conservatrix N.V. niet voldeed aan het solvabiliteitsvereiste onder Solvency II onjuist is en de rechter een verzoek van DNB tot toepassing van de noodregeling of faillissement om die reden zou hebben afgewezen.”
[cursivering toegevoegd, A-G]
In het verlengde hiervan, en in de tweede plaats, moet rov. 3.18 worden bezien in het licht van rov. 3.12-3.20. In dit deel van de Tussenbeschikking - waaronder dus rov. 3.18 - loopt de OK langs alle punten die Conservatrix Groep heeft aangevoerd in het kader van dat in rov. 3.11 bedoelde derde scenario, uitmondend in rov. 3.21:
going concernop basis van de op de peildatum bestaande solvabiliteit) laat de Ondernemingskamer dus verder buiten beschouwing.”
als zodanigin het geheel wel ertoe zou hebben geleid dát Conservatrix N.V. zou hebben voldaan aan de door DNB op grond van Solvency II verlangde solvabiliteit. Wat Conservatrix Groep dus niet heeft gesteld en evenmin is gebleken, zodat de juistheid van de door DNB gehanteerde risico-opslag in het midden kan blijven. Bij deze stand van zaken doet de in het subonderdeel bedoelde onvoldoende begrijpelijke motivering door de OK zich evenmin voor.
subonderdeel 6.4.
Het subonderdeel loopt vast in het voetspoor van subonderdelen 6.1-6.3, die falen. Zie onder 3.44.1-3.44.3 hiervoor.
Waar de OK zich kon richten zoals zij doet in rov. 3.18 op de (ontkennend beantwoorde) vraag of door Conservatrix Groep is gesteld dan wel is gebleken dat toepassing van een lagere risico-opslag door DNB op zichzelf ertoe zou hebben geleid dat Conservatrix N.V. zou hebben voldaan aan de door DNB op grond van Solvency II verlangde solvabiliteit, doet aan haar oordeel aldaar naar de aard niet af een onderbouwde stellingname van Conservatrix Groep dat een lagere risico-opslag significant had ‘bijgedragen’ aan een substantieel hoger eigen vermogen en dus een verbeterde solvabiliteit als bedoeld in het subonderdeel. [126] Dit nog daargelaten of een dergelijke stellingname van Conservatrix Groep al te lezen valt in de door het subonderdeel (bovendien slechts vergelijkenderwijs) genoemde vindplaatsen.
Er is dan evenmin sprake van een relevant aanknopingspunt dat de OK had moeten aanzetten tot nader onderzoek althans een motiveringsgebrek omdat zonder nadere motivering niet valt in te zien waarom het tegendeel moet worden aangenomen, zoals bedoeld in de laatste zin van het subonderdeel.
subonderdeel 6.5.
Het subonderdeel loopt vast in het voetspoor van subonderdeel 6.1, dat faalt. Zie onder 3.44.1 hiervoor.
Wat de OK overweegt in rov. 3.20, tweede alinea sluit in dat de gedingstukken geen aanknopingspunt(en) bevatten dat een beroep op de en bloc-clausule enerzijds toereikend zou zijn om de solvabiliteit voldoende te verbeteren en anderzijds de rechten van de polishouders niet onaanvaardbaar zou beperken, en dat de maatregel uit het PAEP-document op de peildatum toereikend zou zijn om de solvabiliteit van Conservatrix N.V. voldoende te verbeteren. Dit ligt in lijn met rov. 3.7 en 3.18, waarover onder 3.44.1 hiervoor. Ik wijs ook op rov. 3.20, derde alinea: “Er zijn dus onvoldoende aanwijzingen”, etc.
