ECLI:NL:PHR:2023:1022

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 november 2023
Publicatiedatum
12 november 2023
Zaaknummer
21/04000
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 onder D OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 27 SrArt. 29 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen productie amfetamine ondanks beperking ondervragingsrecht

De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot 34 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het vervaardigen van amfetamine en voorbereidingshandelingen daartoe in een drugslab te [plaats]. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op diverse bewijsmiddelen, waaronder observaties van politie, opgenomen gesprekken (OVC-gesprekken) tussen de verdachte en medeverdachten, en forensisch onderzoek van het NFI.

De verdachte voerde in cassatie aan dat het gebruik van verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 3] en het afwijzen van het verzoek om verbalisanten te horen in strijd was met het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM Pro), omdat de verdediging geen adequate ondervragingsmogelijkheid had. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende had gemotiveerd dat de verklaring van de medeverdachte niet doorslaggevend was en dat er voldoende steunbewijs was in andere bewijsmiddelen, waardoor het gebruik van deze verklaring niet in strijd was met het EVRM.

Ook het afwijzen van het verzoek om verbalisanten K107, K117 en K119 te horen werd door de Hoge Raad aanvaard, omdat hun verklaringen door andere bewijsmiddelen waren bevestigd en het horen van deze getuigen geen toegevoegde waarde zou hebben. De procedure werd als geheel als eerlijk beoordeeld, ondanks het late tijdstip van het verzoek.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof alleen voor wat betreft de strafmaat wegens overschrijding van de redelijke termijn, en verlaagde de straf, maar verwierp het cassatieberoep voor het overige.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor medeplegen van amfetamineproductie en vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/04000
Zitting14 november 2023
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 17 september 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro D van de Opiumwet gegeven verbod" en 2. “medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit”, veroordeeld tot een gevangenisstraf van 34 maanden, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro. Voorts heeft het hof teruggave gelast van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven, geldbedrag van € 1.000.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 21/03968, 21/03987 en 21/03974. In deze zaken is reeds conclusie genomen en arrest gewezen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
In het middel wordt opgekomen tegen respectievelijk het tot het bewijs bezigen van de verklaring van een van de medeverdachten en het afwijzen van het voorwaardelijk verzoek een drietal andere getuigen te horen alsmede het tot het bewijs bezigen van hun verklaringen. Gesteld wordt dat dit is in strijd is met het in art. 6 EVRM Pro vervatte recht op een eerlijk proces, omdat de verdediging ten aanzien van deze getuigen geen adequate ondervragingsmogelijkheid heeft gehad.
1.5
Alvorens ik aan de bespreking van het middel toekom, geef ik eerst de bewezenverklaring, de bewijsvoering en de overwegingen van het hof inzake de getuigenverklaringen weer, voor zover deze van belang zijn voor de bespreking van het middel.

2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en overwegingen inzake getuigenverklaringen

2.1
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“1.
hij in de periode van 24 mei 2013 tot en met 11 juni 2013 te [a-straat 1] te [plaats ] tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervaardigd een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
2.
hij in de periode van 24 mei 2013 tot en met 11 juni 2013 te [a-straat 1] te [plaats ] tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het bereiden, bewerken, vervaardigen, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, en zijn mededaders wisten dat zij bestemd waren tot het plegen van die feiten, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders
invoornoemde
periodeop het perceel [a-straat 1] te [plaats ]
- een locatie gehuurd en gereed gemaakt voor de productie van synthetische drugs en
- grote hoeveelheden grondstoffen en chemicaliën en vaten en hardware en productiemiddelen/productievoorwerpen en hulpmiddelen voorhanden gehad en
- ongeveer 660 liter zoutzuur en ongeveer 250 liter mierenzuur en ongeveer 400 liter formamide en ongeveer 1.000 kilogram caustic soda en een (compleet) in werking zijnde laboratorium-opstelling en productieplaats (bedoeld voor de productie van amfetamine, althans een of meer middelen genoemd op lijst I van de Opiumwet) voorhanden gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.”
2.2
Het hof heeft de bewezenverklaring op een zogenaamde PROMIS-wijze als volgt gemotiveerd (met weglating van verwijzingen):

Bewijsvoering
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hieronder weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De raadsman van de verdachte heeft – op gronden als vermeld in de pleitnota – vrijspraak bepleit. Het hof zal hieronder op de onderscheidende punten, van de raadsman responderen.
Het hof overweegt als volgt.
1. De feiten
Het hof gaat op grond van de gebruikte bewijsmiddelen uit van de navolgende – zoveel mogelijk chronologisch weergegeven – feiten en omstandigheden.
1.1
Aanleiding onderzoek
Op 16 mei 2012 werd een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen [betrokkene 1] en zijn ex-zwager [betrokkene 2] naar aanleiding van een ClE-melding van 16 mei 2012 inhoudende dat zij zich bezig hielden met de wiethandel. In december 2012 bleek dat [betrokkene 1] samen met medeverdachte [medeverdachte 3] naar Spanje was gegaan. In december 2012 kwam er een ClE-melding binnen, inhoudende dat [medeverdachte 3] in week 50 van 2012 naar Spanje was gevlogen om daar een transport van synthetische drugs voor te bereiden. In januari 2013 kwam er nog een ClE-melding binnen, inhoudende dat [medeverdachte 3] deel uitmaakte van een criminele organisatie van [betrokkene 1] . De politie zag aanleiding om een peilbaken te plaatsen en om OVC-gesprekken afte tappen in een Citroen C3 met kenteken [kenteken 1] . Deze auto was met ingang van 22 mei 2013 tot en met 15 juni 2013 door [medeverdachte 3] gehuurd en in die periode voornamelijk bij hem in gebruikt.
Op 25 maart 2013 is in de Citroen een OVC-gesprek opgenomen tussen [medeverdachte 3] (de politie herkent de stem als die van [medeverdachte 3] en deze persoon noemt meermalen de naam van [betrokkene 3] , zijnde de naam van de vrouw van [medeverdachte 3] ) en een persoon die door [medeverdachte 3] meerdere malen ' [verdachte] ' wordt genoemd. Laatstgenoemde persoon vroeg aan [medeverdachte 3] of hij hem de volgende dag (26 maart 2013) kon ophalen bij de afslag Zwijndrecht, omdat [betrokkene 4] naar het ziekenhuis moest. Dit is de woonplaats van [verdachte] . De partner van [verdachte] heet [betrokkene 4] .
1.2
Betrokkenheid van de verdachten bij drugslab in [plaats ] voorafgaand aan de inval van 11 juni 2013
Op vrijdag 24 mei 2013 werden door het observatieteam van de politie de volgende waarnemingen gedaan. Om 08.21 uur werd door verbalisant K119 gezien dat een Opel Vivaro met kenteken [kenteken 2] stond geparkeerd bij de watertoren te [b-straat] . Deze Opel Vivaro was met ingang van 22 mei 2013 tot en met 15 juni 2013 op naam van [medeverdachte 3] gehuurd. Verbalisant K119 gaf aan de inzittende van de Opel Vivaro te herkennen als verdachte [verdachte] . Om 08.32 uur zag K119 dat de hiervoor genoemde Citroen met kenteken [kenteken 1] het parkeerterrein van de watertoren te [b-straat] op reed. K119 gaf aan dat hij de bestuurder van de Citroen herkende als [medeverdachte 3] . K119 zag dat [medeverdachte 3] uit de Citroen stapte en in de Opel Vivaro plaatsnam. Om 08.35 uur zag K119 dat de personen die hij herkende als [medeverdachte 3] en [verdachte] van plaats wisselden, waarbij [medeverdachte 3] de bestuurder werd en dat de Opel Vivaro wegreed. Een andere verbalisant. K117 genoemd, nam waar dat de Opel Vivaro werd geparkeerd aan de [c-staat] te [plaats ] , dat [medeverdachte 3] en [verdachte] uitstapten en dat zij in de richting van de woning van [medeverdachte 1] liepen. Verbalisant K117 zag dat [medeverdachte 1] uit zijn woning kwam lopen, dat [medeverdachte 1] en [verdachte] als bijrijder in de Opel Vivaro stapten, dat [medeverdachte 3] als bestuurder instapte en dat de Opel Vivaro wegreed. Om 10.10 uur werd door verbalisant K119 gezien dat de Opel Vivaro het terrein op reed naar de loodsen die achter de woning aan de [a-straat 1] waren gelegen. Verbalisant K107 zag om 10.50 uur dat de achterste loods achter de woning aan de [a-straat 1] door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] werd dichtgemetseld.
