Conclusie
Nummer22/00118 P
Inleiding
De strafzaak
Het middel
“3.2 Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De toelichting op het middel
Het beoordelingskader
condicio sine qua non-test uitgevoerd waarbij twee vermogensposities met elkaar worden vergeleken: (1) de werkelijke vermogenspositie waarin de dader is komen te verkeren, en (2) een hypothetische vermogenspositie waarin de dader zich zou hebben bevonden indien het delict
nietzou zijn gepleegd. Aangenomen wordt dat het aldus becijferde verschil in vermogen zijn oorsprong vindt in het delict en zodoende
doorhet begaan van het delict (en dus wederrechtelijk) is verkregen. [3]
verkregen? De ontnemingsrechter komt hierin veel vrijheid toe, omdat het antwoord moet (kunnen) worden toegesneden op de omstandigheden van het geval. Niettemin valt er in de jurisprudentie wel een grootste gemene deler te bespeuren, en dat is het moment van de voltooiing van het delict. [4] Bij diefstal is dat het moment waarop de dief zich de buit heeft toegeëigend. De vermogenstoename vindt doorgaans op dat moment reeds plaats, [5] zodat het voordeel zich dan ook op dat moment manifesteert.
uit de batenvan het strafbare feit is verkregen en dat zodoende eveneens – zij het indirect – afkomstig is van het strafbare feit. [6] Dit vervolgprofijt kan zich op een later moment hebben verwezenlijkt dan op het door mij bedoelde ‘ijkmoment’ (doorgaans) bij de voltooiing van het delict. [7]
condicio sine qua non-toets die de eerste vervangt.
De bespreking van het middel
condicio sine qua non-test is hier dus van doorslaggevend belang. Ligt dat ijkmoment vóór of ná de trekking?
kosten bespaard door loten te stelen”. [11] Op het moment van de voltooiing van de diefstal heeft de betrokkene voor zichzelf dus reeds een voordeel gerealiseerd. Het is niet onredelijk om dát voordeel te schatten. Ten opzichte van de situatie waarin hij zich zou hebben bevonden als hij de diefstal niet zou hebben gepleegd, is het vermogen van de betrokkene – vóór de trekking – toegenomen met een bedrag dat gelijk is aan de waarde van de (door hem niet-betaalde) loten. En ook al bedraagt de intrinsieke waarde van een lot vóór de trekking (d.w.z. de kansen op prijzen vermenigvuldigd met de hoogte van de prijzen) meestal minder dan de
aanschafwaarde van dat lot vóór de trekking, het is niet onredelijk om de waarde van een lot gelijk te stellen aan het bedrag dat een eerlijke speler daarvoor (vóór de trekking) zou betalen.