De in het subonderdeel bedoelde miskenning door de OK in rov. 3.20, tweede alinea doet zich in werkelijkheid derhalve niet voor. Waar naar haar oordeel dergelijke aanknopingspunten ontbreken, kan er evenmin een gehoudenheid zijn voor de OK om dergelijke aanknopingspunten ambtshalve te onderzoeken op de betekenis daarvan voor de schadeloosstelling. En a fortiori geen miskenning door haar van zo’n gehoudenheid. Overigens noemt het subonderdeel geen vindplaats(en) in de gedingstukken waaruit zou blijken van aanknopingspunten die de OK aanleiding gaven de betekenis daarvan voor de schadeloosstelling ambtshalve te onderzoeken.
Gezien dit een en ander valt niet in te zien dat de OK zelfstandig had moeten onderzoeken of een beroep op de en bloc-clausule enerzijds toereikend zou zijn om de solvabiliteit voldoende te verbeteren en anderzijds de rechten van de polishouders niet onaanvaardbaar zou beperken, en of de maatregel uit het PAEP-document op de peildatum toereikend zou zijn om de solvabiliteit van Conservatrix N.V. voldoende te verbeteren.
subonderdeel 6.6.
Het subonderdeel strandt, omdat het gaat om een voortbouwklacht die deelt in het lot van subonderdeel 6.5, [127] dat faalt. Zie onder 3.44.5 hiervoor.
subonderdeel 6.7.
Het subonderdeel loopt vast in het voetspoor van subonderdelen 6.1 en 6.5, die falen. Zie onder 3.44.1 en 3.44.5 hiervoor.
Wat de OK overweegt in rov. 3.24 onder a in verbinding met rov. 3.23 sluit in dat de gedingstukken geen aanknopingspunt(en) bevatten dat de pensioendocumentatie van Conservatrix N.V. met betrekking tot de indexatie van de niet actieve deelnemers voldeed aan de eisen van art. 95 Pensioenwet Pro. [128] Dit ligt in lijn met rov. 3.7, 3.18 en 3.20, tweede alinea, waarover onder 3.44.1 en 3.44.5 hiervoor.
Het subonderdeel gaat dus uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist daarmee feitelijke grondslag voor zover het veronderstelt dat de OK in rov. 3.24 onder a in verbinding met rov. 3.23 ten onrechte oordeelt dat er ter zake wel sprake is van een aanknopingspunt, maar dit aanknopingspunt buiten beschouwing laat in plaats van het zelfstandig te onderzoeken op het belang ervan voor de schadeloosstelling, omdat Conservatrix Groep het belang daarvan niet reeds zelf voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Het subonderdeel mist eveneens doel voor zover het klaagt dat het oordeel van de OK met name onjuist is, in zoverre het rust op de vaststelling dat het betoog van Conservatrix Groep in essentie is gebaseerd op het advies van prof. dr. E. Lutjens dat niet in het geding is gebracht. Het oordeel van de OK in rov. 3.24 onder a dat uit de door Conservatrix Groep (wel) overgelegde verklaring van de directeur van Heco evenmin volgt dat de indexatie daadwerkelijk voorwaardelijk is, [129] acht ik niet onbegrijpelijk gezien de relevante tekst van deze verklaring: [130]
De werkgever streeft ernaar jaarlijks per 31 december indexatie toe te passen, gemaximeerd op 3%. Dit betekent een zekere inspanningsverplichting voor de werkgever. Het pensioenreglement, evenals het uitvoeringsreglement resp. uitvoeringsovereenkomst vertalen dat in de vorming van een depot bij de verzekeraar. Dit depot is niet gevormd, wel heeft de werkgever tot en met 2014 jaarlijks de financiering van de indexatie mogelijk gemaakt.