Later die dag, om 16.20 uur, vond er in de Citroen een OVC-gesprek plaats waarbij [medeverdachte 3] tegen zijn gesprekspartner, die hij [verdachte] noemde, zei: "Wat een dag zeg. Ik heb dat nog nooit gedaan joh, een dag met jou ja. Twee rijtjes. (...) Ik heb nog nooit zo’n metselblokje in mijn handen gehad. En als mensen het dan niet uitleggen. Ik pak dat niet in een keer.”
Op 25 mei 2013 werd door een manspersoon die zichzelf [verdachte] noemde naar twee verschillende telefoonnummers gebeld. Twee verbalisanten herkenden de stem van deze persoon echter als de stem van [medeverdachte 1] . Om 09.36 uur deed hij navraag naar een caravan, die echter al verkocht bleek te zijn. Om 10.24 uur belde hij naar het bedrijf [A] aan het [d-straat 1] te [plaats ] . [medeverdachte 1] vroeg of de caravan er nog stond en dit werd bevestigd. [medeverdachte 1] vroeg of er een wc in de caravan zat en toen de verkoper zei dat hij dacht van wel, gaf [medeverdachte 1] te kennen dat hij eraan kwam.
Op 25 mei 2013, korte tijd later, hebben in de Citroen OVC-gesprekken plaatsgevonden tussen twee personen. Zij noemden elkaar respectievelijk ‘ [medeverdachte 3] ’ en ‘ [medeverdachte 1] ’, zijnde de voornamen van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Hierbij werd onder meer het volgende gezegd:
(Tussen 10.47 uur en 11.08 uur)
" [medeverdachte 1] : [d-straat 1] he?
[medeverdachte 3] : [d-straat 1] (...)
[medeverdachte 1] : Gij mag wel een fles meenemen naar dat drugspandje.
[medeverdachte 3] : Ja.
(Tussen 11.16 uur en 11.35 uur)
[medeverdachte 1] : Das een mooi ding. (...) Ik zag deze toevallig in een keer. (...)
[medeverdachte 3] : Terug naar die eh?
[medeverdachte 1] : Ja drugspandje.
(...)
[medeverdachte 1] : Die gast heeft maar 10 flessen. Dus ik ga nou even naar de Bunkercentrale. (...)
Ja die caravan ik zit even te kijken waar we dat ding neer pleuren. Ik wou zeggen die ken ik wel afgooien.
[medeverdachte 3] : En zo'n fles weegt?
[medeverdachte 1] : 33 kilo.
(Tussen 11.35 uur en 11.50 uur)
[medeverdachte 1] : Zetten we vandaag gewoon klaar en dan rijden we morgen op zijn gemak.
(...)
[medeverdachte 1] : Morgenvroeg ga ik niet rijden hoor. Zaterdag.
[medeverdachte 3] : Nou oké. Dat vind ik wel een heel strak plan hoor als ik eerlijk moet zijn.
[medeverdachte 1] : En de caravan en de flessen daarnaartoe brengen.
[medeverdachte 3] : Ja, dat kan in een keer?
[medeverdachte 1] : Ja.
(...)
[medeverdachte 3] : Bij de Konijnenberg zit toch ook zo'n bedrijf? Ik heb daar die koppeling laten maken voor mijn gasflessen, witte wel.
(...)
[medeverdachte 1] : Dan gaan we gewoon die even halen. Ik heb 10 van die flessen nodig en er staan er 7.
(Tussen 11.56 uur en 12.02 uur)
[medeverdachte 3] : Maar ik had 10 nee 15 gasflessen gekocht voor 100 euro, van die grote.."
Uit de peilbakengegevens volgt dat de Citroen zich tussen 11.06 uur en 11.17 uur in de directe omgeving van [A] aan het [d-straat 1] te [plaats ] bevond en dat de Citroen tussen 11.32 en 11.38 uur stilstond in de directe omgeving (binnen een straal van 135 meter) van de woning van [medeverdachte 1] te [plaats ] .
Het hof concludeert aan de hand van de gebruikte bewoordingen dat deze gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] evident betrekking hadden op de bewuste caravan en op het drugslab te [plaats ] , alwaar – naar hierna zal blijken – later bij gelegenheid van de inval door de politie de bewuste caravan ook is aangetroffen.
Op 27 mei 2013 vonden in de Citroen OVC-gesprekken plaats tussen twee personen. Uit de peilbakengegevens kan worden afgeleid dat [medeverdachte 3] weer een van deze personen was. [medeverdachte 3] was de huurder/regelmatig gebruiker van de Citroen en de auto stond die dag tussen 02.53 uur en 07.19 uur stil op de [e-straat] te [plaats ] , waar [medeverdachte 3] op dat moment verbleef. De auto verplaatste zich vervolgens naar de carpoolplaats Raamdsdonksveer A59 Zuid, waar de tweede persoon instapte. [medeverdachte 3] (in het gesprek aangeduid als [medeverdachte 3] ) noemde zijn gesprekspartner meermalen ‘ [verdachte] ’. In het gesprek werd onder meer het volgende gezegd (hof: de gesprekspartner wordt hieronder aangeduid als ‘ [verdachte] ’):
(Tussen 07.39 uur en 07.57 uur)
[verdachte] : Nog hooit meegemaakt dat het zo onprofessioneel is geregeld. Als die [medeverdachte 1] 't allemaal weet, stapt ie er gelijk uit.
(...)
[medeverdachte 3] : We rijden nu op en neer. Zorg dat die gasflessen betaald zijn.
[verdachte] : Maar hij moet die gasflessen gaan betalen daar of moet hij ons geld geven daarvoor?
[medeverdachte 3] : Hij kan ons geld geven, maakt mij niet uit of hij moet ze gaan betalen, maar [betrokkene 5] zei hij zou het regelen.
(…)
[verdachte] : Hoeveel hebben ze dan uhhh.
[medeverdachte 3] : Dan hebben ze er 8.
[verdachte] : Hij moest er tien hebben maar dat is zeker net iets te duur, twee.
[medeverdachte 3] : Nee, als ze er niet zijn, dan zijn ze er niet daar, [verdachte] .
(...)
[medeverdachte 3] : Ik weet niet of hij thuis is of niet, hij zou naar Spanje vliegen. Zijn vrouwtje zal het wel weten. (...)
[verdachte] : Maar hebben ze dan geen andere bus staan toevallig waar die sleutel eh...
[medeverdachte 3] : Nee want de sleutels van die caravan liggen in die bus.
(Tussen 08.01 uur en 08.05 uur)
[verdachte] : Ik heb een luchtbed bij mij. Er ligt hout daaro.. we hebben platen hout: Dan kan ik buiten de caravan een bed bouwen. Balken hoog leggen. Luchtbed erop. Hoesje erop dekbed.
[medeverdachte 3] : Een paar balen hooi pakken en daar een plank opleggen. Rechtstreeks op de betonnen vloer, daar word je niet vrolijk van.
Gebleken is dat [medeverdachte 1] op 27 mei 2013 een vlucht naar Barcelona heeft geboekt en dat hij op 28 mei 2013 weer terug naar Nederland is gevlogen.
In de nacht van 29 mei 2013 zag de politie bij een inkijk in de loods aan de [a-straat 1] dat er een bestelbus (vermoedelijk een Renault Traffic of Opel Vivaro), twee IBC’s en meerdere jerrycans in de loods stonden. Verder hoorden verbalisanten dat er iemand in de loods lag te slapen.
Ook hier concludeert het hof op basis van de bewoordingen in het gesprek tussen [medeverdachte 3] en persoon [verdachte] , die door [medeverdachte 3] ‘ [verdachte] ’ wordt genoemd, dat het OVC-gesprek evident betrekking heeft op het drugslab te [plaats ] . Tevens concludeert het hof dat [medeverdachte 1] niet een van de deelnemers is van het gesprek, nu gesproken wordt over een persoon die gasbussen moet betalen en naar Spanje vliegt, en het [medeverdachte 1] is die op 27 mei naar Barcelona vliegt.
Op 3 juni 2013 vond er in de Citroen een gesprek plaats tussen twee personen. Het hof concludeert dat [medeverdachte 3] aan dit gesprek deelnam, nu hij de gebruiker was van de Citroen en een van de gespreksdeelnemers [medeverdachte 3] werd genoemd […]. In het gesprek weerden onder meer het volgende gezegd (hof: [medeverdachte 3] wordt hieronder aangeduid als [medeverdachte 3] (van [medeverdachte 3] ) en de gesprekspartner van [medeverdachte 3] als ' [verdachte] '):
[medeverdachte 3] : 1.000 liter water gestoomd eh.