Dit laat volgens Prof. Dr. E. Lutjes, pensioenadvocaat, onverlet dat er sprake is van een voorwaardelijke indexering.
clausule geen begaanbare weg is om aandeelhouderswaarde te creëren, is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd”
De en bloc clausule3.43 Een redelijk handelend koper zal tot uitgangspunt nemen dat toepassing van de
en blocclausule geen begaanbare weg is om aandeelhouderswaarde te creëren. In het algemeen geldt dat het binnen het stelsel van de Wft niet past dat de rechten van polishouders worden beperkt ten behoeve van de aandeelhouders als verschaffers van risicodragend kapitaal. Bovendien had DNB in haar brieven van 13 januari 2015 en 17 februari 2015 (zie [onder 1.10 en 1.13 hiervoor, A-G]) duidelijk gemaakt dat zij afwijzend stond tegenover toepassing van de
en blocclausule. Voorts zou onzeker zijn of toepassing van de
en blocclausule in rechte stand zou houden indien polishouders daartegen zouden opkomen. De Ondernemingskamer verwijst voorts naar hetgeen zij hierboven onder 3.20 heeft overwogen.”
subonderdeel 7.1.
Het subonderdeel klaagt naar de kern genomen dat de OK in rov. 3.43, tweede zin van de Tussenbeschikking miskent dat de Wft verbetering van de solvabiliteit door middel van toepassing van een en bloc-clausule onder omstandigheden wel toestaat en het stelsel van de Wft daaraan niet (categorisch) in de weg staat, althans dat (het stelsel van) de Wft toepassing van de en bloc-maatregel wel kan toestaan als dat gepaard gaat met aanvullende maatregelen ter verbetering van de solvabiliteit. Daarmee gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het dus feitelijke grondslag.
De OK stelt immers voorop dat “[i]n het algemeen” geldt dat het binnen het stelsel van de Wft niet past dat “de rechten van polishouders worden beperkt ten behoeve van de aandeelhouders als verschaffers van risicodragend kapitaal”. [135] Met deze overweging, die uitgaat van zo’n beperking zonder deze toe te spitsen op de situatie bij Conservatrix N.V., brengt de OK kenbaar tot uitdrukking ter zake te redeneren niet vanuit een onwrikbare regel, maar vanuit een uitgangspunt waarop onder omstandigheden een uitzondering mogelijk is.
Ik lees daarin niet dat volgens de OK (het stelsel van) de Wft verbetering van de solvabiliteit door middel van toepassing van een en bloc-clausule categorisch niet toestaat, althans toepassing van de en bloc-maatregel niet kan toestaan ook al gaat dat gepaard met aanvullende maatregelen ter verbetering van de solvabiliteit. Daarop wijst ook de verwijzing in rov. 3.43, derde zin naar de in rov. 2.13 en 2.16 bedoelde brieven van DNB aan Conservatrix N.V. Alsmede de vaststelling in rov. 3.43, vierde zin dat “onzeker zou zijn” of toepassing van de en bloc-clausule in rechte stand zou houden indien polishouders daartegen zouden opkomen.
Daarbij zij nog bedacht dat deze overweging in rov. 3.43, tweede zin direct volgt op rov. 3.43, eerste zin, waar de OK vooropstelt dat een redelijk handelend koper tot uitgangspunt zal nemen dat toepassing van de en bloc-clausule “geen begaanbare weg is om aandeelhouderswaarde te creëren”.
subonderdeel 7.2.
Het subonderdeel ziet eraan voorbij dat de OK in rov. 3.43, laatste zin voorts verwijst naar hetgeen zij in rov. 3.20 heeft overwogen. Waarmee de OK, gezien ook het daaraan voorafgaande in rov. 3.43 en de tweede alinea van rov. 3.20, reeds en afdoende respondeert op het in het subonderdeel bedoelde betoog van Conservatrix Groep. Zie de behandeling van onderdeel 5, onder 3.36-3.40 hiervoor. Hetgeen de OK dus ook betrekt bij haar beoordeling in rov. 3.43.
subonderdeel 7.3.
In rov. 3.43, derde zin verwijst de OK naar de in rov. 2.13 en 2.16 bedoelde brieven van DNB aan Conservatrix N.V., waarin DNB duidelijk had gemaakt dat zij afwijzend stond tegenover toepassing van de en bloc-clausule.