[verdachte] : Ja.
[verdachte] : En heb je niks over gehoord hoe dat zit met afval?
[medeverdachte 3] : (...) dat ze een trechter halen zijn, die scheidingstrechter.
[medeverdachte 3] : Mijn handen jongen echt!
[verdachte] : [betrokkene 4] ik geloof dat ze twaalf keer alles heb gewassen van dat spul.
[medeverdachte 3] : Mijn kleren dat valt nog wel mee eigenlijk.
[verdachte] : Voordat het er een beetje uit was.
[verdachte] : Ik hoop dat er een beetje wat uitgehaald wordt en dat we een beetje centen krijgen van de week eh... Dat regelt de [betrokkene 6] ook he de uitbetaling en alles.
[medeverdachte 3] : Ja.
[medeverdachte 3] : Je hebt mijn beetje gezien.
[verdachte] : Ja.
[medeverdachte 3] : En je hebt het zelf heel druk gehad.
[verdachte] : Ja.
[medeverdachte 3] : Ik heb gezien wat jij gedaan hebt en dat is veel werk.
[verdachte] : Ja.
[medeverdachte 3] : Ik had met die dingen schoonmaken, als je dat allemaal in je uppie moet gaan doen.
(...)
[verdachte] : Het is wel fijn (...) met die bus ook. En dat die gasflessen nog moeten komen (...).
[medeverdachte 3] : Ik heb tegen die [betrokkene 7] gezegd hoor dat jij buiten (...)
[verdachte] : He?
[medeverdachte 3] : Dat jij buiten op een luchtbed bent gebleven.
[verdachte] : Ooh zei die wat dan?
[medeverdachte 3] : Ja (...) dat is ook niks.
(...)
[verdachte] : Ik denk dat ik 5, 6.000 liter water daar heb lopen sjouwen achter elkaar.
[medeverdachte 3] : Dat is toch niet normaal of wel. Dat ken je niet alleen. Eigenlijk ken je alles bij elkaar pak. Dat ken je niet met z’n drieën. Uiteindelijk staan we daar wel met z’n drieën (...) in werk.
[verdachte] : (...) je werkt je eigen helemaal kapot.
[medeverdachte 3] : Ja.
[verdachte] : En ik hoop dat ze nu weten hoe het wel met (...) dat scheiden allemaal wel lukt he.
(…)
[medeverdachte 3] : Mijn idee is, buiten dat ik een keer mijn klauwen heb verbrand aan dat gasrekje
(...)
(...)
[verdachte] : Ik ga toch niet lopen kutten met een vat zoutzuur in mijn eentje.
(…)
[verdachte] : Zou jij mij een groot plezier willen doen? Dat dekbed in de caravan van mij, mijn spullen. Zou je dat in zo’n krat willen leggen van de caravan?
(...)
[verdachte] : We houden elkaar op de hoogte. (...) En uitkijken met de loog he!
Zoals hiervoor al is vermeld heet de vriendin van [verdachte] met haar voornaam ' [betrokkene 4] ’. [medeverdachte 3] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat er in de Citroën gesprekken hebben plaatsgevonden met [verdachte] . Hij heeft verklaard dat de gesprekken, waarin onder meer werd gesproken over scheidingstrechters en gestoomd water, betrekking hadden op het amfetaminelab in [plaats ] . Verder blijkt uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van [verdachte] dat hij op 9 juli 2012 in Spanje is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 1 dag ter zake van een drugsdelict. [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij [verdachte] persoonlijk kende en heeft bevestigd dat [verdachte] en hij op 9 juli 2012 in Spanje samen zijn veroordeeld ter zake van hetzelfde drugsdelict.
[…]
2. Overwegingen van het hof
2.1
Productie van amfetamine en voorbereidingshandelingen
Op grond van de hierboven weergegeven bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat in de loods die deel uitmaakt van het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats ] amfetamine is vervaardigd.
In de eerste plaats wijst het hof op de capaciteitsberekening die door het NFI is gemaakt op basis van de hoeveelheid afval afkomstig van de vervaardiging van amfetamine die in de loods is aangetroffen (circa 4.000 liter). Volgens die berekening moet er in de loods ongeveer 470 liter BMK zijn verwerkt. Het laboratorium had volgens het onderzoek van het NFI een productiecapaciteit van ongeveer 100 liter BMK per batch. Dit duidt er dus op dat er meerdere batches moeten zijn geweest.
Voorts wijst het hof in dit verband op de omstandigheid dat het aangetroffen afval was terug te voeren op de verschillende te onderscheiden stappen van de vervaardiging van amfetaminebase volgens de zogenaamde Leuckartmethode. Van elke stap is namelijk afval aangetroffen, zo blijkt uit het door het NFI verrichte laboratoriumonderzoek.
Daarnaast wijst het hof op de aangetroffen stoffen, die erop duiden dat er amfetamine is vervaardigd volgens voornoemde methode. In een groot aantal monsters van vloeistoffen is immers – naast BMK, zoutzuur en het tussenproduct N-formylamfetamine – het eindproduct amfetamine aangetroffen. De amfetamine is op verschillende locaties in de loods aangetroffen, waaronder in (monsters afkomstig uit) gevulde IBC-vaten, jerrycans, RVS distillatieketels, opvangtanks en rondbodemkolven.
Voorts is het hof van oordeel dat op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden bewezen dat dit productieproces nog zeer recent voor de inval op 11 juni 2013 moet hebben plaatsgevonden. In dit kader wijst het hof in het bijzonder op het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van observatie van verbalisanten K130, K102 en K121. De observanten hoorden die nacht immers geluiden die op een productieproces leken te duiden en namen een chemische lucht waar. Ook wijst het hof in dit verband op de omstandigheid dat het afvalwater na de inval op 11 juni 2013 om 14.45 uur nog 32 graden was en de gasbranders in productieruimte 1 nog 40 graden.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien met de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders dan dat er in de tenlastegelegde periode – vermoedelijk in ieder geval vlak voor de politie-inval – een productieproces van synthetische drugs heeft plaatsgevonden in de loods behorend bij het perceel aan de [a-straat 1] te [plaats ] .
Tijdens de procedure in hoger beroep hebben drie verdachten in de onderhavige zaak (te weten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ) verklaard dat de productie volledig was mislukt, althans niet tot een succesvol eindresultaat had geleid. Nog daargelaten dat dit niet aan een bewezenverklaring van feit 1 in de weg zou staan nu op basis van de gebezigde bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat
een hoeveelheid van een stof bevattendeamfetamine is geproduceerd, hecht het hof geen geloof aan deze verklaringen. De – overigens niet onderbouwde – verklaringen zijn in een stadium afgelegd dat het dossier al geruime tijd compleet was en ter beschikking van de verdachten stond en dit heeft hen de gelegenheid gegeven om de verklaringen op elkaar en/of de inhoud van het dossier af te stemmen. Dit doet naar het oordeel van het hof afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaringen. Daarnaast stroken de verklaringen niet met de hiervoor genoemde bevindingen en vinden deze ook onvoldoende steun in de overige inhoud van het dossier. Het hof schuift deze verklaringen dan ook terzijde.
Dat er sprake is geweest van voorbereidingshandelingen, zoals onder 2 ten laste is gelegd, kan naar het oordeel van het hof eveneens worden bewezen. Uit het onderzoek is immers gebleken dat er nog op 11 juni 2013 in de loods van het pand aan de [a-straat 1] te [plaats ] nog een grote hoeveelheid chemicaliën/grondstoffen en laboratoriumbenodigdheden aanwezig waren die vanwege hun aard en functie bestemd zijn voor een productieproces van amfetamine. Gelet op de gezamenlijkheid van deze voorwerpen en stoffen en het proces dat al had plaatsgevonden, acht het hof bewezen dat het de bedoeling is geweest om nog meer te produceren.
2.2
De rollen van de verdachten
Met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 1] acht het hof de volgende – zoveel mogelijk chronologisch weergegeven – zaken van belang.
De eigenaar van de loods, [betrokkene 8] , heeft [medeverdachte 2] herkend als de persoon ' [medeverdachte 2] ’ die de loods drie weken voor de inval van hem had gehuurd. Hij heeft verklaard dat hij deze persoon drie keer heeft gezien en dat deze persoon in een zilvergrijze Volkswagen Golf reed. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 2] in die periode in een zilvergrijze Volkswagen Golf reed die op zijn naam stond.
Op 24 mei 2013 heeft de politie gezien dat de achterste loods, waar het amfetaminelaboratorium is aangetroffen, werd dichtgemetseld door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] . Anders dan de raadsman ziet het hof geen reden om te twijfelen aan de juistheid en de betrouwbaarheid van dit op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van observatie.