Voor zover het subonderdeel klaagt dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom relevant zou zijn dat DNB in die brieven bezwaren tegen toepassing van de en bloc-maatregel heeft geuit, ziet het subonderdeel voorbij aan de context waarin rov. 3.43, derde zin moet worden bezien. Het gaat daar immers om het bredere kader van de prijs van de aandelen in het overnamescenario (zie rov. 3.27-3.47), en daarbinnen meer specifiek de vraag of een redelijk handelend koper tot uitgangspunt zal nemen dat toepassing van de en bloc-clausule een begaanbare weg is om aandeelhouderswaarde te creëren (rov. 3.43). Dat de OK bij het ontkennend beantwoorden van deze vraag in rov. 3.43, derde zin ook oog heeft voor het uit die brieven blijkende standpunt van DNB inzake toepassing van de en bloc-clausule, welke omstandigheid kenbaar is voor die redelijk handelende koper, valt niet onlogisch te noemen en behoefde geen nadere motivering om niet onbegrijpelijk te zijn.
Voor zover het subonderdeel nog veronderstelt dat de OK in rov. 3.43, derde zin wat betreft het in die brieven weergegeven standpunt van DNB iets anders voor ogen heeft dan blijkt uit de uiteenzetting van deze brieven door de OK in rov. 2.13 en 2.16, gaat het subonderdeel uit van een onjuiste lezing van de Tussenbeschikking en mist het daarmee feitelijke grondslag. In het bijzonder valt in rov. 3.43, derde zin niet te lezen dat volgens de OK DNB blijkens die brieven “zonder meer tegen toepassing van de
en blocmaatregel was”. Wat wel staat in rov. 3.43, derde zin sluit alleszins begrijpelijk aan op die uiteenzetting in rov. 2.13 en 2.16.
4.Bespreking van het incidentele cassatieberoep
eerste deel van de klacht.
tweede deel van de klacht.
De strekking van de art. 6:8 en Pro 6:9 Wft is om op objectieve en transparante wijze tot een waardebepaling van het onteigende te komen. Daartoe wordt - zoals de ondernemingskamer in rov. 6.7 in cassatie onbestreden en met juistheid heeft vooropgesteld - uitgegaan van twee samenhangende ficties, namelijk het te verwachten toekomstperspectief van de financiële onderneming in de situatie dat geen onteigening zou hebben plaatsgevonden en een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer. De concrete uitwerking van deze ficties is overgelaten aan de rechter, die -
uitgaande van het beginsel van volledige schadeloosstelling- dient vast te stellen welke prijs, gegeven het toekomstperspectief van de onderneming, tussen redelijk handelende partijen zou zijn overeengekomen. (…).”
[cursivering toegevoegd, A-G]
eerste deel van de klacht.
tweede deel van de klacht.
daarnahad zij - zo nodig aan de hand van een te gelasten deskundigenbericht - de werkelijke waarde van de aandelen van Conservatrix N.V. moeten bepalen, te weten de prijs die, gegeven uitsluitend dát toekomstperspectief, tussen redelijk handelende partijen zou zijn overeengekomen. De OK heeft echter in strijd met de door de Hoge Raad gegeven maatstaf vooralsnog geen keuze gemaakt uit de twee resterende mogelijke toekomstscenario's. Zij heeft immers de prijs van de aandelen in het liquidatiescenario bepaald (op maximaal € 1,--), maar heeft tegelijkertijd een deskundigenbericht gelast om (aan de hand van dat deskundigenbericht) de prijs van de aandelen in het overnamescenario te bepalen.