Allereerst acht het hof van belang dat bij de observaties van 24 mei 2013 twee auto's werden waargenomen (Opel Vivaro met kenteken [kenteken 2] en de Citroen C3 met kenteken [kenteken 1] ) waarvan is vastgesteld dat deze auto’s zijn gebruikt in relatie tot het drugslab te [plaats ] . Beide auto’s waren door [medeverdachte 3] gehuurd en waren bij hem in gebruik. Zoals hierna zal worden besproken, kan naar het oordeel van het hof tevens worden vastgesteld dat ook [verdachte] en [medeverdachte 1] (meerdere keren) in de Citroen hebben gezeten. Verder acht het hof van belang dat de verbalisanten afzonderlijk van elkaar, op verschillende momenten en verschillende locaties, zonder voorbehoud hebben gerelateerd dat zij (een van) de verdachte(n) herkenden.
Daarnaast is het hof van oordeel dat de observaties steun vinden in overig bewijsmateriaal. Het hof wijst in dat kader op de inhoud van het OVC-gesprek in de Citroen van later die dag waarbij [medeverdachte 3] zijn gesprekspartner [verdachte] noemde, zijnde de voornaam van [verdachte] . Zij spraken bij die gelegenheid over de intensieve dag die zij hadden gehad en over het in handen hebben van metselblokjes. Op basis van de inhoud van de OVC-gesprekken in combinatie met observaties, komt het hof tot de conclusie dat het [verdachte] is geweest die zich op 24 mei 2013 samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft bezig gehouden met het dichtmetselen van de loods aan de [a-straat 1] te [plaats ] . De enkele omstandigheid dat [medeverdachte 1] zich ook een keer voor [verdachte] uitgaf, namelijk toen hij bij twee bedrijven navraag deed naar een caravan, zoals nog ten verwere door de raadsman is aangevoerd, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Daarbij overweegt het hof dat [medeverdachte 1] door [medeverdachte 3] in onderlinge gesprekken bij zijn eigen voornaam ( [medeverdachte 1] ) werd genoemd.
Het hof ziet evenmin reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de hiervoor genoemde verklaringen van [betrokkene 8] . In de eerste plaats acht het hof diens verklaringen op het punt van het huren van de loods consistent en gedetailleerd. Nog voordat [betrokkene 8] [medeverdachte 2] voor de eerste keer op een foto aanwees als de ‘ [medeverdachte 2] ' die de loods had gehuurd, omschreef hij de auto waarmee deze persoon was langsgekomen. Bij zijn verhoor van 4 maart 2014, bijna zeven maanden na zijn eerste verhoor, werden door de politie foto's van 14 verschillende personen getoond. Alleen bij de foto van [medeverdachte 2] gaf [betrokkene 8] zonder voorbehoud of twijfel blijk van herkenning en verklaarde hij andermaal dat dit de persoon was die de loods van hem had gehuurd.
Zoals hiervoor al is aangehaald, vinden de hiervoor genoemde onderdelen van de verklaringen van [betrokkene 8] bovendien steun vinden in ander bewijsmateriaal. Dat [betrokkene 8] op andere onderdelen inconsistent of zelfs aantoonbaar onjuist heeft verklaard, doet niet af aan het oordeel van het hof dat aan de genoemde specifieke passages van de verklaringen van [betrokkene 8] wel geloof kan worden gehecht. In dat kader merkt het hof nog op dat [betrokkene 8] later zelf heeft toegegeven dat hij in eerste instantie over bepaalde zaken had gelogen in de hoop dat hij snel van de onderhavige zaak af zou zijn […]. Het hof sluit niet uit dat [betrokkene 8] in dat stadium – hij was als verdachte aangemerkt en in verzekering gesteld – zijn eigen rol buiten beschouwing of zo beperkt mogelijk probeerde te houden.
Het hof komt tot de slotsom dat de voornoemde verklaringen van [betrokkene 8] en de bevindingen van de observanten van 24 mei 2013 betrouwbaar zijn en tot het bewijs worden gebezigd. Het hof acht derhalve bewezen dat [medeverdachte 2] de loods heeft gehuurd waarin het laboratorium kon worden opgebouwd en waarin de voorwerpen en stoffen ten behoeve van de productie van amfetamine konden worden opgeslagen, en dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] zich hebben bezig hebben gehouden met het dichtmetselen van de loods.
Op 25 mei 2013, één dag na de dag dat door genoemde verdachten aan de loods is gemetseld, hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] zich bezig gehouden met de aanschaf van een caravan bij [A] te [plaats ] . Diezelfde caravan is op 11 juni 2013 bij de inval in de loods aangetroffen.
Verder kan worden vastgesteld dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] die dag expliciet hebben gesproken over zaken die betrekking hadden op (de voorbereidingshandelingen van) het amfetaminelaboratorium te [plaats ] . Onder meer werd gesproken over het brengen van gasflessen en de caravan naar een drugspandje, over het bestellen van gasflessen en over hoeveel gasflessen er in totaal nodig waren.
Op 27 mei 2013 en 3 juni 2013 heeft [medeverdachte 3] deelgenomen aan OVC-gesprekken waarin met een andere gespreksdeelnemer zeer expliciet werd gesproken over de productie van amfetamine met betrekking tot het drugslab in [plaats ] en over de (mogelijke) verdiensten daaruit. Op 27 mei 2013 noemde [medeverdachte 3] zijn gesprekspartner – net als op 24 mei 2013 – [verdachte] . In dit gesprek werd gesproken over ‘ [medeverdachte 1] ' (het hof begrijpt: verdachte [medeverdachte 1] ), over het betalen van gasflessen, over een caravan en over het bouwen van een slaapplek buiten de caravan. ‘ [verdachte] ' gaf aan dat hij een luchtbed bij zich had.
In het gesprek van 3 juni 2013 werd gesproken over een scheidingstrechter, 1.000 liter water dat is gestoomd, 5.000-6.000 liter water sjouwen, zoutzuur, stoom en loog. Dat deze termen betrekking hebben op de productie van amfetamine, volgt uit het proces-verbaal van terminologie […] waarin door de medewerker van LFO wordt verklaard waar die termen in het proces op zien.
In dit gesprek zei de gesprekspartner van [medeverdachte 3] verder: “ [betrokkene 4] , ik geloof dat ze twaalf keer alles heb gewassen van dat spul.” [medeverdachte 3] reageerde hierop dat het met zijn kleren nog wel meeviel en zei verder "Ik heb tegen die [betrokkene 7] gezegd hoor dat jij buiten op een luchtbed bent gebleven.”
Uit het voorgaande, volgt naar het oordeel van het hof dat er sprake is van een onlosmakelijk verband tussen de OVC-gesprekken van 27 mei en 3 juni en de verdachte [verdachte] . Immers gaf de persoon die door [medeverdachte 3] ‘ [verdachte] ' (voornaam [verdachte] ) werd genoemd op 27 mei aan dat hij een luchtbed had en een bed buiten de caravan zou bouwen en uit het gesprek van 3 juni blijkt dat de gesprekspartner van [medeverdachte 3] , die in dat gesprek over ' [betrokkene 4] ' (zijnde de naam van de partner van [verdachte] ) sprak, op een luchtbed buiten de caravan had geslapen. Wanneer de blote inhoud van deze gesprekken in samenhang met elkaar wordt bezien, is er naar het oordeel van het hof geen andere redelijke en denkbare conclusie mogelijk dan dat het ‘ [verdachte] ’ was die over ‘ [betrokkene 4] ’ sprak en dat de gesprekspartner van [medeverdachte 3] op beide dagen een en dezelfde persoon, te weten verdachte [verdachte] betrof.
Dat dit een juiste conclusie betreft, wordt ondersteund door de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [medeverdachte 3] , die heeft bevestigd dat hij voornoemde gesprekken in de Citroen met [verdachte] heeft gevoerd en dat deze gesprekken betrekking hadden op het amfetaminelaboratorium in [plaats ] .
Het hof wijst hier voorts nog op de omstandigheid dat in het OVC-gesprek van 25 maart 2013 in de Citroen ook meermalen door de gesprekspartner van [medeverdachte 3] werd gesproken over ‘ [betrokkene 4] ’ en dat die persoon door [medeverdachte 3] herhaaldelijk ‘ [verdachte] ’ werd genoemd. Dit sterkt het hof nog verder in de conclusie-dat het [verdachte] was die op 27 mei en 3 juni met [medeverdachte 3] de voor hen zeer belastende OVC-gesprekken heeft gevoerd […]. Uit de inhoud van deze gesprekken volgt dat [verdachte] in de loods aan de [a-straat 1] te [plaats ] heeft overnacht en dat [medeverdachte 3] en [verdachte] allebei werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van de amfetamineproductie en voorbereidingshandelingen daartoe. Anders dan de raadsman heeft aangevoerd, is het hof van oordeel dat op grond van de inhoud van de gesprekken, in samenhang bezien met de overige bewijsmiddelen, kan worden bewezen dat de gesprekken betrekking hadden op het lab in [plaats ] en niet op een ander (synthetisch) drugslab.
In de loods is op verschillende locaties en voorwerpen DNA aangetroffen van [medeverdachte 1] (op 3 koffiebekertjes), [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] (op 5 peuken, een flesje multivitamine, 3 koffiebekertjes, tenminste 8 werkhandschoenen en kauwgom) en is er een vingerafdruk van [medeverdachte 3] aangetroffen op een kladblok waarin de beschrijving stond met betrekking tot het in het amfetaminelaboratorium aangetroffen productieproces.
Op 11 juni 2013, de dag van de politie-inval, heeft [medeverdachte 3] [medeverdachte 2] in [plaats ] opgehaald en hebben zij die dag werkzaamheden in de loods verricht ten behoeve van de amfetamineproductie. Zij zijn die dag ruim viereneenhalf uur in de loods aanwezig geweest en kort nadat zij de loods hadden verlaten, werd gezien dat er een drietal bigshoppers uit de Opel Vivaro bus werden gehaald, dat [medeverdachte 2] met een bigshopper wegliep en dat [medeverdachte 3] een minuut later ook met een gevulde bigshopper in zijn hand stond.
Op 11 juni 2013 heeft de partner van [medeverdachte 1] , [betrokkene 9] , naar de Jerrycanshop gebeld en op verzoek van [medeverdachte 1] navraag gedaan naar jerrycans. Het hof acht het, gelet op de grote hoeveelheid jerrycans die zij nodig had (50 jerrycans van 25 liter), volstrekt onaannemelijk dat [medeverdachte 1] deze jerrycans nodig had voor benzine of diesel (hof: en dus kennelijk voor een motorvoertuig), zoals hij zelf heeft verklaard […]. Daarbij betrekt het hof ook dat, toen bleek dat er niet zoveel jerrycans van 25 liter op voorraad waren maar dat er wel jerrycans van 20 liter waren, [betrokkene 9] aangaf dat dit te klein was. Naar het oordeel van het hof kan het, in samenhang met de overige inhoud van het dossier, niet anders zijn dan dat deze jerrycans bestemd waren voor het lab in [plaats ] . Ten slotte staat voor het hof vast dat [medeverdachte 1] kort na de politie-inval bij de loods is gearriveerd en dat hij bij het zien van de politie direct rechtsomkeert maakte en is gevlucht. Ondersteunend bewijs voor de betrokkenheid van [medeverdachte 1] vindt het hof verder nog in het feit dat hij kort hierna zijn partner [betrokkene 9] belde en tegen haar zei: "We zijn gepakt".
Verdachte heeft zich bij de politie – ook toen hem uitdrukkelijk de hiervoor genoemde belastende omstandigheden werden voorgehouden – steeds op zijn zwijgrecht beroepen. Hij is noch ter terechtzitting in eerste aanleg, noch in hoger beroep verschenen. Hij heeft geen enkele verklaring gegeven met betrekking tot het belastende bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevindt.
2.3
Conclusie ten aanzien van medeplegen
Het hof ziet zich thans voor de vraag gesteld of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de bereiding en vervaardiging van amfetamine en aan de voorbereidingshandelingen daartoe.
Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie moet voor medeplegen sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. In de praktijk is een belangrijke en moeilijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan echter wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zodanig bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar af te grenzen zijn niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1315/1316).
Voor wat betreft de procesopstelling van de verdachte geldt dat de omstandigheid dat de verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden ter zake van het voorhanden hebben van de goederen op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in art. 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs kan bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de rechter, indien de verdachte voor zo'n omstandigheid die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken (vgl. HR 3 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0733,NJ 1997/584).
Gelet op de vorenstaande feiten en omstandigheden en de vastgestelde bijdragen van de verdachten, in onderlinge samenhang beschouwd, kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat ten aanzien van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten sprake is geweest van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 2] . Uit de gebezigde bewijsmiddelen en het vorenoverwogene blijkt dat de verdachten hebben samengewerkt en allen nauw betrokken waren bij de productie van amfetamine en bij de voorbereidingshandelingen daartoe. Naar het oordeel van het hof had elke verdachte daarbij een belangrijke en onmisbare rol. Zij zijn in de tenlastegelegde periode – in wisselende samenstellingen – bij elkaar gekomen, hebben onderling overleg met elkaar gevoerd over de criminele zaken waarmee zij zich gezamenlijk bezighielden, zijn allen meerdere keren in of bij de loods aanwezig geweest, hebben daar uitvoerende werkzaamheden verricht ten behoeve van de productie van amfetamine en/of hebben benodigdheden ten behoeve van die productie aangeschaft en naar het laboratorium gebracht. Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen – in onderling verband en samenhang bezien en slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde heeft begaan op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.”
2.3
Ten aanzien van het gebruik voor het bewijs van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] en het afwijzen van het voorwaardelijke verzoek tot het horen van een drietal verbalisanten alsmede het tot het bewijs bezigen van deze verklaringen heeft het hof het volgende overwogen:

2.4 De voor het bewijs gebruikte verklaringen van [medeverdachte 3]
Ambtshalve overweegt het hof met betrekking tot het gebruik voor het bewijs van de verklaring van [medeverdachte 3] het volgende.
Het hof stelt het volgende voorop.
Een door enig persoon in verband met een strafzaak afgelegde en de verdachte belastende of ontlastende verklaring, zoals die onder meer kan zijn vervat in een ambtsedig proces verbaal, wordt ingevolge de autonome betekenis welke toekomt aan de term ‘witnesses/témoins’ in art. 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM, in het perspectief van het EVRM aangemerkt als verklaring van een getuige als aldaar bedoeld. Op grond van die verdragsbepaling heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid, staat niet eraan in de weg dat een door een getuige afgelegde verklaring voor het bewijs wordt gebezigd, mits is voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, in het bijzonder doordat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd dan wel – indien de bewezenverklaring wel in beslissende mate op die verklaring wordt gebaseerd – het ontbreken van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om de desbetreffende getuige te ondervragen in voldoende mate wordt gecompenseerd.
Voor de beantwoording van de vraag of de bewezenverklaring in beslissende mate steunt op de verklaring van – kort gezegd – een, ondanks het nodige initiatief daartoe, niet door de verdediging ondervraagde getuige, is van belang in hoeverre die verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het benodigde steunbewijs moet betrekking hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist. Of dat steunbewijs aanwezig is, wordt mede bepaald door het gewicht van de verklaring van deze getuige in het licht van de bewijsvoering als geheel (vgl. onder meer ECLI:NL:HR:2017:1017 en ECLI:NL:HR:2021:429).
Het hof stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 3] ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 25 mei 2021 een verklaring heeft afgelegd. In die verklaring heeft hij ook op een aantal punten over de betrokkenheid van [verdachte] verklaard. Het hof heeft de verklaring van [medeverdachte 3] op verzoek van de advocaat-generaal gevoegd in de dossiers van zijn medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] .
Op 25 mei 2021 is door de raadsman van verdachte verzocht om medeverdachte [medeverdachte 3] als getuige te horen. Dit verzoek is toegewezen en [medeverdachte 3] is vervolgens ter terechtzitting d.d. 28 juni 2021 als getuige gehoord. Echter, pogingen van de raadsman om [medeverdachte 3] als getuige te ondervragen, zijn gestuit op zijn beroep op het verschoningsrecht. Ook op de vraag van de voorzitter of [medeverdachte 3] op 25 mei 2021 naar waarheid had verklaard, reageerde [medeverdachte 3] dat hij zich op zijn verschoningsrecht beriep.
Het hof stelt derhalve vast dat er geen sprake is geweest van een behoorlijke en effectieve mogelijkheid tot ondervraging door de verdediging, ondanks het initiatief daartoe. De vraag rijst daarmee of deze beperking in het ondervragingsrecht in de onderhavige zaak een ontoelaatbare beperking van de verdedigingsrechten oplevert, ten gevolge waarvan niet meer sprake zou zijn van een eerlijk proces wanneer het hof deze verklaring voor het bewijs zou bezigen.