enigein aanmerking te nemen toekomstperspectief is en dat een deskundigenbericht met betrekking een ander scenario (zoals het irreële/niet aannemelijke overnamescenario) daarom zinloos (zonder nut of noodzaak) is (en het verzoek tot aanvullende schadeloosstelling dus al op grond daarvan moet worden afgewezen). [162] De bedoelde omstandigheden zijn onder meer: (a) Conservatrix N.V. voldeed niet aan de solvabiliteitseisen en haar aandeelhouder was niet bereid het benodigde kapitaal te storten; (b) DNB had al op 26 oktober 2016 een voorgenomen besluit tot intrekking van de vergunning genomen; (c) Conservatrix N.V. had ook te kampen met operationele problemen; en (d) Conservatrix N.V. stond reeds geruime tijd in de etalage zonder dat dit tot een beter bod dan dat van Trier heeft geleid. [163] De OK heeft dit betoog van de Staat niet, althans onvoldoende (kenbaar) in haar beoordeling betrokken. Als de OK heeft geoordeeld dat uit de door de Staat gestelde omstandigheden, al dan niet in combinatie, (nog) niet volgt dat het liquidatiescenario het enige in aanmerking te nemen toekomstperspectief is, heeft de OK dat oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
Het voorgaande geldt te meer vanwege rov. 3.51, waarin de OK (in een andere context, namelijk de motivering van het oordeel dat Conservatrix Groep en de Staat ieder voor de helft het voorschot op de kosten van de deskundigen moeten dragen) gemotiveerd heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat in 2017 voorafgaand aan de gedwongen overdracht marktpartijen met inachtneming van de in de Tussenbeschikking geformuleerde uitgangspunten bereid waren de aandelen te kopen voor meer dan € 1,--. Mede in het licht van hetgeen de OK in rov. 3.51 heeft overwogen had zij moeten motiveren waarom uit de hiervoor achter (d) genoemde omstandigheid dat Conservatrix N.V. reeds geruime tijd in de etalage stond zonder dat dit tot een beter bod dan dat van Trier heeft geleid, al dan niet in combinatie met de hiervoor achter (a)-(c) genoemde omstandigheden, niet volgt dat het liquidatiescenario het enige in aanmerking te nemen toekomstperspectief is. De achter (d) genoemde omstandigheid is immers een omstandigheid die bij de beantwoording van de vraag of het overnamescenario op de peildatum een reëel (aannemelijk) toekomstperspectief vormde, logischerwijs (minstens) substantieel gewicht in de schaal legt.
(…).
3.5 De rechtbank heeft bij goedkeuring van het overdrachtsplan in de beschikking van 15 mei 2017 de redelijkheid van de tussen DNB en Trier overeengekomen prijs slechts in beperkte mate getoetst. Zoals ook uit de onder 2.33 [zie onder 1.30 hiervoor, A-G] weergegeven overwegingen van de rechtbank naar voren komt, doet die beperkte toetsing niet af aan de zelfstandige taak van de Ondernemingskamer tot vaststelling van de schadeloosstelling.
3.6 De strekking van de artikelen 6:8 en 6:9 Wft is om op objectieve en transparante wijze tot een waardebepaling van de aandelen te komen. Daartoe wordt uitgegaan van twee samenhangende ficties, in dit geval het te verwachten toekomstperspectief van Conservatrix N.V. in de situatie dat geen gedwongen overdracht zou hebben plaatsgevonden en een veronderstelde vrije koop in het economische verkeer. De concrete uitwerking van deze ficties is overgelaten aan de rechter (vgl. HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015,661 (SNS Reaal)).
3.7 De Ondernemingskamer dient zelfstandig te onderzoeken welke schadeloosstelling aan Conservatrix Groep toekomt en is daarbij niet gebonden aan de standpunten van partijen. Indien de stukken van het geding daartoe aanknopingspunten verschaffen, dient de Ondernemingskamer ambtshalve onderzoek te doen naar de betekenis van die aanknopingspunten voor de schadeloosstelling. De Ondernemingskamer mag in een zodanig geval in beginsel geen gevolgen verbinden aan het nalaten van partijen om uit eigen beweging (tijdig) gegevens te verschaffen. Wel kan zij daartoe aan partijen instructies geven en mag zij gevolgen verbinden aan de wijze waarop partijen aan die instructies gehoor geven (HR 9 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1069).