Het hof is echter van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten niet in beslissende mate op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] zijn gebaseerd.
Het hof overweegt daartoe dat de bewezenverklaarde feiten betrekking hebben op het in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen vervaardigen van amfetamine en plegen van voorbereidingshandelingen ter zake van de amfetamineproductie. Het hof heeft het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte bij deze feiten mede aangenomen op grond van de volgende bewijsmiddelen:
- de observaties van de politie van 24 mei 2013, waarin [verdachte] is herkend toen hij samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] aan het metselen was aan de loods waar 18 dagen later een grootschalig amfetaminelaboratorium werd aangetroffen alsmede een grote hoeveelheid voorwerpen en stoffen die bestemd waren voor de amfetamineproductie;
- de inhoud van de OVC-gesprekken van 24 mei 2013, 27 mei 2013 en 3 juni 2013, waaruit volgt dat [verdachte] op drie momenten gesprekken heeft gevoerd met [medeverdachte 3] die gingen over het lab in [plaats ] en waaruit volgt dat [verdachte] daar actief bij betrokken was. Zo blijkt uit deze gesprekken dat [verdachte] naast het metselen ook in de loods heeft overnacht, 5.000 à 6.000 liter water had gesjouwd, water had gestoomd, dat hij hard had gewerkt (het hof begrijpt: in het lab), zich bezighield met (het bestellen van) gasflessen en dat de partner van [verdachte] zijn kleren wel 12 keer heeft moeten wassen.
Gelet op deze feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, vindt de door de verdachte betwiste verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] naar het oordeel van het hof voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen. Het hof acht het steunbewijs in het licht van de bewijsvoering als geheel behalve betrouwbaar ook van voldoende gewicht. Wat betreft het gewicht van de belastende verklaring van [medeverdachte 3] in de bewijsconstructie merkt het hof bovendien op dat ook met weglating van deze belastende verklaring tot een bewezenverklaring zou kunnen worden gekomen. Een voor een veroordeling ‘misbare' verklaring is niet een ‘sole or decisive' verklaring in de betekenis die het EHRM daaraan toekent in het door hem ontwikkelde toetsingskader met betrekking tot het ondervragingsrecht (vgl. EHRM (Grote Kamer) 15 december 2011, appl. nos. 26766/05 & 22228/06, Al-Khawaja & Tahery vs. Verenigd Koninkrijk en EHRM (Grote Kamer) 15 december 2015, appl. no. 9154/10, Schatschaschwili vs. Duitsland). De belastende verklaring van [medeverdachte 3] kan derhalve niet als ‘sole and decisive’ bewijsmiddel worden aangemerkt. Zo bezien, moet het bewijstechnisch gebruik van de belastende verklaring van [medeverdachte 3] in het geheel van de bewijsconstructie worden gezien als niet meer dan een extra ondersteuning voor de juistheid van de hoofdzakelijk op basis van de letterlijke inhoud van de OVC-gesprekken gemaakte gevolgtrekking dat de verdachte deelnemer aan die gesprekken was en betrokken was bij het drugslab, zodat de eerst in hoger beroep afgelegde belastende verklaring van [medeverdachte 3] bij de totstandkoming van een veroordeling voor dit feit ten hoogste een zeer geringe rol heeft gespeeld. Het hof komt tot de slotsom dat het gebruik van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] voor het bewijs in overeenstemming is met recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.
2.5
Voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen
De raadsman heeft, indien het hof de aan [verdachte] toegeschreven deelname aan de OVC-gesprekken en de processen-verbaal van observatie voor het bewijs bezigt, voorwaardelijk verzocht tot het horen van verbalisanten K107, K117, K119, [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] , [verbalisant 4] , [verbalisant 5] . [verbalisant 6] en [verbalisant 7] . Ter onderbouwing op dit verzoek heeft de raadsman zich beroepen op de Keskin-jurisprudentie (ECLI:CE:ECHR:2021:0119).
Het hof overweegt als volgt.
Ten aanzien van verbalisanten [verbalisant 1] , [verbalisant 2] , [verbalisant 3] ,. [verbalisant 4] , [verbalisant 5] , [verbalisant 6] en [verbalisant 7]
Het hof heeft de betrokkenheid van [verdachte] aan de OVC-gesprekken in de Citroen met [medeverdachte 3] afgeleid uit de inhoud van deze gesprekken, in samenhang beschouwd met elkaar, het OVC-gesprek van 25 maart 2013 en de overige bewijsmiddelen. Het hof heeft de stemherkenning van [verdachte] door de verbalisanten en/of de stelling van de verbalisanten dat [verdachte] aan deze gesprekken heeft deelgenomen, niet tot de bewijsconstructie gebezigd. Derhalve is aan de door de raadsman geformuleerde voorwaarde van het verzoek niet voldaan en hoeft het hof geen beslissing te nemen op dit onderdeel van het verzoek.
Ten aanzien van de verbalisanten K107, K117, K119
Met betrekking tot de bevindingen van verbalisanten K107, K117 en K119, neergelegd in het proces-verbaal van observatie d.d. 24 mei 2013, overweegt het hof als volgt.
In de onderhavige zaak is aan het verzoek van de raadsman ten grondslag gelegd dat verdachte door K107, K117 en K119 is herkend als één van de personen die op 24 mei 2013 te zien zijn bij het metselen van de loods aan de [a-straat 1] te [plaats ] en dat de verdediging vragen wil stellen aan de verbalisanten over (onder meer) de totstandkoming van de herkenningen. De belastende verklaringen van deze verbalisanten zijn door de rechtbank en het hof voor het bewijs gebruikt en de verdediging heeft het ondervragingsrecht nog niet kunnen uitoefenen. Daarmee doet zich hier het geval voor waarin het belang bij het oproepen en horen van de getuige in beginsel moet worden voorondersteld.
Het hof zal het verzoek tot het horen van de verbalisanten K107, K117 en K119 echter afwijzen.
In de eerste plaats verzet het in art. 6 EVRM Pro verankerde ondervragingsrecht noch het arrest van het EHRM inzake Keskin vs. Nederland (EHRM (Grote Kamer) 19 januari 2021, nr. 2205/16, Keskin vs. Nederland) zich ertegen dat de rechter het getuigenverzoek afwijst als het oproepen en horen van de getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig ("manifestly irrelevant or redundant") is, omdat het horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576). Zoals uit het vorenoverwogene blijkt, is in dit geval van dat laatste sprake. Dat [verdachte] in de ochtend van 24 mei 2013 heeft deelgenomen aan het metselen van de loods blijkt namelijk ook uit de inhoud van het O.VC-gesprek van later die middag, waarin [medeverdachte 3] en [verdachte] terugblikten op hetgeen zij die dag hadden meegemaakt en over metselblokjes spraken. De bevindingen van de verbalisanten bij de observatie zijn daarom reeds door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek buiten redelijke twijfel komen vast te staan.
Daarnaast acht het hof het tijdsverloop van belang. In de onderhavige zaak zou kunnen worden verklaard over de herkenning door K119 van [verdachte] in de Opel Vivaro in de vroege ochtend van 24 mei 2013, en over de herkenning door K107 van [verdachte] bij het metselen van de loods op 24 mei 2013, enkele uren later. Het hof stelt vast dat deze observaties thans ruim 8 jaar geleden zijn uitgevoerd. Het is dus – gelet op de werking van het menselijk geheugen – maar sterk de vraag of en in hoeverre de verbalisanten zich nog specifieke details kunnen herinneren van de herkenningen van [verdachte] op die bewuste dag en bij die bewuste gebeurtenissen.
Wat betreft het gewicht van de belastende bevindingen van verbalisanten in de door het hof gebruikte bewijsconstructie overweegt het hof dat ook met weglating van deze belastende verklaring tot een bewezenverklaring zou kunnen worden gekomen. Niet alleen de observatie wordt ondersteund door een overig bewijsmiddel, uit de overige gebezigde bewijsmiddelen, in het bijzonder de inhoud van de OVC-gesprekken, is bovendien boven redelijke twijfel verheven dat verdachte zich in de bewezenverklaarde periode ook op andere momenten actief heeft bezig gehouden met de productie van amfetamine en de voorbereidingshandelingen ten behoeve van de amfetamineproductie. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de bewezenverklaring niet in beslissende mate op de verklaringen van de verbalisanten K107, K117 en K119 is gebaseerd, zodat deze observatie niet als een "sole and decisive" bewijsmiddel kan worden aangemerkt.
Tot slot is het hof van oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. In dat kader stelt het hof vast dat het verzoek van de raadsman in een heel laat stadium van de procedure is gedaan, te weten tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, ter terechtzitting van het hof d.d. 28 juni 2021. Dit is ruim 8 jaren na de gedane observaties en ruim 7 jaren nadat verdachte in verzekering is gesteld. Het hof stelt vast dat de raadsman reeds vanaf het moment dat verdachte in verzekering is gesteld de advocaat van verdachte is. Voor de verdediging stonden derhalve eerdere mogelijkheden – in de voorfase, de procedure in eerste aanleg, bij appelschriftuur of bij gelegenheid van een regiezitting in hoger beroep – open om dit verzoek te doen. In dat kader merkt het hof voorts op dat in hoger beroep twee verbalisanten (K122 en K123) die een andere observatie hebben uitgevoerd (op de dag van de inval, 11 juni 2013) als getuigen zijn gehoord. De raadsman van verdachte was bij beide verhoren aanwezig en heeft aan deze verbalisanten ook vragen gesteld. Beide verbalisanten gaven te kennen dat hun geheugen niet meer vers was en dat zij zich specifieke gebeurtenissen veelal niet meer konden herinneren. Wel hebben deze verbalisanten desgevraagd verklaard hoe een dergelijke observatie in zijn algemeenheid in zijn werk gaat. Zo verklaarden zij welke afspraken er zijn met betrekking tot observaties en hoe de waarnemingen worden vastgelegd, voorgelezen, gecontroleerd en ondertekend.
Gelet op al het hiervoor overwogene, in onderlinge samenhang bezien, levert een afwijzende beslissing tot het horen van de verbalisanten K107, K117 en K119 als getuigen naar het oordeel van het hof geen schending van het door art. 6, derde lid, onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht op. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek derhalve af. Het hof acht het verzochte verhoor in verband met de volledigheid van het onderzoek niet noodzakelijk omdat het zich op dit punt voldoende voorgelicht acht en is van oordeel dat de verdediging door de afwijzing van het verzoek niet in haar verdediging is geschaad.”

3.Het middel

3.1
Het middel klaagt over schending van het in art. 6 lid 3 onder Pro d EVRM vervatte ondervragingsrecht van getuigen en valt uiteen in een tweetal deelklachten.
3.2
In de eerste plaats wordt opgekomen tegen het gebruik voor het bewijs van de voor de verdachte belastende verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] . De overweging van het hof dat ondanks het ontbreken van een adequate ondervragingsmogelijkheid deze verklaring toch voor het bewijs kan worden gebezigd, omdat deze een zeer geringe rol heeft gespeeld bij de veroordeling is volgens de stellers van het middel onjuist en/of onbegrijpelijk, nu het hof niet heeft doen blijken, te hebben onderzocht of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor het ontbreken van een ondervragingsmogelijkheid. De bewezenverklaring is derhalve ontoereikend gemotiveerd.
3.3
Ten tweede is het middel gericht op de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van verbalisanten K170, K117 en K119 en het tot het bewijs bezigen van hun verklaringen. Het oordeel van het hof dat de bevindingen van de verbalisanten bij de observatie reeds door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan, zodat het horen van de verbalisanten onmiskenbaar irrelevant of overbodig is, omdat dit voor de bewijsvoering geen toegevoegde waarde zal hebben, is in het licht van de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere door de verdachte betwiste resultaten van het onderzoek en zijn proceshouding onjuist althans onbegrijpelijk, zo wordt gesteld. In dit verband wordt tevens aangevoerd dat uit de omstandigheid dat het hof de inhoud van de verklaringen van de verbalisanten voor het bewijs heeft gebruikt, blijkt dat niet kan worden gezegd dat de verklaringen van geen enkel belang zijn of geen toegevoegde waarde hebben voor de bewijsvoering. Indien het oordeel van het hof dat de bewijskracht van een eventuele herkenning van medeverdachten door de verbalisanten onvoldoende gewicht wordt toegekend, zo gelezen dient te worden dat de verklaringen van deze getuigen niet kunnen afdoen aan het oordeel van het hof, is het al vooruit gelopen op zijn oordeel omtrent het bewijs en de bewezenverklaring, hetgeen niet is toegestaan.
3.4
Voorts wordt aangevoerd dat voor zover het hof met de overweging, dat het proces in het geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces, omdat het verzoek eerder had kunnen worden gedaan en andere verbalisanten zijn gehoord over andere observaties en daarbij hebben verklaard dat hun geheugen niet meer vers was, heeft bedoeld dat van het horen van de getuigen wordt afgezien, nu aangenomen moet worden dat zij geen herinneringen zullen hebben omtrent hetgeen destijds is voorgevallen, het ook hiermee onterecht vooruit is gelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.
3.5
Tot slot wordt betoogd dat het hof zich ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat het weglaten van verschillende 'misbare' bewijsmiddelen van invloed is op de vraag in hoeverre de bewezenverklaring nog wel in voldoende mate door de overgebleven bewijsmiddelen wordt gesteund. In dit verband wijzen de stellers van het middel erop dat de verklaring van een niet-ondervraagde getuige niet kan worden geleverd door de verklaring van een andere niet-ondervraagde getuige.
3.6
Bespreking van het middel
Het beoordelingskader: de post-Keskin-jurisprudentie van de Hoge Raad
3.7
Het centrale uitgangspunt in de post-Keskin jurisprudentie van de Hoge Raad is dat de rechter die de bewezenverklaring mede baseert op een belastende verklaring van een niet-ondervraagde getuige, dient te toetsen of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Voorwaarde is wel dat de verdediging het nodige initiatief heeft genomen om de getuige te kunnen ondervragen. [1] Deze toetsing vindt in beginsel plaats aan de hand van drie factoren, die in onderling verband dienen te worden beschouwd en als het ware functioneren als communicerende vaten, te weten: 1) de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de belastende getuige, 2) het gewicht van de belastende verklaring in de bewijsvoering en 3) het bestaan van compenserende factoren voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Het gaat erom dat de rechter, alvorens de bewezenverklaring wordt aangenomen mede op grond van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, nagaat of de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. [2]
3.8
Dat de motivering een rol speelt bij de toetsing in cassatie blijkt uit de volgende overweging uit het standaardarrest van 20 april 2021: [3]
“2.12.3 De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.”
3.9
In aanvulling daarop heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 12 oktober 2021 [4] nog benadrukt dat voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, het gewicht van de betreffende getuigenverklaring in de bewijsconstructie nog altijd een belangrijke factor is, maar dat dit er niet aan afdoet dat ook de aanwezigheid van een goede reden voor het niet kunnen ondervragen van de getuige en het bestaan van compenserende factoren in die beoordeling moeten worden betrokken, waarbij al deze factoren in onderling verband dienen te worden beschouwd.
3.1
Dat de motivering ten aanzien van het bestaan van compenserende factoren niet altijd expliciet uit het arrest hoeft te blijken, kan worden afgeleid uit een recent arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2023, waarin de omstandigheid speelde dat het ondervragingsrecht niet kon worden gerealiseerd omdat de getuige was overleden voorafgaand aan de behandeling van de zaak op de terechtzitting in hoger beroep. Het hof had in zijn arrest niet expliciet blijk gegeven van een onderzoek of er voldoende compenserende factoren hadden bestaan en had evenmin overwegingen gewijd aan de vraag of de procedure in haar geheel voldeed aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces, nu de verdediging niet de gelegenheid had gehad om de getuige te ondervragen. Desalniettemin heeft de Hoge Raad uit de bewijsoverwegingen van het hof afgeleid dat hierin het oordeel van het hof besloten lag dat de procedure in haar geheel voldeed aan art. 6 EVRM Pro. [5]
3.11
De vraag of een getuigenverklaring
decisiveis voor de bewezenverklaring is niet eenvoudig te beantwoorden. Wat dit betreft deel ik de analyse van mijn ambtgenoot AG Aben dat uit de rechtspraak van het EHRM kan worden afgeleid dat de kernvraag – namelijk op welk moment het steunbewijs dermate krachtig is dat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige binnen de bewijsconstructie niet (meer) als
decisivekan worden aangemerkt – moet worden beantwoord door te beoordelen of het bewijsoordeel (waarschijnlijk) anders zou luiden als de verklaring van de niet-ondervraagde getuige buiten beschouwing wordt gelaten. [6]
3.12
Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat art. 6 EVRM Pro zich er niet tegen verzet dat de rechter het verzoek tot het oproepen en horen van een getuige afwijst als dit
manifestly irrelevantis, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. De Hoge Raad heeft in dit verband overwogen dat dit “zich bijvoorbeeld [kan] voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan”. [7] Deze maatstaf is in het arrest van 21 december 2021 als volgt nader geconcretiseerd: [8]
“Voor het oordeel dat zich een dergelijke situatie voordoet, zijn onder meer van belang de inhoud van de in de tenlastelegging tot uitdrukking gebrachte beschuldiging, de andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek die zich in het procesdossier bevinden, zoals verklaringen van andere getuigen, en de procesopstelling van de verdachte, een en ander in het licht van het verhandelde ter terechtzitting waaronder wat daar mogelijkerwijs nog door de verdediging naar voren is gebracht over het doel van de beoogde ondervraging.”