3.9 Bij de bepaling van het toekomstperspectief dient rekening gehouden te worden met het optreden van DNB zoals zich dat op het peilmoment daadwerkelijk had voorgedaan. Van belang is dus onder meer het volgende:
- DNB heeft Conservatrix in 2012 onder geïntensiveerd toezicht geplaatst, op 1 april 2014 een stille curator aangesteld, op 23 september 2014 niet ingestemd met het door Conservatrix ingediende herstelplan (zie [onder 1.3 en 1.5 hiervoor, A-G]).
en blocclausule (zie [onder 1.10, 1.13, 1.17 en 1.19 hiervoor, A-G]).
A. discontinuïteit van Conservatrix N.V. als gevolg van toepassing van de noodregeling of het faillissement op verzoek van DNB (hierna: het liquidatiescenario);
B. een overname van Conservatrix N.V. door een derde die het liquidatiescenario voorkomt door de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op het door DNB vereiste niveau te brengen en te houden en door de door DNB geconstateerde operationele problemen (zoals de risicobeheersing) op te lossen (hierna: het overnamescenario). In het overnamescenario treft de koper zodanige maatregelen dat DNB afziet van haar voornemen tot intrekking van de vergunning.
2. Indien de betrokken onderneming voorafgaand aan het besluit tot onteigening van overheidswege financiële steun heeft ontvangen, wordt de waarde die deze steun vertegenwoordigt in de in het eerste lid bedoelde prijs verdisconteerd.”
De maatstaf van art. 6:9 Wft Pro houdt in dat de waardebepaling in twee stappen dient plaats te vinden. Allereerst dient het toekomstperspectief van de onderneming (op het peiltijdstip) te worden vastgesteld. De werkelijke waarde van het onteigende is vervolgens de prijs die, gegeven het objectief vastgestelde toekomstperspectief, tussen redelijk handelende partijen zou zijn overeengekomen.
subonderdeel 2.1.
Gelet op rov. 3.4-3.7 van de Tussenbeschikking onderkent de OK onder meer de betekenis van art. 6:8-6:9 Wft en hetgeen de Hoge Raad daaromtrent heeft overwogen in zijn SNS-beschikking van 20 maart 2015. Wat de OK tegen deze achtergrond doet in rov. 3.22-3.28 met betrekking tot het “liquidatiescenario” en het “overnamescenario” als bedoeld in rov. 3.10 is, op de keper beschouwd, het volgende (met inachtneming ook van rov. 3.8-3.9). [167]
Het volgende. Daarmee zet de OK nog niet de ‘eerste stap’ als bedoeld in art. 6:9 Wft Pro (zie onder 4.14.3 hiervoor) en geduid door de Hoge Raad in zijn SNS-beschikking van 20 maart 2015 (zie onder 4.14.4 hiervoor). Laat staan de ‘tweede stap’ als bedoeld in die bepaling en geduid in die beschikking, welke stap veronderstelt dat die ‘eerste stap’ al is gezet. Hetgeen de OK dus niet doet in de Tussenbeschikking. Wat de OK daar wel voor ogen heeft, is dat zodra zij kan vaststellen wat de werkelijke waarde van de aandelen op de peildatum zou zijn als wordt geredeneerd vanuit het overnamescenario, [171] zij ook in staat is die ‘eerste stap’ te zetten (en eerst daarna toekomt aan die ‘tweede stap’ en het zetten daarvan, waarvoor dan evenwel een basis al voorhanden is). Is de uitkomst dat de werkelijke waarde van de aandelen op de peildatum in het overnamescenario niet uitstijgt boven € 1,--, dan prevaleert het liquidatiescenario als het in acht te nemen toekomstperspectief van Conservatrix N.V. op de peildatum. Is de uitkomst dat de werkelijke waarde van de aandelen op de peildatum in het overnamescenario uitstijgt boven € 1,--, dan prevaleert het overnamescenario als het in acht te nemen toekomstperspectief van Conservatrix N.V. op de peildatum. Ik zie niet dat de OK aldus oordelend uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting over de wijze waarop de waardebepaling in een geval als het onderhavige dient plaats te vinden, met inachtneming van art. 6:9 Wft Pro. Zij had de ruimte dit zo te doen. Meer in het bijzonder is er geen goede grond te aanvaarden dat de OK pas aandacht kan schenken aan de werkelijke waarde van de aandelen op de peildatum nadat zij heeft vastgesteld wat het in acht te nemen toekomstperspectief van de onderneming op de peildatum is (en dan gegeven dat vastgestelde toekomstperspectief). Er laten zich gevallen indenken - zoals het onderhavige geval illustreert - waarin de OK pas kan vaststellen wat het in acht te nemen toekomstperspectief van de onderneming op de peildatum is, als zij eerst heeft betrokken wat, in te onderscheiden mogelijke scenario’s, de werkelijke waarde van de aandelen op de peildatum zou zijn. Een onlogische, de systematiek van art. 6:9 Wft Pro miskennende benadering (over de band van art. 3:159ab Wft (oud)) levert dat nog niet op. [172] Daarbij betrek ik dat, naar de OK ook onderkent in rov. 3.6 onder verwijzing naar genoemde SNS-beschikking van de Hoge Raad, de strekking van art. 6:8 en Pro 6:9 Wft is om op objectieve en transparante wijze tot een waardebepaling van de aandelen te komen. Waartoe wordt uitgegaan van twee samenhangende ficties (de twee genoemde ‘stappen’), waarbij de concrete uitwerking van deze ficties is overgelaten aan de rechter. Dit geldt dan logischerwijs ook in het kader van art. 3:159ab Wft (oud).
Dit bezegelt het lot van het subonderdeel. Voor zover het subonderdeel al onderkent wat de OK ter zake doet, en dus uitgaat van een juiste lezing van de Tussenbeschikking, loopt het vast op het voorgaande.
subonderdeel 2.2.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 2.1, dat faalt, deelt eerstgenoemd subonderdeel in het lot daarvan. Zie onder 4.15.1 hiervoor.
Ook overigens strandt het subonderdeel. De OK heeft immers (ook) in rov. 3.27 oog voor andere feiten en omstandigheden waarop het subonderdeel doelt, zoals de opstelling (medewerking) van DNB, de solvabiliteits- en/of liquiditeitspositie van Conservatrix N.V. en de belangstelling van marktpartijen voor een overname. De eerdere opstelling van DNB betrekt de OK al in rov. 3.9-3.10, waarop (ook) rov. 3.27 voortbouwt. Daarbij is van belang dat, naar de OK benadrukt in rov. 3.10 sub B, waarop (ook) rov. 3.27 voortbouwt, het overnamescenario uitgaat van een overname van Conservatrix N.V. door een derde die het liquidatiescenario voorkomt (i) door de solvabiliteit van Conservatrix N.V. op het door DNB gewenste niveau te brengen en te houden en (ii) door de door DNB geconstateerde operationele problemen (zoals de risicobeheersing) op te lossen, waarbij (iii) de koper zodanige maatregelen treft dat DNB afziet van haar voornemen tot intrekking van de vergunning. Dit raakt ook aan de solvabiliteits- en/of liquiditeitspositie van Conservatrix N.V., waarvoor tevens de in rov. 3.27 bedoelde “maatregelen om de continuïteit van Conservatrix N.V. te waarborgen” en “hierna te noemen uitgangspunten” (waaronder rov. 3.30-3.35 inzake Solvency II) van belang zijn. [173] Verder ligt in rov. 3.27 kenbaar besloten dat als in het overnamescenario de werkelijke waarde van de aandelen in Conservatrix N.V. op de peildatum zou uitstijgen boven € 1,--, zodat er in dat scenario aandeelhouderswaarde te realiseren zou zijn, [174] aan te nemen valt dat er vanuit de markt belangstelling zou zijn voor een overname als kopende partij. [175] Daarbij zij bedacht dat, naar de OK ook onderkent in rov. 3.8 in lijn met genoemde SNS-beschikking van de Hoge Raad (waarover rov. 3.6), onder het toekomstperspectief moet worden verstaan het daadwerkelijke toekomstperspectief van Conservatrix N.V. per 15 mei 2017 (in de situatie dat geen gedwongen overdracht zou hebben plaatsgevonden). Het gaat niet om destijds in de markt of bij andere betrokkenen aanwezige (gebrek aan) kennis of verwachtingen omtrent het toekomstperspectief van de onderneming. Bij het bepalen van het toekomstperspectief komt het aan op de werkelijke financiële positie van de onderneming, waartoe alle relevante feiten en omstandigheden op het peiltijdstip in aanmerking dienen te worden genomen, ook die welke niet algemeen bekend waren.