Bespreking van de eerste deelklacht
3.13
Het middel komt in de eerste plaats op tegen het bezigen voor het bewijs van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] , maar wat mij betreft tevergeefs en wel op grond van het volgende.
3.14
Ten eerste heeft het hof onderkend dat de omstandigheid dat medeverdachte [medeverdachte 3] zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, meebrengt dat daarmee vaststaat dat de verdediging geen adequate ondervragingsmogelijkheid heeft gehad. In cassatie wordt niet bestreden dat hiermee een goede reden bestond voor het niet hebben kunnen uitoefenen van het ondervragingsrecht.
3.15
Voorts heeft het hof conform de zojuist besproken post-Keskin-rechtspraak onderzocht of sprake is van een belastende verklaring die van doorslaggevende betekenis is voor de bewijsconstructie en deze vraag vervolgens ontkennend beantwoord. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, omdat uit de door het hof tot het bewijs gebezigde inhoud van de OVC-gesprekken van 24 en 27 mei alsmede 3 juni 2013 blijkt dat de verdachte met de medeverdachte gesprekken heeft gevoerd waaruit volgt dat de eerstgenoemde actief was betrokken bij het drugslab.
3.16
De stelling dat de verdediging ook ten aanzien van de verbalisanten K 107, 117 en 119 het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, zodat hierin geen steun kan worden gevonden voor de verklaringen van de medeverdachte, doet niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de verklaring van de medeverdachte niet
sole or decisiveis voor de bewezenverklaring. In dit verband merk ik op dat uit de overweging van het hof dat de verklaring van de medeverdachte “in het geheel van de bewijsconstructie [moet] worden gezien als niet meer dan een extra ondersteuning voor de juistheid van de hoofdzakelijk op basis van de letterlijke inhoud van de OVC-gesprekken gemaakte gevolgtrekking dat de verdachte deelnemer aan die gesprekken was en betrokken was bij het drugslab” kan worden opgemaakt dat het zwaartepunt van het bewijs bij de OVC-gesprekken – en niet bij de observaties van de verbalisanten – ligt.
3.17
De overweging van het hof dat het gebruik van de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 3] voor het bewijs in overeenstemming is met recht op een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM Pro, ondanks de door de verdediging ondervonden beperkingen bij de uitoefening van het ondervragingsrecht, is dan ook voldoende gemotiveerd. Dit oordeel getuigt mijns inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.
3.18
De eerste deelklacht faalt.
Bespreking van de tweede deelklacht
3.19
De tweede deelklacht is gericht tegen de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek tot het horen van de verbalisanten K 107, 117 en 119 en het tot het bewijs bezigen van hun verklaringen. Ook deze klacht slaagt niet.
3.2
Het oordeel van het hof dat het horen van de verbalisanten
manifestly irrelevantis, is niet onbegrijpelijk.
3.21
Het hof heeft vastgesteld dat verdachtes deelname aan het metselen van de loods ook uit de inhoud van de OVC-gesprekken van later die middag blijkt en dat op grond van de inhoud van
anderebewijsmiddelen reeds buiten redelijke twijfel is komen vast te staan hetgeen de verbalisanten hebben verklaard en dat het horen van de verbalisanten dus geen toegevoegde waarde heeft. Het argument dat het hof hiermee in feite al vooruit is gelopen op de inhoud van de verklaringen van de getuigen gaat dus niet op. [9] Ook de stelling dat uit de omstandigheid dat het hof de inhoud van de verklaringen van de verbalisanten voor het bewijs heeft gebezigd, volgt dat de verklaringen wel degelijk van belang zijn en toegevoegde waarde hebben, treft geen doel. Het gaat er immers niet zozeer om of de
afgelegdeverklaringen toegevoegde waarde hebben voor de bewijsvoering, maar of het
oproepen en het horenvan de getuige(n) enige toegevoegde waarde heeft.
3.22
Bovendien heeft het hof overwogen dat niet alleen de observaties steun vinden in de overige bewijsmiddelen, maar dat op grond van deze bewijsmiddelen – in het bijzonder de inhoud van de OVC-gesprekken – boven redelijke twijfel is komen vast te staan dat de verdachte zich in de bewezen verklaarde periode actief heeft beziggehouden met de productie van amfetamine en voorbereidingshandelingen hiervan, waardoor de verklaringen van de verbalisanten niet als een doorslaggevend bewijs kunnen worden aangemerkt. Ook dit is wat mij betreft niet onbegrijpelijk.
3.23
Ten overvloede merk ik nog het volgende op. De stellers van het middel hebben strikt genomen een punt dat het hof met de overweging dat het gelet op de werking van het menselijk geheugen “maar sterk de vraag [is] of en in hoeverre de verbalisanten zich nog specifieke details kunnen herinneren van de herkenningen van [verdachte] op die bewuste dag en bij die bewuste gebeurtenissen” vooruit is gelopen op de inhoud van de verklaringen van de getuigen. In het licht van de overige overwegingen van het hof is dit echter van ondergeschikte betekenis. Dat kan worden afgeleid uit de laatste overweging die het hof hieraan gewijd heeft die als volgt luidt:

Gelet op al het hiervoor overwogene[AG TS: mijn cursivering], in onderlinge samenhang bezien, levert een afwijzende beslissing tot het horen van de verbalisanten K107, K117 en K119 als getuigen naar het oordeel van het hof geen schending van het door art. 6, derde lid, onder d, EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht op. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek derhalve af. Het hof acht het verzochte verhoor in verband met de volledigheid van het onderzoek niet noodzakelijk omdat het zich op dit punt voldoende voorgelicht acht en is van oordeel dat de verdediging door de afwijzing van het verzoek niet in haar verdediging is geschaad.”
De overige overwegingen van het hof – zoals deze zijn uitgelicht in de vorige randnummers van deze conclusie (in het bijzonder met betrekking tot de inhoud van de OVC-gesprekken) – kunnen de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek de verbalisanten op te roepen en te horen (omdat dit niet noodzakelijk is) en het oordeel dat het bezigen tot het bewijs van deze verklaringen geen schending van art. 6 EVRM Pro oplevert, zelfstandig dragen. De overweging inzake het vermogen van de verbalisanten om zich de observaties te herinneren – wat daar verder ook van zij – doet dus niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof inzake de afwijzing van het voorwaardelijk verzoek.
3.24
De tweede deelklacht faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep tot aan de datum van deze conclusie reeds ruim twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. [10] Dit dient te leiden tot strafvermindering. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zoals recent weer een keer herhaald in HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:946, NJ 2023/299, m.nt. Jörg, rov. 4.5.
2.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. Reijntjes en HR 12 oktober 2021 ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368, m.nt. Jörg. De drie-stappentoets stamt oorspronkelijk uit EHRM (GK) 15 december 2011, zaaknr. 26766/05, ECLI:CE:ECHR:2011:1215JUD002676605, (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk).
3.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. Reijntjes.
4.HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, NJ 2021/368, m.nt. Jörg, rov. 2.4.2.
5.HR 3 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1349, rov 2.4.2 – 2.5.2.
6.Zie de conclusie van AG Aben (onder 21 en 22) voor HR 11 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:227, NJ 2020/186, m.nt. Vellinga. Zie in dit verband tevens de conclusie van AG Knigge (onder 5.5) voor HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1016, NJ 2017/447, m.nt. Kooijmans. Knigge meent dat de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dient te worden weggedacht en dat vervolgens dient te worden gekeken of de kans op een veroordeling aanzienlijk kleiner wordt.
7.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. Reijntjes, rov. 2.9.3.
8.HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1930, NJ 2022/22, rov. 2.4.2.
9.Zie de conclusie van AG Bleichrodt (onder 43) voor HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021/173, m.nt. Reijntjes waarin hij betoogt dat de ‘manifestly irrelevant’-afwijzingsgrond enige ruimte biedt voor de beoordeling van het belang van het horen van een belastende getuige.
10.HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:464, rov. 4.