Dit bezegelt het lot van het subonderdeel, zowel wat betreft de rechtsklacht als wat betreft de motiveringsklacht. Voor zover het subonderdeel al onderkent wat de OK ter zake doet, en dus uitgaat van een juiste lezing van de Tussenbeschikking, loopt het vast op het voorgaande.
subonderdeel 2.3.
Ook dit subonderdeel strandt. Zoals uiteengezet onder 4.15.1 hiervoor, bij de behandeling van subonderdeel 2.1, laat de OK de mogelijkheid open dat indien wordt uitgegaan van het overnamescenario als het toekomstperspectief van Conservatrix N.V. op de peildatum, een redelijk handelend koper wel bereid zal zijn een hogere prijs voor de aandelen te betalen dan € 1,--. Blijkt het zo te zijn dat uitgaande van het overnamescenario de werkelijke waarde van de aandelen op de peildatum hoger zou uitkomen dan € 1,--, dan is het overnamescenario - niet het liquidatiescenario, waarin een redelijk handelend koper niet bereid zal zijn een hogere prijs voor de aandelen te betalen dan € 1,-- - het in acht te nemen toekomstperspectief van Conservatrix N.V. op de peildatum. Zie daarvoor in het bijzonder rov. 3.27-3.28. Zoals volgt uit de behandeling van subonderdeel 2.2, onder 4.15.2 hiervoor, dekt de OK daarbij het betoog van de Staat waarop het onderhavige subonderdeel zich beroept - en dat de OK weergeeft in rov. 3.2 - af.
Dit bezegelt het lot van het subonderdeel. Voor zover het subonderdeel al onderkent wat de OK ter zake doet, en dus uitgaat van een juiste lezing van de Tussenbeschikking, loopt het vast op het voorgaande.
De door Conservatrix Groep gemaakte kosten van rechtsbijstand en van partijdeskundigen
3.55 Artikel 6:11 lid 4 Wft Pro houdt in dat de Ondernemingskamer omtrent de kosten van het geding zodanige uitspraak geeft als zij meent dat behoort. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 20 maart 2015, (ECLI:NL:HR:2015:661 (SNS Reaal)) overwogen dat de kosten van partijdeskundigen niet kunnen worden aangemerkt als schade in de zin van artikel 6:8 Wft Pro, maar dat zij wel op de voet van artikel 6:11 lid 4 Wft Pro voor vergoeding in aanmerking kunnen komen als kosten van het geding, dat de Ondernemingskamer gelet op de bewoordingen van die bepaling daarbij een grote vrijheid heeft en dat het in de rede ligt om daarbij aan te sluiten bij de rechtspraak over de maatstaf van artikel 50 lid 4 Onteigeningswet Pro, dat wil zeggen dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt en binnen redelijke omvang zijn gebleven.”